Suzuki Katana GSX-S1000 (2022) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Suzuki Katana GSX-S1000 (2022) (185 pagina’s), behorend tot de categorie Motor. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 37 mensen en kreeg gemiddeld 4.5 sterren uit 4 reviews. Heb je een vraag over Suzuki Katana GSX-S1000 (2022) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Suzuki |
| Categorie: | Motor |
| Model: | Katana GSX-S1000 (2022) |
Handleiding Suzuki Katana GSX-S1000 (2022) – volledige tekst
BELANGRIJKE INFORMATIEINFORMATIE I.V.M. DE INRIJPERI-ODE VAN UW MOTORFIETSDe eerste 1600 km zijn de belangrijk-ste voor de levensduur van uw motor-fiets. Een correct nagevolgdeinrijperiode verzekert een maximaleduurzaamheid en een optimale wer-king van uw nieuwe motorfiets.Suzuki-onderdelen zijn vervaardigdvan materialen van hoge kwaliteit endeze zijn in de fabriek afgewerkt methet oog op nauwkeurig bepaaldebelastingen. Een correct nagevolgdeinrijperiode zorgt ervoor dat de afge-werkte oppervlakken elkaar smerenen zich harmonieus aan elkaar aan-passen.De betrouwbare werking van uwmotorfiets hangt af van de specialezorg en het navolgen van de beper-kingen tijdens de inrijperiode.
Let ervooral op de motor niet te overbelas-ten om oververhitting van de motoron-derdelen te voorkomen.Zie het hoofdstuk HET INRIJDENvoor verdere aanbevelingen en voor-schriften betreffende het inrijden.WAARSCHUWING/VOORZICHTIG/LET OP/OPMERKINGLees deze handleiding zorgvuldigdoor en volg alle aanwijzingen zorg-vuldig op. Om de nadruk te leggen opspeciale informatie, hebben het sym-bool en de woorden WAARSCHU-WING, VOORZICHTIG, LET OP enOPMERKING alle een speciale bete-kenis.
VOORWOORDMotorrijden is een van de meestopwindende sporten, en om zeker tezijn van uw rijplezier doet u er goedaan om de informatie in deze gebrui-kershandleiding aandachtig door tenemen voordat u op uw motorfietsgaat rijden.In deze handleiding worden de juisteverzorging en het onderhoud van uwmotorfiets beschreven. Door dezeaanwijzingen precies op te volgen,kunt u er zeker van zijn dat uw motor-fiets een lang leven heeft zonderongemakken. Uw erkende Suzuki-dealer heeft ervaren technici dieopgeleid zijn om uw motorfiets met debest mogelijke zorg te omringen, metde juiste gereedschappen en hetjuiste materiaal.Alle informatie, afbeeldingen en spe-cificaties die u in deze handleidingvindt, zijn volledig bijgewerkt tot hetogenblik van publicatie.
Tengevolgevan verbeteringen of andere verande-ringen zouden er tegenstrijdighedenkunnen voorkomen tussen de infor-matie in deze handleiding en uwmotorfiets. Suzuki behoudt zich hetrecht voor om te allen tijde verande-ringen aan te brengen.Deze handleiding is van toepassingop alle specificaties of op alle respec-tievelijke bestemmingen en geeft uit-leg over al het materiaal. Het isdaarom mogelijk dat uw model afwij-kende kenmerken heeft dan die ver-meld in deze handleiding.
1-3RICHTLIJNEN VOOR DE MONTAGE VAN ACCESSOIRES• Accessoires die van invloed zijnop de windgevoeligheid zoalsstroomlijnkappen, windschermen,rugsteunen, zadeltassen en reis-koffers moeten zo laag mogelijkworden gemonteerd en ook zodicht mogelijk bij het zwaartepunt.Zorg dat de bevestigingsbeugelsen het andere bevestigingsmateri-aal stevig zijn aangebracht.• Controleer op de juiste grondspe-ling en de schuinte van de zit. Leter tevens op dat de accessoiresde werking van de vering, stuurin-richting en andere bedieningsor-ganen niet hinderen.• Accessoires die aan het stuur ofde voorvork worden gemonteerd,kunnen een zeer nadelige invloedop de stabiliteit hebben. Door hetextra gewicht zal uw motorfietsminder goed reageren op uwbesturing. Het extra gewicht kanook trillingen in het voorgedeelteveroorzaken en kan zodoende lei-den tot minder stabiliteit.
Acces-soires aan het stuur of devoorvork moeten zo licht mogelijkzijn en dienen beperkt te wordentot een minimum.• Door sommige accessoires wordtde motorrijder gedwongen omzijn/haar normale rijhouding teveranderen. Hierdoor wordt debestuurder in de bewegingenbeperkt en dit beperkt weer debesturing van de motorfiets.• Extra elektrische accessoires kun-nen het bestaande elektrischesysteem overbelasten. Zwareoverbelasting kan de bedradingbeschadigen of kan gevaar ople-veren als gevolg van het uitvallenvan de stroom wanneer de motor-fiets in gebruik is.• Trek geen aanhangwagen of eenzijspan. Deze motorfiets is nietontworpen voor het trekken vaneen aanhangwagen of zijspan.
1-4LAADLIMIETOverschrijd nooit het MTT (maximaaltoelaatbaar totaalgewicht) van dezemotorfiets. Het MTT is het totalegewicht van de machine, accessoires,nuttige belastingen, de bestuurder ende passagier tezamen. Denk bij hetuitkiezen van accessoires aan hetgewicht van de bestuurder en ookaan het gewicht van de andere acces-soires.
Het extra gewicht van deaccessoires kan niet alleen onveiligerijomstandigheden veroorzaken, maarkan ook een nadelige invloed hebbenop de stabiliteit van het rijden.MTT: 400 kgbij bandenspanning (koud)Voor: 250 kPa (2,50 kgf/cm2)Achter: 290 kPa (2,90 kgf/cm2)RICHTLIJNEN VOOR DE BELADINGDeze motorfiets kan voornamelijkkleine voorwerpen vervoeren wan-neer u niet met een passagier rijdt.Volg de onderstaande richtlijnen voorde belading:• Verdeel de lading gelijk over delinker- en de rechterkant van demotorfiets en maak deze goedvast.• Zorg dat het gewicht van debagage zo laag mogelijk is enhoud dit ook zo dicht mogelijk bijhet midden van de motorfiets.
