Renault Wind (2012) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Renault Wind (2012) (185 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 18 mensen. Heb je een vraag over Renault Wind (2012) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Renault |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Wind (2012) |
Handleiding Renault Wind (2012) – volledige tekst
Photo credit: Total/DPPI Imacom groupELF ontwikkelt voor RENAULT een compleet assortiment smeermiddelen:f motoroliënf oliën voor handgeschakelde en automatische versnellingbakkenDe hightech eigenschappen van deze smeermiddelen zijn te danken aan de research voor de Formule 1.In combinatie met de techniek van RENAULT voldoet dit assortiment perfect aan de specifieke eisen van de modellen van het merk.f De smeermiddelen van ELF vormen een belangrijke bijdrage aan de prestaties van uw auto.RENAULT adviseert de smeermiddelen van ELF die zijn goedgekeurd voor het bijvullen en verversen.Raadpleeg uw RENAULT-dealer of kijk op de website www.lubrifiants.elf.comWaarschuwing: voor een optimale werking van de motor, kan het gebruik van een smeermiddel beperkt zijn tot bepaalde modellen. Raadpleeg het onderhoudsdocument.RENAULT adviseert ELFEen merk van
0.1 Vertaald uit het Frans. Gehele of gedeeltelijke nadruk of vertaling is verboden zonder schriftelijke toestemming van de autofabrikant.In dit instructieboekje worden aanwijzingen gegeven voor de bediening en het onderhoud, zodat u:– uw auto goed leert kennen waardoor u al zijn kwaliteiten, functies en zijn vele mogelijkheden ten volle kunt benutten.– de werking optimaal kunt houden door eenvoudige maar stipt op te volgen onderhoudsvoorschriften.– zonder overbodig tijdverlies zelf kleine storingen kunt verhelpen, waarvoor geen specialist nodig is.Door dit instructieboekje zorgvuldig te bestuderen, wordt u geïnformeerd over de mogelijkheden en de nieuwe technieken die erin zijn toegepast.
Als sommige punten nog onduidelijk zijn, willen de technici van onze dealers u graag alle verdere informatie geven.Om het lezen van dit boekje voor u te vergemakkelijken gebruiken wij het volgende symbool:Welkom aan boord van uw autoDit instructieboekje is tot stand gekomen aan de hand van de gegevens die op het moment van samenstelling van dit boekje bekend waren. In dit boekje staan alle mogelijke uitrustingen (standaard of optioneel) van dit model beschreven. De aanwezigheid ervan in de auto is af- hankelijk van de uitvoering, de gekozen opties en het land van aflevering.Ook kunnen er uitrustingen zijn opgenomen die pas op een later tijdstip in de auto zullen worden toegepast.Overal waar in het instructieboekje sprake is van een merkdealer, wordt daarmee een RENAULT-dealer bedoeld.Om een gevaar of een veiligheidsadvies aan te geven.Wij wensen u een goede reis in uw auto.
1. 1Hoofdstuk 1: Ken uw autoSleutel, FM-afstandsbediening: algemeen, gebruik, extra portiervergrendeling. 1. 2Portieren. 1. 6Automatische portiervergrendeling tijdens het rijden. 1. 10Autogordels. 1. 12Aanvullende bevestigingsmiddelen:. 1. 15bij de autogordels voorin. 1. 15bescherming zijkant. 1. 18Kinderveiligheid: algemeen. 1. 20keuze van de bevestiging van het kinderzitje. 1. 23installatie van het kinderzitje. 1. 24uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin. 1. 27Bestuurdersstoel. 1. 30Controle- en waarschuwingslampjes. 1. 34boordcomputer. 1. 40Stuurwiel. 1. 48Stuurbekrachtiging. 1. 48Klokje en buitenthermometer. 1. 49Spiegels. 1. 50Claxon en lichtsignalen. 1. 51Verlichting en signalen. 1. 52Ruitenwissers, ruitensproeiers. 1. 54Brandstoftank (brandstof tanken). 1. 56.
1.2SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: algemeen (1/2) Vergrendelen/ontgrendelen van het in-4zetstuk van de sleutel van de afstands-bediening .B Om het inzetstuk vrij te maken van 3zijn houder, drukt u op de knop , het 4komt vanzelf naar buiten. Om het inzetstuk terug te plaatsen in zijn houder, drukt u op de knop en be-4geleidt u het inzetstuk in zijn houder.3Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als fles-opener, enz.).Sleutel, FM-afstandsbediening Aof B Vergrendelen van alle portieren.1 Ontgrendelen van alle portieren.2 Contactsleutel en sleutel van het be-3stuurdersportier en van de tankdop.AdviesStel de afstandsbediening niet bloot aan warmte, koude of vocht.B1234A312
1.3SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: algemeen (2/2)Verantwoordelijkheid van de bestuurderLaat uw sleutel of afstandsbe-diening nooit, zelfs niet even-tjes, in de auto liggen als u de auto ver-laat en er een kind (of dier) in de auto zit.Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te ver-grendelen.Risico van ernstige verwondingen.Vervangen of extra afstandsbediening.Ga uitsluitend naar een merkdealer.– Het vervangen van een afstandsbe-diening moet altijd bij een merkdea-ler gebeuren want het systeem moet daarbij worden gereset met de af-standsbediening.– Afhankelijk van de auto kunt u maxi-maal vier afstandsbedieningen ge-bruiken.Als de afstandsbediening niet werkt:Controleer of de batterij goed en van het juiste model is en correct is geplaatst.
