Spartherm Varia H2O Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Spartherm Varia H2O (44 pagina’s), behorend tot de categorie Haarden. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 27 mensen en kreeg gemiddeld 4.3 sterren uit 4 reviews. Heb je een vraag over Spartherm Varia H2O of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Spartherm |
| Categorie: | Haarden |
| Model: | Varia H2O |
Handleiding Spartherm Varia H2O – volledige tekst
NL 2VOORWOORD/KWALITEITSFILOSOFIEU hebt gekozen voor een SPARTHERM-product. Wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. In een wereld van overvloed en massaproductie verbinden wij onze naam met het motto:"Hoge technische kwaliteit, gecombineerd met eigentijds design en het stre-ven naar een tevreden klant die ons aan anderen aanbeveelt."Wij bieden u samen met onze partners uit de vakhandel hoogwaardige produc-ten die u emotioneel raken en gevoelens van geborgenheid en behaaglijkheid oproepen. Om ervoor te zorgen dat u hier snel van kunt genieten, adviseren wij u om de gebruikshandleiding aandachtig te lezen, zodat u de inbouwhaard snel en goed leert kennen. Naast informatie over de bediening bevat deze handleiding belangrijke onderhouds- en gebruiksaanwijzingen ten behoeve van uw veiligheid en het waardebehoud van uw inbouwhaard en geeft het u waardevolle tips en instructies.
NLNL 3INHOUD1. Algemene informatie 41.1 Sluitfunctie van de haarddeur 41.1.1 Omzetten sluitfunctie van de haarddeur 51.2 Leveringsomvang 51.3 Technische gegevens 62. Montage 172.1 Basiseisen voor de opstelling 172.2 Elektrische aansluiting 182.3 Aansluitingen van een H2O-inbouwhaard 182.4 Minimale dwarsdoorsneden convectielucht 222.5 Ontluchting en legen 222.6 Veiligheidsventiel 222.7 Retourtemperatuurverhoging 222.8 Thermische afvoerbeveiliging 232.9 Thermische pompsturing 232.10 Integratie in een verwarmingssysteem 252.11 Schoorsteenaansluiting/verbindingsstuk 302.12 Turbulatoren bij Varia 1V/1Vh H2O XXL / FD(h) H2O 302.13 Ombouw aslade bij Varia FD/FDh/1VX/1VXh H2O 312.14 Deuraanslag/hoogtebegrenzing alleen bij Varia 2Lh/2Rh H2O 323. Eerste ingebruikname 334. Gebruik 335.
NL 4de wanden en in de rookgasverzamelaar een waterwarmtewisselaar geïn-tegreerd. Met het gegenereerde warme water kunnen een boiler, buffervat etc. worden verwarmd. Als deze of soortgelijke systeemonderdelen niet beschikbaar zijn, moet door andere bouwtechnische maatregelen de veilige en permanente warmteafvoer worden gewaarborgd. Het apparaat moet altijd met gesloten deur worden gebruikt. Een wijziging aan het sluitsysteem is niet toegestaan. In de verbindingspijp naar de schoorsteen mogen geen andere warmtewisselaars, oppervlakken voor naverwarming etc. worden geïntegreerd die warmte onttrekken aan het rookgas. De H2O-haard dient als extra warmtebron voor waterverwarmingssystemen volgens DIN EN 12828, aangezien het opgegeven nominale warmtevermogen alleen ontstaat zolang de haard wordt gestookt met het nominale warmtevermogen.
De haard mag alleen met geschikte stookinrichtingen en de juiste instel-lingen worden gebruikt. Neem indien gewenst hierover contact op met Spartherm Feuerungstechnik GmbH. Gebruik de H2O-haard nooit zonder water. 1. 1 SLUITFUNCTIE VAN DE HAARDDEURDe geschiktheid van het toestel voor meervoudig gebruik (twee of meer-dere open haarden met dezelfde schoorsteen) is afhankelijk van of de deur zelfsluitend is:Zelfsluitende deurfunctie: haard is geschikt voor meervoudig gebruikGeen zelfsluitende deurfunctie: meervoudig gebruik niet toegestaan, dus de haard moet zijn aangesloten op een eigen schoorsteen. Opmerking: De oude begrippen "Bouwtype A1" of "Bouwtype A" die zijn voortgekomen uit de niet meer geldende norm DIN 18895, hebben vaak 1. ALGEMENE INFORMATIEOverleg met een erkende schoorsteenveger voordat uw H2O-haard wordt opgesteld en geïnstalleerd.
ONZE INBOUWHAARD IS GECONTROLEERD VOLGENS DIN EN 13229 EN VOLDOET AAN DE EISEN VAN DE BOUWPRODUCTIERICHTLIJN. (CAPACITEITSVERKLARING IS IN TE ZIEN EN VERKRIJGBAAR OP WWW. SPARTHERM. COM) Jonge kinderen, ouderen of minder validen en huisdieren: zoals bij alle verwarmingsapparaten is het zinvol om een bescherming voor deze groepen aan te brengen, omdat het glas en de behuizing zeer heet kunnen worden. Gevaar voor brandwonden. Laat de brandende of zojuist gedoofde haard nooit zonder toezicht achter. In principe mag de haard niet gedurende langere tijd zonder toezicht worden gebruikt. LET OP: De meegeleverde hittebestendige handschoen is uitsluitend bedoeld als hittebescherming bij het vastpakken van de bedienings-greep en het koude handvat. De handschoen is niet vuurbestendig.
Nationale en Europese normen, de landelijke en plaatselijke richtlijnen en voorschriften, in het bijzonder de geldende stookverordening in uw regio, moeten in acht worden genomen bij de plaatsing en het gebruik van uw inbouwhaard en de aansluiting op de schoorsteen. Voor een betere benutting van de hoge verbrandingstemperaturen is aan.
