Suzuki GSX-S1000 (2022) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Suzuki GSX-S1000 (2022) (317 pagina’s), behorend tot de categorie Motor. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 73 mensen en kreeg gemiddeld 4.1 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over Suzuki GSX-S1000 (2022) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Suzuki |
| Categorie: | Motor |
| Model: | GSX-S1000 (2022) |
Handleiding Suzuki GSX-S1000 (2022) – volledige tekst
VOORWOORDMotorrijden is een van de meest opwin-dende sporten, en om zeker te zijn van uwrijplezier doet u er goed aan om de informa-tie in deze gebruikershandleiding aandach-tig door te nemen voordat u op uwmotorfiets gaat rijden.In deze handleiding worden de juiste verzor-ging en het onderhoud van uw motorfietsbeschreven. Door deze aanwijzingen pre-cies op te volgen, kunt u er zeker van zijndat uw motorfiets een lang leven heeft zon-der ongemakken. Uw erkende Suzuki-dea-ler heeft ervaren technici die opgeleid zijnom uw motorfiets met de best mogelijkezorg te omringen, met de juiste gereed-schappen en het juiste materiaal.Alle informatie, afbeeldingen en specifica-ties die u in deze handleiding vindt, zijn vol-ledig bijgewerkt tot het ogenblik vanpublicatie.
Tengevolge van verbeteringen ofandere veranderingen zouden er tegenstrij-digheden kunnen voorkomen tussen deinformatie in deze handleiding en uw motor-fiets. Suzuki behoudt zich het recht voor omte allen tijde veranderingen aan te brengen.Deze handleiding is van toepassing op allespecificaties of op alle respectievelijkebestemmingen en geeft uitleg over al hetmateriaal. Het is daarom mogelijk dat uwmodel afwijkende kenmerken heeft dan dievermeld in deze handleiding.
BELANGRIJKE INFORMATIEINFORMATIE I.V.M. DE INRIJPERIODE VAN UW MOTORFIETSDe eerste 1600 km zijn de belangrijkste voorde levensduur van uw motorfiets. Een cor-rect nagevolgde inrijperiode verzekert eenmaximale duurzaamheid en een optimalewerking van uw nieuwe motorfiets. Suzuki-onderdelen zijn vervaardigd van materialenvan hoge kwaliteit en deze zijn in de fabriekafgewerkt met het oog op nauwkeurigbepaalde belastingen. Een correct nage-volgde inrijperiode zorgt ervoor dat de afge-werkte oppervlakken elkaar smeren en zichharmonieus aan elkaar aanpassen.De betrouwbare werking van uw motorfietshangt af van de speciale zorg en het navol-gen van de beperkingen tijdens de inrijperi-ode. Let er vooral op de motor niet teoverbelasten om oververhitting van demotoronderdelen te voorkomen.Zie het hoofdstuk HET INRIJDEN voor ver-dere aanbevelingen en voorschriften betref-fende het inrijden.
WAARSCHUWING /VOORZICHTIG / LET OP / OPMERKINGLees deze handleiding zorgvuldig door envolg alle aanwijzingen zorgvuldig op. Om denadruk te leggen op speciale informatie,hebben het symbool en de woordenWAARSCHUWING, VOORZICHTIG, LETOP en OPMERKING alle een speciale bete-kenis. Meldingen die beginnen met de vol-gende signaalwoorden zijn bijzonderbelangrijk:OPMERKING: Geeft speciale informatieaan die het onderhoud vergemakkelijkt of deinstructies duidelijker maakt. WAARSCHUWINGGeeft een potentieel gevaarlijke situatieaan die kan resulteren in ernstig of fataalletsel. VOORZICHTIGGeeft een potentieel gevaarlijke situatieaan die kan resulteren in licht of matigletsel.LET OPGeeft een potentieel gevaarlijke situatieaan die kan resulteren in beschadigingvan het voertuig of het materiaal.
1-2VEILIGHEIDSINFORMATIEVEILIGHEIDSRICHTLIJNENDE MEEST ONGEVALLEN KUNNEN WORDEN VOORKOMENVolg de basisvoorzorgsmaatregelenbeschreven in dit hoofdstuk met betrekkingtot dagelijks gebruik en zorg ervoor dat uvoorzichtig rijdt. Let altijd goed op tijdens het rijden om bot-singen te voorkomen.• Soms gebeuren er motorfietsongevallenomdat andere weggebruikers u nietopmerken. Let tijdens het rijden op hetvolgende.- Houd er rekening mee dat ongevallenvaak voorkomen wanneer een auto dienaar een motorfiets rijdt links voor demotorfiets draait.- Rijd niet in de dode hoek van andereweggebruikers.• Draai het stuur niet snel en rijd niet metéén hand, omdat u hierdoor kunt slippenof vallen.• Draag beschermende uitrusting, zoals eenhelm en handschoenen, om letsel doorvallen of ongevallen tot een minimum tebeperken.
Als de motorfiets een ongewoon geluidmaakt, vreemd ruikt of vloeistof lekt, laathem dan nakijken door een Suzuki-dealer.Voor informatie over routinecontroles enperiodieke inspecties, zie “INSPECTIE ENONDERHOUD” op pagina 3-2. WAARSCHUWINGAls u met zeer hoge snelheid met demotorfiets rijdt, neemt de kans dat u decontrole over de motorfiets verliest toe,wat kan resulteren in een ongeluk.Rijd altijd met een snelheid die geschiktis voor het terrein, uw zicht, de omge-vingsomstandigheden, en uw vaardig-heid en ervaring.
1-4BESCHERMENDE KLEDINGOmschrijvingZowel de bestuurder als de passagier moe-ten zeker een helm dragen, evenals kledingen beschermende uitrusting die een hoogniveau van bescherming bieden. Raadpleeghet volgende bij het aanschaffen van dezeuitrusting. WAARSCHUWINGAls u zelfs maar één hand of voet van demotorfiets neemt, neemt de kans dat ude controle over de motorfiets verliesttoe. U zou uw balans kunnen verliezenen van de motorfiets kunnen vallen. Alsu uw voet van de voetsteun afneemt, kanuw voet of been in contact komen methet achterwiel. Dit kan letsel veroorza-ken of resulteren in een ongeluk.Houd het stuur met beide handen vasten houd beide voeten op de voetsteunenvan de motorfiets terwijl u rijdt.
