REMKO SV261 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van REMKO SV261 (32 pagina’s), behorend tot de categorie Airco. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 32 mensen en kreeg gemiddeld 4.7 sterren uit 5 reviews. Heb je een vraag over REMKO SV261 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | REMKO |
| Categorie: | Airco |
| Model: | SV261 |
Handleiding REMKO SV261 – volledige tekst
Voor indienstname / gebruik van het toestel dient deze bedrijfshandleiding zorgvuldig gelezen te worden!Deze handleiding maakt deel uit van het toestel en dient steeds in onmiddellijke nabijheid van de opstellingsplaats resp.
bij het toestel bewaard te worden.Wijzigingen behouden wij ons voor; voor onjuistheden en drukfouten aanvaarden wij geen verantwoordelijkheid!InhoudVeiligheidsaanwijzingen4Bescherming van het milieu en recyclage4Garantie4Transport en verpakking 5Beschrijving van het toestel5Bediening6-12Uitdienstname13Service en onderhoud13-14Storingsverhelping en klantendienst15-16Montageaanwijzing voor het vakpersoneel17-19Installatie20-23Dichtheidscontrole23Condensaansluiting23-24Elektrische aansluiting24-25Elektrisch aansluitschema25Elektrisch schakelschema25Voor de indienstname26Koelmiddel toevoegen26Indienstname26-27Afmetingen toestel28Toestelvoorstelling29-30Wisselstukkenlijst29-30Technische gegevens31Made by REMKO3
VeiligheidsaanwijzingenVerwijderen van de verpakkingAlle producten worden voor het transport zorgvuldig verpakt in milieuvriendelijke materialen. Lever een waardevolle bijdrage aan de afvalvermindering en behoud van de grondstoffen en sla het verpakkingsmateriaal enkel op bij overeenkomstige inzamelplaatsen. Afvoeren van gebruikteapparatenDe toestelvervaardiging is onderhevig aan een voortdurende kwaliteitscontrole. Er worden uitsluitend hoogwaardige materialen verwerkt, die voor het grootste gedeelte recycleerbaar zijn. Draag bij tot de milieubescherming, door U te verzekeren, dat Uw oud toestel enkel op milieuvriendelijke wijze volgens de regionaal geldende voorschriften, bv. door gemachtigde vakbedrijven opgeslagen en herverwerkt werd of afgeleverd werd bij verzamelplaatsen.
Bescherming van het milieu en recyclageLees voor de eerste indienstname van het toestel de bedrijfshandleiding aandachtig door. U krijgt nuttige tips, aanwijzingen alsook waarschuwingsaanwijzingen voor gevarenafwending voor personen en voorwerpen. Het verkeerd gebruiken van de handleiding kan aanleiding geven tot gevaren voor personen, het milieu en de installatie en aldus tot verlies van mogelijke aanspraken. ■ Bewaar deze bedrijfshandleiding en de koelmiddelgegevensfiche in de nabijheid van het toestel. ■ De opstelling en installatie van het toestel en componenten mag slechts gebeuren door vakpersoneel. ■ Opstelling, aansluiting en werking van het toestel en componenten dienen te gebeuren binnen de inzet- en bedrijfsvoorwaarden volgens de handleiding en dienen te voldoen aan de de geldende regionale voorschriften.
■ De toestellen en componenten mogen niet gebruikt worden in bereiken met verhoogd beschadigingsgevaar. De minimim vrije ruimte dienen aangehouden te worden. ■ De elektrische stroomvoorziening is aan te passen aan de vereisten van het toestel. ■ De bedrijfszekerheid van het toestel en componenten is enkel gewaarborgd bij doelmatig gebruik en in volledig gemonteerde toestand. veiligheidsinrichtingen mogen niet gewijzigd of overbrugd worden. ■ De bediening van toestellen of componenten met opvallende defecten of beschadigingen is te vermijden. ■ Alle behuizingsdelen en toestelopeningen, bv. luchtin- en -uitlaatopeningen, dienen vrij te zijn van vreemde voorwerpen, vloeistoffen of gassen. ■ De toestellen en componenten vereisen een voldoende veiligheidsafstand tot ontvlambare, explosieve, brandbare, aggressieve en vervuilende bereiken of atmosferen.
■ Bij de aanraking van bepaalde toesteldelen of componenten kan het tot brandwonden of kwetsuren komen. ■ Installatie, herstellingen en onderhoud mogen uitsluitend gebeuren door gemachtigd vakpersoneel, visuele controles en reinigingen kunnen door de gebruiker in spanningsloze toestand uitgevoerd worden. ■ Bij de installatie, herstelling, onderhoud of reiniging van het toestel zijn gepaste voorkomingsmaatregelen te treffen, om van het toestel uitgaande gevaren voor personen uit te sluiten. ■ De toestellen of componenten mogen niet ingezet worden bij mechanische belasting, extreme vochtigheid en directe zonnestraling. GarantieVoorzorgsmaatregelen voor eventuele waarborgaanspraken dienen, via het aan de besteller of zijn afnemer tijdig samen met de verkoop en indienstname van het toestel gevoegde „Waarborgdocument” alsook het „indienstnameprotocol“ volledig ingevuld aan REMKO GmbH & Co.
De toestellen worden in een stabiele transportverpakking geleverd. Controleer svp het toestel direct bij de levering en noteer eventuele schade of ontbrekende delen op de leveringsbon en informeer de transporteur en Uw contractuele partner.Voor latere klachten kan geen waarborg aanvaard worden.Het kameraircotoestel SV 261-681 beschikt over een REMKO SV...AT buitendeel alsook over een binnentoestel SV...IT.Het buitendeel dient in koelbedrijf voor afgave van de van het binnentoestel uit de te koelen kamer ontnomen warmte aan de buitenlucht. Het buitendeel is in buitenbereik of onder inachtname van bepaalde vereisten in binnenbereik monteerbaar. Het binnentoestel is in binnenbereik voor valse zolderingen met Euroraster-afmetingen ontworpen. Onzichtbaar binnen de valse zoldering bevindt zich de cassette, zichtbaar is enkel de afdekking.
