Smart Fortwo (2016) Handleiding


Pagina's 236 Nederlands Auto

Bekijk de handleiding van Smart Fortwo (2016) gratis online of download de PDF. 22 mensen vonden deze handleiding nuttig. Vraag over dit model? Stel een vraag

>> Handleiding
smart fortwo

Beoordeel deze handleiding


Product specificaties

Merk: Smart
Categorie: Auto
Model: Fortwo (2016)

Handleiding Smart Fortwo (2016) – volledige tekst

schade maken uopmerkzaam op risico's die de auto kunnenbeschadigen.iNuttige informatie of aanwijzingen diebehulpzaam kunnen zijn.XDit symbool wijst op een hande-lingsinstructie die moet wordenopgevolgd.XMeerdere van dergelijke, opelkaar volgende symbolen geveneen aanwijzing met meerderehandelingen aan.( pagina) Dit symbool geeft aan waar meerYinformatie over een onderwerpte vinden is.YY Dit symbool geeft een waarschu-wing of handelingsinstructieaan, die op de volgende paginawordt voortgezet.DisplayDisplayDisplayDisplayDisplay Dit lettertype geeft een meldingop het multifunctioneel displayweer.

Het plezier kan beginnen!Voor de eerste rit dient u zich aan de hand vandeze handleiding vertrouwd te maken met deauto. Voor uw eigen veiligheid en voor eenlangere levensduur van de auto adviseren wiju de volgende aanwijzingen en waarschu-wingsaanwijzingen in deze handleiding op tevolgen. Onoplettendheid kan tot schade aande auto en persoonlijk letsel leiden.De uitvoering of de productbenaming van deauto is afhankelijk van:RModelROpdrachtRLandenuitvoeringRBeschikbaarheidDe afbeeldingen in deze handleiding toneneen auto met links stuur.

Bij auto's met rechtsstuur wijkt de indeling van onderdelen enbedieningselementen overeenkomstig af.smart past zijn auto's steeds aan de voortdu-rende ontwikkeling van de wetenschap en detechniek aan.smart behoudt zich het recht voor de volgendepunten te wijzigen:RVormRUitvoeringRTechniekDaarom kan de beschrijving in sommigegevallen afwijken van uw auto.Onderdeel van de auto zijn:RHandleidingROnderhoudsboekjeRUitrustingsafhankelijke aanvullendehandleidingenDeze gedrukte documentatie moet altijd in deauto aanwezig zijn. Deze documentatie moetbij verkoop van de auto aan de nieuwe eige-naar worden overhandigd.U kunt ook de smart Guides voor tablet ensmartphone gebruiken.Houd er alstublieft rekening mee, dat desmart Guides app in uw land eventueel nogniet beschikbaar is.4535847103 É4535847103MËÍ

158Veiligheidssysteem. 159WaarschuwingslampjeVeiligheidsgordels. 158Wegrijblokkering. 51WegrijdenAlgemene aanwijzingen. 98Automatische transmissie. 98Handgeschakelde versnellings-bak. 98WielenAanhaalmoment. 218Belangrijke veiligheidsvoor-schriften. 207Controle. 207Monteren van een wiel. 215Opslaan. 215Reinigen. 185Sneeuwkettingen. 210Velgen- resp. bandenmaat. 218Verwisselen. 214Verwisselen van een wiel. 214Wiel monteren. 217Wiel verwijderen. 217WinterbandenM+S-banden. 209ZZekeringenBelangrijke veiligheidsvoor-schriften. 203Inbouwplaats. 204Voor verwisseling. 203Zekeringenhouder in fron-truimte. 203Zekeringenhouder in het dash-board. 204ZijrichtingaanwijzerLampje vervangen. 82Trefwoordenregister 17.

MilieubeschermingAlgemene aanwijzingenHMilieu-aanwijzingDaimler AG is voorstander van een geïnte-greerde milieubescherming. Hierbij wordt gestreefd naar spaarzaamgebruik van hulpbronnen en het ontzien vande natuurlijke leefomstandigheden, waar-van het behoud voor mens en natuur vanbelang is. Door op milieubewuste wijze gebruik temaken van de auto ontziet u het milieu. Het brandstofverbruik, alsmede de slijtagevan motor, versnellingsbak, remmen enbanden, zijn sterk afhankelijk van de vol-gende factoren:Rde bedrijfsomstandigheden van de autoRuw persoonlijke rijstijlBeide factoren kunt u beïnvloeden. Daaromde volgende aanwijzingen in acht nemen:BedrijfsomstandighedenRHet rijden van korte afstanden vermij-den; deze verhogen het brandstofver-bruik. RZorg dragen voor een juiste bandenspan-ning. RGeen onnodige ballast meenemen. REen regelmatig onderhouden auto ontziethet milieu.

Daarom de onderhoudsinter-vallen aanhouden. ROnderhoudswerkzaamheden altijd latenuitvoeren bij een gekwalificeerde werk-plaats. Uw persoonlijke rijstijlRTijdens het starten geen gas geven. RDe motor niet stationair laten warm-draaien. RAnticiperend rijden en voldoendeafstand houden ten opzichte van uw voor-ligger. RVeelvuldig en sterk accelereren en rem-men vermijden. RTijdig schakelen en in de versnellingenslechts tot van het maximumtoerentalÔdoortrekken. RDe motor afzetten als het verkeer gedu-rende langere tijd stilstaat. RHet brandstofverbruik controleren. Terugname van de oude autoAlleen voor EU-landen:smart neemt uw oude auto weer terug om dezeovereenkomstig de richtlijn autowrakken vande Europese Unie (EU) milieuvriendelijk afte voeren. Voor het inleveren van oude auto's is er eennetwerk van inzamelpunten en demontagebe-drijven beschikbaar.

Bij deze bedrijven kuntu uw auto gratis afgeven. Hierdoor levert ueen waardevolle bijdrage aan het sluiten vande recyclingkringloop en het ontzien van dehulpbronnen.