De batterijen hebben een levensduur van ongeveer twee jaar.Raadpleeg voor het vervangen van het batterijtje de paragraaf “Sleutel, FM-af-standsbediening: batterijen” in hoofd-stuk 5.Bereik van de FM-afstandsbedieningDit wordt beïnvloed door de omgeving.
Let er dus bij het vasthouden van de afstands-bediening op dat de portieren niet per onge-luk worden vergrendeld of ontgrendeld.N.B.: als er, bij bepaalde uitvoeringen, binnen (ongeveer) 2 minuten na het ont-grendelen geen portier wordt geopend, dan worden de portieren weer automatisch ver-grendeld.RadiostoringenDe werking van de afstandsbediening kan gestoord worden in de omgeving van een zendinstallatie of bij gebruik van apparatuur die werkt op dezelfde frequentie als de af-standsbediening.ElektrischVergrendelen/ontgrendelen van buitenafIn sommige gevallen werkt de FM-afstandsbediening niet:– de auto bevindt zich in een sterk elektro-magnetisch veld;– gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de afstandsbediening werken (mobiele telefoon, enz.);– batterij van de afstandsbediening leeg, accu ontladen, enz.
1.4SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: gebruik12BVerantwoordelijkheid van de bestuurderLaat uw sleutel of afstandsbe-diening nooit, zelfs niet even-tjes, in de auto liggen als u de auto ver-laat en er een kind (of dier) in de auto zit.Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te ver-grendelen.Risico van ernstige verwondingen.De auto kan met de afstandsbedieningen A en worden ontgrendeld of vergrendeld.BZij worden gevoed door een batterijtje, dat u kunt vervangen (raadpleeg de paragraaf “Sleutel, FM-afstandsbediening: batterijtjes” in hoofdstuk 5).Portieren vergrendelenMet een druk op knop kunnen de portieren 1vergrendeld worden.Het ziet u aan het keer vergrendelen tweeoplichten van de knipperlichten en de zij-knipperlichten.Ontgrendelen van de portierenMet een druk op knop kunnen de portieren 2ontgrendeld worden.Het ziet u aan het keer ontgrendelen éénoplichten van de knipperlichten en de zij-knipperlichten.N.B.: afhankelijk van de auto, als een portier (of de achterklep) open of niet goed geslo-ten is, vergrendelen/ontgrendelen de portie-ren snel en knipperen de alarmlichten niet.Om de portieren van binnen uit te vergren-delen/ontgrendelen, raadpleegt u de para-graaf “Portieren vergrendelen, ontgrende-len” in hoofdstuk 1.Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als fles-opener, enz.).12A
1.5Activeren van de extra portiervergrendelingDruk twee keer achter elkaar op de knop .1Het vergrendelen ziet u aan het vijf keer op-lichten van de knipperlichten en de zijknip-perlichten.EXTRA VERGRENDELINGExtra portiervergrendeling(voor sommige landen)Met deze functie worden de portieren ver-grendeld en kunnen ze niet van binnenuit geopend worden (in geval van het inslaan van een ruit, waarna iemand wil proberen de portieren van binnenuit te openen).Gebruik nooit de extra por-tiervergrendeling als er nog iemand in de auto zit.11
1.6Openen van binnenuitTrek aan de portierhandgreep .1Sluiten van binnenuitAfhankelijk van de auto, trekt u aan de hand- greep of .2 3Verantwoordelijkheid van de bestuurderBedenk dat het rijden met ver- grendelde portieren een be- lemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.Met de hand openen van buitenafOntgrendel met de sleutel het slot van het 4linkerportier. Plaats uw hand onder de hand- greep .
Trek hem omhoog en trek het por- 5tier naar u toe.Waarschuwingssignaal verlichting brandt nogAls bij het openen van het bestuurderspor- tier de lichten nog branden terwijl het contact is afgezet dan klinkt er een signaal om u te waarschuwen dat de accu wordt ontladen.45Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parke- ren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de por- tieren te vergrendelen.Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.PORTIEREN OPENEN, SLUITEN (1/2)Uit veiligheidsoverwegingen, mag u de deur alleen openen en sluiten als de auto stilstaat.123
1.7Bij een probleem met de elektrische ruitbediening– De ruit gaat niet omlaag bij het openen van het portier. Voor het sluiten van het portier, gaat u te werk zoals beschreven in de paragraaf “Bij een probleem met de accu”.– de ruit gaat omlaag bij het openen van het portier, maar gaat niet omhoog bij het sluiten van het portier.Raadpleeg in deze twee gevallen de para- graaf “Elektrische ruitbediening” in hoofd- stuk 3 om het ruitbedieningssysteem op- nieuw te initialiseren. Als het probleem na het opnieuw initialise- ren aanhoudt, neemt u contact op met een merkdealer.Bij het openen van een portier, gaat de ruit telkens een paar millimeter omlaag om de beweging van het portier te verge- makkelijken.