De bediening gebeurt via een infrarood-afstandsbediening.Het buitendeel bestaat uit een koelkring met compressor, Lamellenvervloeier, vervloeierventilator en smoororgaan. De sturing van het buitendeel gebeurt via de regeling van het binnentoestel.Het binnentoestel bestaat uit Lamellenverdamper, verdamperventilator, regeling en condenskuip. Als toebehoren zijn winterregelingen, bodemconsoles, wandconsoles, koelmiddelleidingen, kabel-afstandsbedieningen en condenspompen verkrijgbaar.Beschrijving van het toestelTransport en verpakking Schema koelkring binnentoestelVerdamperventilatorAansluiting zuigleidingAansluiting inspuitleidingVerdamperDe verbinding tussen binnentoestel en buitendeel wordt met koelmiddelleidingen gemaakt.BuitendeelSysteemopbouwAfsluitventielBinnentoestel mitafdekkingVervloeierventilatorBinnenbereikBuitenbereikInspuitleidingZuigleidingElektr.
Infrarood-afstandsbedieningDe infrarood-afstandsbediening zendt de geprogrammeerde instellingen over een afstand tot 6 m naar het ontvangstsdeel van het binnentoestel. Een ongestoorde ontvangst van de gegevens is enkel mogelijk, wanneer de afstandsbediening op het ontvangstsdeel gericht is en er geen voorwerpen de transmissie verhinderen.Voorbereidend dienen de zich bij de levering bevindende batterijen (2 stuks, type AAA) in de afstandsbediening geplaatst te worden. Trek daartoe de klep van het batterijvakvak uit en plaats de batterijen in de poolrichiting (zie markering).BedieningHet binnentoestel wordt comfortabel met de seriematige infrarood-afstandsbediening bediend. De overeenkomstige gegevensdoorgave wordt van het binnentoestel met een signaaltoon verlaten.
Indien een programmering via de infrarood-afstandsbediening niet mogelijk is, kan het binnentoestel ook manueel bediend worden.Knipperen de LED´s, is er een storing van het binnentoestel (zie hoofdstuk storingsverhelping en klantendienst). OPGELETVervang ontladen batterijen direct door een nieuwe set, omdat het gevaar van uitlopen bestaat. Bij langere uitdienstnamen wordt aanbevolen de batterijen te verwijderen. AANWIJZINGAanduidingDe aanduidings-LED‘s lichten op overeenkomstig het ingestelde ventilatortoerental.LED H rood = hoog ventilatortoerentalLED M geel = middel ventilatortoerentalLED L groen = laag ventilatortoerentalManuele bedieningDe binnentoestellen kunnen manueel in bedrijf genomen worden. Door indrukken van de toets RESET aan het ontvangstdeel van de afdekking wordt de automatische modus geactiveerd.
Toetsen van de afstandsbediening Toets „POWER“ met deze toets neemt U het toestel in bedrijf. Toets „TEMP“ Met deze toets wordt de gewenste temperatuur in een bereik van 16 °C tot 30 °C in stappen van 1 °C ingesteld. Toets „TIME-SET“ Met deze toets wordt de uurtijd ingesteld. Toets „MODE“ Met deze toets wordt de bedrijfsmodus gekozen. Het binnentoestel beschiikt over 5 modusseni: 1. Automatische modus (COOL/HEAT): In automatische modus wordt de temperatuur constant op de ingestelde theoretische waarde gehouden. 2. Koelmodus (COOL): In koelmodus wordt de opgewarmde kamerlucht op de ingestelde, koelere theoretische waarde afgekoeld. 3. Ontvochtigingsmodus (DRY): In deze modus wordt de kamer overwegend ontvochtigd. 4. Omgevingsluchtmodus (FAN): In omgevingsluchtmodus wordt enkel de lucht omgewenteld. De kamer wordt niet op temperatuur gebracht. 5.
verwarmingmodus (HEAT): In verwarmingmodus wordt de koelere kamerlucht op de ingestelden, warmere theoretische waarde verwarmd. Toetsen van de afstandsbediening Toets „SWING“ Deze toets activeert de oscillerende lamellen naar een betere luchtverdeling in de kamer, en maakt bijkomend een stoppen mogelijk van de lamellen. toets „FAN“ Met deze toets wordt het gewenste ventilatortoerental ingesteld. 4 stappen staan ter beschikking: Automatische, hoge, midden en lage ventilatorstap. Toets „TIME-OFF“ Met deze toets wordt het automatische uitschakelen van het binnentoestel geprogrammeerd. Toets „TIME-ON“ Met deze toets wordt het automatische inschakelen van het binnentoestel geprogrammeerd. Toets „C“ Met deze toets wordt de tijdinstelling geactiveerd. Toets „R“ Met deze toets wordt de afstandsbediening in de levertoestand teruggeplaatst. Toets „NETWORK“ Deze toets heeft geen functie.
De doorgave van de instellingen wordt door een symbool in het display aangegeven.ToetsenfunctiesPOWER ToetsActiveert resp. deactiveert het binnentoestel met de POWER-toets. In het display verschijnen de voor de afschakeling van het toestel geprogrammeerde waarden en instellingen.POWER TEMP ToetsDe toets TEMP maakt de instelling mogelijk van de gewenste theoretische temperatuur in 1 °C stappen. In omgevingsluchtmodus FAN is deze instelling niet mogelijk.TEMP TEMP RESET Toets RNa indrukken van de lager liggende toets R door middel van een kleine stift o. a., worden alle symbolen op het display vertoond. Na ca. 5 seconden knippert enkel nog de aanduiding van de uurtijd. Na indrukken van de dieper gelegen toets C dient door aansluitend ingedrukt houden van de toets TIME-SET de uurtijd ingesteld worden. Na succesvolle instelling wordt de toets C opnieuw ingedrukt om de uurtijd op te slaan.