In deze gebieden geen accessoires, bij-voorbeeld een audiosysteem, monteren. Geen reparaties of laswerkzaamheden uit-voeren. De functionaliteit van de veilig-heidssystemen kan nadelig worden beïn-vloed. Als naderhand accessoires moeten wordengemonteerd, dit laten uitvoeren bij eengekwalificeerde werkplaats. Wanneer niet door smart vrijgegeven onder-delen, banden en velgen evenals veiligheids-relevante accessoires worden gebruikt, kande bedrijfsveiligheid van de auto in hetgeding komen. De werking van veiligheids-relevante systemen, bijvoorbeeld het rem-systeem kunnen gestoord worden. Uitsluitendoriginele smart-onderdelen of onderdelenvan dezelfde kwaliteit gebruiken. Alleenvoor uw type auto goedgekeurde banden envelgen en accessoires gebruiken. smart controleert originele onderdelen envoor de auto goedgekeurde ombouwdelen enaccessoires op hun betrouwbaarheid, veilig-heid en geschiktheid.

Van andere onderdelenkan smart dit, ondanks voortdurende markt-verkenningen, niet beoordelen. Ook als ineen enkel geval een goedkeuring door eenkeuringsinstantie of officiële instantieaanwezig is, neemt smart geen verantwoorde-lijkheid voor het gebruik in smart-auto's. In Duitsland worden bepaalde onderdelenalleen goedgekeurd voor in- of ombouw alsdeze voldoen aan de geldende wettelijkevoorschriften. Dit geldt ook voor enkeleandere landen. Alle originele smart-onder-delen voldoen aan de voorwaarden van degoedkeuring. Niet goedgekeurde onderdelenkunnen leiden tot het vervallen van de type-goedkeuring. Dit is het geval bij:Reen wijziging van het in de typegoedkeu-ring aangegeven type autoReen verhoogd risico voor verkeersdeelne-mersReen negatieve invloed op de uitstoot vanuitlaatgassen of de geluidsproductie.

YHandleidingUitrusting van de autoiDeze handleiding beschrijft alle model-len en standaard- en speciale uitrustingenvan uw auto die op het tijdstip van deredactiesluiting van deze handleidingverkrijgbaar waren. Landspecifiekeafwijkingen zijn ook mogelijk. In achtnemen dat uw auto niet met alle beschrevenfuncties kan zijn uitgerust. Dit betreft ookveiligheidsrelevante systemen en func-ties. Daarom kan de uitrusting van uw autobij sommige beschrijvingen en afbeeldin-gen afwijken. In het originele koopcontract van uw auto zijnalle systemen in uw auto vermeld. Bij vragen over de uitrusting en bedieningkunt u contact opnemen met elk smart center. De handleiding en het onderhoudsboekje zijnbelangrijke documenten en moeten in de autobewaard worden. BedrijfsveiligheidBelangrijke veiligheidsvoorschriftenGWAARSCHUWINGAls de voorgeschreven service- resp.

onderhoudswerkzaamheden of noodzake-lijke reparaties niet worden uitgevoerd,kan dit tot storingen in de werking of hetuitvallen van systemen leiden. Er bestaatgevaar voor ongevallen. De voorgeschreven service- resp. onder-houdswerkzaamheden en noodzakelijkereparaties altijd bij een gekwalificeerdewerkplaats laten uitvoeren. GWAARSCHUWINGAls brandbaar materiaal, bijvoorbeeldbladeren, gras of takken, met hete delen vanhet uitlaatsysteem in aanraking komen,kunnen deze materialen vlam vatten. Erbestaat brandgevaar. Bij het rijden op onverharde wegen of inhet terrein regelmatig de onderzijde vande auto controleren. In het bijzonder inge-20 >> Inleiding.

klemde delen van planten of ander brand-baar materiaal verwijderen. Bij beschadi-ging contact opnemen met een gekwalifi-ceerde werkplaats. GWaarschuwingDoor wijzigingen aan elektronische onder-delen, hun software en bedrading kan hunwerking en/of de werking van andere,onderling verbonden onderdelen nadeligbeïnvloed worden. In het bijzonder kunnenook veiligheidsrelevante systemen betrof-fen zijn. Daardoor kunnen deze niet meerzoals bedoeld functioneren en/of kan debedrijfsveiligheid van het voertuig ingevaar worden gebracht. Er bestaat ver-hoogd gevaar voor letsel en ongevallen. Geen ingrepen aan bedrading en elektro-nische onderdelen en de software hiervanuitvoeren. Werkzaamheden aan elektrischeen elektronische apparatuur altijd latenuitvoeren door een gekwalificeerde werk-plaats. Bij wijzigingen aan de elektronische instal-latie van de auto vervalt de typegoedkeuring.

De auto kan worden beschadigd als:Rde auto vastzit, bijvoorbeeld op een hogestoeprand of onverharde wegenRte snel over een obstakel wordt gereden,bijvoorbeeld een stoeprand of een kuilReen zwaar voorwerp tegen de bodemplaatof onderdelen van het onderstel slaat. De carrosserie, de bodemplaat, onderdelenvan het onderstel, wielen of banden kunnenin dergelijke of gelijksoortige situatiesook beschadigingen oplopen die niet vanbuitenaf zichtbaar zijn. Op deze manierbeschadigde onderdelen kunnen onver-wacht uitvallen of de bij een ongevaloptredende belastingen niet meer zoalsbedoeld opnemen. Als de bodembekleding beschadigd is, kanbrandbaar materiaal, bijvoorbeeld blade-ren, gras of takjes, zich tussen de bodem-plaat en bodembekleding verzamelen. Alsdeze materialen met hete onderdelen vanhet uitlaatsysteem in contact zijn, kunnendeze ontsteken.