1-5Helm• Draag een helm en trek het riempje ste-vig aan. Kies een helm die goed op jehoofd past maar geen overmatige drukuitoefent. • Draag een helmschild of een veiligheids-bril. Deze beschermen het gezichtsveldtegen de wind, en beschermen ook deogen tegen insecten, stof en kleinesteentjes die door voertuigen die voor urijden worden opgeworpen. WAARSCHUWINGAls u geen helm draagt, neemt de kansop overlijden of ernstig letsel bij een bot-sing toe. Als u een helm draagt die nietgoed past of niet goed is vastgemaakt,biedt de helm wellicht niet de bescher-ming waarvoor deze is ontworpen.De bestuurder en de passagier dieneneen helm te dragen die goed past engoed is vastgemaakt.
1-6Rij-uitrusting• Draag beschermende uitrusting en kle-ding die een hoog beschermingsniveaubieden. Draag een helder, opvallendebovenkleding met lange mouwen en eenlange broek die zo min mogelijk huidblootstellen. Dit vermindert de impact ophet lichaam bij onverwachte ongevallen.Loszittende, nette kleding kan ongemak-kelijk en onveilig zijn bij het motorrijden.Kies motorkleding van goede kwaliteitwanneer u motorrijdt.• Zorg dat u handschoenen draagt. Hand-schoenen van wrijvingsbestendig leerzijn geschikt.• Draag schoenen waarmee u de motor-fiets makkelijk kunt bedienen en die deenkels bedekken.• Draag waar nodig een jas en een broekvoorzien van beschermingen. WAARSCHUWINGAls de passagier een lange jas draagt,kan deze het achterlicht verdoezelen ofde richtingaanwijzer bedekken. Dit isgevaarlijk omdat voertuigen die achter urijden u mogelijk niet zien.
Passagiers kunnen indien mogelijk betergeen lange jassen dragen. Als dergelijkekledingstukken worden gedragen, moetmen op het loshangende deel gaan zit-ten zodat deze het achterlicht of de rich-tingaanwijzers niet kan bedekken.
1-7Uitrusting van een passagierEen passagier heeft dezelfde beschermingnodig als u, inclusief een helm en de juistekleding. De passagier mag geen langeschoenveters hebben of een losse broekdragen die verstrikt zou kunnen raken in hetwiel of de ketting.SPECIALE SITUATIES VEREISEN SPECI-ALE ZORGWinderige dagBij het rijden in een sterke zijwind, watmogelijk is bij de ingang van een tunnel, opeen brug, of bij het passeren van of gepas-seerd worden door grote vrachtwagens, kande motorfiets worden geblazen door zijwind. Houd uw snelheid onder controle en houdhet stuur stevig vast tijdens het rijden.
1-8Regenachtige dag, sneeuwachtige dag• Wanneer het wegdek nat, los of ruw is,moet u voorzichtig remmen. De remaf-stand neemt op een regenachtige dagtoe. Geverfde pijlen op de weg, putdek-sels en vettige weggedeelten kunnen bij-zonder glad zijn. Wees extra voorzichtigbij spoorwegovergangen en op ijzerenplaten en bruggen. Als het begint te rege-nen, stijgt olie of vet op de weg naar hetwateroppervlak. Stop langs de kant vande weg en wacht een paar minuten totdatdeze laag olie is weggespoeld voordat uverder rijdt. Verminder snelheid bij enigetwijfel over de staat van de weg! WAARSCHUWINGPlotselinge zijwind, zoals kan voorko-men wanneer u wordt gepasseerd doorgrotere voertuigen, bij de uitgang vaneen tunnel of tussen de heuvels, kan zohard aankomen dat u de controle over demotorfiets verliest.Verminder uw snelheid en houd altijdrekening met de kans op plotselinge zij-wind.
1-9• Vertraag voordat u bochten ingaat. Indeze situaties is de tractie tussen uwbanden en het wegdek beperkt. Vermijdremmen wanneer u in een hoek naareen zijkant leunt. Ga weer rechtop rijdenvoordat u remt. OPMERKING: Nadat de motorfiets isgewassen of wanneer deze door plassen isgereden, kunnen de remmen slecht vastgrij-pen. Als de remmen slecht vastgrijpen, rijdan met lage snelheid terwijl u voldoendeaandacht besteedt aan de voor- en achter-zijde van de motorfiets en bedien de rem-men licht totdat ze stevig vastgrijpen. WAARSCHUWINGDoor overmatig remmen wanneer detractie beperkt is, zullen uw banden slip-pen, waardoor u de controle over derichting kunt verliezen of u en uw motor-fiets kunnen omvallen.Rem voorzichtig wanneer de tractiebeperkt is.
1-10Ondergelopen wegRijd niet met uw motorfiets op ondergelopenwegen.Als u met uw motorfiets op een over-stroomde weg rijdt, controleer dan lang-zaam de remwerking. Vraag uw Suzuki-dealer na het rijden op een overstroomdeweg het volgende te controleren:• Remefficiëntie• Natte connectoren, bedrading en waterin de accubak• Slechte smering voor lagers, enz.• Niveau en uiterlijk van tranmissie-olie(als de olie witachtig is, zit er water in deolie en moet de olie worden ververst)LET OPAls u met de motorfiets op een over-stroomde weg rijdt, kan de motor stop-pen met draaien en kunnen elektrischeonderdelen defect raken, de aan-drijfriem slippen en de motor kanbeschadigd raken. Rijd niet met uw motorfiets op onderge-lopen wegen.