• Bevestig geen grote of zwarevoorwerpen aan het stuur, devoorvork of het achterspatscherm.• Monteer geen bagagedrager ofeen bagagekoffer die over hetachtereind van de motorfiets uit-steekt.• Vervoer geen voorwerpen die overhet achtereind van de motorfietsuitsteken.• Controleer of beide banden dejuiste bandenspanning hebbenvoor de belading van de motor-fiets. Zie pagina 6-37.• Een verkeerde belading heeft eennadelige invloed op de balans ende stuureigenschappen van demotorfiets. Minder uw snelheid enrijd nooit harder dan 130 km/hwanneer u bagage meeneemt ofals er accessoires zijn aange-bracht.• Verstel indien nodig de instellin-gen voor de vering. WAARSCHUWINGOverbelading of verkeerde bela-ding kan resulteren in verlies vande controle over de motorfiets meteen ongeluk tot gevolg.Neem alle laadlimieten en bela-dingsrichtlijnen in deze handlei-ding in acht.
1-5WIJZIGINGENHet aanbrengen van wijzigingen aande motorfiets of het verwijderen vanoorspronkelijk aangebracht materiaalkan het voertuig onveilig of onwettelijkmaken.Het frame van deze motorfiets is vaneen aluminiumlegering vervaardigd.Breng daarom nooit wijzigingen aanin het frame door middel van boren,lassen e.d., aangezien de sterkte enstevigheid van het frame hierdooraanzienlijk worden aangetast. Hetniet in acht nemen van deze waar-schuwing kan resulteren in een onvei-lig gebruik van de motorfiets, met eenongeluk als mogelijk gevolg.
Suzukistelt zich op generlei wijze aanspra-kelijk voor persoonlijk letsel of schadeaan de motorfiets, veroorzaakt door inhet frame aangebrachte wijzigingen.Accessoires mogen op het frame wor-den gemonteerd (met bouten), opvoorwaarde dat het frame geenszinswordt gewijzigd en het MTT niet wordtoverschreden. WAARSCHUWINGPlaatsen van voorwerpen in deruimte achter de stroomlijnkapkan het sturen belemmeren en kanleiden tot verlies van de controleover de motorfiets.Plaats geen voorwerpen in deruimte achter de stroomlijnkap. WAARSCHUWINGWijzigingen aan een frame vanaluminiumlegering, zoals boren oflassen, verzwakken het frame. Ditzou kunnen resulteren in eenonveilige gebruikstoestand van demotorfiets, wat kan leiden tot eenongeluk.Maak nooit aanpassingen aan hetframe.
1-6VEILIGHEIDSADVIES VOOR MOTORRIJDERSMotorrijden is een geweldige enopwindende sport. Er moeten echterook enkele voorzorgsmaatregelengenomen worden om de veiligheidvan de bestuurder en de passagier tewaarborgen. Deze voorzorgsmaatre-gelen zijn:DRAAG EEN HELMVeiligheidsuitrusting voor de motor-fiets begint met een veiligheidshelmvan goede kwaliteit. Een van demeest ernstige verwondingen die ukunt oplopen is een verwonding aanhet hoofd. Draag ALTIJD een goedge-keurde helm. Ook is het aan te radenom passende oogbescherming tedragen.MOTORKLEDINGLoszittende, nette kleding kan onge-makkelijk en onveilig zijn bij hetmotorrijden. Kies motorkleding vangoede kwaliteit wanneer u motorrijdt.CONTROLE VÓÓR HET RIJDENLees nog eens grondig de instructiesdoor in het hoofdstuk “CONTROLEVÓÓR HET RIJDEN” in deze handlei-ding.
Vergeet niet een algehele veilig-heidscontrole uit te voeren om deveiligheid van bestuurder en passa-gier te waarborgen.MAAK UZELF VERTROUWD MET DE MOTORFIETSUw rijvaardigheid en uw mechanischekennis van de motorfiets vormen debasis voor veilig rijden. Wij raden uaan om eerst wat te oefenen met uwmotorfiets op een plaats waar geenverkeer kan komen, totdat u volledigvertrouwd bent met uw machine ende bedieningsorganen. Oefeningbaart kunst!KEN UW GRENZENRijd altijd binnen de grenzen van uweigen vaardigheid. Door deze gren-zen te kennen en altijd binnen dezegrenzen te blijven kunt u ongelukkenvoorkomen.DENK AAN EXTRA VEILIGHEID BIJ SLECHT WEERRijden bij slecht weer, vooral bij natweer, vereist extra voorzichtigheid. Deremafstand is bij regen tweemaal zogroot. Geverfde pijlen op de weg, put-deksels en vettige weggedeelten kun-nen bijzonder glad zijn.
1-7RIJD DEFENSIEFDe meeste ongelukken met motorfiet-sen gebeuren wanneer een tege-moetkomende auto plotseling vlakvoor de motorfiets afslaat. Rijd defen-sief. Een verstandige motorrijder gaater voor de zekerheid van uit dat hij ofzij zelf onzichtbaar is voor de andereweggebruikers, zelfs op klaarlichtedag. Draag felle, reflecterende kle-ding. Schakel de koplamp en het ach-terlicht altijd in, ook al schijnt de zon,opdat u zo opvallend mogelijk bent.En vermijd vooral de blinde hoek vanautomobilisten.LABELSLees alle labels op de motorfiets envolg de aanwijzingen op. Zorg dat ude informatie op de labels begrijpt.Verwijder geen labels van de motor-fiets.
1-8PLAATS VAN DE SERIENUMMERSDe serienummers op het frame en/ofde motor worden gebruikt om demotorfiets te registreren. Zij komenook van pas wanneer uw dealeronderdelen bestelt of om te verwijzennaar speciale service-informatie. Hetframenummer 1 is op de balhoofd-buis geslagen. Het motorserienum-mer 2 is op het motorcartergeslagen.Noteer de nummers in het onder-staande vakje zodat deze latergemakkelijk teruggevonden kunnenworden.