GWaarschuwingAls er apparaten op een diagnose-interfacevan het voertuig worden aangesloten, kandat leiden tot storingen in de voertuigsys-temen. Daardoor kan de bedrijfsveiligheidvan het voertuig nadelig worden beïnvloed. Er bestaat gevaar voor ongevallen. Geen apparaten op een diagnose-interfacevan het voertuig aansluiten. GWAARSCHUWINGVoorwerpen in de beenruimte van debestuurder kunnen de slag van de pedalenbeperken of ingedrukte pedalen blokkeren. >> Inleiding. 21Z.

Daardoor worden de bedrijfs- en verkeers-veiligheid van de auto in gevaar gebracht. Er bestaat gevaar voor ongevallen. Alle voorwerpen in de auto veilig opber-gen, zodat deze niet in de beenruimte vande bestuurder kunnen belanden. Vloermat-ten altijd stevig en volgens de handleidingmonteren om te allen tijde voldoende vrijeruimte voor de pedalen te waarborgen. Geenlosse vloermatten gebruiken en niet meer-dere vloermatten op elkaar leggen. Wanneer de motor afgezet is en apparatenop de diagnose-interface worden gebruikt,kan de startaccu worden ontladen. Het aansluiten van apparaten op de diagnose-interface kan ertoe leiden, dat informatievan de uitlaatgasbewaking wordt teruggezet. Daardoor bestaat de mogelijkheid, dat deauto niet meer voldoet aan de eisen van devolgende uitlaatgastest van de algemeneinspectie.

Gekwalificeerde werkplaatsEen gekwalificeerde werkplaats beschiktover de benodigde vakkennis, uitrusting enkwalificatie om de vereiste werkzaamhedenuit te voeren. Dit geldt in het bijzonder voorveiligheidsrelevante werkzaamheden. De aanwijzingen in het onderhoudsboekje inacht nemen. De volgende werkzaamheden aan de auto altijdlaten uitvoeren bij een gekwalificeerdewerkplaats:RVeiligheidsrelevante werkzaamhedenRService‑ en service-/onderhoudswerk-zaamhedenRReparatiewerkzaamhedenRWijzigingen evenals in- en ombouwenRWerkzaamheden aan elektronische onder-delensmart adviseert u een smart center. Registratie van de autoHet kan voorkomen, dat smart zijn service-werkplaatsen de instructie geeft, aanbepaalde auto's technische inspecties uit tevoeren. Door de inspectie worden de kwali-teit en de veiligheid van de auto verbeterd.

Alleen wanneer smart uw registratiegegevensheeft, kan smart u over de technische contro-les informeren. In de volgende gevallen kan het zijn, dat deauto nog niet onder uw naam geregistreerd is:RAls de auto bij een niet-geautoriseerdedealer is aangeschaft. RAls de auto nog niet bij een smart center isonderzocht.

De auto bij voorkeur bij een smart centerlaten registreren. Gaarne smart zo snel mogelijk informerenover een adreswijziging of wisseling vaneigenaar. Dit kunt u bijvoorbeeld bij eensmart center doen. Correct gebruikAls waarschuwingsstickers worden verwij-derd, kunt u of kunnen anderen gevaren nietherkennen. Waarschuwingsstickers op hunplaats laten. Als de auto wordt gebruikt, de volgendeinformatie in acht nemen:Rde veiligheidsvoorschriften in deze hand-leidingRde technische gegevens in deze handlei-dingRverkeersregels en -voorschriftenRwegenverkeerswetten en veiligheidsstan-daards. Aansprakelijkheid voor gebreken. De aanwijzingen in deze gebruikshand-leiding over het voorgeschreven gebruikvan uw auto en mogelijke voertuigschade inacht nemen.

QR-codes voor reddingskaartIn de tankdopklep en aan de tegenoverge-stelde zijde op de B-stijl zijn QR-codesbevestigd. Bij een ongeval kunnen reddings-diensten m. b. v de QR-codes snel de overeen-komstige reddingskaart voor de auto bepalen. De actuele reddingskaart bevat in compactevorm de belangrijkste informatie over deauto, bijvoorbeeld de ligging van de elek-trische bedrading. Meer informatie vindt u onder http://portal. aftersales. i. daimler. com/public/content/asportal/en/communication/informationen_fuer/QRCode. html. Opgeslagen data in de autoVeel elektronische onderdelen van de autozijn voorzien van datageheugens. Deze datageheugens slaan tijdelijk of per-manent technische informatie op over:Rde staat van de autoRgebeurtenissenRstoringenDeze technische informatie geeft in het alge-meen de toestand weer van een onderdeel, eenmodule, een systeem of de omgeving.

De gegevens zijn zuiver technisch van aard enkunnen worden gebruikt om:Rondersteuning te bieden bij het herkennenen verhelpen van storingen en gebrekenRvoertuigfuncties te analyseren, bijvoor-beeld na een ongevalRvoertuigfuncties te optimaliseren. Bewegingsprofielen van gereden trajectenkunnen uit deze gegevens niet worden afge-leid.

As u een beroep doet op serviceverlening, kandeze technische informatie uit de meldin-gen‑ en storingsgeheugens worden uitgele-zen. Serviceverlening betreft bijvoorbeeld:. RreparatiesRserviceproceduresRgarantiekwestiesRkwaliteitsbewakingHet uitlezen gebeurt door medewerkers vanhet servicenetwerk (inclusief de fabrikant)met behulp van speciale diagnose-appara-tuur. Daar kunt u indien gewenst meer infor-matie krijgen. Na het verhelpen van een storing wordt deinformatie uit het storingsgeheugen gewistof permanent overschreven. Bij het gebruik van de auto zijn situatiesdenkbaar, waarin deze technische gegevensin combinatie met andere informatie - even-tueel met behulp van een specialist - terug tevoeren zijn op bepaalde personen.