De ruit gaat weer omhoog zodra het portier gesloten is.Indien de ruit van een van de portieren is vastgevroren (ijs/sneeuw) en daardoor niet kan zakken bij het openen, moet u beslist de ruit ijs- of sneeuwvrij maken voordat u het portier weer sluit.Als de accu moet worden losgemaakt (voor het verhelpen van een storing...), zet de ruiten dan omlaag om het openen en sluiten van de portieren te vergemak- kelijken zolang de accu is losgemaakt.PORTIEREN OPENEN, SLUITEN (2/2)StoringenBij een probleem met de accuOntgrendelde auto:– openen van het portier: trek de hand- greep omhoog, druk op de bovenkant 8van de ruit en trek het portier voorzich- 7tig naar u toe zonder het rubber te be- 6schadigen;– sluiten van het portier: druk op de bo- venkant van de ruit (zone ) en houdt te- 7gelijk het portier vast zodat de ruit onder het rubber kan schuiven, en sluit daarna 6het portier zonder het dicht te slaan.
Met het sluiten van de portieren sluiten ook de ruiten.Risico van ernstige verwondin- gen.Sluit het portier niet door de ruit vast te houden.Plaats uw vingers niet te hoog op de zone .7Risico van verwonding.876
1.8SElektrisch(afhankelijk van auto)Hiermee kunt u in een keer alle sloten van de portieren en van de bagageruimte ver-grendelen of vergrendelen.U vergrendelt of ontgrendelt de sloten als u drukt op de knop .1Het vergrendelen/ontgrendelen van de por-tieren en de klep is niet mogelijk als een por-tier open staat.Als een portier open of niet goed gesloten is, vergrendelen/ontgrendelen de portieren snel.Waarschuwingslampje van de portierenContact aan, het controlelampje van de knop informeert u over de staat van de 1vergrendeling:– als de portieren vergrendeld zijn, brandt het lampje;– als de portieren zijn ontgrendeld (of niet goed gesloten) is het lampje uit.Contact uit, als u de portieren vergrendelt met de afstandsbediening, blijft het contro-lelampje gedurende ongeveer een minuut branden en gaat dan uit.PORTIEREN VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN (1/2)Verantwoordelijkheid van de bestuurderLaat de sleutel of de afstands-bediening nooit achter in de auto als u de auto verlaat.Bedenk dat het rijden met vergrendelde portieren een belemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.1
1.9PORTIEREN VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN (2/2)Ontgrendelen van de portierenGebruik van de FM-afstandsbediening (raadpleeg de paragraaf “Sleutel, FM-af-standsbediening” in hoofdstuk 1).Ontgrendel van buitenaf met de contactsleu-tel het slot van het linkerportier (raadpleeg de paragraaf “Openen, sluiten van de portie-ren” in hoofdstuk 1).Met de handGebruik van de sleutelLinkerportier: vergrendel of ontgrendel de portieren die uitgerust zijn met een slot door de sleutel diep in het slot te steken en 2daarna de sleutel te draaien.2Vergrendelen van de portierenGebruik van de schakelaar in het interi-eur voor het vergrendelen/ontgrendelen van de portieren.Stilstaande motor, bestuurdersportier open, zet het contact aan en weer uit.Druk langer dan vijf secondes op de knop , 1stap dan uit de auto met de afstandsbedie-ning bij u, en sluit het bestuurdersportier.Bij het sluiten van het portier worden alle portieren en kleppen vergrendeld.Het ontgrendelen van buitenaf van de auto is alleen met de contactsleutel mogelijk bij het linkerportier.Controleer of u uw afstandsbediening bij u heeft, voordat u de auto verlaat.1
1.10AUTOMATISCHE PORTIERVERGRENDELING TIJDENS HET RIJDENBedenk eerst of u deze functie wilt ge-bruiken of niet.Inschakelen van de functieZet het contact aan en houd de schakelaar 1van de elektrische portiervergrendeling ge-durende vijf secondes ingedrukt, tot u een dubbel geluidssignaal hoort.Uitschakelen van de functieZet het contact aan en houd de schakelaar 1van de elektrische portiervergrendeling ge-durende vijf secondes ingedrukt, tot u een dubbel geluidssignaal hoort.Verantwoordelijkheid van de bestuurderBedenk dat het rijden met ver-grendelde portieren een be-lemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.De portieren ontgrendelen automatisch– bij stilstaande auto door het openen van een portier.N.B.: na het openen van een portier ver-grendelt dit weer automatisch zodra de auto 7 km/u rijdt;– als u op de knop voor het ontgrendelen 1van de portieren drukt.Bij een storingAls u een storing constateert (geen automa-tische vergrendeling, het lampje in de knop 1licht niet op bij het vergrendelen van de por-tieren), controleer dan eerst of alle portieren goed gesloten zijn.
Als deze goed gesloten zijn, moet u een merkdealer raadplegen.De werking van het systeemNa het wegrijden van de auto, vergrende-len de portieren automatisch als de auto de snelheid van ongeveer 7 km/u heeft bereikt.Het controlelampje van de knop brandt.11
1.11Vooruit of achteruit schuiven van de stoelTrek de handgreep omhoog om te ont-1grendelen. In de gewenste stand laat u hem los. Controleer of de stoel vergrendeld is.Hoger of lager zetten van de zittingenAfhankelijk van de auto, trek de handgreep 2omhoog. In de gewenste stand laat u hem los. Controleer of de stoel vergrendeld is.Voer deze verstellingen uitslui-tend uit als de auto stilstaat.Voor een optimale werking van de autogordels moet u de rug-leuningen niet te veel achterover zetten.Let er op dat de rugleuningen van de stoelen goed vergrendeld zijn.Laat geen spullen op de vloer (bij de be-stuurder) liggen.