LAWAAI-ONDERDRUKKINGSSYSTEEM (ALLEEN VOOR AUSTRALIË)WIJZIGINGEN AANBRENGEN IN HET LAWAAI-ONDERDRUKKINGS-SYSTEEM IS VERBODENGebruikers worden erop attentgemaakt dat de wet de volgendezaken verbiedt:(a) Het verwijderen of ongeschiktmaken door wie dan ook, behalvewanneer dit gebeurt voor het ver-richten van onderhoud, reparatieof vervanging, van enigerlei appa-raat of element dat tot doel heeftlawaai te verminderen, en dat ineen nieuw voertuig is ingebouwdvoordat het voertuig werd ver-kocht of aan de uiteindelijkegebruiker werd geleverd, of terwijlhet voertuig in gebruik is; en(b) Het gebruik van het voertuignadat een dergelijk apparaat ofelement is verwijderd of onge-schikt is gemaakt door wie danook.Framenummer:Motornummer:
2-5SLEUTELBij deze motorfiets worden twee iden-tieke contactsleutels geleverd.Bewaar de reservesleutel op een vei-lige plaats. Als alle sleutels verlorenzijn gegaan, moet de ECM vervangenworden. (Model met startblokkering) WAARSCHUWINGEen sleutelbos met een lange ket-ting kan klem raken tussen hetcontactslot en de bovenbeugel.Dit kan hinderen bij het sturenwaardoor een gevaarlijke situatieontstaat.Gebruik uw contactsleutel zondersleutelhanger of andere sleutelseraan bevestigd.LET OPWanneer een sleutelhanger ofandere ketting aan de contactsleu-tel wordt bevestigd, kan de bepla-ting of het lakwerk rondom hetcontactslot worden beschadigd. Gebruik de contactsleutel afzon-derlijk of hoogstens met een zachtsleutelmapje om beschadigingvan de beplating en het lakwerk tevoorkomen.
2-6OPMERKING: • In de sleutel is een startblokke-ringsidentificatiecode geprogram-meerd. Dit betekent dat eensleutel die bij een normale sleutel-maker is gemaakt niet zal werken.Ga naar uw Suzuki-dealer als ueen reservesleutel wilt latenmaken.• Als u de sleutel verliest, dient u uwSuzuki-dealer de verloren sleutelte laten deactiveren.• Als u meerdere voertuigen bezitmet startblokkeringssleutels, dientu de betreffende sleutels uit debuurt van het contactslot te hou-den wanneer u de motorfietsgebruikt, want die sleutels kunnenstorend zijn voor het startblokke-ringssysteem van uw motorfiets.De reservesleutel van uw motor-fiets kan ook hinderlijk zijn voorhet startblokkeringssysteem vanuw motorfiets.
Houd uw reserve-sleutel uit de buurt van het con-tactslot.• Omdat alles wat van metaal isgemaakt, gemagnetiseerd is ofeen radiogolf uitzendt de commu-nicatie van de startblokkeringbeïnvloedt, mag een dergelijk arti-kel niet aan de sleutelhouder wor-den bevestigd of dicht bij desleutel worden geplaatst.• Oorspronkelijk zijn er twee sleu-tels in het startblokkeringssy-steem geregistreerd. U kunt nogtwee extra sleutels registreren.Vraag uw Suzuki-dealer om extrareservesleutels te maken en teregistreren.STARTBLOKKERINGSCONTROLE-LICHTJE(indien uitgerust)Het startblokkeringscontrolelichtjeknippert 2 maal wanneer het contact-slot wordt aangezet. Vervolgens gaathet lichtje 2 seconden branden,waarna het dooft.Het startblokkeringssysteem isbedoeld om diefstal van de motorfietste voorkomen door het motor-startsysteem elektronisch te deactive-ren.
2-7OPMERKING: • De motor kan niet gestart wordenwanneer het controlelichtje blijftknipperen.• Als het controlelichtje blijft knippe-ren, betekent dit dat er een com-municatiefout tussen hetstartblokkeringssysteem en deECM is of dat er een verkeerdesleutel wordt gebruikt. Zet hetcontactslot af en dan opnieuwaan, zodat het startblokkeringssy-steem weer juist werkt.• Oorspronkelijk zijn twee contacts-leutels in het startblokkeringssy-steem geregistreerd. U kunt nogtwee extra sleutels registreren. Bijhet inschakelen van het contact-slot geeft het aantal knipperingenvan het controlelichtje het aantalgeregistreerde sleutels aan.CONTACTSLOTModel met startblokkeringHet contactslot heeft 4 standen:“OFF”-STANDAlle elektrische circuits zijn uitgescha-keld. De motor kan niet gestart wor-den.
2-8“ON”-STANDHet ontstekingscircuit is ingescha-keld en de motor kan nu gestart wor-den. De koplamp en het achterlichtzullen automatisch gaan brandenwanneer de contactsleutel in dezestand wordt gezet. In deze stand kande sleutel niet uit het contactslot wor-den getrokken.OPMERKING: Start de motor meteennadat u de sleutel in de “ON”-standhebt gezet, anders moet de accuonnodig stroom leveren voor het ver-bruik door de koplamp en het achter-licht.“LOCK”-STANDOm het stuur te vergrendelen, draait udit eerst helemaal naar links. Duw desleutel omlaag, draai deze naar de“LOCK”-stand en trek de sleutel uithet slot.
Alle elektrische circuits zijnuitgeschakeld.OPMERKING: • Beweeg het stuur naar rechts ennaar links om er zeker van te zijndat het goed vergrendeld is.• Als het niet gemakkelijk kan wor-den vergrendeld, draai de sleuteldan naar de “LOCK”-stand terwijlu het stuur lichtjes naar rechtsbeweegt.“P”-STAND (parkeren)Wilt u de motorfiets parkeren, ver-grendel dan het stuur en draai desleutel in de “P”-stand. De sleutel kannu verwijderd worden, maar het par-keerlicht (indien uitgerust) en het ach-terlicht blijven branden terwijl hetstuur vergrendeld is. In deze stand isde motorfiets beter zichtbaar wanneeru bijvoorbeeld ’s avonds langs de wegparkeert. WAARSCHUWINGHet is gevaarlijk om het contact-slot in de “P”- (PARKEREN) of“LOCK”-stand te zetten terwijl demotorfiets in beweging is. Het kangevaarlijk zijn om de motorfiets tebewegen wanneer het stuur is ver-grendeld.