Multifunctioneel stuurwielFunctie Pag.:Kleurendisplay in hetinstrumentenpaneel 130Monochroom display in hetinstrumentenpaneel 128;smart audiosysteem of dis-play van het smart media-systeem (zie de afzonder-lijke handleiding)= W X Volume van hetsmart audio- of het smartmediasysteem wijzigen(zie de afzonderlijke hand-leiding)Alleen bij een instrumen-tenpaneel met kleurendis-play:? Spraakbediening vanhet smart mediasysteem in-of uitschakelen en gesprekaannemen of beëindigen(zie de afzonderlijke hand-leiding)Functie Pag.?Tempomaat en limitertoets:® Actuele snelheid ver-hogen of opslaan− Actuele snelheid verla-gen• Tempomaat 118• LimiterATempomaat en limitertoets:° Laatst opgeslagensnelheid oproepen• Tempomaat 118• LimiterBTempomaat en limitertoets:± Tempomaat of limiteronderbreken• Tempomaat 118• LimiterMultifunctioneel stuurwiel 29>> In één oogopslag.

Functie Pag.CTempomaat en limiterschakelaar:V Tempomaat activeren^ Tempomaat of limiterdeactiverenÈ Limiter activeren• Tempomaat 118• LimiterDAlleen bij een instrumen-tenpaneel met kleurendis-play:9 : In de menu's oflijsten bladeren 130aSelectie bevestigen 130In bepaalde menu's naar defunctie "waarden terugzet-ten" omschakelen 130Displaymeldingen bevesti-gen 142iDe bediening van de spraakbediening ende telefoon- en volumeregeling via destuurwieltoetsen van het rechter bedie-ningspaneel = werken alleen met het smartmediasysteem. Wanneer een smart audio-systeem of een audio-apparaat van eenandere fabrikant wordt gebruikt, kunnen defuncties beperkt zijn of helemaal verval-len.30 Multifunctioneel stuurwiel>> In één oogopslag.

Veiligheidssystemen inzittendenInleiding veiligheidssysteemHet veiligheidssysteem kan bij een ongevalhet risico reduceren dat inzittenden metdelen van het interieur in aanraking komen. Daarnaast kan het veiligheidssysteem ook debelastingen reduceren die tijdens een onge-val op de inzittenden inwerken. Het veiligheidssysteem omvat:RVeiligheidsgordelsysteemRAirbagsRKinderzitjeRKinderzitjebevestigingDe onderdelen van het veiligheidssysteemzijn op elkaar afgestemd. Ze kunnen hunbeschermingspotentieel alleen ontplooien,als alle inzittenden altijd:Rde veiligheidsgordel correct dragen( pagina 37)YRde stoel correct hebben ingesteld( pagina 69). YAls bestuurder moet u er ook voor zorgen, dathet stuurwiel correct is ingesteld. De infor-matie over de correcte stand van de bestuur-dersstoel in acht nemen ( pagina 69).

YBovendien moet u ervoor zorgen, dat debetreffende airbags bij activering vrij kun-nen worden opgeblazen ( pagina 38). YEen airbag is een aanvulling op een correctgedragen veiligheidsgordel. De airbag iseen aanvulling op een correct gedragen vei-ligheidsgordel en verhoogt als aanvullendveiligheidssysteem het beschermingspoten-tieel voor de inzittenden in relevante onge-valssituaties. Als bijvoorbeeld bij eenongeval het beschermingspotentieel van deveiligheidsgordel voldoende is, worden deairbags niet geactiveerd. Bovendien wordenbij een ongeval alleen die airbags geacti-veerd, die in de betreffende ongevalssitua-tie het beschermingspotentieel verhogen. Daarbij bieden veiligheidsgordels en air-bags in het algemeen geen bescherming tegenvoorwerpen, die van buitenaf de auto binnen-dringen.

Informatie over de werking van het veilig-heidssysteem vindt u onder "Activeren vangordelspanners en airbags" ( pagina 40). YInformatie over meerijdende kinderen enkinderzitjes vindt u onder "Kinderen in deauto" ( pagina 42). YBelangrijke veiligheidsvoorschriftenGWaarschuwingDoor wijzigingen aan het veiligheidssys-teem bestaat de kans dat dit niet meer cor-rect functioneert.

Het veiligheidssysteemkan in dat geval de inzittenden niet meerzoals bedoeld beschermen en bijvoorbeeldbij een ongeval uitvallen of onverwachtworden geactiveerd. Er bestaat een ver-hoogd gevaar voor letsel of zelfs levensge-vaar. Nooit onderdelen van het veiligheidssys-teem wijzigen. Geen ingrepen aan bedra-ding en elektronische onderdelen en desoftware hiervan uitvoeren. Als een airbagsysteem moet worden aangepastaan een persoon met een lichamelijke handi-cap, wendt u zich dan voor meer informatie toteen gekwalificeerde werkplaats. smart advi-seert hiervoor een smart center. Waarschuwingslampje veiligheidssys-teemDe functies van het veiligheidssysteem wor-den na het inschakelen van het contact en metregelmatige intervallen bij draaiende motorgecontroleerd. Daardoor kunnen storingenvroegtijdig worden ontdekt.

Als het contact wordt ingeschakeld, gaat hetwaarschuwingslampje veiligheidssysteem6 in het instrumentenpaneel branden. Deze dooft uiterlijk enkele seconden na hetstarten van de auto. De onderdelen van hetveiligheidssysteem zijn gereed voorgebruik. Er is een storing opgetreden als het waar-schuwingslampje veiligheidssysteem :6Rna het inschakelen van het contact niet gaatbrandenRniet na enkele seconden dooft als de motordraaitRals de motor draait opnieuw gaat branden. 34 Veiligheidssystemen inzittenden>> Veiligheid.

GWaarschuwingAls het veiligheidssysteem een storingvertoont, kunnen onderdelen van het vei-ligheidssysteem abusievelijk wordengeactiveerd of kunnen deze bij een ongevalmet een grote vertraging van het voertuigniet in werking treden. Dat kan bijvoor-beeld de gordelspanner of de airbagbetreffen. Er bestaat een verhoogd gevaarvoor letsel of zelfs levensgevaar. Het veiligheidssysteem direct bij eengekwalificeerde werkplaats laten contro-leren en repareren. Controlelampje PASSENGER AIR BAGDe controlelampjes PASSENGER AIR BAGOFF en PASSENGER AIR BAG ON zijn: ;onderdeel van de airbaguitschakeling van depassagiersairbag. De controlelampjes tonen de status van depassagiersairbag. RPASSENGER AIR BAG ON brandt: De passa-giersairbag is ingeschakeld. Als bij eenongeval wordt voldaan aan de activerings-criteria, wordt de passagiersairbag geac-tiveerd.