In geval van plotseling remmen zouden deze onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de be-stuurder deze niet meer goed kan bedie-nen.12Stoelverwarming(afhankelijk van de auto)Contact aan, beweeg de schakelaar , het 3geïntegreerde controlelampje licht op.Het systeem regelt met een thermostaat de verwarming en schakelt hem uit, indien nodig.Rugleuning verstellenGebruik de hendel tot de rugleuning in de 4gewenste stand staat.VOORSTOELEN43
1.12Gebruik tijdens het rijden altijd de autogor- del. Bovendien dient u zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich be- vindt.Stel, voordat u start de juiste zithouding af, en daarna voor alle inzittenden de au- togordel om de beste bescherming te krijgen.De juiste zithouding– Ga goed diep in uw stoel zitten (na uw mantel, jas, enz. uitgetrokken te hebben). Dit is belangrijk voor een goede onder- steuning van de rug;– verschuif de stoel zodat u makkelijk bij de pedalen kunt komen. Plaats de stoel zo ver naar achteren dat u het kop- pelingspedaal nog net geheel kunt in- drukken. Stel de rugleuning zo af dat u de armen moet strekken om bij de boven- kant van het stuurwiel te kunnen komen;– stel de hoogte van het zitkussen af. Verstel het kussen om een zo goed mo- gelijk zicht op het verkeer te hebben;– stel de stand van het stuurwiel af.
Afstellen van de autogordelGa goed tegen de rugleuning aan zitten.De band van de schoudergordel moet zo 1dicht mogelijk langs de hals over de schou- der lopen, zonder dat de gordel de hals raakt.De band van de heupgordel moet vlak 2over de heupen langs het bekken lopen.De autogordel moet zo direct mogelijk tegen het lichaam gedragen worden. Bijv. : niet over te dikke kleding of over ertussen gesto- ken voorwerpen, enz.AUTOGORDELS (1/3)12Verkeerd afgestelde of ge- draaide autogordels kunnen bij een ongeval letsel veroor- zaken.Gebruik één autogordel per persoon, kind of volwassene.Zwangere vrouwen moeten ook hun gordel dragen. Let in dat geval op dat de heupgordel niet te veel op de onderbuik drukt, zonder de gordel te los te dragen.
1.13AUTOGORDELS (2/3)5345VergrendelenTrek de riem over u langzaam en rustigheen en druk de gesp in de sluiting (con- 3 5troleer de vergrendeling door aan de gesp 3te trekken).Als de gordel blokkeert, moet u de band een stuk terug laten gaan en opnieuw rustig over u heen trekken.Als de autogordel compleet is geblokkeerd, trek dan langzaam, maar krachtig, aan de gordel om deze ongeveer 3 cm naar buiten te trekken.
Laat hem zichzelf oprollen en rol hem opnieuw af.Als het probleem aanhoudt, dient u een merkdealer te raadplegen.ßWaarschuwingslampje autogordel bestuurderHet brandt continu tot de auto ongeveer 10 km/uur rijdt, hierna gaat het knipperen en klinkt er een geluidssignaal gedurende on- geveer 2 minuten, waarna het vervolgens weer continu gaat branden.OntgrendelenDruk op de rode de knop van de sluiting , 4 5de gordel wordt nu door het oprolmecha- nisme teruggetrokken.Het oprollen gaat soepeler als u de gesp met de hand begeleidt.
1.14AUTOGORDELS (3/3)– Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme, aan de bevestiging ervan noch aan die van de stoelen. Raadpleeg een merkdealer voor het monteren van bijv. een kinderzitje.– Zorg dat er geen voorwerpen tussen de riemen worden gestoken die speling kunnen veroorzaken (wasknijpers, klemmetjes, enz.): een autogordel die te los zit, kan verwondingen veroorzaken in geval van een ongeluk.– Draag nooit de schoudergordel achter de rug of onder de arm langs aan de kant van het portier.– Een autogordel mag nooit door meer personen tegelijk gebruikt worden; sla uw gordel nooit om een baby of een kind heen dat op uw schoot zit.– De gordel mag niet gedraaid zijn.– Na een botsing moet u de gordels laten controleren en indien nodig vervangen.
Gordels die beschadigingen vertonen moeten ook worden vervangen.– Let op dat de gesp van de gordel in de juiste sluiting vastzit.– Zorg dat er geen voorwerp in de sluiting van de gordel kan komen waardoor de werking belemmerd wordt.– Zorg dat u de sluiting goed plaatst (deze mag niet verborgen of bedekt worden door of blijven haken achter personen of voorwerpen).
1.15AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (1/3)Afhankelijk van de auto, kunnen deze be- staan uit:– gordelspanners;– krachtbegrenzers voor de bescher- ming van de borstkas;– frontale airbags voor de bestuurder en passagier.Deze voorzieningen worden gelijktijdig of af- zonderlijk, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, geactiveerd bij een frontale bot- sing.