2-9Het sleutelgat kan worden afgedektdoor het dekseltje te draaien.Breng de opening in het dekseltjeboven het sleutelgat wanneer u desleutel in het contactslot steekt. WAARSCHUWINGAls de motorfiets omvalt alsgevolg van slippen of een onge-luk, is het mogelijk dat de motor-fiets door een plotselingopgetreden beschadiging blijftdraaien, wat kan resulteren inbrand of in eventueel letsel doorbewegende onderdelen zoals hetachterwiel.Als de motorfiets omvalt, moet uhet contactslot meteen afzetten.Neem contact op met een erkendeSuzuki-dealer om de motorfiets opniet zichtbare beschadigingen telaten controleren.ONIGNITIONIGNITIONOFFOFFPLOCKPUSHONIGNITIONIGNITIONOFFOFFPLOCKPUSHONIGNITIONIGNITIONOFFOFFPLOCKPUSHONONIGNITIONIGNITIONOFFOFFPLOCKPUSH
2-12EERSTE METERDISPLAYWanneer u het contactslot op AANzet, zal de meter als volgt reageren.• Alle LCD-segmenten verschijnenen tonen dan het normalescherm.• De volgende lampjes gaan 3seconden branden.- Motortoerental-verklikker-lampje (MAIN) 3- Motortoerental-verklikker-lampje (SUB) 4- Storingscontrolelichtje 7- Hoofdwaarschuwingscontrole-lichtje 8• De volgende lampjes gaan bran-den.- ABS-controlelichtje 1- Tractieregelingslampje 5- Koelvloeistoftemperatuurcontro-lelichtje/oliedrukcontrolelichtje/acculaaddefectverklikkerlampje0OPMERKING: Zie de uitleg bij debetreffende lampjes in dit hoofdstukvoor de uitschakelingstoestand.ABS-VERKLIKKERLAMPJE “” 1• Dit verklikkerlampje gaat gewoon-lijk branden wanneer het contact-slot in de stand “ON” wordtgedraaid en gaat uit wanneer derijsnelheid hoger dan 5 km/hwordt.• Als er een probleem is met hetABS (antiblokkeersysteem), gaathet lampje branden.
Het ABSwerkt niet wanneer het ABS-verk-likkerlampje brandt. WAARSCHUWINGRijden met de motorfiets terwijlhet ABS-verklikkerlampje brandt,kan gevaarlijk zijn.Als het ABS-verklikkerlampjeknippert of gaat branden tijdenshet rijden, parkeert u de motor-fiets op een veilige plaats en zet uhet contactslot uit. Wacht een paarminuten, zet het contactslot op“ON” en controleer of het contro-lelichtje gaat branden.• Als het verklikkerlampje uitgaatnadat u weer bent gaan rijden, ishet ABS in orde.• Als het verklikkerlampje niet uit-gaat nadat u weer bent gaan rij-den, werkt het ABS niet. Laathet systeem in dit geval zospoedig mogelijk door eenerkende Suzuki-dealer nakijken.
2-13OPMERKING: • Als het ABS-verklikkerlampje uit-gaat nadat de motor is gestartmaar voordat u gaat rijden, moet ude werking van het ABS-verklik-kerlampje controleren door hetcontactslot uit en dan weer aan tezetten.
Als het ABS-verklikker-lampje niet gaat branden wanneerhet contactslot wordt aangezet,moet u het systeem zo spoedigmogelijk door een erkendeSuzuki-dealer laten nakijken.• Het ABS-verklikkerlampje gaatsoms uit wanneer u de motor methoog toerental laat draaien voor-dat u gaat rijden.RICHTINGAANWIJZER-VERKLIKKERLAMPJE “” 2Dit controlelichtje gaat knipperenwanneer de rechter of linker richting-aanwijzer in werking wordt gesteld.OPMERKING: Als een richtingaanwij-zer niet goed werkt als gevolg vaneen defect circuit, zal het controle-lichtje sneller knipperen om de berij-der erop attent te maken dat er eenstoring is. WAARSCHUWINGHet ABS werkt niet wanneer hetABS-controlelichtje brandt. Plot-seling en te krachtig remmen wan-neer het ABS-verklikkerlampjebrandt, kan de wielen blokkeren,wat kan leiden tot verlies van con-trole. Laat uw motorfiets meteen dooreen Suzuki-dealer nakijken.
2-14TRACTIEREGELINGCONTROLE-LICHTJE “TC” 5De werking van het tractieregeling-verklikkerlampje (TC) verschilt afhan-kelijk van de motorfietsinstellingen.Voor meer informatie, zie “Tractiere-gelsysteem” op pagina 2-56.Het tractieregeling-verklikkerlampje:• Gaat branden wanneer het con-tactslot op AAN wordt gezet engaat uit wanneer de snelheidongeveer 5 km/h bereikt en hettractieregelingssysteem werkt.• Knippert wanneer het tractierege-lingssysteem werkt.• Brandt constant wanneer het trac-tieregelingssysteem op UIT staat.Als het tractieregeling-verklikkerlampje(TC) gaat branden op een andermoment dan wanneer het contactslotop AAN wordt gezet, parkeer demotorfiets dan op een veilige plek enzet het contactslot uit.
Wacht een tijdje,start de motor en controleer dan oftractieregeling-verklikkerlampje “TC”en het storingslampje gaan brandenwanneer de motorfiets 5 km/h of snel-ler rijdt.• De motorfiets werkt correct als hettractieregeling-verklikkerlampje(TC) uitgaat wanneer de motor-fiets 5 km/h of sneller rijdt.• De motorfiets werkt niet correctals het tractieregeling-verklikker-lampje (TC) niet uitgaat wanneerde motorfiets 5 km/h of snellerrijdt. Neem contact op met uwSuzuki-dealer als het lampje nietuitgaat.VRIJSTANDCONTROLELICHTJE “N” 6Dit groene controlelichtje gaat bran-den wanneer de versnelling in de vrij-stand wordt gezet. Het lichtje gaat uitwanneer vanuit de vrijstand in eenversnelling wordt geschakeld. WAARSCHUWINGWanneer het tractieregelingssy-steem niet werkt, gaan het tractie-regeling-verklikkerlampje (TC) enhet storingslampje gelijktijdigbranden.
Het tractieregelingssy-steem werkt niet onder dezeomstandigheden.Wanneer deze lampjes gelijktijdiggaan branden, zet u het tractiere-gelingssysteem op UIT en raad-pleegt u uw Suzuki-dealer.