NLNL 5geleid tot het door elkaar halen van de bovengenoemde kenmerken en zijn tegenwoordig niet meer geldig. Over het algemeen moeten Spartherm-haarden worden gebruikt als ze cor-rect gesloten zijn, dus met uitzondering van het bijvullen of schoonmaken moeten de haarddeuren gesloten worden. Bij het gebruik van een enkel bezette schoorsteen (één haard per schoorsteen) heeft de gebruiker de keuze of de haard een zelfslui-tende deur of een niet-zelfsluitende deur heeft. Er moet altijd wor-den gelet op het juiste sluiten van de haarddeur bij het gebruik van de haard en het is altijd de verantwoordelijkheid van de gebruiker. 1. 1. 1 OMZETTEN SLUITFUNCTIE VAN DE HAARDDEUROmhoog te schuiven Spartherm-haarden zijn bij de levering met een niet-zelfsluitende haarddeur uitgerust en openklapbare haarden met een zelfsluitende haarddeur.
Het type sluiting van de deur kan bij omhoog te schuiven haarden met niet-zelfsluitende haarddeuren worden omgezet naar een zelfsluitende haarddeur door het wegnemen van tegengewichten van de haarddeur. Bij openklapbare haarden met een zelfsluitende haard-deur kan de deur worden omgezet naar een niet-zelfsluitende haarddeur door het verwijderen van de veer voor het sluiten van de deur. e procedure voor het omzetten van het deursluittype vindt u in de bijbeho-rende montagehandleiding voor haarden. 1. 2 LEVERINGSOMVANGH2O-haard met de volgende kenmerken:• Haard met geïntegreerde waterwarmtewisselaar, verticale schuifdeur of klapdeur• Geïntegreerde veiligheidswarmtewisselaa en ontluchtingsmogelijk- heid/-mogelijkheden• Thermische overloopbeveiliging (TAS) ¾“ met dompelhuls ½“ en capil-laire buis van 4 m, bijv.
NL 840064646123435162234051023618445597200132115226431181901 de thermische afvoerbeveiliging die in het verwarmingssysteem is geïnte-greerd, zal bij een voorlooptemperatuur van ca. 95 °C de koudwatertoe-voer openen!* De aangegeven waarden geven de gemiddelde waarde van een stookperi-ode weer. Deze waarden ontstaan onder testomstandigheden bij een nomi-naal warmtevermogen, als ieder uur ca.
2,9 kg droog, gekliefd berkenhout wordt verbrand.** Verhoogde druk is door passende maatregelen, zoals door een extra lucht-voorziening of een smoorklep, tot minder dan 30 Pa te verlagen.1Rookgasstomp (Ø zie technische gegevens)2afzonderlijke verbrandingsluchtpijp Ø 150 mm *3Luchtregelhendel4Deur neerklapbaar5Deur omhoog te schuiven* Weergave met losse SVS-achterkant standaardleveringsomvangMeer informatie over de de dikte en het soort warmte-isolerende materiaal vindt u in de montagehandleiding voor inbouwhaarden en de technische gegevens, zie hoofdstuk 1.3!Ventilatieafmetingen tussen haard en warmte-isolatie: de ruimte voor ventilatie tussen de buitenkant van de haardisolatie en de warmte-isolatie van de stookkamer moet minimaal 30 mm en bij Varia Ah H2O, Varia A-FDh H2O en Varia 1V/1Vh H2O / XL/XXL minimaal 60 mm bedragen.Mini Z1 H2O / Mini Z1 H2O XL Afb. 1a
NLNL 172. MONTAGEDe installatie van de watervoerende componenten, de noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen etc. moet worden uitgevoerd door een gespe-cialiseerd bedrijf. e H2O-haard moet dusdanig worden gemonteerd, dat alle componenten, ook die zich achter de haardbehuizing bevinden, op ieder moment toegankelijk en controleerbaar zijn. Na het plaatsen en aansluiten van alle installaties en voor het maken van de stookkamer moeten de haard en de bijbehorende verwarmingsinstallaties door mid-del van een drukproef worden gecontroleerd op dichtheid. Daarbij moet erop worden gelet dat de H2O-haard door het verstellen van de haardvoeten in hoogte horizontaal, resp. met een lichte stijging ten opzichte van de de ontluchtingsplug wordt afgesteld. De montage van de H2O-haard moet gebeuren conform de montage-handleiding voor haarden. 2.
1 BASISEISEN VOOR DE OPSTELLINGDe H2O-haard mag alleen in thermostatisch beveiligde systemen volgens DIN 4751 of DIN EN 12828 worden gemonteerd. Alle aansluitingen naar het verwarmingsnet moeten altijd weer los kunnen worden gemaakt (bijvoorbeeld met een schroefverbinding). Er mogen alleen temperatuur-bestendige buizen in het hete gebied van de haard worden geïnstalleerd. (Hete gebied is ongeveer aan de bovenkant van het glas) De omgevings-temperatuur in het hete gebied kan ver boven 100°C bedragen. Als er een storing optreedt kan dit schade aan niet-temperatuurbestendige buizen veroorzaken. Bij het gebruik van afdichtmateriaal moet altijd worden gelet op voldoende temperatuurbestendigheid.
Door de ligging van de voor-loopaansluiting, de temperatuursensor en bypasskleppen in het voorste gedeelte van de inbouwhaard, moet er een opening aan de voorkant van de verwarmingskamer worden gemaakt voor onderhoud en reparatie-werkzaamheden. Alle armaturen, veiligheidsvoorzieningen en elektrische bouwonderdelen moeten zo worden geïnstalleerd, dat ze op ieder moment toegankelijk, controleerbaar en vervangbaar zijn.
De montage van de veiligheidsvoorzieningen mag niet in het hete gebied van de haard worden geïnstalleerd. Alle watervoerende bouwonderdelen moeten worden beschermd tegen vorst. Bij de montage moeten de installatie- en gebruikershandleidingen van de geïnstalleerde extra componenten altijd worden nageleefd. Bij installatie, aansluiting en gebruik van de H2O-haard moeten alle nood-zakelijke nationale en Europese normen en plaatselijke voorschriften (DIN, DIN EN, regionale bouwverordeningen, stookverordeningen, etc. ) worden aangehouden. HeizAnlV: Duitse verordening verwarmingsinstallatiesFeuVo: FeuVo: Duitse stookverordening van de betreffende deelstaat1.
NL 18DIN 18160-1/2 Rookgassystemen/huisschoorstenenDIN EN 12828 /DIN 4751 Verwarmingssystemen in gebouwen Ontwerp van watervoerende verwarmingssystemen LBO Betreffende bouwverordening op deelstaatniveau in Duitsland VDI 2035 Waterbehandeling voor verwarmingssystemenDeze lijst van richtlijnen claimt niet volledig te zijn. Stookinrichtingen mogen alleen in ruimtes en op plekken worden geïn-stalleerd waarbij geen gevaren ontstaan door de ligging, bouwtechnische omstandigheden of gebruikswijze. Het grondoppervlak van de opstelruimte moet dusdanig uitgevoerd en groot zijn, dat de stookinrichting doelmatig en volgens de voorschriften kan worden gebruikt. 2. 2 ELEKTRISCHE AANSLUITINGDe gehele elektrische installatie van de afzonderlijke componenten van de verwarmingsinstallatie mag uitsluitend door een erkende specialist worden uitgevoerd.
aarbij moeten alle werkzaamheden volgens de VDE-voorschrif-ten (bijv. VDE 0105, VDE 0116, VDE 0100, etc. ) en de technische aanslui-tingsregels van de plaatselijke stroomleverancier worden verricht. 2. 3 AANSLUITINGEN VAN EEN H2O-INBOUWHAARDDe aansluitingen van de veiligheidswarmtewisselaar, de terugloop en de ach-terste ventilatiemogelijkheid bevinden zich aan de achterkant of de zijkant en kunnen altijd worden bereikt door een onderhoudsklep via de stookkamer (zie bijv. afb. 2a – 2f). De aansluitingen van de voorloop, de voorste ven-tilatiemogelijkheid en de dompelhulzen voor de temperatuursensor bevinden zich aan de zijkant van de rookgasverzamelaar (zie bijv. afb. 2a – 2g). Voor de toegankelijkheid moet hier een opening in de haardbehuizing wor-den gemaakt. Voor transportdoeleinden zijn de aansluitingen voorzien van transportbeschermingsvoorzieningen.
Deze moeten bij de montage worden verwijderd. De aansluitingen zijn duidelijk gelabeld en mogen niet op andere wijze worden gebruikt. Ook mag het geïntegreerde veiligheidsmechanisme (veiligheidswarmtewisselaar) niet worden gebruikt voor het verwarmen van water.
NLNL 21Varia FD/FDh H2OVaria 1VX/1VXh H2OVoor de toegang tot de waterzijdige aansluitingen kan een onderhoudsklep in de achterwand of zijwand worden geopend. Daarvoor moet de bekleding van de stookkamer (zijwanden, achterwand, asrooster, asbak en stookka-merbodem) worden gedemonteerd.Na de inspectie moet de afdekplaat weer worden gemonteerd en de stookka-merbekleding worden ingebouwd. De voorloopaansluiting en de ontluchting aan de voorkant moeten via een opening in de stookkamerwand toegankelijk worden gemaakt. 1Voorloopaansluiting2Temperatuursensor voor thermische afvoerbeveiliging3Temperatuursensor thermostaatschakelaar4Ontluchting5"Afvoer" veiligheidswarmtewisselaar6"Toevoer" veiligheidswarmtewisselaar7Afvoeraansluiting8Controleopening9Aansluiting voor optioneel veiligheidsventielOpmerking voor alle haarden:Gebruik zonder bekleding van de stookkamer is niet toegestaan!Afb.
NL 22De richtlijnen van de TR-OL met betrekking tot de vrije dwarsdoorsnede van de ventilatieopeningen en de maximale toevoerluchttemperaturen van 75°C moeten worden aangehouden. Er worden niet-afsluitbare luchtcirculatie- en luchttoevoeropeningen aanbevolen om warmteophoping in de stookkamer uit te sluiten. 2. 6 VEILIGHEIDSVENTIELIn de directe omgeving van de H2O-haard moet in de voorloopleiding een getest veiligheidsventiel (bijv. fabrikaat Syr, type 1915) worden gemonteerd dat bij een overdruk van max. 3,0 bar in werking treedt. Bij de montage moet er worden gelet op de informatie van de fabrikant van het veiligheids-ventiel (onder andere omgevingstemperatuur). Tussen het veiligheidsventiel en de H2O-haard mag geen afsluitmogelijkheid in het systeem worden geïn-tegreerd. Deze zou het veiligheidsmechanisme kunnen uitschakelen.
Verder moeten alle vereiste veiligheidsvoorzieningen zo in het volledige systeem worden geïntegreerd, dat een veilig gebruik gewaarborgd wordt. Een eigen veiligheidsventiel moet ook worden ingebouwd als er één op een andere plek in het hele systeem beschikbaar is (let op TRD 721. ). 2. 7 RETOURTEMPERATUURVERHOGINGDe H2O-inbouwhaard mag alleen met een geschikte retourverhoging worden gebruikt. Tijdens het gebruik moet de retourtemperatuur minimaal 55 °C/60 °C (zie ) bedragen. Om deze temperatuur te garanderen, moet een circulatiepomp zo worden ingebouwd, dat deze pas begint te lopen als de watertemperatuur in de warmtewisselaar 60-65 °C heeft bereikt. Dit moet worden gerealiseerd met een pompthermostaat (meegeleverd, bijv. firma JUMO, heatTHERM, Afriso) (zie ).
Om niet onder de plaatselijke dauwpunten te komen en dus afzettingen op de waterwarmtewisselaar te vermijden, moet altijd een regelaar voor de retourtemperatuur worden ingebouwd.
Hoe langer de leidingen tussen de retourtemperatuurverhoging en de inbouwhaard zijn, des te langer het duurt voordat in de inbouwhaard onder het dauwpunt wordt gekomen, omdat het verwarmingswater bij het 2. 4 MINIMALE DWARSDOORSNEDEN CONVECTIELUCHTDe minimale dwarsdoorsneden voor de convectielucht (luchttoevoer en luchtcirculatie) in de bekleding resp. de stookkamer moeten worden uitge-voerd zoals wordt beschreven in de technische gegevens (hoofdstuk ). „1. 3 Technische gegevens“De vakregels voor ter plekke gebouwde kachels van gebakken stenen/pleis-terwerk en luchtverwarmingssystemen (TR-OL 2006) moeten altijd in acht worden genomen. De informatie van de openingsgroottes voor convectielucht geldt voor lucht-snelheden van 0,75 m/s in warmtehaarden (systemen met warme lucht of oppervlakteverwarmingen).
Indien een combinatie van een open haard en een gesloten systeem (hypocaustum) is gemaakt, zijn er kleinere openingen voor luchttoevoer en luchtcirculatie omdat de energie-afgifte over de haardopper-vlakken in acht moet worden genomen. 2. 5 ONTLUCHTING EN LEGENEr moet een 1/2“ mogelijkheid voor het legen worden gemaakt op het dieptepunt van de haard en het leidingsysteem. Voor het ontluchten van de waterwarmtewisselaar zijn de ontluchtingsmogelijkheden die worden getoond op de afbeeldingen 2a-2f beschikbaar. In de directe omgeving van het ontluchtingsventiel moet een voldoende grote opening in de bekleding worden gemaakt waar de bovenste ontluchting plaatsvindt. Ten tweede kan de onderste ontluchting (in het gedeelte van de aansluitingen aan de ach-terkant) door de onderhoudsopening in de stookkamer worden bereikt en gebruikt.
Na ingebruikname moet de inbouwhaard meerdere malen worden ontlucht, omdat het verwarmingswater door de hoge temperaturen ontgast. Het systeem moet op ieder moment voldoende met water zijn gevuld en ontlucht. Dit moet vooral worden gecontroleerd als het systeem langere tijd heeft stilgestaan.
NLNL 23aanmaken eerst moet worden verwarmd. Daarom wordt aanbevolen om de retourtemperatuurverhoging direct, maar goed toegankelijk, in de buurt van de haard te monteren. Let op: Bij een ontbrekende of niet effectief werkende retourtempera-tuurverhoging kunnen wij voor storingen of corrosieschade (roetvorming, afzettingen, etc. ) van de waterwarmtewisselaar of de schoorsteen etc. niet aansprakelijk worden gesteld of garantie geven. 2. 8 THERMISCHE AFVOERBEVEILIGINGOmdat de verwarming van de H2O-haard niet automatisch en snel kan wor-den uitgeschakeld, moet conform DIN 4751 – deel 2 resp. DIN EN 12828 de warmwatertoren worden voorzien van een thermische afvoerbeveiliging om gevaarlijke situaties bij storingen, zoals stroomuitval, te vermijden. Hiervoor is in de H2O-haard een veiligheidsmechanisme (veiligheidswarmtewisselaar) tegen oververhitting geïntegreerd.
Deze veiligheidsvoorziening mag niet worden gebruikt als waterverwarmer. De meegeleverde thermische afvoerbeveiliging (bijv. firma Watts STS) is voor een minimumdebiet van 900 kg/h water gecontroleerd en toegestaan. De sensor van de capillaire buis moet in de overeenkomstig gemarkeerde aansluitopening in de H2O-inbouwhaard (in de afgesloten dompelhuls) worden geschoven en continu worden gefixeerd. De volgende punten moeten bij de montage absoluut worden nage-leefd, zodat het veiligheidsmechanisme kan functioneren:• Bij de montage moet op de meegeleverde installatie- en gebruiksaanwij-zing van de thermische afvoerbeveiliging van de fabrikant worden gelet. • e armatuur van de thermische afvoerbeveiliging mag alleen in de toe-voerleiding worden ingebouwd. Zo is er bij normaal gebruik geen onder druk staand water in de veiligheidswarmtewisselaar beschikbaar.
• De armatuur van de thermische afvoerbeveiliging mag niet in het warme gebied van de verwarmingsruimte (convectieruimte) van de haard worden ondergebracht (max. omgevingstemperatuur 80 °C).
Kies de positie in overeenstemming met de lengte van de capillaire buis. • Bij de koudwateringang moet een stromingsdruk van min. 2,0 bar beschikbaar zijn. Deze druk moet altijd gegarandeerd zijn. Waterlei-dingschommelingen moeten worden uitgesloten. Dit betekent dat bij-voorbeeld een netspanningsafhankelijke leidingwatervoorziening niet is toegestaan. • Een minimumdebiet van ca. 900 kg/h water moet gegarandeerd zijn. Deze toevoerleiding mag niet afsluitbaar zijn. • De inbouwhaard moet zo worden ingesteld, dat de ontluchting aan de voorkant op de hoogste plaats zit. Alle onderdelen die relevant zijn voor de veiligheid moeten zo in het systeem worden geïntegreerd, dat de werking en de dichtheid op ieder moment kun-nen worden gecontroleerd. De afvoer van de thermische afvoerbeveiliging moet zo worden geplaatst, dat op ieder moment een controle kan plaatsvin-den (bijv.
via een afvoer met sifon). 2. 9 THERMISCHE POMPSTURINGDe haard moet verplicht met een retourtemperatuurverhoging worden gebruikt. Een thermostaatschakelaar van de firma Afriso is meegeleverd, die elektrisch op de stroomtoevoer van de retourverhoging (circulatiepomp) moet worden aangesloten. De bijbehorende opgerolde capillaire buis moet worden uitgerold en in de gemarkeerde dompelhuls aan de voorkant boven rechts/links worden ingeschoven en worden vastgezet met de meegeleverde klem. Let op: De capillaire buis mag niet worden verlengd of gebogen. Deze zorgt ervoor dat de circulatiepomp alleen bij een toereikende watertemperatuur inschakelt en weer uitschakelt als de ondergrens wordt bereikt. De aansluiting gebeurt zoals wordt weergegeven op afb. 3a - b. Een regeling van de circulatiepomp via een geschikte ketelsturing of soortgelijke voorzieningen is mogelijk.
Bij de montage moet worden gelet op de meegeleverde installatie- en gebruiks-aanwijzing van de thermostaat. De sensor van de thermostaat of de externe regelaar moet in de overeenkomstig gemarkeerde aansluitopening van de.
NL 24H2O-inbouwhaard (in de afgesloten dompelhuls) worden geschoven en continu worden gefixeerd.De maximale belastbaarheid van de meegeleverde thermische pompsturing bedraagt bij wisselstroom AC 230 ongeveer 500 W.De werkinstelling van de minimale thermostaat is bij de draairegelaar in te stellen en is op een temperatuur van ca. 62 °C vooraf ingesteld. Optio-neel, als de omstandigheden dit vereisen, kan het instellingsbereik door het installatiebedrijf worden aangepast. Als de draairegelaar wordt afgenomen, kan het instellingsbereik door het draaien van de rode aandrijver worden veranderd. Let op: De minimale instelling van ca. 57 °C mag niet worden onderschreden.Het aansluiten gebeurt zoals wordt weergegeven op afb. 3a en 3b.1De blauwe draad wordt de geschakelde fase (L`) en wordt als fase op de circulatiepomp resp.
de retourverhoging aangesloten.2De groen-gele draad wordt op de beschermende geleider (aarde) (PE) van de stroomtoevoer aangesloten.3De bruine draad wordt op de fase (L) van de stroomtoevoer aangesloten.4Elektrische aansluiting van de thermostaatpompsturing5Thermostaat als pompsturing (bijv. firma Afriso) met ca. 3,0 m aansluitkabel 2x0,75mm²6Retourtemperatuurverhoging (circulatiepomp)7Klem 1 niet vereist!8Fase (L) bruine kabel9Geschakelde fase (L`) blauwe kabelAfb. 3a°CC2 1L' NPEPENL456798Afb. 3b
NLNL 252. 10 INTEGRATIE IN EEN VERWARMINGSSYSTEEMDe H2O-haard mag alleen na uitgebreide planning van het hele verwarmings-systeem volgens de geldende technische regels en de veiligheidstechnische normen in het volledige systeem worden gemonteerd. Het correct plaatsen van de gebruikte pompen, armaturen, pijpleidingen, buffervat en de veilig-heidstechnische componenten zoals het veiligheidsventiel en het expan-sievat is de verantwoordelijkheid van het planbureau en/of het uitvoerende installatiebedrijf. Let erop dat tijdens de stookfase gedurende korte tijd zeer hoge watercapaciteiten van ca. 20 kW kunnen optreden. Hierop moet onder andere de plaatsing van de verwarmingsinstallatie worden afgestemd.
De volgende voorbeeldberekening kan handig zijn voor het dimensioneren van het buffervat:Voor de Mini Z1 H2O:De volgende aannames zijn hier gedaan:• Buffervatformaat: 300 liter (ongeveer 300 kg water)• Watertemperatuur in het vat aan het begin: 30 °C• Watertemperatuur in het vat aan het einde: 60 °C• Temperatuurverschil 30 °C (komt overeen met 30K)• Geen warmteafvoer uit het vat tijdens het verwarmen door de Mini Z1 H2O resp, geen warmteverlies van het systeemQ = cp×m×∆tQ = 4,187 kJ × 300kg×30K kg×KQ = 37683 kJDit betekent: Voor het verwarmen van 300 liter water in een vat van de ver-onderstelde 30 °C tot 60 °C is een theoretische waterhoeveelheid van 37. 683 kJ (= 37. 683 kWs) nodig (zonder dat waterverlies of warmteafname in het systeem in acht worden genomen). De waterhoeveelheid komt overeen met ongeveer 10,5 kWh. Bij een zinvolle opbouw van het verwarmingssysteem, bijv.
een gelaagde opslag, kan het warmtegebruik echter al kort na de start van de circulatie in de Mini Z1 H2O beginnen. Dan wordt alleen de overtollige, niet voor het verwarmen benodigde energie, in het buffervat opgeslagen. Bij een gemiddeld verondersteld vermogen van ca. 5,5 kW van H2O-haard duurt het verwarmen van het hele vat bijna 2 uur.
Op zeer koude winterdagen kan het voorkomen, dat het haardsysteem ook een keer ca. 12 uur in gebruik is. De daarbij geproduceerde warmte-energie komt dan theoretisch overeen met 66 kWh. Deze warmte-energie zou dan voor het verwarmen van ongeveer 1. 900 liter water voldoende zijn (van 30 °C tot 60 °C). InIn de regel wordt in zo'n situatie echter telkens ook warmte onttrokken, zodat geen overlading van het opslagvat (> 90 °C) zal optreden. De aannames, waarden en resultaten voor de andere haarden worden hier-onder in de tabel weergegeven.
NL 30Let op: De afbeelding 4a-f toont mogelijkheden voor hoe een H2O-haard in bestaande verwarmingssystemen kan worden geïntegreerd. Deze vervangen echter niet de uitgebreide planning voor de installatie door een vakkundig bedrijf. 1Voorloop2Terugloop3Temperatuursensor voor thermische afvoerbeveiliging (TAS)4Temperatuursensor voor thermostaatschakelaar5"Afvoer" veiligheidswarmtewisselaar6"Toevoer" veiligheidswarmtewisselaar7Ontluchting8Veiligheidsventiel 3 bar9Ontluchting10 Thermostaatschakelaar voor pomp (bijv. firma Afriso)11 Aansluiting verwarmingssysteem12 Buffervat13 Regelventiel14 Retourtemperatuurverhoging (bijv. firma TESBE Typ: LTC 200)15 Circulatiepomp16 Vul- en ledigingsarmatuur17 Expansievat18 Afvoer19 Thermische afvoerbeveiliging (bijv. firma Watts)20 Terugslagventiel2. 11 SCHOORSTEENAANSLUITING/VERBINDINGSSTUKDe H2O-haard wordt met verbindingsstukken van min.