Afhankelijk van de ernst van de aanrij- ding, kan het systeem de volgende midde-len activeren:– de blokkering van de autogordel;– de gordelspanner van het oprolmecha- nisme van de autogordel (die in werking komt om de speling van de autogordel op te heffen);– de frontale airbags.KrachtbegrenzerVanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het li- chaam uitoefent te begrenzen tot een draag- lijk niveau.GordelspannersDe gordelspanners dienen ervoor om de autogordel strak tegen het lichaam te trek- ken en daardoor de inzittende in zijn stoel te drukken wat de effectiviteit van de gordel verhoogt.Contact aan, bij een zware frontale aanrij- ding en afhankelijk van de hevigheid van de botsing, kan het systeem de gordelspan- ner op de voorstoelen activeren.1– Laat al deze veiligheidsvoor- zieningen controleren na een aanrijding.– Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.– Om te voorkomen dat het systeem ten onrechte in werking komt, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan de gordelspan- ners en airbags werken.– Het elektrische ontstekingsmecha- nisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd.– Laat de gaspatronen van de gordel- spanners en de airbags door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.1
1.16AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (2/3)WerkingHet systeem werkt alleen als het contact aanstaat.Bij een zware frontale aanrijding, worden de airbags, die de klap opvangen van het hoofd en de borstkas van de bestuurder tegen het stuurwiel en van de passagier tegen het dashboard, snel opgeblazen.
Daarna lopen de airbags direct weer leeg om het verlaten van de auto niet te bemoeilijken.AAirbag links en rechtsDeze bevindt zich bij de linker en rechter voorstoel.Het opschrift “airbag” op het stuurwiel, het dashboard (zone van de airbag ) en, af- Ahankelijk van de auto, een pictogram aan de onderkant van de voorruit herinneren aan de aanwezigheid van deze uitrusting.Elk airbagsysteem bestaat uit:– een airbag en een gaspatroon in het stuurwiel voor de bestuurder en in het dashboard voor de passagier;– een elektronische rekeneenheid, ge- meenschappelijk voor beide airbags, met een schokdetector die de aanrijding regi- streert en de elektrische ontsteking van beide gaspatronen activeert;– een controlelampje å op het instru- mentenpaneel.– aparte opname-elementen.Bij het afgaan van de airbag vindt een explosie plaats waar- door warmte en rook vrijkomen zonder enig brandgevaar en er klinkt een luide knal.
1.17AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (3/3)Waarschuwingen inzake de bestuurdersairbag– Verander niets aan het stuurwiel of de naafdop.– Dek de naafdop niet af.– Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun, enz.) op het stuurwiel.– Het stuurwiel mag niet worden gedemonteerd. Uitsluitend speciaal opgeleide monteurs van de merkdealer mogen deze werkzaamheden uitvoeren.– Ga niet te dicht achter het stuurwiel zitten, maar rijd met licht gebogen armen (raadpleeg de paragraaf “Afstellen juiste zithouding” in hoofd- stuk 1).
Zo blijft er voldoende ruimte over voor een goede en effectieve bescherming door de werking van de airbag.Waarschuwingen inzake de passagiersairbag– Plak of bevestig niets op het dashboard (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun, enz.) in de airbagzone.– Houd de ruimte tussen het dashboard en de voorpassagier vrij (geen dier of pakjes op schoot, geen paraplu of wandelstok tegen het dash- board zetten).– Laat de passagier nooit zijn voeten op het dashboard leggen. Dit kan zeer gevaarlijk zijn.
Kom niet te dicht (met knieën, hoofd of handen) bij het dashboard.– Schakel de aanvullende veiligheidsvoorzieningen van de autogordel van de passagier voorin direct weer in na het verwijderen van een kinderzitje, om de bescherming van de passagier te garanderen in geval van een botsing.HET IS VERBODEN EEN KINDERZITJE ACHTERSTEVOREN OP DE PASSAGIERSSTOEL VOOR TE PLAATSEN ZOLANG DE AIRBAGS VAN DE VOORPASSAGIER NIET UITGESCHAKELD ZIJN.(raadpleeg de paragraaf “Kinderveiligheid: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin” in hoofdstuk 1)Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.
1.18VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN BESCHERMING ZIJKANTWaarschuwingen inzake de zijairbag– voor de stoelen met zijairbags zijn speciale stoelhoezen nodig. Stoelhoezen:Raadpleeg een merkdealer om te weten of dergelijke hoezen leverbaar zijn. Het gebruik van andere hoezen (of hoezen die bestemd zijn voor een ander model) kan de goede werking van deze airbags belemmeren en daardoor de veiligheid van de inzittenden in gevaar brengen.– Plaats geen accessoires, voorwerpen of dieren tussen de rugleuning, het portier en de interieurbekleding. Dek de rugleuning van de stoel ook nooit af met bijvoorbeeld kleding of accessoires.