2-15STORINGSCONTROLELICHTJE “” 7Wanneer het contactslot wordt inge-schakeld, gaat het storingscontrole-lichtje 3 seconden branden tercontrole van het lampje en gaat ver-volgens uit.• (VK, EU)Wanneer er een storing optreedtin de emissiestuurinrichting ofelektrische motorinrichting of wan-neer er wordt gedetecteerd dat demotor overslaat, zal het storings-lampje gaan branden of knippe-ren. Als het defectverklikkerlampjegaat branden of knipperen, ver-schijnt “FI” gelijktijdig op het multi-functionele display.
• (Behalve voor VK, EU)Wanneer er een storing optreedtin een emissiestuurinrichting ofelektrische motorinrichting, gaathet storingslampje branden.Als het storingslampje gaat bran-den, verschijnt “FI” gelijktijdig ophet multifunctionele display.Voor meer informatie, zie “DIAG-NOSESCHERM” op pagina 2-23.OPMERKING: Neem onmiddellijkcontact op met uw Suzuki-dealer alshet defectverklikkerlampje brandt ofknippert.LET OPDe motor laten draaien terwijl hetstoringscontrolelichtje brandt ofknippert kan de emissierichting ofhet rijgedrag beïnvloeden. Als hetlampje knippert terwijl de motordraait, stop de motorfiets danonmiddelijk op een veilige plaatsom schade aan de katalysator tevoorkomen. (VK, EU) Als u in deze situatie op de motor-fiets rijdt, rijd dan op lage snelheidzonder de gashendel grotendeelste openen en laat uw motorfietsdan onmiddellijk door uw Suzuki-dealer inspecteren.
2-16HOOFDWAARSCHUWINGSCON-TROLELICHTJE “ ” 8Wanneer het contactslot wordt inge-schakeld, gaat het hoofdwaarschu-wingscontrolelichtje 3 secondenbranden ter controle van het lampjeen gaat vervolgens uit.Wanneer er een probleem optreedtmet betrekking tot het volgende, gaathet hoofdwaarschuwingscontrole-lichtje branden:• Motorgerelateerd defect• Defect stuurschakelaars• Motorfiets valt omVoor meer informatie, zie “DIAG-NOSESCHERM” op pagina 2-23.OPMERKING: Neem onmiddellijkcontact op met uw Suzuki-dealer alshet hoofdwaarschuwingscontrole-lichtje brandt of knippert.GROOTLICHT-VERKLIKKER-LAMPJE “” 9Dit blauwe controlelichtje gaat bran-den wanneer het grootlicht wordtingeschakeld.KOELVLOEISTOFTEMPERATUUR-CONTROLELICHTJE/OLIEDRUK-CONTROLELICHTJE/ACCULAADDEFECTVERKLIKKER-LAMPJE 0Wanneer het contactslot wordt inge-schakeld, gaat het koelvloeistoftem-peratuurcontrolelichtje/oliedrukcontrolelichtje/acculaadde-fectverklikkerlampje 0 branden engaat normaal uit wanneer de motorstart.De afzonderlijke lampjes gaan bran-den wanneer zich de volgende storin-gen voordoen.
2-17Oliedrukverklikkerlampje “”Wanneer het contactslot wordt inge-schakeld, gaat het koelvloeistoftem-peratuurcontrolelichtje/oliedrukcontrolelichtje/acculaadde-fectwaarschuwingsindicatorlampjebranden en verschijnt de oliedrukindi-cator tegelijkertijd. Normaal gespro-ken gaat hetkoelvloeistoftemperatuurcontrole-lichtje/oliedrukcontrolelichtje/accu-laaddefectwaarschuwingsindicatorlampje, en ook het oliedrukwaarschu-wingslampje uit wanneer de motorwordt gestart.
Acculaaddefectwaarschuwingsindicator “ ”Dit lampje gaat branden wanneer deprestatie van de accu laag is, watbetekent dat de accu geïnspecteerdof opgeladen moet worden.OPMERKING: Neem contact op meteen Suzuki-dealer voor het inspecte-ren en opladen van de accu.LET OPAls u na het starten van de motorde gasgreep opendraait of met demotorfiets rijdt terwijl het olie-drukcontrolelichtje brandt, kan diteen nadelige invloed hebben opde motor.Zorg dat het oliedrukcontrole-lichtje uit is voordat u de gasgreepbedient of met de motorfiets rijdt.LET OPAls u met de motorfiets rijdt of demotor laat draaien terwijl het olie-drukverklikkerlampje brandt, kande motor beschadigd raken. Als het oliedruk-verklikkerlampjeoplicht, duidt dit op een lage olie-druk en moet u de motor onmid-dellijk afzetten. Controleer hetoliepeil en vul indien nodig oliebij.
2-18Koelvloeistoftemperatuurindicator “”De koelvloeistoftemperatuurindicator-weergave H, koelvloeistoftempera-tuurindicator J enkoelvloeistoftemperatuurcontrole-lichtje/oliedrukcontrolelichtje/accu-laaddefectwaarschuwingsindicatorlampje 0.Wanneer het contactslot in de “ON”-stand wordt gezet, wordt het ope-ningspatroon op het display getoond.Daarna toont het display de koelvloei-stoftemperatuur. Wanneer de koel-vloeistoftemperatuur lager dan 20 °Cis, zal het display H geen getal aan-geven maar “– – –”.Wanneer de koelvloeistoftempera-tuur hoger dan 120 °C wordt, gaan detemperatuur op het display en het“” J knipperen en gaat het verklik-kerlampje 0 branden.
Wanneer dekoelvloeistoftemperatuur tot boven125 °C stijgt, toont het display H “HI”,de indicator “” J knippert en hetverklikkerlampje 0 blijft branden.Wanneer het verklikkerlampje 0 gaatbranden, moet u de motor afzetten enhet koelvloeistofpeil controleren nadatde motor is afgekoeld.OPMERKING: De koelvloeistoftem-peratuurindicator kan verschijnenwanneer u gedurende langere tijd bijhoge temperatuur stationair draait.LET OPDoor met de motorfiets te rijdenterwijl de koelvloeistofindicatorwordt weergegeven, kan leiden totschade aan de motor door over-verhitting. Als de koelvloeistoftemperatuur-indicator verschijnt, zet u demotor af en laat u deze afkoelen.Bovendien mag de motor niet wor-den gestart totdat de koelvloei-stoftemperatuurindicator isverdwenen.