1-11KEN UW GRENZENRijd altijd binnen de grenzen van uw eigenvaardigheden. Door deze grenzen te ken-nen en altijd binnen deze grenzen te blijvenkunt u ongelukken voorkomen.Een belangrijke oorzaak van ongevallenwaarbij alleen een motorfiets is betrokken(en geen auto’s) is te hard door een bochtgaan. Voordat u een bocht ingaat, kiest ueen geschikte lage snelheid en geschiktebochthoek.Rijd zelfs op rechte wegen met een snelheiddie geschikt is voor het verkeer, het zicht ende wegomstandigheden, uw motorfiets enuw ervaring.Veilig motorrijden vereist dat uw mentale enfysieke vaardigheden volledig deel uitmakenvan de ervaring. Probeer geen motorvoer-tuig te besturen, vooral een met twee wie-len, als u moe bent of onder invloed vanalcohol of andere drugs.
1-12OEFEN BUITEN HET VERKEERUw rijvaardigheid en uw mechanische ken-nis van de motorfiets vormen de basis voorveilig rijden. Wij raden u aan om eerst wat teoefenen met uw motorfiets op een plaatswaar geen verkeer kan komen, totdat u vol-ledig vertrouwd bent met uw machine en debedieningsorganen.RIJDEN MET EEN PASSAGIERDeze motorfiets heeft een capaciteit vantwee personen. Rijd niet met meer dan éénpassagier. Dit is zeer gevaarlijk.Rijden met een passagierRijden met een passagier, mits dit op juistewijze wordt gedaan, is een geweldigemanier om het genot van motorrijden tedelen. U zult uw rijstijl enigszins moetenaanpassen omdat het extra gewicht van eenpassagier de wegligging en remwerking zalbeïnvloeden.
1-13Voordat u gaat rijden met een passagierachterop, moet u goed bekend zijn met debediening van de motorfiets.Zorg ervoor dat passagiers het volgendebegrijpen voordat ze met u meerijden.• De passagier moet altijd uw taille of heu-pen vasthouden, of de veiligheidsgordelof handgreep vasthouden, indien uitge-rust.• Vraag uw passagier om geen plotselingebewegingen te maken. Wanneer u in eenbocht naar de zijkant leunt, dient de pas-sagier met u mee te leunen.• De passagier moet altijd zijn of haar voe-ten op de voetsteunen houden, zelfswanneer u voor een stoplicht bentgestopt. Waarschuw uw passagier ombij het op- of afstappen niet in contact tekomen met de knaldemper, om brand-wonden te voorkomen.OVER KOOLMONOXIDEStart de motor op een goed geventileerdeplaats om koolmonoxidevergiftiging te voor-komen.
Koolmonoxide, dat zich in uitlaatgas bevindt,is een kleurloos, geurloos gas en wordt dusniet gemakkelijk opgemerkt. WAARSCHUWINGUitlaatgassen bevatten koolmonoxide,een gevaarlijk gas dat nauwelijks waar-neembaar is omdat het kleurloos en reu-kloos is. Het inademen vankoolmonoxide kan de dood of ernstig let-sel veroorzaken.Start de motor niet binnen en laat dezeniet binnen draaien of in een ruimte metweinig tot geen ventilatie.
1-14WEES SLIM OP DE WEGHoud u altijd aan de snelheidslimieten,lokale wetten en de basisregels van de weg.Geef een goed voorbeeld voor anderen dooreen beleefde houding en een verantwoorderijstijl te tonen.CONCLUSIEOm ongevallen te voorkomen, is voorzichtig-heid en een goede inschatting van uwomgeving vereist. Naast de toestand van hetverkeer, de weg en het weer, verandert ookde staat van de motorfiets. Bovendien is debeweging van andere voertuigen moeilijk tevoorspellen, dus wees altijd oplettend.Onbeheersbare omstandigheden kunnenleiden tot een ongeval. U moet zich voorbe-reiden op het onverwachte door een helmen andere beschermende kleding te dragen,en door technieken voor plotseling remmenen uitwijken te leren om schade aan u en uwmotorfiets te minimaliseren.
1-15VOORZORGSMAATREGELEN TIJDENS HET RIJDENHET INRIJDENOmschrijvingDe eerste 1600 km zijn de belangrijkste voorde levensduur van uw motorfiets. Het juiste gebruik tijdens deze inrijperiodehelpt bij het verzekeren van een maximalelevensduur en de beste prestaties van uwnieuwe motorfiets.Vermijd tijdens de inrijperiode onnodig stati-onair draaien, plotseling versnellen of ver-tragen, abrupt sturen of plotseling remmen. De volgende richtlijnen betreffen de juisteinrijprocedures.Aanbevolen maximaal motortoerentalDe onderstaande tabel toont het aanbevolenmaximale motortoerental tijdens de inrijperi-ode.Wissel het motortoerental afWissel het motortoerental af tijdens de inrij-periode. Zodoende worden de onderdelen“met druk belast” (hulp bij het samenwer-kingsproces) en vervolgens “ontlast” (nodigvoor het afkoelen van de onderdelen).
1-16Inrijden van de nieuwe bandenVoor een optimale prestatie dient u denieuwe banden, net zoals de motor, goed inte rijden. Voor het inrijden van het loopvlakvan de banden moet u de hellingshoek bijhet nemen van bochten geleidelijk laten toe-nemen gedurende de eerste 160 km, voor-dat u probeert om de maximale prestaties tebehalen. Vermijd snel optrekken, scherpebochten maken en hard remmen tijdens deeerste 160 km. WAARSCHUWINGAls u de banden niet inrijdt, kan dit lei-den tot slippen en verlies van controleover de motorfiets.U dient extra voorzichtig te zijn wanneeru nieuwe banden inrijdt. Rijd de bandengoed in zoals beschreven in dit gedeelteen vermijd snel optrekken, het scherpnemen van bochten en hard remmengedurende de eerste 160 km.