De werking van de airbag kan hierdoor belemmerd worden en verwon-dingen veroorzaken als de airbag wordt geactiveerd.– Demontage of wijziging van de stoel en de interieurbekleding is verboden, tenzij dit ge-beurt door deskundig personeel van de merkdealer.ZijairbagsDe zijairbag is aan de kant van het portier ondergebracht in de rugleuning van de voor-stoelen en komt in werking om de inzitten-den te beschermen bij een zware aanrijding tegen de zijkant.Afhankelijk van de auto, herinnert een pictogram op de voorruit aan de aanwe-zigheid van de aanvullende veiligheids-voorzieningen (airbags, gordelspanners, enz.) in het interieur.De spleten in de rugleuningen voor (aan de kant van het por-tier) komen overeen met de zone waarbinnen de airbag zich kan opblazen: het is verboden hier voorwerpen in te stoppen.
1. 19Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen. De airbag is een aanvullende bescherming bij het gebruik van de autogordel. Beide organen vormen één veiligheidssysteem. De gordel moet altijd worden ge-dragen. Het niet dragen kan bij een ongeval de inzittenden blootstellen aan zeer zware verwondingen en de gevolgen van de werking van de airbag verergeren. Bij een botsing, zelfs een zware, tegen de achterkant of bij het over de kop gaan van de auto worden de airbags of de gordelspanners niet altijd geactiveerd. Zware stoten onder de auto veroorzaakt door stoepen, gaten in het wegdek, stenen, kunnen de airbagsystemen activeren. – Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan airbags, gordelspanners (rekeneenheid, bedrading enz. ).
Deze mogen uitsluitend door speciaal opgeleide mon-teurs van de merkdealer worden gecontroleerd en gerepareerd. – Om te voorkomen dat de airbag(s) ten onrechte wordt opgeblazen of juist niet als dat wel nodig zou zijn, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan het systeem werken. – Laat het airbagsysteem controleren na een aanrijding of (een poging tot) diefstal van de auto. – Als u de auto uitleent of verkoopt, breng de nieuwe berijder/eigenaar dan op de hoogte van deze wbijzonderheden door hem dit instructieboekje bij de auto te leveren. – Laat de gaspatro(o)n(en) door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt ge-sloopt. StoringenHet lampje 1å op het instrumentenpa-neel gaat branden als het contact wordt aan-gezet en dooft na enkele secondes.
Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of als het oplicht bij draaiende motor, wijst dit op een storing in het systeem (air-bags, gordelspanners, enz. ). Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-dealer. Wacht u hier te lang mee dan bete-kent dat, dat de bescherming in de tussen-liggende periode misschien niet optimaal is.
1.20KINDERVEILIGHEID: algemeen (1/2)Vervoer van kinderenHet kind moet, net als een volwassene, altijd correct zitten en zijn vastgemaakt, ongeacht het traject. U bent verantwoordelijk voor de kinderen die u vervoert.Een kind is geen volwassene in miniatuur- formaat. Het staat bloot aan specifieke let- selrisico’s doordat de spieren en botten nog in de groei zijn. De autogordel alleen is niet geschikt voor het vervoer. Gebruik het juiste kinderzitje en gebruik het correct.Een botsing met 50 km/u komt overeen met een val van 10 meter hoogte. Het niet vast- maken van een kind is het- zelfde als het laten spelen op een balkon zonder balustrade op de vierde verdie- ping!Houd een kind nooit in uw armen.
Bij een ongeluk zal u het niet kunnen tegen- houden, zelfs niet als u zelf in uw gordel vastzit.Als uw auto betrokken is geweest bij een verkeersongeluk, moet u de autogordels laten controleren en het kinderzitje ver- vangen.Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parke- ren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de por- tieren te vergrendelen.Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.Om het openen van de por- tieren te voorkomen, gebruikt u de “Kinderveiligheid” (raad- pleeg de paragraaf “Openen en sluiten van de portieren” in hoofdstuk 1).
1.21KINDERVEILIGHEID: algemeen (2/2)Gebruik van een kinderzitjeDe bescherming die het kinderzitje biedt is afhankelijk van zijn capaciteit om het kind vast te houden en van de installatie ervan. Door een verkeerde installatie komt de be- scherming van het kind in gevaar bij krachtig remmen of een botsing.Controleer voordat u een kinderzitje koopt, of het voldoet aan de wettelijke eisen van het land waar u zich bevindt en of het ge- monteerd kan worden in uw auto. Raadpleeg een merkdealer om te weten welke zitje ge- adviseerd worden voor uw auto.Lees, vóór het monteren van een kinderzitje, de gebruiksaanwijzing en houd u aan de in- structies. Neem, bij problemen met het in- stalleren, contact op met de fabrikant van de uitrusting.
Bewaar de gebruiksaanwijzing bij het zitje.Geef het goede voorbeeld door uw gordel vast te maken en leer uw kind:– zich correct vast te maken.– in en uit te stappen aan de andere kant van het verkeer.Gebruik geen tweedehands kinderzitje of zonder gebruiksaanwijzing.Let op dat niets in de buurt van het kin- derzitje de installatie ervan belemmert.Laat een kind nooit onbewaakt achter in de auto.Controleer of uw kind altijd vastzit en het harnas of de gordel correct is afgesteld en aangepast. Vermijd te dikke kleding waardoor ruimte tussen de riemen kan ontstaan.Laat uw kind nooit zijn hoofd of armen uit het raam steken.Controleer regelmatig de juiste houding van het kind, met name als het slaapt.