De aanduiding knippert niet meer.R5 sec. CUURTIjD Toets CNa indrukken van de lager gelegen toets C door middel van een kleine stift o. a., knippert de aanduiding van de uurtijd. Door de toets TIME-SET ingedrukt te houden wordt aanvankelijk langzaam en dan steeds sneller de aangegeven uurtijd verzet. Na succesvolle instelling wordt de toets C opnieuw ingedrukt om de uurtijd op te slaan. De aanduiding knippert niet meer.TIME-SETCCUurtijdinstellingREMKO SV8
MODE ToetsDruk een- resp. meermaals de toets MODE in om naar de automatische modus te wisselen. In deze modus kiest de regeling, afhankelijk van de temperatuur, zelfstandig de COOL of HEAT modus en houdt de ingestelde temperatuurwaarde constant. De FAN-instelling dient op AUTO ingesteld te worden.Druk de toets MODE in, wanneer U naar een andere modus wil wisselen. Ter beschikking staan 5 modussen:1. AUTO Automatische modus, automatische keuze van koel- of verwarmingswerking 2. COOL Koelmodus, overwegend zomerwerking 3. DRY Ontvochtigingsmodus, zomer- of winterwerking 4. FAN Omgevingsluchtmodus, geen afgave van koel- of verwarmingprestatie 5. HEAT Verwarmingmodus, overwegend winterwerkingMODE MODE MODE MODEModus AUTODruk een- resp. meermaals die toets MODE in om naar de koelmodus te wisselen. Gebruik deze modus om de kamerlucht op de gewenste theoretische temperatuur af te koelen.
Modus DRYDruk een- resp. meermaals de toets MODE in om naar ontvochtigingsmodus te wisselen. Gebruik deze modus om de kamer ongeregeld te ontvochtigen. Na indrukken van de toets DRY kan de gewenste temperatuur en de lamellenstelling gekozen worden. Een instelling van het ventilatortoerental is niet mogelijk. In bepaalde intervallen wordt de ventilator uitgeschakeld, om de temperatuur aan de koelcontqiner te verlagen. Op basis van de geringe temperatuur wordt het dauwpunt van de lucht aan de lamellen onderschreden. De overbodige vochtigheid van de lucht condenseert aan de koelcontainer, de kamer wordt ontvochtigd.MODE ONTVOchTIGINGSWERKINGModus FANDruk een- resp. meermaals die toets MODE in om naar de omgevingsluchtmodus te wisselen. In deze modus wordt het toestel als omgevingsluchttoestel gebruikt.
Er wordt geen koel- of verwarmingprestatie aan de kamer afgegeven.MODE OMGEVINGSLuchTWERKINGMet deze modus kan in de winter de opgeslagen warmte onder de afdekking in het onderste bereik van de kamer opegvraagd worden. TIPSWING ToetsDe toets SWING maakt een voortdurende en automatische vertikale lamellenplaatsing mogelijk. In ingeschakelde toestand wordt de gekoelde lucht beter in de kamer verdeeld. Wordt de toets SWING tijdens de Swingbewegung ingedrukt, stoppen de lamellen in de huidige positie. Een nogmaals indrukken van de toets zet de Swingfunctie weer in gang.SWING SWINGSWINGSWINGSWINGSWINGREMKO SV10
De toets NETWORK is zonder functie.NETWORK ToetsSLEEP ToetsModus HEATDruk een- resp. meermaals die toets MODE in om naar de verwarming- modus te wisselen. Gebruik deze modus om de kamerlucht op de gewenste theoretische temperatuur te verwarmen. De ventilator start pas bij het bereiken van een lamellentemperatuur van 38°C.Stel de gewenste kamertemperatuur in door indrukken van de toetsen TEMP / in 1 °C stappen. Ligt de kamertemperatuur 1 °C onder de gewenste temperatuur, wordt de verwarmingswerking geactiveerd. Wordt de ingestelde kamertemperatuur met ca. 1 C° overschreden, schakelt de regeling de verwarmingswerking af.MODE VERWARMINGSWERKINGHet is aan te bevelen de theoretische temperatuur in te stellen op tot maximaal 28 °C, de maximale ventilatorsnelheid en de onderste lamelleninstelling teb gebruiken.
AANWIJZINGNa indrukken van de toets SLEEP verschijnt het symbool in het display en de kamertemperatuur wordt 30 minuten na de start van deze functie met 0,5 °C in koelmodus verhoogd en in verwarmingsmodus verlaagd. Na een verdere 30 minuten wordt de kamertemperatuur met 1 °C in koelmodus verhoogd en in verwarmingsmodus verlaagd. Na een verder uur wordt de kamertemperatuur constant op 2°C in koelwerking boven en in verwarmingswerking onder de aanvankelijke theoretische temperatuur gehouden. Deze temperatuur wordt constant aangehouden. Beëindigd wordt deze functie door indrukken van de toets POWER resp. SLEEP. Het symbool in het display verdwijnt.SLEEPSLEEPSLEEPSLEEPVERWARMINGSWERKINGKOELBEdRIJf11
TIME ToetsenInschakeltijdUitschakeltijdDe TIME-ON/-OFF toetsen worden gebruikt voor de programmering van een in- resp. uitschakeltijd, de TIME-SET toets voor de tijdsinstelling.Door indrukken van de toetsen TIME-ON resp. TIME-OFF, wordt de timer geactiveerd en de uurtijdaanduiding verdwijnt. Het timersymbool naar in- resp. uitschakeltijd knippert. Door indrukken van de toets TIME-SET wordt de gewenste in- of uitschakeltijd in stappen van 10 minuten ingesteld.Na succesvolle programmering worden de instellingen aan het binnentoestel doorgegeven. Bij de inschakelvertraging door indrukken van de toets TIME-ON, bij de uitschakelvertraging door indrukken van de toets TIME-OFF. Het timersymbool knippert niet meer en het binnentoestel verlaat de programmering door een signaaltoon.Wordt de geprogrammeerde tijd bereikt, schakelt het toestel automatisch in resp. uit.