1-17Eerste en belangrijkste onderhoudsbeurtDe eerste onderhoudsbeurt (onderhouds-beurt na de inrijperiode) is de meest belang-rijke onderhoudsbeurt voor uw motorfiets.Tijdens de inrijperiode hebben de afge-werkte oppervlakken elkaar ingesmeerd enzich harmonieus aan elkaar aangepast. Bijde eerste onderhoudsbeurt worden alle ver-stellingen gecorrigeerd, alle bevestigingsde-len worden opnieuw aangehaald en deafgewerkte olie wordt ververst. Het tijdig uit-voeren van deze onderhoudsbeurt zalgarant staan voor een lange levensduur entopprestatie van uw motor.OPMERKING: De 1000 km onderhouds-beurt moet worden uitgevoerd volgens derichtlijnen in het hoofdstuk INSPECTIE ENONDERHOUD in deze handleiding.
Schenkspeciale aandacht aan alle VOORZICHTIGen WAARSCHUWINGsinformatie in dathoofdstuk.OP HEUVELSRijden op een helling• Bij het beklimmen van steile hellingenkan de motorfiets langzamer gaan rijdenen als het ware gaan sloffen. Op datmoment moet u in een lagere versnellingterugschakelen zodat de motor binnenzijn normale bereik kan werken. Schakelsnel om te voorkomen dat de motorfietste veel snelheid verliest.• Bij het afrijden van een lange, steile hel-ling kunt u door terug te schakelenafremmen met de motor. Als de normaleremmen continu worden gebruikt, kun-nen deze oververhit raken waardoor deremprestatie afneemt.• Pas op dat u de motor niet te snel laatdraaien bij het afdalen van een helling.
1-18PARKERENParkerenOm diefstal te voorkomen, moet u het stuurvergrendelen en de sleutel verwijderen wan-neer u de motorfiets verlaat. Zie “CONTACT-SLOT” op pagina 2-79. • Parkeer de motorfiets op een plaatswaar deze het verkeer niet hindert. • Parkeer niet waar dit niet is toegestaan. • Raak de knaldemper of de motor nietaan wanneer de motor draait of gedu-rende enige tijd nadat deze is gestopt. • Parkeer de motorfiets op een vlakkelocatie en draai het stuur helemaal naarlinks. Parkeer de motorfiets niet met hetstuur naar rechts gedraaid.
1-19• Parkeer de motorfiets op een locatiewaar andere mensen de knaldemper ofde motor niet kunnen aanraken.• Wanneer het parkeren van de motorfietsop een onstabiele ondergrond zoals eenhelling, op grind, op een oneffen onder-grond of op een zachte ondergrondonvermijdelijk is, wees dan voorzichtigbij het hellen of verplaatsen. WAARSCHUWINGDe katalysator die in de knaldemper isgeïnstalleerd, wordt zeer warm en kanbrand veroorzaken als deze in de buurtvan brandbaar materiaal wordt geplaatstwanneer de motorfiets wordt gepar-keerd. Controleer bij het parkeren of er geenontvlambaar materiaal zoals droog gras,hout, papier of olie in de buurt is. VOORZICHTIGU kunt zich ernstig verbranden aan eenhete geluiddemper.
De geluiddemperblijft ook een tijd nadat u de motor hebtafgezet nog zo heet dat u zich eraan kuntverbranden.Parkeer de motorfiets op een plaats waarvoetgangers of kinderen de geluiddem-per niet snel zullen aanraken.
1-20OPMERKING: • Wanneer de motorfiets op de zijstan-daard op een niet te steile helling wordtgeparkeerd, dient u te zorgen dat hetvoorwiel van de motorfiets heuvelop-waarts gericht staat. Dit om te voorko-men dat de motorfiets heuvelafwaartsvan de zijstandaard af kan rollen. Tevensis het raadzaam om de motorfiets in deeerste versnelling te laten staan. Zet deversnelling in de vrijstand voordat u demotor start.• Als u de motorfiets tegen diefstal hebtbeveiligd met een beugelslot, kettingslotof schijfremslot, vergeet dan niet eersthet slot los te maken voordat u de motor-fiets verplaatst.BIJ HET DUWEN VAN DE MOTORFIETSSchakel het contactslot uit wanneer u demotorfiets duwt.
1-21OVER DE REMMENWAT IS ABS?ABS is een mechanisme dat tijdens het rij-den het remmen regelt om te voorkomen datde wielen blokkeren.Remmen wordt uitgevoerd met gebruik vande remhendel en het rempedaal op dezelfdemanier als op een motorfiets zonder ABS. ABS regelt de remdruk elektronisch. Dit sys-teem bewaakt de rotatiesnelheid van dewielen en werkt om wielblokkering te voor-komen door de remdruk te verminderenwanneer wielblokkering wordt gedetecteerd.Er is geen speciale remwerking vereist, aan-gezien het ABS continu werkt, behalve bijlage snelheden onder 8 km/h en wanneerde accu leeg is. De remhendel en het rem-pedaal trillen zachtjes wanneer het ABSwordt geactiveerd om te voorkomen dat dewielen blokkeren als de remmen wordengebruikt. Dit is geen afwijking.
Blijf de rem-men bedienen.De remafstand met een ABS kan langer zijndan die van een motorfiets zonder ABS,afhankelijk van verkeerde inschattingen,onjuiste bediening, het wegdek en deweersomstandigheden. Word niet te afhan-kelijk van het ABS.Het wijzigen van de bandenmaat beïnvloedtde rotatiesnelheid van de wielen, zodat hetABS mogelijk niet correct functioneert. Zorgdat u banden met de opgegeven maatgebruikt. Zie “BANDEN” op pagina 3-68.
1-22OPMERKING: In sommige situaties kan eenmotorfiets met ABS een langere remwegnodig hebben om te stoppen op een losse ofongelijkmatige ondergrond dan een gelijk-waardige motorfiets zonder ABS. Bovendiengeldt, net als bij een motorfiets zonder ABS,hoe gladder het oppervlak, hoe langer deremweg. WAARSCHUWINGOok bij het ABS kan het gevaarlijk zijnwanneer u de verkeerssituatie niet goedinschat. Het ABS kan niet compenserenvoor slechte wegomstandigheden, eenverkeerde beoordeling van de verkeers-situatie of een foutief gebruik van deremmen.Vergeet niet dat het ABS u niet kan hel-pen bij een slechte beoordeling van deverkeerssituatie, verkeerde remtechnie-ken of de noodzaak om snelheid te min-deren bij het rijden over slechte wegenof bij ongunstige weersomstandigheden.Neem de veiligheid in acht en rijd nooitsneller dan de omstandigheden toe-staan.