1.22KINDERVEILIGHEID: Keuze van het kinderzitjeKinderzitje “achterstevoren”Het hoofd van een baby is, naar verhouding, zwaarder dan dat van een volwassene en de nek is zeer kwetsbaar. Vervoer het kind zo lang mogelijk in deze stand (minstens tot het 2 jaar is). Zo worden het hoofd en de nek ondersteund.Kies een omhullend zitje voor een betere bescherming opzij en vervang het zodra het hoofd van het kind boven het kuipzitje uit- steekt.Kinderzitje “vooruit”Het hoofd en de buik van een kind zijn de lichaamsdelen die het meest beschermd moeten worden. Een vooruit bevestigd kin- derzitje dat solide in de auto is bevestigd vermindert de gevaren van een klap tegen het hoofd.
Vervoer uw kind in een vooruit be- vestigd zitje met een harnas of een schoot- kussen als de lengte van het kind dat toe- laat.Kies een omhullend zitje voor een betere be- scherming opzij.ZittingverhogersVanaf 15 kg of 4 jaar kan een kind reizen op een zittingverhoger waarmee de autogordel kan worden aangepast aan zijn lichaams- bouw. De zitting van de verhoger moet ge- leiders hebben die de gordel over de heupen van het kind en niet over de buik laat lopen. Een in hoogte verstelbare rugleuning met een gordelgeleider wordt geadviseerd om de gordel op het midden van de schouder te plaatsen. Deze mag nooit over de hals of over de armen lopen.Kies een omhullend zitje voor een betere be- scherming opzij.
1.23KINDERVEILIGHEID: bevestiging van het kinderzitjeBevestiging met de autogordelDe autogordel moet worden afgesteld om goed te kunnen werken bij krachtig remmen of bij een botsing.Laat de gordel lopen zoals de fabrikant van het kinderzitje voorschrijft.Controleer altijd de vergrendeling van de au-togordel door eraan te trekken en zet hem daarna zo strak mogelijk door op het kinder-zitje te drukken.Controleer of het zitje goed vastzit door het zitje naar links/rechts en naar voren/achte-ren te bewegen: het zitje moet stevig vast blijven zitten.Controleer of het kinderzitje niet dwars is ge-ïnstalleerd en niet tegen een ruit rust.Verander niets aan de oor-spronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme, de gordels, de stoelen en aan de bevestiging ervan.De autogordel mag nooit los-gemaakt of verdraaid worden.
Laat de gordel nooit onder de armen of achter de rug lopen.Controleer of de gordel niet beschadigd is door scherpe randen.Als de autogordel niet normaal werkt, kan deze het kind niet beschermen. Raadpleeg een merkdealer. Gebruik deze zitplaats niet zolang de gordel niet is gerepareerd.Gebruik geen kinderzitje dat de gordel waarmee het vastzit zou kunnen losmaken: het onder-stel van het zitje mag niet op de gesp en/of de sluiting van de gordel rusten.
1.24Op bepaalde zitplaatsen mogen geen kin- derzitjes bevestigd worden Op het schema op de volgende bladzijde ziet u waar u een kinderzitje mag bevestigen.De genoemde types kinderzitjes zijn niet overal leverbaar. Controleer voordat u een ander kinderzitje gebruikt, bij de fabrikant of het gemonteerd kan worden.KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje (1/3)Op zitplaats voorinHet vervoer van een kind op de plaats van de voorpassagier is niet in alle landen toe- gestaan.
Raadpleeg de geldende wetgeving en volg de aanwijzingen van het schema op de volgende bladzijde.Voordat u een kinderzitje op deze plaats in- stalleert (indien dit toegestaan is)– schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren;– zet de zitting, indien mogelijk, zo ver mogelijk omhoog;– zet de rugleuning enigszins schuin (on- geveer 25°).Wijzig deze afstellingen niet meer na het in- stalleren van het kinderzitje.Controleer of het kinderzitje, door het installeren ervan in de auto, niet loskomt van het on- derstel.Als u de hoofdsteun moet verwijde- ren, berg deze dan goed op zodat deze niet in een projectiel kan veranderen bij krachtig remmen of een botsing.Maak het kinderzitje altijd goed vast aan de auto, ook als het niet in gebruik is, zodat het niet in een projectiel kan ver- anderen bij krachtig remmen of een bot- sing.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een kinderzitje op de plaats van de voorpassagier installeert, of de airbag wel is uitgeschakeld (raadpleeg de paragraaf “Kinderveiligheid: uitschakelen, inschake- len van de passagiersairbag voorin” in hoofdstuk 1).Het vervoeren van een kleiner dan 135 cm op de zitplaats voorin is toegelaten mits de airbag is gedeactiveerd en een geschikt bevestigingsmiddel wordt gebruikt.
1.25² Plaats verboden voor het installeren van een kinderzitje.³ Controleer de staat van de airbag voordat u een passagier laat plaatsnemen of een kinderzitje installeert.Door het gebruik van een niet bij de auto passend kinder- veiligheidssysteem wordt de baby of het kind niet correct be- schermd.