RPASSENGER AIR BAG OFF brandt: De passa-giersairbag is uitgeschakeld. Hij wordtbij een ongeval niet geactiveerd. Afhankelijk van de persoon op de passagiers-stoel moet de passagiersairbag uit- of inge-schakeld zijn, zie de volgende punten. Ditmoet voor het rijden en ook tijdens het rijdente allen tijde gewaarborgd zijn. RKind in kinderzitje: Of de passagiersair-bag uit- of ingeschakeld moet zijn, isafhankelijk van het gemonteerde kinder-zitje en de leeftijd en lengte van het kind. Daarom beslist de aanwijzingen bij "Kin-deren in de auto" in acht nemen( pagina 42). Daar vindt u ook informatieYover naar achteren- of naar voren gerichtekinderzitjes op de passagiersstoel. RAlle anderen: Het controlelampje PASSEN-GER AIR BAG ON moet branden. De passa-giersairbag is ingeschakeld. Beslist deaanwijzingen m. b. t. "Veiligheidsgordels"( pagina 35) en "Airbags" in acht nemenY( pagina 38).

YVeiligheidsgordelsInleidingEen correct gedragen veiligheidsgordel ver-mindert bij een botsing of het over de kopslaan de beweging van de inzittenden zo opti-maal mogelijk. Daardoor neemt het gevaar af,dat inzittenden met delen van het interieurin aanraking komen of uit de auto wordengeslingerd. Bovendien helpt de veiligheids-gordel om de inzittenden in een betere posi-tie ten opzichte van de zich ontplooiendeairbag te houden. Het veiligheidsgordelsysteem omvat:RVeiligheidsgordelsRGordelspanners en gordelkrachtbegren-zersAls de veiligheidsgordel snel of met een rukuit de gordelgeleiding wordt getrokken,blokkeert de gordeloprolautomaat. De gor-delband kan niet verder worden afgerold. De gordelspanner trekt bij een ongeval deveiligheidsgordel zo ver aan, dat deze straktegen het lichaam aan ligt. Hij trekt de inzit-tenden echter niet in de richting van de leu-ning terug.

lichaam van de inzittenden wordt uitgeoe-fend. De gordelkrachtbegrenzers zijn afgestemd opde frontairbags, die een deel van de vertra-gingskrachten overnemen. Daardoor kan debelasting worden gereduceerd die tijdenseen ongeval op de inzittenden inwerkt. De gordelslottong van de veiligheidsgor-del niet in het gordelslot aan passagiers-zijde steken als de passagiersstoel nietbezet is. Anders kan de gordelspanner bijeen ongeval worden geactiveerd en moetdeze worden vervangen. Belangrijke veiligheidsvoorschriftenGWaarschuwingAls de veiligheidsgordel niet correctwordt gedragen, kan deze niet meer zoalsbedoeld beschermen. Bovendien kan eenverkeerd gedragen veiligheidsgordel bij-voorbeeld bij een ongeval, remmanoeuvreof abrupte richtingswijziging extra ver-wondingen veroorzaken. Er bestaat een ver-hoogd gevaar voor letsel of zelfs levensge-vaar.

Altijd controleren dat alle inzittenden deveiligheidsgordel correct hebben omge-gespt en correct zitten. GWAARSCHUWINGWanneer de rugleuning niet rechtop staat,biedt de veiligheidsgordel niet debeoogde beschermende werking. Bij eenremmanoeuvre of een ongeval kunt u in ditgeval onder de veiligheidsgordel door-glijden en daarbij bijvoorbeeld letseloplopen aan het onderlichaam of de hals. Erbestaat een verhoogd gevaar voor letsel ofzelfs levensgevaar. De stoel voor aanvang van de rit correctinstellen. Altijd erop letten dat de rug-leuning rechtop staat en de schoudergordelover het midden van de schouder loopt. GWaarschuwingPersonen kleiner dan 1,50 m kunnen de vei-ligheidsgordel zonder geschikte aanvul-lende veiligheidssystemen niet correctdragen. Als de veiligheidsgordel niet cor-rect wordt gedragen, kan deze niet meerzoals bedoeld beschermen.

Personen kleiner dan 1,50 m altijd metgeschikte veiligheidssystemen beveili-gen. Als een kind jonger dan twaalf jaar en kleinerdan 1,50 m in de auto wordt meegenomen:Rdeze altijd beveiligen in een voor dezesmart geschikt kinderzitje. Het kinder-zitje moet geschikt zijn voor de leeftijd,het gewicht en de lengteRbeslist de aanwijzingen en veiligheids-voorschriften bij "Kinderen in de auto"( pagina 42) in acht nemen, evenals deYmontage- en gebruikshandleiding van defabrikant van het kinderzitje. GWaarschuwingVeiligheidsgordels kunnen niet bescher-men zoals bedoeld, als:Rze beschadigt, gewijzigd, sterk ver-vuild, gebleekt of gekleurd zijnRhet gordelslot beschadigd of sterk ver-vuild isRwijzigingen aan gordelspanners, gor-delverankeringen of gordeloprolauto-maten zijn uitgevoerd. Veiligheidsgordels kunnen bij een ongevalook niet zichtbaar worden beschadigd, bij-voorbeeld door glassplinters.

automaten wijzigen. De veiligheidsgor-dels moeten onbeschadigd, niet versletenen schoon zijn; dit controleren. De veilig-heidsgordels na een ongeval direct bij eengekwalificeerde werkplaats laten contro-leren. smart adviseert om veiligheidsgordels tegebruiken, die smart voor uw auto heeft goed-gekeurd. Anders kan dit leiden tot verlies vande typegoedkeuring van de auto. Correct gebruik van de veiligheidsgor-delsDe veiligheidsvoorschriften m. b. t. de vei-ligheidsgordel in acht nemen (Y pagina 36). Alle inzittenden moeten de veiligheidsgor-del voor het wegrijden correct omgespen. Ooktijdens het rijden moeten alle inzittenden deveiligheidsgordel steeds correct dragen; ditcontroleren. Bij het omgespen van de veiligheidsgordelaltijd erop letten, dat:Rde gordelslottong van de veiligheidsgor-del alleen in het bij de zitplaats beho-rende gordelslot wordt gestoken.