1-23HET GEBRUIK VAN HET REMSYSTEEM1. Draai de gasgreep helemaal van u af omhet gas helemaal te sluiten.2. Gebruik de voor- en achterrem gelijktij-dig en in gelijke mate.3. Schakel terug wanneer de snelheidafneemt.4. Zet de versnelling in de vrijstand met dekoppeling ingetrokken (ontkoppeldestand) net voordat de motorfiets volledigtot stilstand komt. WAARSCHUWINGPlotseling remmen of plotseling terug-schakelen kan de rijstabiliteit beïnvloe-den en kan leiden tot slippen inzijwaartse richting en valpartijen.Vermijd onnodig plotseling remmen enplotseling terugschakelen. Extremevoorzichtigheid is geboden bij het rijdenop gladde of slecht onderhouden wegenwanneer de motorfiets naar de zijkantwordt gekanteld.
1-24 WAARSCHUWINGOnervaren rijders hebben de neiging teweinig gebruik te maken van de voor-rem. Dit kan ertoe leiden dat uw remwegzeer lang wordt en kan resulteren in eenongeluk. Als u uitsluitend gebruik maaktvan de voor- of achterrem, kan dit ertoeleiden dat u slipt of dat u de controleover de motorfiets verliest.Gebruik de remmen gelijkmatig en tege-lijkertijd. WAARSCHUWINGAls u hard remt op een natte, losse, ruweof anderszins gladde ondergrond, kandit ertoe leiden dat de wielen slippen endat u de controle over de motorfiets ver-liest.Rem licht en voorzichtig op een gladdeof onregelmatige ondergrond. WAARSCHUWINGAls u een ander voertuig te dicht volgt,kan dit leiden tot een botsing.
Naarmatede snelheid van een voertuig toeneemt,wordt de remweg langer.Zorg voor een veilige stopafstand tussenuw motorfiets en het voertuig voor u. WAARSCHUWINGAls u hard remt terwijl u een bochtneemt, kan dit ertoe leiden dat de wielenslippen en dat u de controle over demotorfiets verliest en/of dat u omvalt.Rem voordat u de bocht aansnijdt.
1-25RICHTLIJNEN VOOR DE BRANDSTOFGebruik premium loodvrije benzine met eenoctaangetal van 95 of hoger (zoals dooronderzoek bepaald). Het gebruik van lood-vrije premium benzine verlengt de levens-duur van bougies en onderdelen van hetuitlaatsysteem. (Canada)Uw motorfiets vereist premium loodvrijebenzine met een minimum pompoctaangetalvan 90 ((R+M)/2 methode). In sommigegebieden is alleen geoxygeneerde brandstofverkrijgbaar.Gebruikte brandstof:Loodvrije premium benzineCapaciteit brandstoftank: 19,0 L WAARSCHUWINGRemmen tijdens het maken van eenbocht kan gevaarlijk zijn, of uw motor-fiets nu wel of niet is uitgerust met ABS.Het ABS heeft geen controle over slip-pen van de wielen in zijwaartse richting,wat kan optreden wanneer u hard remttijdens het maken van een bocht.
Dit kanvervolgens resulteren in verlies van demacht over het stuur.Rem voldoende af voordat u een bochtaansnijdt en vermijd remmen, behalvezacht remmen, tijdens het maken van debocht.
1-26OPMERKING: • De motor van dit model is ontworpen ompremium loodvrije benzine te gebruiken.• Als er een storing in de motor ontstaatzoals gebrek aan acceleratie of onvol-doende vermogen, kan dit veroorzaaktworden door de brandstof. Probeer in ditgeval bij een ander benzinestation tegaan tanken. Als dit het probleem nietoplost, moet u contact opnemen met uwSuzuki-dealer.Aanbevolen geoxygeneerde brandstof(Canada, VK, EU)Zuurstofhoudende brandstof die voldoet aanhet minimum octaangehalte en aan deonderstaande vereisten mag ook gebruiktworden, zonder dat hierdoor de voorzienin-gen van de Beperkte garantie voor eennieuw voertuig (New Vehicle Limited War-ranty) of de Garantie voor het emissieregel-systeem (Emission Control SystemWarranty) in gevaar worden gebracht.OPMERKING: Geoxygeneerde brandstof isbrandstof die zuurstofdragende toevoegin-gen bevat zoals alcohol.
1-27Benzine/ethanolmengselsMengsels van loodvrije benzine en ethanol(graanalcohol), ook bekend als “GASOHOL”,zijn in sommige gebieden verkrijgbaar. Dezemengsels mogen ook in uw motorfiets wor-den gebruikt, mits ze niet meer dan 10%ethanol bevatten. Zorg dat het benzine-etha-nolmengsel een octaangetal heeft dat nietlager is dan het octaangetal aanbevolenvoor benzine.Gebruik de aanbevolen benzine die voldoetaan de volgende etiketten. (VK, EU)OPMERKING: • Om luchtvervuiling tegen te gaan,beveelt Suzuki aan om zuurstofhou-dende brandstof te gebruiken.• Zorg dat de geoxygeneerde brandstofdie u gebruikt het aanbevolen octaange-tal heeft.• Als u niet tevreden bent met de presta-ties van uw motorfiets wanneer u eengeoxygeneerde brandstof gebruikt of alsde motor klopt, gebruik dan brandstofvan een ander merk, omdat er verschilbestaat tussen de merken.