Het kan ernstig of zelfs dode- lijk letsel oplopen.KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje (2/3)Kinderzitje bevestigd met behulp van de gordel¬ Plaats toegelaten voor de bevesti- ging met de gordel van een als “Universeel” goedgekeurd zitje.LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een kinderzitje op de plaats van de voorpassagier installeert, of de airbag wel is uitgeschakeld (raadpleeg de paragraaf “Kinderveiligheid: uitschakelen, inschake- len van de passagiersairbag voorin” in hoofdstuk 1).Het vervoeren van een kleiner dan 135 cm op de zitplaats voorin is toegelaten mits de airbag is gedeactiveerd en een geschikt bevestigingsmiddel wordt gebruikt. Als het groter is, moet de airbag actief blijven.
1.26KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje (3/3)Type kinderzitjes Gewicht van het kind Zitplaats passagier voor ( ) ( )1 2Reiswieg dwarsGroep 0 < tot 10 kg XKuipzitje achterstevoren geplaatstGroepen 0 of 0 + < tot 13 kg UKinderzitje achterstevoren geplaatstGroep 0 + en 1 < tot 13 kg en 9 tot 18 kg UKinderzitje vooruit geplaatstGroep 1 9 kg tot 18 kg UVerhogingGroep 2 of 3 15 tot 25 kg en 22 tot 36 kg UX = Plaats niet toegelaten voor het installeren van een kinderzitje.U = Plaats toegelaten voor bevestiging met autogordel van een kinderzitje dat goedgekeurd is als “Universeel”; controleer of het gemonteerd kan worden.( ) Zet de stoel van de auto zo ver mogelijk naar achteren en omhoog.1(2) LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een kinderzitje op de plaats van de voorpassagier installeert, of de airbag wel is uitgeschakeld (raadpleeg de paragraaf “Kinderveiligheid: uitschakelen, inschakelen van de passagiers- airbag voorin” in hoofdstuk 1).Het vervoeren van een kleiner dan 135 cm op de zitplaats voorin is toegelaten mits de airbag is gedeactiveerd en een geschikt be- vestigingsmiddel wordt gebruikt.
Als het groter is, moet de airbag actief blijven.In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht van de vorige bladzijde, overeenkomstig de wettelijke voorschrif- ten.
1.27Het inschakelen of het uitscha- kelen van de passagiersairbag moet gebeuren met contact uit.Als dit bi j rijdende auto ge - beurt, lichten de controlelampjes å en op.©Om de staat van de airbag weer in over- eenstemming te brengen met de stand van de grendel, zet u het contact uit en weer aan.KINDERVEILIGHEID: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin (1/3)Uitschakelen van de passagiersairbags voorin(voor de auto’s die hiermee uitgerust zijn)Voordat u een kinderzitje installeert op de passagiersstoel voorin, als dit toegestaan is, moet u de aanvullende veiligheidsvoorzie- ningen van de autogordel van de voorpas- sagier (frontale airbags en, afhankelijk van de auto, zijairbags, enz.) uitschakelen.2Uitschakelen van de airbags: stilstaande auto, druk de grendel in en draai hem in 1de stand OFF.Met contact aan, moet u con- verplichttroleren of het controlelampje 2¹ op het centrale display oplicht en, af- hankelijk van de auto, of de boodschap “PASSAGIERSAIRBAG UIT” verschijnt.Dit lampje blijft constant branden om u eraan te herinneren dat u een kinderzitje kunt gebruiken.1GEVAAROmdat het gevaarlijk is als de passagiersairbag voorin in wer- king komt als er een kinderzitje achterstevoren op de voorstoel is ge- plaatst, mag u een kinderzitje NOOITachterstevoren (met de rug naar de weg) installeren op een voorstoel met een ac- tieve frontale airbag.
1.28KINDERVEILIGHEID: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin (2/3)GEVAAROmdat het gevaarlijk is als de passagiersairbag voorin in wer- king komt als er een kinderzitje achterstevoren op de voorstoel is ge- plaatst, mag u een kinderzitje NOOITachterstevoren (met de rug naar de weg) installeren op een voorstoel met een ac- tieve frontale airbag. Gevaar voor ern- stige verwondingen als de airbag zich ontplooit.Deze voorschriften staan op de markerin- gen op het dashboard en op de stickers Aop elke kant van de zonneklep van de pas- sagier (zie het voorbeeld van de sticker 3hierboven).A3
1.29KINDERVEILIGHEID: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin (3/3)Het inschakelen of het uitscha- kelen van de passagiersairbag moet gebeuren met contact uit.Als dit bi j rijdende auto ge - beurt, lichten de controlelampjes å en op.©Om de staat van de airbag weer in over- eenstemming te brengen met de stand van de grendel, zet u het contact uit en weer aan.StoringenIn geval van een storing aan het systeem voor het in- en uitschakelen van de passa- giersairbags, is het verboden een achterste- voren geplaatst kinderzitje op de voorstoel te gebruiken.Het gebruik van de voorstoel door een pas- sagier wordt ook afgeraden.Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk- dealer.Inschakelen van de passagiersairbags voorinZodra het kinderzitje van de passagiersstoel verwijderd is, moet u de airbag weer inscha- kelen om de voorpassagier bij een botsing te beschermen.Weer inschakelen van de airbags: stil- staande auto, druk de grendel in en draai 1hem in de stand ON.Met contact aan, moet u controle- verplichtren of het controlelampje uit is.2De aanvullende veiligheidsvoorzieningen van de autogordel van de voorpassagier zijn ingeschakeld.21
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Renault Wind (2012) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Renault
Alle Renault Auto handleidingen