Rde veiligheidsgordel strak tegen hetlichaam aan ligt. Dikke kleding vermijden, bijvoorbeeld eenwinterjas. Rde veiligheidsgordel niet verdraaid is. Alleen dan kunnen de optredende krachtenover het gordeloppervlak worden verdeeld. Rde schoudergordel altijd over het middenvan de schouder loopt. De schoudergordel mag niet de hals rakenen ook niet onder de arm worden doorge-voerd. Rde heupgordel strak en zo laag mogelijkover het bekken loopt. De heupgordel moet altijd zo dicht moge-lijk tegen de heup aan lopen en nooit overde buik of het onderlichaam. Vooral zwan-gere vrouwen moeten daarop letten. Indiennodig de heupgordel omlaag tegen de heupaan drukken en met de schoudergordelstraktrekken. Rde veiligheidsgordel niet over scherpe,puntige of breekbare voorwerpen loopt.

Als dergelijke voorwerpen zich in of op uwkleding bevinden, zoals een pen, sleutel ofeen bril, deze op een geschikte plaatsopbergen. Rde veiligheidsgordel altijd slechts dooréén persoon wordt gebruikt. Nooit een baby of een kind op de schoot vaneen inzittende meenemen.

Bij een ongevalkunnen ze tussen de inzittende en de vei-ligheidsgordel worden ingeklemd. Rer nooit voorwerpen samen met een persoonworden vastgegespt. Controleer ook dat zich nooit voorwerpentussen een persoon en de zitting bevinden,zoals een kussen. Veiligheidsgordels zijn uitsluitend bedoeldvoor het beveiligen en tegenhouden van per-sonen. Voor het beveiligen van voorwerpen,bagage of lading altijd "Richtlijnen m. b. t. belading" in acht nemen ( pagina 170). YVeiligheidsgordel omgespenDe veiligheidsvoorschriften m. b. t. de vei-ligheidsgordel ( pagina 36) en de aanwij-Yzingen m. b. t. het correct gebruik van de vei-ligheidsgordel ( pagina 37) in acht nemen. YVoor eenvoudig omdoen van de veiligheids-gordel wordt deze aan de zijkant van debestuurdersstoel door een gordellus geleid. PrincipeweergaveXDe stoel instellen ( pagina 69). YDe rugleuning moet vrijwel rechtop staan.

slottong in het gordelslot vergren-; :delen. XIndien nodig de veiligheidsgordel voor deborst omhoogtrekken, zodat de veilig-heidsgordel strak tegen het lichaam aanligt. Veiligheidsgordel afdoen. De veiligheidsgordel moet volledigoprollen; dit controleren. Anders kunnende veiligheidsgordel of de gordelslottongin het portier of het stoelmechanismebekneld raken. Hierdoor kunnen het por-tier, de portierbekleding en de veilig-heidsgordel worden beschadigd. Bescha-digde veiligheidsgordels kunnen nietmeer hun beschermende werking uitvoerenen moeten worden vervangen. Naar eengekwalificeerde werkplaats gaan. XDe ontgrendelingsknop in het gordelslotindrukken, de gordelslottong vasthoudenen de veiligheidsgordel teruggeleiden.

Gordelwaarschuwing voor bestuurder enpassagierHet waarschuwingslampje veiligheidsgordel7 in het instrumentenpaneel maakt u eropattent, dat alle inzittenden de veiligheids-gordel moeten omgespen. Het kan permanentbranden of knipperen. Bovendien kan eenwaarschuwingssignaal klinken. Het waarschuwingslampje veiligheidsgor-dels 7 dooft en het waarschuwingssignaalstopt, zodra de bestuurder en de passagier deveiligheidsgordel hebben omgegespt. iAls op de passagiersstoel een ISOFIX-kinderzitje wordt gebruikt, waarbij hetkind niet met de veiligheidsgordel van depassagiersstoel is beveiligd, kan de gor-delwaarschuwing worden geactiveerd. Indit geval kan de gordelslottong van de vei-ligheidsgordel in het gordelslot van depassagiersstoel worden gestoken. Daarbijde veiligheidsgordel tussen het ISOFIX-kinderzitje en de rugleuning van de pas-sagiersstoel doorvoeren.

AirbagsInleidingDe inbouwplaats van een airbag is herkenbaaraan het opschrift AIRBAG. Een airbag is een aanvulling op een correctgedragen veiligheidsgordel. Hij is echtergeen vervanging voor de veiligheidsgordel. De airbag biedt extra beschermingspotenti-eel in relevante ongevalsituaties. Niet alle airbags worden bij een ongevalgeactiveerd.

De verschillende airbagsyste-men werken onafhankelijk van elkaar( pagina 40). YGeen enkel modern systeem kan echter ver-wondingen en overlijden volledig uitsluiten. Ook het risico op verwondingen door een air-bag kan vanwege de vereiste snelheid van deairbag na het activeren niet geheel wordenuitgesloten. Belangrijke veiligheidsvoorschriftenGWaarschuwingAls wordt afgeweken van de correcte zit-houding, kan de airbag niet meer zoalsbedoeld beschermen en door het activerenextra verwondingen veroorzaken. Erbestaat een verhoogd gevaar voor letsel ofzelfs levensgevaar. Om risico's te vermijden, altijd controle-ren dat alle inzittenden:Rde veiligheidsgordel correct omgespen,ook zwangere vrouwenRcorrect zitten en de grootst mogelijkeafstand tot de airbags aanhoudenRde volgende aanwijzingen in acht nemen. Er altijd voor zorgen dat zich geen voor-werpen tussen de airbag en de inzittendebevinden.