2-19SUZUKI-RIJSTANDKEUZEKNOPIN-DICATOR (SDMS) BDe Suzuki-rijstandkeuzeknopindicatorgeeft de rijstand aan (A, B of C) wan-neer de Suzuki-rijstandkeuzeknop isgeactiveerd.OPMERKING: Zie pagina 2-54 voorverdere informatie over de Suzuki-rij-standkeuzeknop.TOERENTELLER CDe toerenteller geeft het motortoeren-tal in omwentelingen per minuut(omw/min) aan.De rode zone F geeft aan dat hetmotortoerental hoger is dan het toe-gestane motortoerental. Als de motorin de rode zone wordt gebruikt, stoptdeze soepel te lopen en heeft dit eennegatieve invloed op de levensduurvan de motor.
2-20VERSNELLINGSSTANDINDICA-TOR DDe versnellingsstandindicator geeftde ingeschakelde versnelling aan. Deindicator geeft “N” aan wanneer deversnelling in de vrijstand staat.OPMERKING: Wanneer “CHEC”(controle) wordt aangegeven in hetmultifunctionele displaygebied, zalde versnellingsstandindicator geennummer tonen, maar alleen “–”.SNELHEIDSMETER EDe snelheidsmeter geeft de rijsnel-heid in kilometer per uur of in mijl peruur aan.OPMERKING: • U kunt schakelen tussen km/h enmph door in het menu van hetmultifunctionele display M “UNIT”(eenheid) te selecteren. ( 2-48).• Kies km/h of mph overeenkom-stig de gebruikte afstandeenheid.• Controleer de aanduiding op desnelheidsmeter nadat de eenheidis veranderd.
2-21BRANDSTOFPEILINDICATOR “” GDe brandstofpeilindicator geeft deresterende hoeveelheid brandstof inde brandstoftank aan. • De brandstofpeilindicator toontalle 5 segmenten wanneer debrandstoftank vol is. •Het “”-teken knippert wanneerhet brandstofpeil beneden 3,0 Lkomt.•Het “”-teken en -segment knip-peren wanneer het brandstofpeilbeneden 1,2 L komt.OPMERKING: • De brandstofpeilindicator geeft hetpeil niet juist aan wanneer demotorfiets op de zijstandaardstaat. Zet het contactslot in de“ON”-stand terwijl de motorfietsrecht overeind wordt gehouden.• Als het brandstofteken knippert,moet u meteen gaan tanken.
2-22SERVICEBEURT-HERINNERINGS-INDICATOR “ ” IDoor een datum en afstand in te stel-len wordt u eraan herinnerd wanneerde volgende servicebeurt moet wor-den uitgevoerd. Wanneer de inge-stelde datum of afstand wordt bereikt,gaat de servicebeurt-herinneringsin-dicator “ ” I branden.Voor meer informatie, zie “6. SER-VICE” op pagina 2-49.OPMERKING: Raadpleeg uw Suzuki-dealer voor het instellen van de ser-vicebeurtherinnering.TRACTIEREGELSYSTEEMINDICA-TOR LDe tractieregelsysteemindicator geeft“OFF” of modus 1 tot 5 aan.OPMERKING: Zie pagina 2-56 voorverdere informatie over het tractiere-gelsysteem.MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY MKLOKHet multifunctionele display toontaltijd de tijd.De klok maakt gebruik van de 12-uurstijdsaanduiding met het AM/PM (voor-middag/namiddag) systeem.Deze wordt ingesteld door “DATE &TIME” (datum en tijd) te selecteren inhet menu van het multifunctionele dis-play M.
( 2-39) WAARSCHUWINGBedien het display niet tijdens hetrijden; dat is gevaarlijk. Wanneer uuw hand van het stuur afneemt,neemt de kans dat u de controleover de motorfiets verliest toe.Verander tijdens het rijden nooithet display. Houd beide handenaan het stuur.
2-23DIAGNOSESCHERMHet diagnosescherm toont de actu-ele storingsinformatie. Neem contactop met een erkende Suzuki-dealerom de motorfiets te laten inspecterenals het volgende wordt weergegeven. 1 Communicatie tussen controllers ismislukt2 Motorgerelateerde storing gede-tecteerd3 Motorfiets is omgevallen4 Stuurschakelaar werkt nietOPMERKING: De motor kan niet wor-den gestart wanneer “CHEC” (con-trole) wordt weergegeven. Inspecteerde items hieronder. Als de weergavevan CHEC (controle) niet verdwijnt,laat uw motorfiets dan nakijken dooreen Suzuki-dealer. • Zijn er zekeringen doorgebrand? • Zijn de meterconnectors aange-sloten?
2-25Bedien de KEUZESCHAKELAAR(Omhoog of Omlaag) om de onderde-len van het multifunctionele display inte stellen.Druk de SELECT-schakelaar(Omhoog) ongeveer 2 seconden inom naar het “MENU”-scherm te scha-kelen.Op het “MENU”-scherm staan de vol-gende onderdelen van 1 tot 6.1. DISPLAYEr zijn 2 instellingen (ROAD, LAPTIME) voor de normale display-aanduidingen. ( 2-27)2. DATE & TIMEVoor het instellen van de datumen tijd. ( 2-39)3. RPM SETVoor het instellen van het motor-toerentalcontrolelichtje. ( 2-40)4. QS SETVoor instellen van de Quick Shift. ( 2-46)5. UNITVoor het instellen van de eenheid. ( 2-48)6. SERVICEVoor het instellen van de herinne-ringsfunctie voor de servicebeur-ten. ( 2-49)OMHOOGOMLAAG2
2-261. Druk op de SELECT-schakelaar(Omhoog of Omlaag) om een vande onderdelen te selecteren. Hetgeselecteerde onderdeel wordtaangegeven door de pijl in hetmidden van het scherm en dooromgekeerd contrast. De schuif-balk aan de linkerzijde van hetscherm beweegt mee met deonderdeelselectie.2. Om een onderdeel in te stellen,selecteert u het gewenste onder-deel en drukt dan de SELECT-schakelaar (Omlaag) ongeveer 2seconden in. Het geselecteerdeonderdeel begint te knipperen enhet scherm verandert naar hetinstelscherm voor het betreffendeonderdeel.OPMERKING: Als de SELECT-scha-kelaar (Omhoog) ongeveer 2 secon-den wordt ingedrukt terwijl het“MENU”-scherm wordt weergegeven,beginnen de pijl en “EXIT” in de rech-ter bovenhoek van het scherm teknipperen en keert het scherm terugnaar de aanduiding van de “ROAD”-of “LAP TIME”-modus die geselec-teerd was met behulp van het onder-deel “DISPLAY”.2
2-27INSTELLEN VAN DE ONDERDELEN1. DISPLAYGebruik de volgende procedure om inte stellen welke informatie tijdens hetrijden wordt weergegeven.1. Selecteer op het “MENU”-schermhet onderdeel “DISPLAY” en drukdan de KEUZESCHAKELAAR(Omlaag) ongeveer 2 secondenin. “DISPLAY” begint te knipperenen het “DISPLAY”-instelschermverschijnt.2. Selecteer op het “DISPLAY”-instelscherm de gewenste modus,“ROAD” of “LAP TIME”. Druk opde KEUZESCHAKELAAR(Omhoog of Omlaag) om de pijlnaast uw selectie te zetten. Degeselecteerde modus licht metomgekeerd contrast op.3.