Wordt het binnentoestel automatisch ingeschakeld, worden de modus, de temperatuur en de ventilatorsnelheid van de laatste instelling geactiveerd.Het voortijdige wissen van de in- en uitschakeltijd gebeurt door indrukken van de overeenkomstige TIME-toets of door de toets POWER.TIME-ONTIME-SETTIME-ONInschakeltijdTIME-OFF TIME-SETUitschakeltijdTIME-OFFREMKO SV12
UitdienstnameTijdelijke uitdienstname1. Laat het binnentoestel 2 tot 3 uur in omgevingsluchtwerking of in koelwerking met maximale temperatuurinstelling lopen, zodat de resterende vochtigheid uit het toestel verwijderd wordt. 2. Neem de installatie door middel van de afstandsbediening uit dienst. 3. Schakel de stroomvoorziening van het toestel af. 4. Controleer het toestel op zichtbare beschadigingen en reinig het zoals in hoofdstuk „Service en onderhoud“ beschreven. Definitieve uitdienstnameDe opslag van het toestel en componenten dient volgens de regionaal geldende voorschriften, bv. door gemachtigde akbedrijven voor de opslag en herwaardering van verzamelplaatsen, uitgevoerd. De Firma REMKO GmbH & Co. KG of Uw verantwoordelijke contractpartner geven U graag een vakbedrijf in Uw nabijheid.
Service en onderhoudDe regelmatige service en onderhoud waarborgen een storingsvrije werking en een lange levensduur van het toestel. Service■ Hou het binnentoestel en buitendeel vrij van vervuiling, begroeiing en andere afzettingen. ■ Reinig het toestel enkel met een vochtige doek. Gebruik geen scherpe, krassende of oplosmiddelhoudende reinigingsmiddelen. Plaats geen waterstraal op het toestel. Voor alle werkzaamheden aan de toestelen dient de stroomvoorziening onderbroken te worden en beveiligd tegen opnieuw inschakelen. OPGELET■ Reinig voor het begin van een langere stilstandsperiode de lamellen van het binnentoestel en buitendeel. ■ Dek het buitendeel af met een kunststoffolie, om het binnendringen van vervuiling in het toestel te verhinderen. Onderhoud■ Wij bevelen aan een onderhoudscontract met jaarlijks onderhoudsinterval met een overeenkomstige vakfirma af te sluiten.
Reiniging van de condenspompIn het binnentoestel bevindt zich een ingebouwde condenspomp, die het optredende condens naar hoger gelegen aflopen pompt. De pomp is in ruime mate onderhoudsvrij. Laat toch de condensleidingen op regelmatige afstanden op vervuilingen controleren en reinig deze indien nodig. Zou daarenboven een externe pomp gebruikt worden, let bij de servivce en onderhoud op de afzonderlijke Bedieningshandleiding. 3 Reiniging met de stofzuiger 4 Reiniging met lauwwarm water 1 Luchtinlaatsrooster open 2 Filter uitnemenReiniging van de afdekking aan het binnentoestel1. Onderbreek de stroomvoorziening naar het toestel. 2. Open het luchtinlaatrooster van de afdekking en klap deze naar onder. De filter wordt door zijdelings ingeschroefde lussen aan het rooster gehouden (afbeelding 1). 3. Reinig het rooster en de afdekking met een licht bevochtigde doek. 4.
Schakel de stroomvoorziening weer in. Luchtfilter van het binnentoestelReinig de luchtfilter in een interval van maximum 2 weken. Verminder deze tijdspanne bij sterk verontreinigde lucht. Reiniging van de filter aan het binnentoestel1. Onderbreek de stroomvoorziening naar het toestel. 2. Open het luchtinlaatrooster van de afdekking en klap deze naar onder (afbeelding 1). De filter wordt door zijdelings ingeschroefde lussen aan het luchtinlaatroosters gehouden. 3. Kip de filter om en trek deze eruit (afbeelding 2). 4. Reinig de filter met behulp van een gewone stofzuiger (afbeelding 3). Draai daartoe de verontreinigde zijde naar boven. 5. U kan vervuilingen ook voorzichtig met lauwwarm water en een zacht reinigingsmiddel verwijderen (afbeelding 4). Draai daartoe de verontreinigde zijde naar onder. 6.
Laat de filter bij gebruik van water eerst volledig luchtdrogen, vooraleer deze terug in het toestel te plaatsen. 7. Plaats de filter voorzichtig. Let daarbij op de correcte plaatsing. 8. Sluit de afdekking zoals hierboven beschreven in omgekeerde volgorde. 9. Schakel de stroomvoorziening weer in. 10.
Storingsverhelping en klantendienstHet toestel en componenten worden met de modernste vervaardigingsmethoden vervaardigd en meermaals op foutloze werking gecontroleerd. Zouden alsnog storingen optreden, controleer svp de functie volgens onderstaande lijst. Wanneer alle functiecontroles uitgevoerd zijn en het toestel nog steeds niet zonder defect werkt, verwittig svp Uw vakhandelaar. Storing mogelijke oorzaak Controle OplossingHet toestel start niet of schakelt zich zelf- standig uit. Stroomuitval, onderspanning, netstroombeveiliging defect / hoofdschakelaar uitgeschakeldWerken alle andere elektrische bedrijfsmiddellen. Spanning controleren ev. wachten op terug inschakelenNetstroomtoevoerleiding beschadigdWerken alle andere elektrische bedrijfsmiddellen. In werking zetten door een vakbedrijfWachttijd na het inschakelen te kortZijn na de herstart ca. 5 Minuten verlopen.
Langere wachttijden inplanneninzettemperatuurbereik onder- / overschredenWerken de ventilatoren van het binnentoestel en buitendeel. Temperatuurbereiken van binnentoestel en buitendeel in het oog houdenOverspanningen door onweerWaren er de laatste tijd regionale blikseminslagen. Afschakeling van de netstroombeveiliging en opnieuw inschakelen / controle door vakbedrijfStoring van de externe condenspompHeeft de pomp een storingsafschakeling doorgevoerd. Pomp controleren ev. reinigenHet toestel reageert niet op de afstandsbediening. Zendafstand te groot/ ontvangst gestoordBij indrukken van toets signaaltoon aan binnentoestel. Afstand tot op minder dan 6 m brengen en standplaats wisselenAfstandsbediening defectWerkt het toestel in manuele werking. Afstandsbediening vervangenontvangst- resp. zenddeel krijgt te sterke zonneinstralingIs de functie bij beschaduwing gegeven. Zenddeel resp.
Geen signaaloverdracht bij gelijktijdige werking van storingsbronnentoets van FB ingeklemd / dubbele toetsenbedieningVerschijnt het “zend”-symbool in de aanduiding. toets ontgrendelen / enkel een toets indrukkenbatterijen van de afstandsbediening leegWerden nieuwe batterijen geplaatst. Is de aanduiding onvolledig. Nieuwe batterijen plaatsenHet toestel werkt met verminderde of zonder koel- of verwarmingprestatie. Filter is verontreinigd / luchtinlaat-/uitlaatopening door vreemde voorwerpen geblokkeerdWerden de filters gereinigd. Filterreiniging doorvoerenVensters en deuren geopend. Warmte-/resp. koelbelasting werd verhoogdWas er een architectonische / gebruiksmatige wijziging. Vensters en deuren sluiten / extra installaties monterenGeen koel- resp. verwarmingswerking ingesteldIs het koel-/verwarmingssymbool in de aanduiding geactiveerd.
Instelling van het toestel corrigerenLamellen van het buitendeel door vreemde voorwerpen geblokkeerdWerkt de ventilator van het buitendeel en zijn de lamellen vrij. Ventilator of winterregeling controleren, luchtweerstand verminderenOndichtheid in koelkringIs er rijpvorming aan de lamellen van het binnentoestel zichtbaar. In werking stellen door vakbedrijfAan het toestel komt conden-swateruit. Afloopbuis van de verzamelcon-tainer verstopt / beschadigdIs de ongehinderde condensafloop gewaarborgd. Reinigen van de afloopbuis en de verzamelcontainerExterne condenspomp resp. vlot-ter defectIs de condenskuip vol water en werkt de pomp. Pomp door vakfirma laten vervan-genEr bevindt zich niet afgelopen condens in de condensleidingIs de condensleiding met niveau-verschil geplaatst. Condensleiding met niveauverschil plaatsen, resp.
Montageaanwijzing voor vakpersoneel■ Breng het toestel in de originele verpakking zo kort mogelijk bij de montageplaats. Zo vermijdt U transportschade. ■ Controleer de verpakkingsinhoud op volledigheid en het toestel op zichtbare transportschade. Meldt eventuele defecten direct aan Uw contractuele partner en de transporteur. ■ Hef het toestel bij de hoeken en niet bij de koelmiddel- of condensaansluitingen. ■ De koelmiddelleidingen (inspuit-en zuigleiding), ventielen en de verbindingen zijn stoomdiffuusdicht te isoleren. Eventueel dient ook de condensleiding geïsoleerd te worden. ■ Kies een montageplaats, die een vrije luchtinlaat en -uitlaat waarborgt. (zie deel „minimum vrije ruimte“). ■ Installeer het toestel niet in de onmiddellijke nabijheid van toestelen met intensieve warmtestraling. De montage in de nabijheid van warmtestralingen vermlindert de toestelprestatie.
■ Open de afsluitventielen van de koelmiddelleidingen pas na beëindiging van de volledige installatie. ■ Bescherm open koelmiddelleidingen tegen de inlaat van vochtigheid door geschikte kappen, resp. kleefbanden en knik of druk nooit de koelmiddelleidingen in. ■ Vermijdt onnodige buigingen. Zo minimaliseert U het drukverlies in de koelmiddelleidingen en waarborgt U de vrije terugstroming van compressoroliën. ■ Tref bijzondere voorzienings-maatregelen met betrekking tot de olieterugstroming, wanneer het buitendeel boven het bin-nentoestel geplaatst is. (zie deel olieterugstromings-maatregelen). ■ Overschrijdt de enkele lengte van de koelmiddelleiding 5 meter, dient koelmiddel toegevoegd te worden. De hoeveelheid van het extra koelmiddel kan U vinden in hoofdstuk „koelmiddel toevoegen“.
■ Gebruik uitsluitend de bij de levering verkregen overtrekmoeren van de koelmiddelleidingen en verwijder deze pas kort voor het verbinden met de koelmiddelleidingen. ■ Voer alle elektrische aansluitingen uit volgens de geldende DIN- en VDE voorschriften.
■ bevestig elektrische leidingen steeds overeenkomstig de elektroklemmen. Het zou tot brand kunnen komen. ■ Voor onderhoudswerkzaamheden aan schakelkasten dienen de in de tussendeksels revisieopeningen voorzien te worden. ■ eventuele verluchtingskanalen resp. -buizen voor een tweede kameraansluiting resp. een verse luchtaansluiting dienen inclusief de aansluitingsstukken met diffuusdichte warmteafscherming voorzien te worden. Wanddoorbreking■ Er dient een wanddoorbreking gemaakt te worden van minimum 70 mm diameter en 10 mm niveauverschil van binnen naar buiten per binnentoestel. ■ Wij bevelen aan, het gat binnen te polijsten of bv. met een PVC-buis te bekleden, om beschadigingen aan de leidingen te vermijden. ■ Na succesvolle montage dient de wanddoorbreking architectonisch met een gepast dichtingsmiddel afgesloten te worden. Gebruik geen cementof kalkhoudende stoffen.
MontagemateriaalHet binnentoestel wordt door middel van 4 architectonisch te plaatsen draadstangen bevestigd. Om de installatie volledig door te kunnen voeren, zijn overeenkomstige spieën, trapeziumvormige plaathangers, profielstaal, ringen voorkoelmiddel- en condensleidingen (resp. verplaatskanalen) en aansluitingsstukken voor de condensleiding nodig. Keuze van de installatiesplaats BinnentoestelHet binnentoestel is ontworpen voor een montage in horizontale tussendak met Euroraster– afmetingen. Het kan echter ook in tussendak met andere maten geplaatst worden. Hou rekening met de montagehoogte van het toestel met minstens 258 mm bij SV 261 en SV 351, minstens 298 mm bij SV 521 en SV 681. BuitendeelHet buitendeel is voor een horizontale staande montage in buitenbereik ontworpen. De opstellingsplaats van de toestellen dient horizontaal, vlak en vast te zijn.
Bijkomend dient het toestel beveiligd tegen omkippen. Het buitendeel kan zowel buiten als ook binnen een gebouw opgesteld worden. Bij de buitenmontage let svp op de volgende aanwijzingen ter bescherming van de toestellen voor onweersinvloeden. WindbeschermingWindSneeuwIn gebieden met sterke sneeuwval dient voor het toestel een montage aan de wand vorzien te worden. De montage dient dan min. 20 cm boven de te verwachten sneeuwhogte te gebeuren, om het binnendringen van sneeuw in het buitendeel te verhinderen. Een wandconsole is als toebehoren verkrijgbaar. RegenHet toestel is bij vloer- of dakopstelling met min. 10 cm vloer vrije ruimte te monteren. Een vloerconsole is als toebehoren verkrijgbaar. zonDe vervloeier van het buitendeel is een warmteafgevend bouwdeel. Zonnestraling verhoogt extra de temperatuur van de lamellen en vermindert daarmee de warmteafgave van de lamellenwisselaars.
Het buitendeel dient zo mogelijk aan de noordzijde van het betreffende gebouw opgesteld te worden. architectonisch dient in dit geval een beschaduwing opgesteld te worden. Dit kan door een kleine dakbedekking gebeuren.
De uitgaande warme luchtstroom mag door de maatregelen echter niet beïnvloed worden. WindWordt het toestel overwegend in windige omgevingen geïnstalleerd, dient erop gelet, dat de uitgaande warm luchtstroom met de hoofdwindrichting afgevoerd wordt. Is dit niet mogelijk, voorzie dan architectonisch eventueel een windbescherming. Let er op, dat de windbescherming de luchttoevoer van het toestel niet beïnvloedt. Minimum afstand tot sneeuw20 cmSneeuwREMKO SV18.
WarmluchtKoude frisse luchtLicht- schachtBuitendeelWarme luchtLicht- schachtExtra ventilator 5 Opstelling binnen gebouwenOpstelling binnen gebouwen■ Zorg voor een toereikende warmteafvoer, wanneer het buitendeel in de kelder; op het dak, in een kamer ernaast of in hallen opgesteld wordt (afbeelding 5).■ Installeer een extra ventilator, die over dezelfde luchtvolumestroom beschikt als deze van de in de kamer van het op te stellen buitendeel en de eventuele extra drukverlies door luchtkanalen kab compenseren (afbeelding 5).Minimumvrije ruimte De minimum vrije ruimte dient te worden voorzien vooronderhouds- en herstellingswerkzaamheden en onder andere voor de optimale luchtverdeling.300300300300300ECBADLuchtinlaatLuchtuitlaatAlle aanduidingen in mmMinimum vrije ruimte■ Waarborg een continu ongehinderde luchttoevoer van buiten, zo mogelijk door tegenover elkaar liggende, voldoende grote lucht- openingen (afbeelding 5).■ Hou U aan de statische en speciale bouwtechnische voorschriften en voorwaarden met betrekking tot gebouwen en voorzie ev.
een geluidsdemping.Olieterugstroommaatregelenwordt het buitendeel op een hoger niveau geplaatst dan het binnentoestel, dienen gepaste olieterugstroommaatregelen getroffen te worden. Dit gebeurt in de regel door het maken van een oliehefboog, die elke 2,5 stijgende meter dient geïnstalleerd te worden.OlieterugstroommaatregelenSV 261 AT SV 351 AT SV 521 AT SV 681 ATA 100 mm 150 mmB 700 mm 900 mmC 400 mmD 100 mm 150 mmE 200 mm 400 mm 600 mmBuitendeelOliehefboog in de zuigleiding naar het buitendeel 1 x elke 2,5 stijgende meterRadius:50 mmmax. 15 mBinnentoestel19
installatieToestelinstallatieHet binnentoestel wordt aan vier draadstangen met de afdekking naar onder, onder inachtname van het dakraster en eventuele inbouwen, geïnstalleerd. 1. Markeer volgens de afmetingen van de ingezette dakcassette (afbeelding 8) de bevestigingspunten van de draadstangen aan statisch toelaatbare bouwwerkdelen en boven het tussendak. 2. dienen een tweede kamer- en frisse luchtaansluitingen ingebouwd te worden, dienen de vereiste aansluitingssteunen De installatie mag enkel door gemachtigd vakpersonal uitgevoerd worden. AANWIJZING 8 Toestelophanging 280615Afmetingen in mm SV 261-681Afstand A 35 mmAfstand B 25 mmToestelophanging 615 mm x 280 mm 9 Toestel inhangenvoor de toestelmontage aangebouwd te worden. Zie deel tweede kamer– en frisse luchtaansluiting. 3.
Zet het binnentoestel in de draadstangen en breng het toestel via de onderste moer in een horizontale positie (afbeelding 9). Enkel zo is de afloop van het condenswater in de opvangkuip gewaarborgd. 4. Hou daarbij de afstand maat A, (afbeelding 10) zoals in de tabel hieronder aangegeven, tussen onderzijde van de ophanging en de onderzijde van de bevestiging aan. 5. Sluit, zoals verder beschreven, de koelmiddel-, elektro- en condensleiding aan het binnentoestel aan. De toestellen zijn werkmatig met een vulling van droge stikstof voor dichtheidscontrole voorzien. De onder druk staande stikstof ontsnapt bij het lossen van de overtrekmoeren. OPGELET6. controleer noghmaals de horizontale oprichting van het toestel. 7. trek afsluitend de tegenmoer aan en monteer de afdekking.
10 Toestel bevestigenStatisch bouwwerkdeelStatisch bouwwerkdeelBAAlle afmetingen in mmAansluiting van de koelmiddelleidingenDe architectonische aansluiting van de koelmiddelleidingen gebeurt aan de zijkant van de achterzijde van het toestel. Eventueel dient aan het binnentoestel een reductie, resp. vergroting geïnstalleerd te worden. Deze schroeven zijn seriematig extra bijgeleverd bij het binnentoestel.
2. verwijder de werkmatige beschermkappen alsook de overtrekmoeren van de aansluitingen en gebruik deze voor de verdere montage. 3. Vergewis U ervan, vooraleer de koelmiddelleidingen af te vlakken, dat de overtrekmoeren op de buis voorhanden zijn. 4. Bewerk de geplaatste koelmiddelleidingen zoals hierna voorgesteld (afbeelding 11+12). 5. controleer of afvlakking een correcte vorm heeft (afbeelding 13). 6. Maak nu de verbinding van de koelmiddelleidingen met de aansluiting manueel, om een juiste plaatsing te waarborgen. 7. bevestig nu definitief de schroeven met 2 beksleutels met gepaste sleuitelwijdte. Hou tijdens het schroeven in elk Er mogen enkel werktuigen en componenten gebruikt worden, die voor de inzet in het koelbereik toegelaten zijn.
AANWIJZINGAfvlakwerktuig 12 Afvlakken van de koelmiddelleidingKoelmiddelleidingOntbramer 11 Ontbramen van de koelmiddelleiding 13 Correcte afvlakvormgeval met een beksleutel tegen (afbeelding 14). 8. Gebruik enkel voor het temperatuurbereik inzetbare en diffuusdichte isolatieslangen. 9. Plaats de koelmiddelleidingen van binnentoestel naar buitendeel. Let op een voldoende bevestiging en tref ev. maatregelen voor de olieterugstroming. 10. Let bij de montage op de buigradius van de koelmiddelleidingen en buig nooit tweemaal op dezelfde plaats aan een buis. Broosheid en breekgevaar kunnen het gevolg zijn. 11. installeer het buitendeel met de wand- resp. vloerconsole aan statisch toelaatbare gebouwdelen (installatieaanwijzingen van de consoles in het oog houden). 12. Verzeker U ervan, dat geen geluiden van voorwerpen op delen van het gebouw worden overgedragen.
Overdragingen van geluiden van voorwerpen worden verminderd door trillingsdempers. 13. Bewerk de koelmiddelleiding in het bereik van het buitendeel, zoals voorheen beschreven. Bijkomende aanwijzingen voorinstallatie. ■ Is de enkele lengte van de verbindingsleiding langer dan 5 m, dan dient bij de eerste indienstname van de installatie koelmiddel toegevoegd te worden.
zie hoofdstuk „koelmiddel toevoegen“Vasttrekken 1ste beksleutelTegenhouden 2de beksleutel 14 Schroeven aantrekkenAantrek- draaimoment:14“15-20 Nm38“33-40 Nm12“50-60 Nm58“65-75 Nm34“95-105 NmKamer ernaast- en frisse luchtaansluitingHet binnentoestel is voor de koeling van een tweede kamer en onafhankelijk daarvan, klaar voor de inbreng van frisse lucht. MontageaanwijzingVoor montage van de frisse luchtaansluiting en de ansluitingen van de kamer ernaast gaat U als volgt te werk:1. Let er op, dat U zich direct achter de te verwijderen opening van de lamellen van de verdamper bevindt, en deze in geen enkel geval beschadigd mogen worden (Blz. 22, afbeelding 8). 21.
Er mogen enkel een frisse lucht- en een kamer ernaastaansluiting gebruikt worden. OPGELET2. Verwijder voorzichtig de afscherming achter de opening (afbeelding 9). 3. Breek nu de overeenkomstige opening door (afbeelding 10). 4. Hou de verluchtingsbuis zo kort mogelijk en plaats deze met zo weinig mogelijk buigingen. 5. Let er op, dat de bandkragen, schroeven, Flex- / wikkelschaarnierbuis en afschermstoffen architectonisch aan te brengen zijn. De genoemde delen zijn in de vakhandel verkrijgbaar (afbeelding 11). 8 Uitstansing verwijderen 9 Afscherming voorzichtig verwijderen 10 Opening doorbreken 11 Bevestiging kragenAansluiting kamer ernaastHet binnentoestel biedt de mogelijkheid, een kamer ernaast via een kanalisatiesysteem, bv. in een afhangende afdekking, mee te koelen.