2 mm dik staalplaat verbonden met de schoorsteen. Deze moeten overeenkomen met DIN 1298 resp. DIN EN 1856-2 en volgens DIN 18160 resp. de landelijke voorschriften aan de schoorsteen/rookgasinstallatie worden aangesloten. Let op dat de uitlaatpijp in de kortst mogelijke weg, stijgend naar de schoorsteen wordt gelegd. Hierbij mogen indien mogelijk geen afbuigingen van de uitlaatpijp worden gemaakt. Verder moet de uitlaatpijp met een ingemetselde muur-bekleding aan de schoorsteen worden aangesloten en afgedicht worden. De verbindingsstukken moeten ook worden afgedicht. Als de uitlaatpijp door bouwonderdelen met brandbare bouwstoffen loopt, moet de uitlaatpijp volgens de voorschriften worden geïsoleerd. In principe moet de verbin-dingsleiding zo worden gemonteerd, dat op ieder moment een reiniging van de verbindingsleiding mogelijk is.
Dit moet worden gegarandeerd door een passend aantal reinigingsopeningen. Er moet een meetaansluiting toe-gankelijk worden ingebouwd in de verbindingsleiding voor het bepalen van de onderdruk van de schoorsteen. 2.
12 URBULATOREN BIJ VARIA 1V/1VH H2O XXL / FD(H) H2OLet erop dat alleen bij de variant Varia 1V/1Vh H2O XXL turbulato-ren in de rookgaskanalen zijn gebouwd. De uitbreiding gebeurt door de verbrandingsruimte:1. verwijder de leiplaat2. draai de turbulator diagonaal (afb. 5a) en3. draai deze naar beneden in de verbrandingsruimte (afb. 5b)De inbouw gebeurt omgekeerd. Opmerking:De turbulatoren in de rookgaskanalen kunnen bij trekproblemen worden uitgebreid. Daardoor is echter een beperkte prestatie aan de waterkant van ca. 1-4% mogelijk.
NLNL 312.13 OMBOUW ASLADE BIJ VARIA FD/FDH/1VX/1VXH H2ODe Varia FD/FDh/1VX/1VXh H2O wordt standaard met een aslade (afb. 6a) aan de voor- of achterkant geleverd. Het is mogelijk om de aslade aan te brengen aan de tegenoverliggende zijde. Indien de nodige opening/klep aan de bouwkant van de bekleding niet is gewenst kan de gebruikelijke asbak in de verbrandingsruimte worden geplaatst. De opening van de aslade is vervolgens te sluiten met een deksel. Voor beide varianten zijn de volgende ombouwmaatregelen noodzakelijk.Aslade wisselen:1. Demonteer het deksel met pakking. Hiervoor moeten 6 schroeven worden losgemaakt (afb. 6b).2. Verwijder de aslade (afb. 6a) en plaats deze aan de tegenoverliggende zijde erin.3. Het deksel met pakking moet aan de tegenoverliggende zijde met 6 schroeven worden gemonteerd (afb. 6b).Asbak:Bestel het artikel deksel, pakking en asbak groot.1.
NL 322. 14 DEURAANSLAG/HOOGTEBEGRENZING ALLEEN BIJ VARIA 2LH/2RH H2ODe deur die omhoog kan worden geschoven is alleen bij de Varia 2Lh/2Rh H2O uitgerust met een variabele deuraanslag. Deze is standaard ingesteld op de middelste stand, dat wil zeggen dat de openingshoogte wordt ingesteld met een vermindering van 50 mm. Indien de openingshoogte verder verlaagd (verlaging van de openingshoogte met 100 mm) of verhoogd moet worden (maximale ope-ning) moeten de aanslagen aan beide deurzijden worden omgebouwd. eze zijn ook na het klaarmaken van de stookkamer te bereiken door een spleet tussen het glas en de deurkap. De volgende handelingen moeten hiervoor worden uitgevoerd:Ombouwen van de deuraanslag tot de maximale opening1. Sluit de deur die omhoog kan schuiven, zodat de bevestigingsschroeven bereikbaar zijn (zie afb. 7d). 2.
De M5X10 bouten aan beide zijden van het apparaat uitdraaien met een 4 mm imbussleutel (kogelkop). Aanzicht van afb. 7a: van onderen tussen glas en deurkap3. De deuraanslagen eraf trekken in de richting van de rode pijl. Eventueel zit deze iets vast en moet deze van onderen met een schroevendraaier worden "losgetild". 4. De deuraanslagen zijn vervolgens niet meer nodig, maar moeten wel worden bewaard. Omzetten van de aanslag op 100 mm verlaagde openingshoogteDeze instelling kan worden gebruikt zolang de rookgasinstallatie voor het open gebruik tijdens het toevoegen van brandstof niet geschikt is. Door de openingshoogte van de deur te verkleinen, wordt de luchtmassastroom beperkt. 1. Sluit de deur die omhoog kan schuiven, zodat de bevestigingsschroeven bereikbaar zijn. 2. De M5X10 bouten aan beide zijden van het apparaat uitdraaien met een 4 mm imbussleutel (kogelkop). 3.
Trek de deuraanslag in de richting van de rode pijl eraf. Eventueel zit deze iets vast en moet deze van onderen met een schroevendraaier worden losgetild. 4. Plaats de deuraanslag met de lange beugel aan de voorkant van het apparaat.
NLNL 333. EERSTE INGEBRUIKNAMESystemen die warmte genereren, mogen alleen door vakkundige bedrijven worden gemaakt en gemonteerd. De eerste ingebruikname mag alleen worden gedaan door een specialist van een installatiebedrijf. De eigenaar/gebruiker moet een certificaat ontvangen waarop de juiste inbouw en de juiste instelling/werking van alle regel- en veiligheidscomponenten wordt bevestigd. De eerste ingebruikname mag alleen plaatsvinden nadat alle nodige componenten zijn aangesloten en alle nodige veiligheidsvoorzie-ningen zijn geïnstalleerd en werken. Voordat de kachel/haard in gebruik wordt genomen, moet deze aan de kant van de verwar-ming (verwarmingsnet) en aan de kant van het water (thermische afvoerbeveiliging, veiligheidswarmtewisselaar) zijn gevuld en ont-lucht. Controleer na het vullen alle hydraulische aansluitingen op dichtheid.
Het gebruik zonder aansluiting aan de waterkant leidt tot schade die niet te repareren is en zal de garantie laten vervallen. De eerste vier stookbeurten moeten telkens met max. 2,0 kg/uur droog en dun hout (max. 25 cm omvang) worden gedaan. Hierdoor komen de haard, de chamottestenen en het vermiculiet langzaam op temperatuur en zo komt het vocht van de eventuele opslag, transport etc. langzaam vrij. Als dit niet gebeurt, is vervuiling van het tussengebied van de glazen en scheuren van de chamottestenen mogelijk. Let op: Onder de haard kan tot 0,5 liter condenswater lekken. Hierbij gaat het niet om een lek. De gebruiker dient uitgebreid te worden geïnstrueerd over de bediening, de werking en het onderhoud van het hele systeem, inclusief alle aanvul-lende componenten. Verder moet de gebruiker worden geïnformeerd over de maatregelen voor het handhaven van een veilig gebruik van het systeem.
De uitgevoerde instructie moet worden gedocumenteerd in het protocol voor ingebruikname. Deze montage- en gebruiksaanwijzing moet worden bewaard en in de buurt van de H2O-haard op een eenvoudig te bereiken plek worden gelegd.
Verdere informatie over de algemene bediening van de H2O-haard is te vinden in de meegeleverde gebruiksaanwijzing voor Spartherm-haarden. De H2O-haarden/-verwarmingssystemen moeten voor het aansteken wor-den gevuld en ontlucht. Daarbij moet de druk van het verwarmingssysteem worden gecontroleerd (~1,5 bar). Het ontluchten moet na de ingebruikname dagelijks gebeuren. Zodra er geen lucht meer uitkomt, kan het interval worden verlengd. Het verwarmingssysteem en de kachel/haard moeten met behandeld water volgens VDI 2035 blad 1 worden gevuld. 4. GEBRUIKLet voor het gebruik ook op de informatie in de gebruikershandleiding voor onze inbouwhaarden. De informatie in deze montage- en gebruiksaan-wijzing gaat over het speciale gebruik van een haard met geïntegreerde waterwarmtewisselaar. • De deur van de kachel moet zelfsluitend zijn als er meerdere uit-laatsystemen in gebruik zijn.
De deur mag alleen bij het bijleggen van haardhout of in afgekoelde toestand voor het reinigen worden geopend. Een manipulatie van het sluitsysteem is niet toegestaan. Als er één uit-laatsysteem beschikbaar is, moet de deur van de vuurruimte niet zelf sluiten. De deuren van de vuurruimte moeten echter altijd gesloten zijn tijdens het branden. LET OP: De meegeleverde hittebestendige handschoen is uitsluitend bedoeld als hittebescherming bij het vastpakken van de bedienings-greep en het koude handvat. De handschoen is niet vuurbestendig.
NL 34• Hoeveelheid hout toevoegen:: „1. 3 Technische gegevens“• Luchtinstelling: ongeveer in het midden, is afhankelijk van de lokale omstandigheden eventueel iets aan te passen (zie voorbeeld). ). Tijdens het aansteken kan de luchthendel een aantal minuten worden geopend. • Bij een stookduur van ca. 60 minuten is het aangegeven totale vermogen van de haard„1. 3 Technische gegevens“5. REINIGING EN ONDERHOUDLet voor het reinigen ook op de informatie in de gebruiksaanwijzing voor onze haarden. De informatie in deze montage- en gebruiksaanwijzing gaat alleen over de reiniging van de warmtewisselaar van de H2O-haard. Let erop dat door de reiniging vervuiling van de ruimte waar de haard is geplaatst en de gedragen kleding kan ontstaan. We adviseren de plek rondom de haardopening met folie of een doek te beschermen tegen vuil.
• De afstand tussen brandbare onderdelen/meubels en het glas moet minimaal 80 cm bedragen. • De inbouwhaard is ontworpen voor de verbranding van droog, onbehan-deld, gekliefd hout met aangehechte schors en houtbriketten. Andere brandstoffen mogen niet worden gebruikt. • Het gebruik bij deelbelasting leidt tot lagere rookgastemperaturen. Dit kan bij langdurig gebruik van de H2O-haard bij niet geschikte schoor-steensystemen leiden tot schoorsteenschade. Om deze reden raden we aan om niet minder dan 2,0 kg hout per uur toe te voegen op een branddag. • De thermische rookgasklep die is geïntegreerd in de warmtewisselaar van de H2O-haard Mini Z1 H2O-Serie, Nova E H2O, Varia Ah H2O en Varia AFDh H2O regelt de functie zelf. Bij een toereikend hoge uitlaattemperatuur (ca. 150 °C) sluit de rookgasklep automatisch. Daardoor wordt de rookgasstroom door de warmtewisselaar geleid.
Voor een betere werking van de warmtewisselaar moet de H2O-haard zo gelijkmatig mogelijk worden gestookt en moet frequent afbranden tot gloeiende kolen worden vermeden om een zo gelijkmatig mogelijke warmteafgifte van de warmtewisselaar te krijgen en lage schoorsteentemperaturen te vermijden. • Dubbele beglazing (IR-weerspiegeling): Door het aanbrengen van oxidela-gen op de glasoppervlakken, worden infraroodstralingcomponenten uit de stookkamer grotendeels gereflecteerd. Deze lagen produceren de interfe-rentiekleuren (regenboogachtig), de zogenaamde IR-weerspiegeling. Door deze kleuren is het kwaliteitskenmerk "IR-weerspiegeling" zichtbaar resp. herkenbaar. Deze kleuren kunnen niet worden verwijderd. • Voor het gebruik van de haard met het nominale vermogen moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan. • De haard is verwarmd (er is al 2-3 keer hout toegevoegd).