RHet stuurwiel alleen aan de stuurwielrandvasthouden. Op deze wijze kan de airbagongehinderd worden opgeblazen. RTijdens het rijden altijd tegen de rugleu-ning leunen. Niet naar voren buigen en niettegen het portier of de zijruit leunen. Anders bevindt u zich in het ontplooiings-gebied van de airbags. RUw voeten altijd in de beenruimte vóór destoel houden. Uw voeten bijvoorbeeld nietop het dashboard leggen. Anders bevindenuw voeten zich in het ontplooiingsgebiedvan de airbag. RPersonen kleiner dan 1,50 m altijd in spe-ciaal voor hen geschikte veiligheidssys-temen beveiligen. Onder deze grootte kande veiligheidsgordel niet correct wordengedragen. Als kinderen in de auto meerijden, bovendien de volgende aanwijzingen in acht nemen. RKinderen jonger dan twaalf jaar en kleinerdan 1,50 m altijd in speciaal voor hengeschikte kinderzitjes beveiligen.

REen kind alleen in een naar achterengericht kinderzitje op de passagiersstoelbeveiligen, als de passagiersairbag isuitgeschakeld. De passagiersairbag isuitgeschakeld, als het controlelampje PAS-SENGER AIR BAG OFF continu brandt( pagina 35). YRBeslist de aanwijzingen en veiligheids-voorschriften bij "Kinderen in de auto"( pagina 42) en "Kinderzitje op de pas-Ysagiersstoel" ( pagina 46) in achtYnemen, evenals de montage- en gebruiks-handleiding van de fabrikant van het kin-derzitje. Voorwerpen in het interieur kunnen het cor-rect functioneren van een airbag in gevaar brengen. Om risico's als gevolg van de ver-eiste snelheid van de airbag na het activerente vermijden, vóór aanvang van de rit contro-leren dat:Rzich geen andere personen, dieren of voor-werpen tussen de inzittenden en de ver-schillende airbags bevinden. Rgeen voorwerpen tussen de stoel en het por-tier resp. de B-stijl liggen.

Rgeen zware, scherpe of breekbare voorwer-pen in de zakken van uw kledingstukkenaanwezig zijn. Dergelijke voorwerpen opeen geschikte plaats opbergen. GWAARSCHUWINGAls een airbagafdekking wordt gewijzigdof als voorwerpen, bijvoorbeeld ook stic-kers, daarop worden aangebracht, kan deairbag niet meer zoals bedoeld functione-ren. Er bestaat verhoogd gevaar voor letsel. Een airbagafdekking nooit wijzigen engeen voorwerpen erop aanbrengen. GWAARSCHUWINGIn de portieren bevinden zich sensorenvoor de aansturing van airbags. Door ver-anderingen of ondeskundig uitgevoerdewerkzaamheden aan portieren of portier-bekledingen en door beschadigde portie-ren kan de werking van de sensoren ver-stoord zijn. Daardoor kan de werking van deairbags worden belemmerd. De airbagskunnen de inzittenden dan niet meer zoalsbedoeld beschermen. Er bestaat verhoogdgevaar voor letsel.

De bestuurdersairbag ontvouwt zich voor:het stuurwiel. De passagiersairbag ont-;vouwt zich voor en boven het dashboardkastje. Bij activering verhogen de frontairbags opde bestuurders- en passagiersstoel hetbeschermingspotentieel voor het hoofd en deborstkas. Aan de hand van de controlelampjes PASSEN-GER AIR BAG OFF en PASSENGER AIR BAG ON isde status van de passagiersairbag te zien( pagina 35). YDe passagiersairbag wordt alleen geacti-veerd, als:RHet controlelampje PASSENGER AIR BAG ONbrandtReen zwaar ongeval door de regeleenheid vanhet veiligheidssysteem wordt geprogno-sticeerd. BestuurderskneebagBestuurderskneebag ontvouwt zich onder:de stuurkolom. De bestuurderskneebag wordtsamen met de frontairbags geactiveerd. De bestuurderskneebag verhoogt op debestuurdersstoel het beschermingspotenti-eel voor de bovenbenen, knieën en onderbe-nen.

Hoofd-/thoraxairbagsGWAARSCHUWINGOngeschikte stoelhoezen kunnen het opbla-zen van de in de stoelen geïntegreerde air-bags belemmeren of zelfs verhinderen. Deairbags kunnen de inzittenden dan nietmeer zoals bedoeld beschermen. Er bestaateen verhoogd gevaar voor letsel of zelfslevensgevaar. Alleen stoelhoezen gebruiken, die smartvoor de betreffende stoel heeft goedge-keurd. De hoofd-/thoraxairbags ontvouwen zich:naast de buitenste wangen van de rugleunin-gen. De hoofd-/thoraxairbag verhoogt bij active-ring het beschermingspotentieel voor hethoofd en de borstkas. Hij beschermt echterniet de armen. De hoofd-/thoraxairbag wordt bij een aan-rijding van opzij geactiveerd aan de zijdevan het ongeval. Activeren van gordelspanners en air-bagsBelangrijke veiligheidsvoorschriftenGWAARSCHUWINGNa het activeren van een airbag zijn onder-delen van de airbag heet. Gevaar voor let-sel.

Onderdelen van de airbag niet aanraken. Een geactiveerde airbag direct laten ver-vangen bij een gekwalificeerde werk-plaats. GWAARSCHUWINGPyrotechnisch geactiveerde gordelspan-ners werken niet meer en kunnen daaromniet meer zoals bedoeld beschermen.