Druk de KEUZESCHAKELAAR(Omlaag) ongeveer 2 seconden inom uw selectie te bevestigen.Nadat de selectie is bevestigd,verschijnt het “ ”-vinkje naastde betreffende modus.OPMERKING: Door de KEU-ZESCHAKELAAR (Omhoog) onge-veer 2 seconden in te drukken tijdenshet selecteren van de modus in het“DISPLAY” instelscherm, wordt deselectie voltooid en keert het schermterug naar het “MENU”-display.22
2-28ROAD-modus In de “ROAD”-modus kunt u deonderdelen instellen die op de boven-kant en de onderkant van het schermworden weergegeven.Boven:• Meter voor huidig brandstofver-bruik• Kilometerteller/ActieradiusmeterOnder:• Kilometerteller/Actieradiusmeter• Dagteller A/Meter voor gemiddeldbrandstofverbruik A• Dagteller B/Meter voor gemiddeldbrandstofverbruik B• Voltmeter/Helderheid van instru-mentenpaneelverlichtingOPMERKING: Wanneer de kilometer-teller/actieradiusmeter is geselec-teerd voor de bovenkant van hetscherm, kan de kilometerteller/actie-radiusmeter niet worden geselecteerdvoor de onderkant van het scherm.BovenOnder
2-30METER VOOR HUIDIG BRAND-STOFVERBRUIKDe meter voor het huidig brandstof-verbruik geeft het huidige brandstof-verbruik aan wanneer de motorfietsloopt.Het brandstofverbruik wordt nietgemeten wanneer de motorfietsgeparkeerd is.Het aanduidingsbereik loopt van 0 tot50 voor km/L, van 0 tot 25 voor L/100km en van 0 tot 99 voor mijl/gallon USof IMP.OPMERKING: De waarden op hetdisplay zijn een benadering. De aan-duidingen komen mogelijk niet altijdovereen met de werkelijke waarden.KILOMETERTELLER/ACTIERADI-USMETERKilometertellerDe kilometerteller geeft de totaalafgelegde afstand van de motorfietsaan.
Het bereik van de kilometertellerloopt van 0 tot 999999.OPMERKING: Het display van dekilometerteller vergrendelt bij 999999wanneer de totale afstand 999999overschrijdt.ActieradiusmeterDe actieradiusmeter toont degeschatte actieradius (afstand) geba-seerd op de resterende brandstof bin-nen een bereik van 1 tot 999 km(mijl). De actieradius wordt opnieuwberekend wanneer u tankt, maar hetis mogelijk dat de aanduiding niet ver-andert wanneer slechts een kleinehoeveelheid brandstof wordt getankt.De actieradius wordt niet opnieuwberekend wanneer de motorfiets opde zijstandaard staat. Controleer degeschatte actieradius (afstand) nadatde zijstandaard omhoog is geklapt.Wanneer de accu wordt losgekop-peld, wordt de actieradiusmaterteruggesteld. In dit geval geeft demeter “– – –” aan totdat de motorfietsweer een stuk heeft gereden.OPMERKING: • De actieradius (afstand) is eengeschatte waarde.
De aanduidingkomt mogelijk niet altijd overeenmet het feitelijke rijbereik.• De meter maakt geen gebruik vande waarde voor het gemiddeldbrandstofverbruik om de actiera-dius (afstand) te berekenen en deuitkomst is wellicht niet hetzelfdeals de aanduiding van de metervoor het gemiddeld brandstofver-bruik.• Om te voorkomen dat u onver-wachts zonder brandstof komt tezitten, mag u niet met de motor-fiets blijven rijden totdat degeschatte actieradius daalt naar1.
2-31DAGTELLER/METER VOOR GEMIDDELD BRANDSTOFVER-BRUIKDagtellerDe twee dagtellers zijn kilometertel-lers die teruggesteld kunnen worden.Ze kunnen twee soorten afstandenregistreren. De dagteller A kan bij-voorbeeld gebruikt worden voor hetbijhouden van de afstand van eenbepaalde rit en de dagteller B kangebruikt worden om de afstand tus-sen benzinestops te registreren.Om een dagteller op nul terug te stel-len, houdt u de KEUZESCHAKE-LAAR (Omlaag) 2 seconden langingedrukt terwijl het display de dagtel-ler toont, A of B, die u wilt terugstel-len.
Wanneer u de dagteller A of Bterugstelt, wordt de brandstofver-bruikmeter ook teruggesteld.OPMERKING: Wanneer de dagtellerde 9999,9 overschrijdt, begint de dag-teller weer vanaf 0,0 te tellen.Meter voor gemiddeld brandstof-verbruikDe meter voor het gemiddeld brand-stofverbruik toont de gemiddeldebrandstofverbruikverhouding van dag-teller A of dagteller B. Het bereik vande meter voor het gemiddeld brand-stofverbruik loopt van 2,0 tot 99,9 (L/100 km) of van 0,1 tot 99,9 (km/L,mijl/gallon US of IMP). De meter voorhet gemiddeld brandstofverbruik toont“– – .–” wanneer de dagteller 0,0 aan-geeft. Om de brandstofverbruikmeterterug te stellen, moet u de dagtellerterugstellen.OPMERKING: De waarden op hetdisplay zijn een benadering. De aan-duidingen komen mogelijk niet altijdovereen met de werkelijke waarden.2
2-32VOLTMETER/HELDERHEID VAN INSTRUMENTENPANEELVERLICH-TING VoltmeterDe voltmeter toont de accuspanningbinnen een bereik van 10,0 tot 16,0 V.Helderheid van instrumentenpa-neelverlichtingStel de meter in op de helderheid vande instrumentenpaneelverlichting. Bijindrukken van de KEUZESCHAKE-LAAR (Omhoog) verandert de helder-heid van deinstrumentenpaneelverlichting in 6stappen. De helderheidsindicatorgeeft de helderheid aan van “ ”(minimaal) tot “ ” (maximaal).OPMERKING: Als op de MODE-schakelaar wordt gedrukt terwijl dehelderheid van de instrumentenpa-neelverlichting wordt versteld, ver-schijnt het scherm voor het selecterenvan de tractiemodus; dit betekent datde helderheid van de instrumenten-paneelverlichting niet langer kan wor-den versteld.