1-28GEBRUIK VAN ACCESSOIRES EN BELADING VAN DE MOTORFIETSACCESSOIRESEen goede keuze makenDe veiligheid kan minder worden bij mon-tage of toevoeging van ongeschikte acces-soires. Het is onmogelijk voor Suzuki om elkaccessoire dat te verkrijgen is op de marktof om combinaties van alle leverbare acces-soires te testen, maar uw dealer kan u hel-pen bij het uitkiezen vankwaliteitsaccessoires en de montage ervan.Betracht uiterste voorzichtigheid bij het uit-kiezen en monteren van accessoires vooruw motorfiets en raadpleeg uw Suzuki-dea-ler als u vragen hebt. Zorg er bij het bevestigen van accessoiresbovendien voor dat deze binnen het draag-vermogen liggen. Voor informatie over hetlaadvermogen, zie “BELADING” oppagina 1-31.LET OPGemorste benzine die alcohol bevat kande gelakte delen van uw motorfiets aan-tasten.Zorg ervoor dat u geen brandstof morstbij het vullen van de brandstoftank.
1-29Richtlijnen voor de montage van acces-soires • Accessoires die van invloed zijn op dewindgevoeligheid zoals stroomlijnkap-pen, windschermen, rugsteunen, zadel-tassen en reiskoffers moeten zo laagmogelijk en zo dicht mogelijk bij demotorfiets en zo dicht mogelijk bij hetzwaartepunt worden gemonteerd. Zorgdat de bevestigingsbeugels en hetandere bevestigingsmateriaal stevig zijnaangebracht.• Controleer op de juiste grondspeling ende schuinte van de zit. Let er tevens opdat de accessoires de werking van devering, stuurinrichting en andere bedie-ningsorganen niet hinderen. WAARSCHUWINGVerkeerde montage van accessoires ofmodificaties aan de motorfiets kunnende hantering beïnvloeden, wat kan resul-teren in een ongeluk.Gebruik geen ongeschikte accessoiresen let op dat de gebruikte accessoiresgoed worden aangebracht.
1-30• Accessoires die aan het stuur of de voor-vork worden gemonteerd, kunnen eenzeer nadelige invloed op de stabiliteithebben. Door het extra gewicht zal uwmotorfiets minder goed reageren op uwstuurbediening. Het extra gewicht kanook trillingen in het voorgedeelte veroor-zaken en kan zodoende leiden tot min-der stabiliteit. Accessoires aan het stuurof de voorvork moeten zo licht mogelijkzijn en dienen beperkt te worden tot eenminimum.• Trek geen aanhangwagen of eenzijspan. Deze motorfiets is niet ontwor-pen voor het trekken van een aanhang-wagen of zijspan. • Sommige accessoires kunnen het moei-lijk maken om de juiste rijpositie te berei-ken of zorgen ervoor dat debruikbaarheid verslechtert. Controleer ofu de juiste rijpositie kunt bereiken. • Kies alleen elektronische accessoiresdoe de capaciteit van het elektrisch sys-teem van de motorfiets niet overschrij-den.
1-31BELADINGBeladingslimiet• Als de motorfiets wordt beladen, veran-deren de kenmerken voor gebruik enveiligheid ten opzichte van een onbela-den motorfiets. • Overschrijd nooit het MTT. (maximaal toe-laatbaar totaalgewicht) van deze motor-fiets. Het MTT is het totalemaximumgewicht van de machine, acces-soires, nuttige belastingen, de bestuurderen de passagier tezamen. Denk bij het uit-kiezen van accessoires aan het gewichtvan de bestuurder en ook aan het gewichtvan de andere accessoires. Het extragewicht van de accessoires kan niet alleenonveilige rijomstandigheden veroorzaken,maar kan ook een nadelige invloed heb-ben op de stabiliteit van het rijden.
1-32Richtlijnen voor de beladingDeze motorfiets kan voornamelijk kleinevoorwerpen vervoeren wanneer u niet meteen passagier rijdt. Volg de onderstaanderichtlijnen voor de belading: • Wanneer u bagage op het achterzadelplaatst, zet het dan stevig op zijn plaatsvast met riemen, enz. Niet overbeladenmet bagage. • Verdeel de lading gelijk over de linker-en de rechterkant van de motorfiets enmaak deze goed vast. • Zorg dat het gewicht van de bagage zolaag mogelijk is en houd dit ook zo dichtmogelijk bij het midden van de motor-fiets. • Verstel indien nodig de instellingen voorde vering. • Bevestig geen grote of zware voorwer-pen aan het stuur, de voorvork of hetachterspatscherm.• Plaats geen bagageruimte, dozen, ofandere voorwerpen die verder uitstekendan het achterste punt van de carrosse-rie van de motorfiets.
1-33WIJZIGINGENBreng geen onjuiste wijzigingen aan. Wijzigingen met betrekking tot de structuur of wer-king van deze motorfiets kunnen de manoeuvreer-baarheid beïnvloeden, het lawaai van de uitlaatverhogen of zelfs de levensduur van de motorfietsverkorten. Naast het overtreden van de wet, kunnendergelijke wijzigingen voor anderen hinderlijk zijn. Het frame van deze motorfiets is van een alumini-umlegering vervaardigd. Breng daarom nooit wijzi-gingen aan in het frame door middel van boren,lassen e.d., aangezien de sterkte en stevigheid vanhet frame hierdoor aanzienlijk worden aangetast.Dit zou kunnen resulteren in een onveilige gebruiks-toestand van de motorfiets, wat kan leiden tot eenongeluk. Suzuki stelt zich op generlei wijze aan-sprakelijk voor persoonlijk letsel of schade aan demotorfiets, veroorzaakt door in het frame aange-brachte wijzigingen.
Accessoires die op het frameworden geschroefd en het frame op geen enkelemanier wijzigen, mogen worden geïnstalleerd, opvoorwaarde dat u de in dit gedeelte beschrevenbeladingslimiet niet overschrijdt. WAARSCHUWINGAls de bagage een hete knaldemper ofmotor raakt, kan de bagage of motorfietsvlam vatten. Wanneer u bagage op de motorfietsplaatst, mag dit niet in aanraking komenmet hete onderdelen. WAARSCHUWINGPlaatsen van voorwerpen in de ruimteachter de stroomlijnkap kan het sturenbelemmeren en kan leiden tot verlies vande controle over de motorfiets.Plaats geen voorwerpen in de ruimteachter de stroomlijnkap.