Pyrotechnisch geactiveerde gordelspan-ners direct bij een gekwalificeerde werk-plaats laten vervangen. smart adviseert om de auto na een ongevalnaar een gekwalificeerde werkplaats te latenslepen. Dit advies in het bijzonder opvolgennadat een gordelspanner of airbag is geac-tiveerd. Als een gordelspanner of airbag wordt geac-tiveerd, hoort u een knal en kan er poederstofvrijkomen. Het waarschuwingslampje veilig-heidssysteem gaat branden. 6De knal is in principe niet schadelijk voorhet gehoor, uitzonderingen daargelaten. Hetvrijkomende poederstof is in het algemeenniet schadelijk voor de gezondheid, maar kanbij personen met astma of ademhalingsmoei-lijkheden kortstondige ademhalingsmoei-lijkheden veroorzaken. Zodra u zonder gevaarkunt uitstappen, moet u de auto direct verla-ten om ademhalingsmoeilijkheden te voorko-men. Eventueel kunt u ook de ruit openen.

WerkingBij een ongeval analyseert de regeleenheidvan het veiligheidssysteem tijdens de eerstefase van het ongeval belangrijke natuurkun-dige gegevens van de vertraging of versnel-ling van de auto, zoals:RduurRrichtingRintensiteitOp basis van deze analyse activeert de regel-eenheid van het veiligheidssysteem de gor-delspanners bij een frontale aanrijding ofeen aanrijding van achteren. Een gordelspanner kan alleen worden geacti-veerd, als:Rhet contact is ingeschakeldRde onderdelen van het veiligheidssysteemgereed voor gebruik zijn. Meer informatievindt u onder "Waarschuwingslampje vei-ligheidssysteem" ( pagina 34)YRals bij de betreffende stoel de gordelslot-tong in het gordelslot vergrendeld is.

Als de regeleenheid van het veiligheidssys-teem een zwaarder ongeval registreert, wor-den bij een frontale aanrijding in bepaaldesituaties extra onderdelen van het veilig-heidssysteem onafhankelijk van elkaar geac-tiveerd:RBestuurdersairbagRPassagiersairbagRBestuurderskneebagAlleen als het controlelampje PASSENGER AIRBAG ON brandt, kan de passagiersairbag bijeen ongeval worden geactiveerd. De informa-tie m. b. t.

de controlelampjes PASSENGER AIRBAG in acht nemen ( pagina 35). YHet bepalen van de activeringsdrempels voorde gordelspanner en de airbag gebeurt doorhet analyseren van de op verschillende plaat-sen in de auto optredende vertragingen ofversnellingen. Deze procedure heeft eenanticiperend karakter. De activering moettijdig, aan het begin van het ongeval, plaats-vinden. De vertraging en versnelling van de auto en dekrachtrichting worden hoofdzakelijkbepaald door:Rde verdeling van de krachten tijdens hetongevalRde botsingshoekRde deformatie-eigenschappen van de autoRde toestand van het voorwerp waar de autotegenaan botst. Factoren die pas na de aanrijding of achterafzichtbaar of meetbaar zijn, hebben geeninvloed op het activeren van de airbag. Zegeven daarvoor ook geen indicatie. De auto kan behoorlijk worden vervormd zon-der dat een airbag wordt geactiveerd.

Dit ishet geval als alleen relatief gemakkelijkvervormbare delen worden geraakt en niet denoodzakelijke vertraging wordt gehaald. Omgekeerd kan een airbag worden geacti-veerd, hoewel de auto slechts gering ver-vormd is. Dit is het geval als bijvoorbeeldzeer stijve delen, zoals langsdragers,geraakt zijn en de vertraging daardoor hooggenoeg is. Als de regeleenheid veiligheidssysteem eenaanrijding van opzij registreert, worden debetreffende onderdelen van het veiligheids-systeem onafhankelijk van elkaar geacti-veerd. De hoofd-/thoraxairbags worden aan de zijdevan het ongeval geactiveerd, onafhankelijkvan de gordelspanner en het gebruik van deveiligheidsgordel. Veiligheidssystemen inzittenden 41>> Veiligheid. Z.

iNiet alle airbags worden bij een ongevalgeactiveerd. De verschillende airbagsys-temen werken onafhankelijk van elkaar. De werking van de airbagsystemen isafhankelijk van de bepaalde ernst van hetongeval, in het bijzonder de vertraging ofversnelling van de auto en de verwachteaard van het ongeval:Rfrontale aanrijdingRaanrijding van opzijKinderen in het voertuigBelangrijke veiligheidsvoorschriftenAls een kind jonger dan 12 jaar en kleiner dan1,50 m in de auto wordt meegenomen:Rdeze altijd beveiligen in een voor smartauto's geschikt kinderzitje. Het kinder-zitje moet geschikt zijn voor de leeftijd,het gewicht en de lengteRbeslist de aanwijzingen en veiligheids-voorschriften in dit hoofdstuk en de mon-tagehandleiding van de fabrikant van hetkinderzitje in acht nemen.

GWAARSCHUWINGAls kinderen zonder toezicht in de autoworden achtergelaten, kunnen ze de auto inbeweging zetten door bijvoorbeeld:Rde parkeerrem vrij te zettenRde automatische transmissie uit par-keerstand te schakelen of de handge-Pschakelde versnellingsbak in de neu-traalstand te zettenRde motor te starten. Tevens kunnen ze de uitrusting van de autobedienen en bekneld raken. Er bestaatgevaar voor letsel en ongevallen. Bij het verlaten van de auto altijd de sleu-tel meenemen en de auto vergrendelen. Kin-deren nooit zonder toezicht in de auto ach-terlaten. GWaarschuwingAls personen – in het bijzonder kinderen –langdurig aan hoge of lage temperaturenworden blootgesteld, bestaat gevaar voorletsel of zelfs levensgevaar. Personen – inhet bijzonder kinderen – nooit zonder toe-zicht in het voertuig achterlaten.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Smart Fortwo (2016) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden