REMKO RVT 261 DC Handleiding

REMKO Airco RVT 261 DC

Bekijk gratis de handleiding van REMKO RVT 261 DC (32 pagina’s), behorend tot de categorie Airco. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 22 mensen en kreeg gemiddeld 5.0 sterren uit 6 reviews. Heb je een vraag over REMKO RVT 261 DC of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/32
Versie NL – T10
REMKO RVT
RVT 261DC, RVT 351DC, RVT 521DC
Inverter wandairconditioning in split-uitvoering
Bediening · Techniek · Reserveonderdelen

Beoordeel deze handleiding

5.0/5 (6 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: REMKO
Categorie: Airco
Model: RVT 261 DC

Handleiding REMKO RVT 261 DC – volledige tekst

InhoudDeze Nederlandse gebruiksaanwijzing is een vertaling van de originele Duitse handleiding. Vóór het in bedrijf nemen / gebruik van dit apparaat deze gebruikshandleiding zorgvuldig lezen!!Deze handleiding maakt deel uit van het apparaat en dient steeds in directe nabijheid van de opstellocatie resp.

bij het apparaat bewaard te worden.Wijzigingen voorbehouden; we aanvaarden geen aansprakelijkheid voor drukfouten en vergissingen!Veiligheidsaanwijzingen4Milieubescherming en recycling4Garantie4Transport en verpakking 5Beschrijving van het apparaat5Bediening6-12Uit bedrijf nemen13Verzorging en onderhoud13-14Verhelpen van storingen en service15-16Montageaanwijzingen voor vakpersoneel16-19Installeren19-21Controle op lekkages21Condensaansluiting22Elektrische aansluiting22-23Elektrisch aansluitschema23Elektrisch schema24-25Vóór het in bedrijf nemen26Koudemiddel bijvullen26Inbedrijfstelling26-27Afmetingen apparaat28Apparaatafbeelding29-30Reserveonderdelenlijst29-30Technische gegevens31Made by REMKO3

VeiligheidsaanwijzingenAfvoeren van de verpakkingAlle producten worden voor het transport zorgvuldig verpakt in milieuvriendelijke materialen. Lever een waardevolle bijdrage aan de vermindering van afval en het recyclen van grondstoffen en lever het verpakkingsmateriaal alleen in bij de daarvoor aangewezen inzamelplaatsen. Afvoeren van de oude apparatenDe productie van het apparaat wordt voortdurend op kwaliteit bewaakt. Er worden uitsluitend hoogwaardige materialen gebruikt, die voor het grootste deel hergebruikt kunnen worden. Draag bij aan de bescherming van het milieu, door er voor te zorgen dat uw gebruikte apparaat alleen op milieuvriendelijke wijze volgens de plaatselijk geldende voorschriften, bijv. door een erkend afvalverwerkingsbedrijf en recycling of via een inzamelpunt uitgevoerd wordt.

GarantieVoorwaarde voor eventuele aanspraken op garantie, is dat de inkoper of zijn af-nemer tegelijk met de verkoop en het in gebruik nemen de bij het apparaat meegeleverde "Garantieoorkonde" volledig ingevuld naar REMKO GmbH & Co. KG terug heeft gestuurd. De garantievoorwaarden zijn opgenomen in de "Algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden". Daarnaast kunnen alleen tussen de bij de overeenkomst betrokken partijen speciale afspraken gemaakt worden. Richt u zich daarom eerst tot uw directe leverancier. Milieubescherming en recyclingLees voor u het apparaat voor de eerst in gebruikt neemt de gebruiks-handleiding aandachtig door. Deze bevat nuttige tips, aanwijzingen en waarschuwingen voor de veiligheid van personen en goederen. Het niet opvolgen van de gebruikshandleiding kan gevaar voor personen, het milieu, de installatie en tot het verlies van mogelijke aansprakelijkheid leiden.

■ Bewaar deze gebruikshandleiding en het koudemiddeldatablad in de buurt van het apparaat. ■ Het plaatsen en installeren van de apparaten en componenten mag alleen gebeuren door vakpersoneel.

■ Het opstellen, aansluiten en gebruik van de apparaten en componenten moet volgens de gebruiks- en bedrijfsomstandigheden uit de gebruikshandleiding en de geldende lokale voorschriften gebeuren. ■ Apparaten voor mobiel gebruik moeten veilig en verticaal op een geschikte ondergrond opgesteld worden. Apparaten voor stationair bedrijf mogen alleen in vast geïnstalleerde toestand gebruikt worden. ■ Ombouwwerkzaamheden of veranderingen aan de door REMKO geleverde apparaten zijn niet toegestaan en kunnen storingen veroorzaken. ■ De apparaten en componenten mogen niet worden gebruikt op plaatsen met verhoogd risico op beschadigingen. De minimale vrije ruimte moet worden aangehouden. ■ De elektrische voeding moet worden aangepast aan de eisen van de apparaten. ■ De veiligheid van de apparaten en componenten is alleen gegarandeerd bij het bedoeld gebruik en in volledig gemonteerde toestand.

De veiligheidsinrichtingen mogen niet worden veranderd of overbrugd. ■ De bediening van apparaten of componenten met zichtbare defecten of beschadigingen is verboden. ■ Alle behuizingonderdelen en openingen in het apparaat, bijv. luchtinlaat- en luchtuitstroomopeningen, moeten vrij zijn van vreemde voorwerpen, vloeistoffen of gassen. ■ De apparaten en componenten moeten voldoende veiligheidsafstand hebben ten opzichte van ontvlambare, explosieve, brandbare, agressieve en vervuilde zones en atmosferen. ■ Het aanraken van bepaalde onderdelen of componenten van de apparaten kan brandwonden of letsel veroorzaken. ■ Installatie-, reparatie- en onderhoudswerkzaamheden mogen uitsluitend worden uitgevoerd door geautoriseerd vakpersoneel; visuele controles en reinigingswerkzaamheden mogen in spanningsloze toestand door de gebruiker uitgevoerd worden.

■ Bij het installeren, het onderhouden, het repareren of het reinigen van de apparaten moeten geschikte maatregelen worden genomen om de van de apparaten uitgaande gevaren voor personen te voorkomen.

De apparaten worden in een stevige transportverpakking geleverd. Controleer het apparaat direct bij de levering en noteer eventuele schade of ontbrekende onderdelen op de pakbon en informeer de transporteur en uw leverancier. Bij klachten achteraf wordt geen garantie verleend. De airconditioningapparaten RVT 261-521DC beschikken over een REMKO RVT. AT buitenunit een RVT. IT binnenunit. De buitenunit dient tijdens koelbedrijf voor het afgeven van de door de binnenunit uit de te koelen ruimte opgenomen warmte aan de buitenlucht. Bij verwarmingsbedrijf kan de door de buitenunit opgenomen warmte via de binnenunit worden afgegeven aan de lucht in de te verwarmen ruimte. In beide bedrijfsmodi wordt het door de compressor te leveren capaciteit exact aangepast aan de vraag en wordt de insteltemperatuur met minimale temperatuurschommelingen geregeld.

Door deze "Inverteertechniek" wordt ten opzichte van conventionele split- systemen energie bespaard en de geluidsemissie tot een minimum gereduceerd. De buitenunit kan buiten of onder bepaalde voorwaarden binnen worden gemonteerd. De binnenunit is ontworpen voor gebruik binnen, bovenaan de wand. De bediening gebeurt via een infrarood-afstandsbediening. De buitenunit bestaat uit een koudekringloop met compressor, condensor in lamellenuitvoering, condensorventilator, keerklep en een regelorgaan. De besturing van de buitenunit gebeurt via de regeling van de binnenunit. De binnenunit bestaat uit een verdamper in lamellenuitvoering, verdamperventilator, regeling en condensopvangbak. Vloerconsoles, wandconsoles, koudemiddelleidingen en condenspompen zijn verkrijgbaar als accessoires.

BedieningInfrarood afstandsbedieningDe infrarood afstandsbediening stuurt de geprogrammeerde instelling over een afstand tot 6 m naar de ontvanger op de binnenunit. Een storingsvrije ontvangst van de gegevens is alleen mogelijk als de afstandsbediening op de ontvanger wordt gericht en er geen voorwerpen zijn die de overdracht belemmeren. Ter voorbereiding moeten de meegeleverde batterijen (2 stuks, type AAA) in de afstandsbediening geplaatst worden. Trek daarvoor de klep van het batterijvak los en plaats de batterijen, let daarbij op de polariteit (zie markering). De binnenunit kan comfortabel bediend worden met de meegeleverde infrarood afstandsbediening. Een correcte gegevensoverdracht wordt door de binnenunit met een pieptoon bevestigd. Als het programmeren via de infrarood afstandsbediening niet mogelijk is, kan de binnenunit ook handmatig bediend worden.

Storingen worden door codes weergegeven(zie hoofdstuk verhelpen van storingen en service). LET OP. Vervang lege batterijen direct door een nieuwe set, omdat gevaar voor uitlopen bestaat. Bij langdurig uit bedrijf nemen wordt aanbevolen de batterijen te verwijderen. OPMERKINGDisplay op de binnenunitHet display gaat branden op basis van de instellingen. HandbedieningDe binnenunit kan handmatig in gebruik worden genomen. Na het openen van het luchtinlaatrooster kan toets binnenin worden ingedrukt en de automatische modus geactiveerd worden. Bij handbediening gelden de volgende instellingen:Koelbedrijf: 24°C, Ventilatortoerental AUTOVerwarmingsbedrijf: 26°C, Ventilatortoerental AUTODoor het indrukken van een toets op de infrarood afstandsbediening wordt de handbediening onderbroken. max.

Toets "FAN" Met deze toets wordt het gewenste ventilatortoerental ingesteld. Er zijn 4 niveau's beschikbaar: automatisch, hoge, midden en lage ventilatorsnelheid. Toets "SLEEP/TURBO" Na het indrukken van deze toets stijgt de theoretische temperatuur in koelbedrijf binnen één uur automatisch 1 °C, bij verwarmingsbedrijf daalt de theoretische temperatuur binnen één uur 1 °C. Met de TURBO-functie wordt de maximale ventilatorsnelheid ingeschakeld. Toets "SWING" Deze toets activeert direct de pendelende functie van de lamellen voor een betere luchtverdeling in de ruimte. Toets "AIR DIRECTION" Met deze toets kunt u de stand van de uitstroomlamellen instellen. U heeft de beschikking over 5 standen en een pendelfunctie. Toets "TIMER-ON" Met deze toets wordt de automatische inschakeltijd van het apparaat binnen de volgende 24 uur geprogrammeerd.

Toets "TIMER-OFF" Met deze toets wordt de automatische uitschakeltijd van het apparaat binnen de volgende 24 uur geprogrammeerd.Toetsen op de afstandsbediening Toets "ON/OFF"Met deze toets kunt u het apparaat in gebruik nemen Toets "MODE" Met deze toets kunt u de bedrijfsmodus selecteren. De binnenunit heeft 5 modi: 1. Automatische modus In deze modus werkt het apparaat in de koel- of verwarmingsmodus. 2. Koelmodus In deze modus wordt de warme ruimtelucht naar de gewenste temperatuur afgekoeld. 3. OntvochtigingsmodusIn deze modus wordt de ruimte voornamelijk ontvochtigd, de ingestelde temperatuur wordt vastgehouden. 4. Verwarmingsmodus In deze modus wordt de warme ruimtelucht verwarmd naar de gewenste temperatuur. 5. Circulatiemodus In deze modus wordt de ruimtelucht gecirculeerd. Het selecteren van een temperatuur is niet mogelijk.

Toets "▲" Met deze toets kunt u de gewenste temperatuur tot 30 °C verhogen. Toets "▼" Met deze toets kunt u de gewenste temperatuur tot 17 °C verlagen.Toetsen op de afstandsbediening7

De overdracht van de instellingen wordt door een symbool op het display aangegeven.Door het bedienen van de ON / OFF- toets schakelt u uw airconditioning aan en uit. Op het display verschijnen de vóór het uitschakelen van het apparaat geprogrammeerde instellingen en instelwaarden.ON/OFF ToetsHr.ON TI MERHr.Off TIMERTurboSET TEMPON/OFF ON/OFFHr.ON TIMERHr.Off TI MERTurboSET TEMPHr.ON TIMERHr.Off TIMERSET TEMPAu toTurboMaak gebruik van de toets MODE voor het omschakelen tussen de afzonderlijke bedrijfsmodi. Er zijn 5 modi beschikbaar:1. Automatisch automatische keuze van koel- of verwarmingsbedrijf2. Koelen voornamelijk in de zomer3. Ontvochtigen gebruik in zomer en winter4. Verwarmen voornamelijk in de winter5.

De insteltemperatuur kan alleen in een andere modus worden voorgeselecteerde en wordt dan door het automatisch bedrijf overgenomen.Modus AUTOMATISCHKOELENofVERWARMENDe insteltemperatuur ligtonder de ruimtetemperatuurHr.ON TIMERHr.Off TIMERSET TEMPAutoTurboHr.ON TIME RHr.Off TIMERSET TEMPAu toTur boHr.ON TIMERHr.Off TIM ERTurboSET TEMP▲▼OFofCIRCULATIEDe insteltemperatuur ligtboven de ruimtetemperatuurDe toetsen p/q maken het mogelijk de insteltemperatuur te verlagen en te verhogen.pq ToetsenpqHr.ON TIME RHr.Off TIMERTurboSET TEMPHr.ON TIMERHr.Off TIMERTurboSET TEMPHr.ON TIMERHr.Off TIM ERTurboSET TEMPHr.ON TI MERHr.Off TIMERSET TEMPAu toTurboON/OFFHr.ON TIMERHr.Off TIMERSET TEMPAu toTurboToetsfunctiesREMKO RVT...DC8