1-34Wijzigingen aan de motorfiets vallen nietonder de garantie. • Deze motorfiets voldoet aan de regelge-ving qua emissies. Het is uitgerust meteen katalysator die uitlaatgassen rei-nigt. Het veranderen van de knaldemperkan ertoe leiden dat deze motorfiets nietvoldoet aan de emissievoorschriften.Raadpleeg een Suzuki-dealer wanneeru de knaldemper vervangt. • Knaldempers zijn gegraveerd met een“Suzuki”-teken om aan te geven dat hetechte Suzuki-onderdelen zijn. • Stel de motor niet zelf af en verwijdergeen onderdelen. Neem contact op meteen Suzuki-dealer voor het afstemmenvan de motor. • We raden u aan originele Suzuki-onder-delen en gespecificeerde/aanbevolenoliën en smeermiddelen voor uw motor-fiets te gebruiken. Originele onderdelenworden grondig geïnspecteerd en zijngeschikt gemaakt voor Suzuki-motorfiet-sen.
• Houd u aan de laadlimieten bij hetbevestigen van bagage of accessoiresaan de motorfiets. WAARSCHUWINGWijzigingen aan een frame van alumini-umlegering, zoals boren of lassen, ver-zwakken het frame. Dit zou kunnenresulteren in een onveilige gebruikstoe-stand van de motorfiets, wat kan leidentot een ongeluk.Maak nooit aanpassingen aan het frame.
2-17Bedien de KEUZESCHAKELAAR (Omhoogof Omlaag) om de onderdelen van het multi-functionele display in te stellen. 1 DISPLAYEr zijn 2 instellingen (ROAD, LAP TIME)voor de normale display-aanduidingen. ( 2-40)2 DATE & TIMEVoor het instellen van de datum en tijd.( 2-52)3 RPM SETVoor het instellen van het motortoerental-controlelichtje. ( 2-55)4 QS SETVoor instellen van de Quick Shift.( 2-63)5 UNITVoor het instellen van de eenheid.( 2-65)6 SERVICEVoor het instellen van de herinnerings-functie voor de servicebeurten.( 2-67)2OMHOOGOMLAAG
2-19RICHTINGAANWIJZER-VERKLIKKER-LAMPJE “” Als u de richtingaanwijzerschakelaar rechtsof links gebruikt, gaat het richtingaanwijzer-verklikkerlampje knipperen.MOTORTOERENTAL-VERKLIKKER-LAMPJE (MAIN), (SUB)Wanneer het motortoerental de ingesteldewaarde bereikt, gaat het motortoerental-ver-klikkerlampje (MAIN) 1, (SUB) 2 brandenof knipperen om aan te geven wanneeromhoog moet worden geschakeld. Metho-den voor verlichting en motortoerentalinstel-lingen kunnen worden gewijzigd in deinstellingsfunctie van het motortoerentalcon-trolelichtje. Voor meer informatie over het motortoeren-tal-verklikkerlampje, zie “3. RPM SET” oppagina 2-55.
2-20TRACTIEREGELING-VERKLIKKERLAPMJE “TC”De werking van het tractieregeling-verklik-kerlampje (TC) verschilt afhankelijk van demotorfietsinstellingen. Voor meer informa-tie, zie “TRACTIEREGELSYSTEEM” oppagina 2-74.Het tractieregeling-verklikkerlampje:• Gaat branden wanneer het contactslotop AAN wordt gezet en gaat uit wanneerde snelheid ongeveer 10 km/h bereikt enhet tractieregelingssysteem werkt.• Knippert wanneer het tractieregelingssy-steem werkt.• Brandt constant wanneer het tractierege-lingssysteem op UIT staat.Als het tractieregeling-verklikkerlampje (TC)gaat branden op een ander moment danwanneer het contactslot op AAN wordtgezet, parkeer de motorfiets dan op een vei-lige plek en zet het contactslot uit.
Wachteen tijdje, start de motor en controleer danof tractieregeling-verklikkerlampje “TC” enhet storingslampje gaan branden wanneerde motorfiets 10 km/h of sneller rijdt.• De motorfiets werkt correct als het trac-tieregeling-verklikkerlampje (TC) uitgaatwanneer de motorfiets 10 km/h of snellerrijdt.• De motorfiets werkt niet correct als hettractieregeling-verklikkerlampje (TC) nietuitgaat wanneer de motorfiets 10 km/h ofsneller rijdt. Neem contact op met uwSuzuki-dealer als het lampje niet uitgaat.
2-21VRIJSTAND-VERKLIKKERLAMPJE “N”Het groene lampje gaat branden wanneerde versnelling in de vrijstand wordt gezet.Het lampje gaat uit wanneer in een andereversnelling dan de vrijstand wordt gescha-keld. WAARSCHUWINGWanneer het tractieregelingssysteemniet werkt, gaan het tractieregeling-verk-likkerlampje (TC) en het storingslampjegelijktijdig branden. Het tractieregelings-systeem werkt niet onder deze omstan-digheden.Wanneer deze lampjes gelijktijdig gaanbranden, zet u het tractieregelingssy-steem op UIT en raadpleegt u uw Suzuki-dealer.
2-22DEFECTVERKLIKKERLAMPJE “ ” Wanneer het contactslot wordt ingescha-keld, gaat het storingscontrolelichtje 3seconden branden ter controle van hetlampje en gaat vervolgens uit.• (VK, EU)Wanneer er een storing optreedt in deemissiestuurinrichting of elektrischemotorinrichting of wanneer er wordtgedetecteerd dat de motor overslaat, zalhet storingslampje gaan branden ofknipperen. Als het defectverklikkerlampje gaat bran-den of knipperen, verschijnt “FI” gelijktij-dig op het multifunctionele display.
• (Behalve voor VK, EU)Wanneer er een storing optreedt in eenemissiestuurinrichting of elektrischemotorinrichting, gaat het storingslampjebranden.Als het storingslampje gaat branden,verschijnt “FI” gelijktijdig op het multi-functionele display.Voor meer informatie, zie “DIAGNOSE-SCHERM” op pagina 2-34.LET OPDe motor laten draaien terwijl het sto-ringscontrolelichtje brandt of knippertkan de emissierichting of het rijgedragbeïnvloeden. Als het lampje knippert terwijl de motordraait, stop de motorfiets dan onmidde-lijk op een veilige plaats om schade aande katalysator te voorkomen. (VK, EU) Als u in deze situatie op de motorfietsrijdt, rijd dan op lage snelheid zonder degashendel grotendeels te openen en laatuw motorfiets dan onmiddellijk door uwSuzuki-dealer inspecteren.