Daartoe dienen volgende voorwaarden vervuld te zijn:■ De koelprestatie van het binnentoestel dient toereikend te zijn voor de koeling van beide kamers. ■ Tussen de beide kamers dient een opening geschapen te worden, die een luchtcirculatie tussen de beide kamers toelaat. ■ Een maximale buislengte van 7 m mag niet overschreden worden. ■ Om het transport van de lucht in de kamer ernaast te waarborgen, dienen 1 resp. 2 van de 4 uitlaatopeningen van de afdekking afgesloten te worden. Kleef daartoe een zwarte, eenzijdig gele klevende stoffen strook op de af te sluiten openingen. De strook dient de belasting door de luchtstroom stevig tegen te houden.
Frisse luchtaansluitingAansluiting kamer ernaastKamer ernaast- en frisse luchtaansluitingFrisse luchtaansluitingZoals reeds beschreven bestaat de mogelijkheid met het binnentoestel ook frisse lucht (buitenlucht), extra aan te zuigen aan de kamerlucht, en deze op temperatuur te brengen. Deze variante wordt bij voorkeur gebruikt in kamers met zich snel verbruikende lucht. ■ Let op de regionale voorschriften voor luchtbehandeling. ■ Voor de frisse luchtaansluiting dient een bandkraag NW 70 mm gemonteerd te worden.
■ Het aandeel frisse lucht mag niet meer bedragen dan 10 % van de nominale luchtvolumestroom van het toestel. De toevoer van frisse lucht dient door de inzet van een bijkomende, toerentalgeregelde ventilator te gebeuren. ■ Om het binnendringen van regenwater te verhinderen, mag de lucht aan de buitenluchtinlaat met een snelheid van maximaal 2,5 m/s via een stoffilter aangezogen worden. ■ Voor de aansluiting van de ventilator is een architectonisch te plaatsen, afzonderlijk te beveiligen elektro-installatie noodzakelijk. REMKO SV22.
Aansluiting kamer ernaastmax. 7 mKamer ernaastHoofdkamerCondensaansluitingOp basis van de dauwpuntonderschrijding aan de container komt het tijdens de koelwerking tot condensvorming. Onder de container bevindt zich een opvangkuip met seriematige condenspomp en vlotterschakelaar. de vlotterschakelaar dient op basis van defecte afvoervan de condenss een veiligheidsafschakeling door te voeren, schakelt de pomp direct in en loopt ca. drie minuten na. ■ De architectonische condensleiding dient geplaatst met een niveauverschil van min. 2 %. Eventueel dient een stoomdiffuusdichte isolatie voorzien te worden. ■ Bevindt het niveau van de condensleiding aan het toestel zich boven de toesteluitlaat, dan dient de leiding vertikaal naar boven (max. 1000 mm vanaf de onderkant van het toestel) en dan met niveauverschil naar de afvloeiing geplaatst.
■ Voer de condensleiding van het toestel vrij in de afloopleiding. Ingeval condens in een afwaterleiding gevoerd wordt, voorzie een sifon als geurafsluiting. ■ Bij een toestelwerking beneden 0 °C buitentemperatuur dient gelet op een vorstveilige plaatsing van de condensleiding. Ev. dient een buisverwarminging voorzien. ■ Na succesvolle plaatsing dient de vrije afloop van condens gecontroleerd te worden en een permanente dichtheid verzekerd te worden. DichtheidscontroleZijn alle verbindingen gemaakt, wordt het manometerstation als volgt aan de overeenkomstigen Schraderventielaansluitingen aangesloten, in zoverre voorhanden:rood = klein ventiel = inspuitdrukblauw = groot ventiel = zuigdruk Na succesvolle aansluiting wordt de dichtheidscontrole met droge stikstof doorgevoerd. Voor de dichtheidscontrole worden de gemaakte verbindingen met lekzoekspray besproeid.
Na succesvolle dichtheidscontrole wordt de overdruk uit de koelmiddelleidingen verwijderd en een vacuümpomp met een absolute einddeeldruk van min. 10 mbar in bedrijf gezet, om een luchtledige kamer in de leidingen te bekomen. Bijkomend wordt indien voorhanden vocht uit de leidingen verwijderd. Er dient een vacuüm van min. 20 mbar abs. gecreëerd worden. OPGELETDe duur van de vacuümcreatie richt zich naar de buisleidingsvolumen van het binnentoestel en de lengte van de koelmiddelleidingen, doch bedraagt minstens 60 minuten. Wanneer vreemde gassen en vocht volledig uit het systeem verwijderd zijn, worden de ventielen van het manometerstation gesloten en de ventielen van het buitendeel, zoals in hoofdstuk „indienstname“ beschreven, geopend. Frisse luchtinlaatBinnen BuitenFrisse luchtaansluiting23.
16-20 mmmin. 2% niveauverschilVer uit elkaar liggende stijgleidingTe grote/kleine condensleidingGeen niveauverschilGeen vrije afloopCondensaansluiting - foutief! Condensaansluiting - juist!maximaal1000 mmmax. 100 mmElektrische aansluitingAlle elektrische installaties dienen door vakondernemingen uigevoerd te worden. De montage van de elektro-aansluitingen dient spanningsvrij te gebeuren. OPGELET■ Wij bevelen aan, architectonisch een hoofd- /herstellingsschakelaar in de nabijheid van het buitendeel te installeren. ■ De klemlijsten van de aansluitingen bevinden zich aan de achterzijde van het toestel. Na de installatie kunnen metingen, na het verwijderen van de afdekking, van de voorzijde gebeuren. ■ Wordt bij het toestel een als toebehoren verkrijgbare condenspomp ingezet, is ev.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met REMKO SV261 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Airco REMKO
Handleiding Airco
Nieuwste handleidingen voor Airco