• Het verbranden moet gebeuren met gesloten deur. • Schoorsteentrek: 12-14 Pa• Hout: droog beukenhout; (vochtigheid < 18%)Voorbeeld van een houtsteun.
NLNL 355.1 EINIGING VAN DE WARMTEWISSELAARDe reiniging van de warmtewisselaar is noodzakelijk. Alleen als de warm-tewisselaar regelmatig en op de juiste manier gereinigd en onderhouden wordt, kan hij volledig zijn werk doen. De reiniging gebeurt altijd in een afgekoelde toestand!Omdat de warmtewisselaar direct de rookgassen van de H2O-haard afkoelt, en dit onvermijdelijk leidt tot afzettingen op de oppervlakken van de warm-tewisselaar, moeten deze regelmatig worden gereinigd met de meegele-verde borstel. De frequentie van het reinigen is afhankelijk van meerdere factoren (intensiteit van het gebruik, duur van het branden, brandstof, schoorsteentrek etc.) en kan niet worden aangegeven in vaste cijfers. We adviseren een reiniging na ca. 5 branddagen. Als er geen vuil zichtbaar is, kan de reiniging ongeveer iedere 20 branddagen plaatsvinden.
De reini-gingsintervallen moeten worden aangepast aan de plaatselijke situatie. Bij het gebruik van droog brandhout en het opvolgen van ons advies kunnen de reinigingsintervallen beduidend langer worden. Na het eindigen van het stookseizoen is een grondige reiniging van alle componenten noodzakelijk.De reiniging van de warmtewisselaar vindt altijd plaats door de verbran-dingsruimte van de haard. Daarvoor moet de haarddeur worden geopend en het keerschot (leiplaat) uit de verbrandingsruimte worden verwijderd. Vervolgens wordt de thermische rookglasklep (indien beschikbaar) door de verbrandingsruimte verwijderd (zie afb. 8a-b). Hiervoor wordt de klep bij het handvat iets gekanteld en naar beneden eraf gehaald. Reststoffen van de thermische rookgasklep mogen alleen met een doek of een kwast worden verwijderd. Daarbij mag geen druk op de vier vleugels van de rookgasklep worden uitgeoefend.
NL 36Vervolgens moeten de buizen van de warmtewisselaar en het middenkanaal en de buitenste oppervlakken van de warmtewisselaar en de rookgasverzame-laar met de meegeleverde borstel of met een handborstel worden gereinigd. De afzettingen vallen dan automatisch in de verbrandingsruimte en kunnen daar met gebruikelijke middelen (asschep, asbezem of een asstofzuiger) wor-den verwijderd. Na de reiniging gebeurt de montage in omgekeerde richting. Hang eerst de thermische rookgasklep erin (schuin van onderen naar binnen brengen en op de steunen leggen). Leg daarna het keerschot erin zodat de rookgas-spleet aan de glaskant ligt. 5. 2 REINIGING VAN HET DUBBEL GLASIndien de haard is voorzien van dubbel glas, mag door de gebruiker alleen de kant van de stookkamer en de kant voor het opstellen volgens de gebruiksaanwijzing worden gereinigd.
Als de inwendige ruiten die in de holtes liggen vervuild zijn, mag de reiniging alleen door de klantenservice of een vakkundig bedrijf worden gedaan. Door het gebruik kan een lichte hel-dere glans tussen de glasplaten zichtbaar zijn. Deze afzettingen zijn echter geen reden voor een klacht. 5. 3 BYPASSKLEP VARIA 1V/1VH H2O/XL/XXLOm het ontsnappen van verwarmingsgassen te verminderen is er een bypassklep (zie afb. 9) parallel aan de warmtewisselaar in het voorste gedeelte ingebouwd. De montagepunten bevinden zich direct naast de wateraansluitingen en moeten voor onderhouds- en servicewerkzaamheden bereikbaar zijn. Deze zijn aan de linkerkant van het apparaat en vanaf de brandruimte bereikbaar. 5. 4 ONDERHOUD VAN DE WARMTEWISSELAARDe waterdruk van het verwarmingssysteem moet in het stookseizoen regel-matig worden gecontroleerd.
De informatie in de installatie- en gebruikershandleidingen van de desbetreffende fabrikant van de componenten moet in acht worden genomen. Deze controle mag alleen door een vakkundig bedrijf worden uitgevoerd, dat de werking van de afzonderlijke componenten kan waarborgen. We adviseren om met uw specialist een onderhoudscontract af te sluiten. De jaarlijkse veiligheids-controle (bijv. functiecontrole van de thermische afvoerbeveiliging, pompthermostaat, veiligheidsventiel, conservator etc. ) moet vóór BypassklappeAfb. 9De stalen voorkant is niet zichtbaar op afb. 9. Bypassklep.
NLNL 37het stookseizoen worden gedaan. De uitgevoerde jaarlijkse veilig-heidscontroles moeten door uw specialist in het ingebruiknemingsprotocol worden gedocumenteerd. In geval van klachten moeten de uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden aan het servicepersoneel worden overhandigd. 6. PROBLEEMOPLOSSINGOpmerking: De haard mag niet als afvalverbrandingsoven worden gebruikt. Verder gaat het om een haard voor kortdurend gebruik. Langdurig branden kan ook niet door het onttrekken van verbrandingslucht worden bereikt en is niet toegestaan. De volgende problemen kunt u zelf oplossen:Probleembeschrijving OplossingDe thermische afvoerbeveiliging wordt voortdurend ingeschakeld (er stroomt continu water door de afvoer). De waterwarmtewisselaar kan geen warmte afgeven aan de verwarmingsinstallatie. • De bufferopslag is 'vol'. Warmte afnemen uit de bufferopslag.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Spartherm Varia H2O stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Haarden Spartherm
Handleiding Haarden
Nieuwste handleidingen voor Haarden