2-23OPMERKING: Neem onmiddellijk contactop met uw Suzuki-dealer als het defectverk-likkerlampje brandt of knippert.HOOFDWAARSCHUWINGSCONTROLE-LICHTJE “ ”Wanneer het contactslot wordt ingescha-keld, gaat het hoofdwaarschuwingscontrole-lichtje 3 seconden branden ter controle vanhet lampje en gaat vervolgens uit.Wanneer er een probleem optreedt metbetrekking tot het volgende, gaat hethoofdwaarschuwingscontrolelichtje bran-den:• Motorgerelateerd defect• Defect stuurschakelaars• Motorfiets valt omVoor meer informatie, zie “DIAGNOSE-SCHERM” op pagina 2-34.OPMERKING: Neem onmiddellijk contactop met uw Suzuki-dealer als het hoofdwaar-schuwingscontrolelichtje brandt of knippert.GROOTLICHT-VERKLIKKERLAMPJE “” Dit blauwe controlelichtje gaat branden wan-neer het grootlicht wordt ingeschakeld.
2-24OLIEDRUK-/KOELVLOEISTOFTEMPERA-TUUR-/ACCUSPANNINGWAARSCHU-WINGSINDICATORLAMPJEWanneer het contactslot wordt ingescha-keld, gaat het oliedruk-/koelvloeistoftempe-ratuur-/accuspanningwaarschuwingsindicator-lampje 1 branden en het gaat normaal uitwanneer de motor start.De afzonderlijke lampjes gaan brandenwanneer zich de volgende storingen voor-doen. • De koelvloeistoftemperatuur stijgt totboven 120 °C • De motoroliedruk daalt• Accuprestaties zijn laagHet oliedrukwaarschuwingssymbool 2,koelvloeistoftemperatuurwaarschuwings-symbool 3 en accuspanningwaarschu-wingssymbool 4 verschijnen op het lcd-scherm.
2-25Oliedrukwaarschuwingssymbool “”Wanneer het contactslot wordt ingescha-keld, gaat het oliedrukverklikkerlampje bran-den en verschijnt hetoliedrukwaarschuwingssymbool tegelijker-tijd. Normaal gesproken gaan zowel het olie-drukverklikkerlampje als hetoliedrukwaarschuwingssymbool uit bij hetstarten van de motor.LET OPAls u na het starten van de motor de gas-greep opendraait of met de motorfiets rijdtterwijl het oliedrukverklikkerlampje brandt,kan dit een nadelige invloed hebben op demotor.Zorg dat het oliedrukverklikkerlampje uitis voordat u de gasgreep bedient of metde motorfiets rijdt.LET OPAls u met de motorfiets rijdt of de motorlaat draaien terwijl het oliedrukverklik-kerlampje brandt, kan de motor bescha-digd worden.Wanneer het oliedrukverklikkerlampjeoplicht, duidt dit op een lage oliedruk enmoet u de motor onmiddellijk afzetten.Controleer het oliepeil en vul indiennodig olie bij.
Als er voldoende olie is,maar het lampje nog niet dooft, breng demotorfiets dan naar een erkende Suzuki-dealer of een vakkundige monteur om demotorfiets te laten nakijken.
2-26Koelvloeistoftemperatuur-waarschu-wingssymbool “”Voor meer informatie, zie “KOELVLOEI-STOFTEMPERATUURLAMPJE” oppagina 2-29.Accuspanningwaarschuwingssymbool “”Dit lampje gaat branden wanneer de presta-tie van de accu laag is, wat betekent dat deaccu geïnspecteerd of opgeladen moet wor-den.OPMERKING: Neem contact op met eenSuzuki-dealer voor het inspecteren en opla-den van de accu.ABS-VERKLIKKERLAMPJE “”• Dit verklikkerlampje gaat gewoonlijk bran-den wanneer het contactslot in de stand“ON” wordt gedraaid en gaat uit wanneerde rijsnelheid hoger dan 10 km/h wordt.• Als er een probleem is met het ABS(antiblokkeersysteem), gaat het lampjebranden. Het ABS werkt niet wanneerhet ABS-verklikkerlampje brandt. WAARSCHUWINGHet ABS werkt niet wanneer het ABS-controlelichtje brandt.
2-27OPMERKING: • Als het ABS-verklikkerlampje uitgaatnadat de motor is gestart maar voordat ugaat rijden, moet u de werking van hetABS-verklikkerlampje controleren doorhet contactslot uit en dan weer aan tezetten. Als het ABS-verklikkerlampje nietgaat branden wanneer het contactslotwordt aangezet, moet u het systeem zospoedig mogelijk door een erkendeSuzuki-dealer laten nakijken.• Het ABS-verklikkerlampje gaat soms uitwanneer u de motor met hoog toerentallaat draaien voordat u gaat rijden. WAARSCHUWINGRijden met de motorfiets terwijl het ABS-verklikkerlampje brandt, kan gevaarlijkzijn.Als het ABS-verklikkerlampje knippert ofgaat branden tijdens het rijden, parkeertu de motorfiets op een veilige plaats enzet u het contactslot uit.
Wacht een paarminuten, zet het contactslot op “ON” encontroleer of het controlelichtje gaatbranden.• Als het verklikkerlampje uitgaat nadatu weer bent gaan rijden, is het ABS inorde.• Als het verklikkerlampje niet uitgaatnadat u weer bent gaan rijden, werkthet ABS niet. Laat het systeem in ditgeval zo spoedig mogelijk door eenerkende Suzuki-dealer nakijken.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Suzuki GSX-S1000 (2022) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Motor Suzuki
Handleiding Motor
Nieuwste handleidingen voor Motor