In dit geval drukt u nogeen keer op de MODE-schakelaar omde selectie van de tractiemodus teannuleren, waarna de helderheid vande instrumentenpaneelverlichtingweer kan worden versteld.LAP TIME-modusIn de “LAP TIME”-modus worden derondetijden gemeten. De tijden vanmaximaal 99 rondes kunnen wordengemeten. Een rondetijd loopt van00:00.00 tot 59:59.99.Starten van het meten van de rond-etijdU kunt kiezen tussen Handmatig star-ten en Automatisch starten.Druk op de KEUZESCHAKELAAR(Omhoog) voor het omschakelen tus-sen Handmatig starten en Automa-tisch starten.
2-33Handmatig startenDruk op de rondetijdtellerschakelaarop het linker stuurhandvat om tebeginnen met de meting.Wanneer het tellen begint, verandert“M START” op het scherm naar“LAP01”.Automatisch startenWanneer de sensor waarneemt datde rijsnelheid meer is dan 5 km/h, zalde meting automatisch beginnen.Wanneer het tellen begint, verandert“A START” op het scherm naar“LAP01”.
2-34Bevestigen van de rondetijd1. Nadat het tellen is begonnen,drukt u op de rondetijdtellerscha-kelaar om de rondetijd van LAP01te bevestigen.2. Het rondetijdnummer knippert ende rondetijd wordt ongeveer 5seconden aangegeven.OPMERKING: Terwijl het rondetijd-nummer knippert, zal het meten vande tijd gewoon doorgaan.3. LAP01 wordt aangegeven op de2de regel en op het scherm wordthet meten van de volgende ronde-tijd (LAP02) getoond. Er kunnen 2bevestigde rondetijden wordenaangegeven. De laatst beves-tigde rondetijd wordt altijd op de2de regel van het scherm aange-geven.Het scherm kan worden veranderdnaar de “BL”-aanduiding (BEST LAP= beste rondetijd). Wanneer op deKEUZESCHAKELAAR (Omlaag)wordt gedrukt, wordt op de 3de regelde “BL”-aanduiding getoond.
2-35Vanaf LAP03 en verder knippert hetverschil met de beste rondetijd op de2e regel van het scherm en gaat danongeveer 5 seconden branden.Wanneer de beste rondetijd wordtverbeterd, knippert “BEST LAP”(beste rondetijd) en gaat dan onge-veer 5 seconden branden.Stoppen van het meten van de rondetijdNadat het tellen is begonnen, drukt uop de KEUZESCHAKELAAR(Omhoog) om het tellen te stoppen.OPMERKING: Om het tellen weer testarten, drukt u opnieuw op de KEU-ZESCHAKELAAR (Omhoog).
2-36Controleren van de rondetijden (LAP INFO)U kunt de opgenomen rondetijdencontroleren.Druk terwijl het tellen is gestopt deKEUZESCHAKELAAR (Omlaag)ongeveer 2 seconden in. “INFO”begint te knipperen en het schermverandert naar de “LAP INFO”-aan-duiding.U ziet de opgenomen rondetijden ende beste rondetijd. Druk op de KEU-ZESCHAKELAAR (Omhoog ofOmlaag) om de opgenomen rondetij-den te doorlopen. Op het scherm kun-nen steeds 3 rondetijden wordengetoond.Wanneer er 3 of meer rondetijden zijnopgenomen, verschijnen er pijltjes( , , , ) tijdens het doorlopen vande rondetijden. De pijltjes ( , )geven aan dat er naar de ronde voor/na de 3 rondes wordt gegaan of naarde volgende 3 rondes. De pijltjes( , ) geven aan dat er naar de eer-ste ronde of de laatste ronde wordtgegaan.Om terug te keren naar het metenvan de rondetijd, drukt u de KEU-ZESCHAKELAAR (Omhoog) onge-veer 2 seconden in.
2-37Wissen van de rondetijdenGa als volgt te werk om alle opgeno-men rondetijden te wissen.1. Druk terwijl het tellen is gestopt deKEUZESCHAKELAAR (Omlaag)ongeveer 2 seconden in. “INFO”begint te knipperen en het schermverandert naar de “LAP INFO”-aanduiding.2. Druk de KEUZESCHAKELAAR(Omlaag) ongeveer 2 seconden inzodat “DELETE” op het schermverschijnt.22
2-383. Selecteer “YES” en druk de KEU-ZESCHAKELAAR (Omlaag)ongeveer 2 seconden in. “YES”begint te knipperen en alle ronde-tijden worden gewist, waarna hetscherm terugkeert naar de toe-stand waarin dit was voordat mettellen werd begonnen.OPMERKING: Om het wissen van derondetijden te annuleren, drukt u opde KEUZESCHAKELAAR (Omlaag)en selecteert dan “NO”.Wanneer er geen rondetijd na LAP02 bestaatNadat het tellen is begonnen, drukt uop de KEUZESCHAKELAAR(Omhoog) om het tellen te stoppen.Druk terwijl het tellen is gestopt deKEUZESCHAKELAAR (Omlaag)ongeveer 2 seconden in. “RESET”(resetten) begint te knipperen en deaanduiding voor de rondetijd wordtteruggezet op 00:00.00.OPMERKING: Nadat de rondetijdenzijn gewist, drukt u de KEUZESCHA-KELAAR (Omhoog) ongeveer 2seconden in om terug te keren naarhet “MENU”-scherm.22
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Suzuki Katana GSX-S1000 (2022) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Motor Suzuki
Handleiding Motor
Nieuwste handleidingen voor Motor