> 6 min. > 6 min. > 6 min. 30 sec. 30 sec. InsteltemperatuurInsteltemperatuur -2°CVentilatorbedrijf ITVentilatorbedrijf ATCompressorbedrijf ATWerkelijke temperatuurStart koelbedrijfKoelbedrijfStop koelbedrijfFunctiediagramBedrijfStopIn de koelmodus wordt de lucht in de ruimte tot de insteltemperatuur afgekoeld. De gewenste ruimtetemperatuur kan met de toetsen ▲/▼ in stappen van 1 °C ingesteld worden. Ligt de temperatuur in de ruimte 1 °C boven de gekozen insteltemperatuur, begint de binnenunit met afkoelen van de lucht in de ruimte. De inverter-regeling controleert het verschil tussen de insteltemperatuur en de ruimtetemperatuur. Bij een groot verschil wordt een hoge koelcapaciteit tot stand gebracht. Bij een klein verschil wordt een lagere koelcapaciteit tot stand gebracht. De luchtuitstroomtemperatuur en de ruimtetemperatuur worden zo constant gehouden. Als de ruimtetemperatuur ca.

2 °C lager wordt dan de insteltemperatuur, schakelt de regeling de koeling uit. Ter bescherming van de compressor schakelt de regeling pas na een wachttijd van 3 minuten de koeling weer in. Modus KOELENHr. ON TIMERHr. Off TIMERSET TEMPTurboKOELBEDRIJFHr. ON TI MERHr. Off T IMERSET TEMPTur bo▲▼OFHr. ON TI MERHr. Off TIMERTurboSET TEMPIn de modus ontvochtigen moet de ruimtetemperatuur ingesteld worden op 24°C. Door de lage temperatuur van het koudemiddel komt de lucht bij de verdamper onder het dauwpunt. Het overtollige vocht in de lucht condenseert op de verdamper, de ruimte wordt zo ontvochtigd. Het ventilatortoerental moet worden ingesteld op automatisch, zodat een maximale ontvochtiging wordt bereikt. De ventilator wordt tijdens automatisch bedrijf korte perioden in- en uitgeschakeld. Modus ONTVOCHTIGENONT- VOCHTIGINGS- BEDRIJF30 sec.

VERWARMINGS- BEDRIJFFunctieverloop modus verwarmen> 6 min. > 6 min. > 6 min. 30 sec. 30 sec. Insteltemperatuur +5 °CInsteltemperatuur +2 °CVentilatorbedrijf ITVentilatorbedrijf ATCompressorbedrijf ATWerkelijke temperatuurStop verwarmingsbedrijfVerwarmingsbedrijfStart verwarmingsbedrijfFunctiediagramBedrijfStopKeerklep30 sec. 30 sec. Tijdens de condensatiecyclus wordt de verdamperventilator van de binnenunit en de condensorventilator van de buitenunit uitgeschakeld. Na beëindiging van de cyclus worden de ventilatoren weer naar het laatst ingestelde niveau geschakeld. < 7 min. Ontdooitijd15 sec. 60 sec. Ventilatorbedrijf ITVentilatorbedrijf ATCompressorbedrijf ATBedrijfStopKeerklep30 sec. 30 sec. 30 sec. 3 min. ▲▼OFHr. ON TI MERHr. Off T IME RSET TEMPTur boHr. ON TIME RHr. Off TIM ERTurb oSET TEMPMODEHr. ON TIMERHr. Off TIMERTurb oSET TEMPHr. ON TIME RHr.

Off TIM ERSET TEMPAu toTurboIn de modus verwarmen hebt u de mogelijkheid de ruimte in de herfst en de lente te verwarmen. De gewenste ruimtetemperatuur kan met de ▲/▼ toetsenstappen van 1 °C ingesteld worden. Komt de temperatuur in de kamer 1 °C onder de insteltemperatuur, begint de binnenunit met het verwarmen van ruimtelucht. De inverter-regeling controleert het verschil tussen de insteltemperatuur en de ruimtetemperatuur. Bij een groot verschil wordt een hoge verwarmingscapaciteit tot stand gebracht. Bij een klein verschil wordt een lagere verwarmingscapaciteit tot stand gebracht. De luchtuitstroomtemperatuur en de ruimtetemperatuur worden zo constant gehouden. Als de ruimtetemperatuur toch ca. 2 °C hoger wordt dan de insteltemperatuur, schakelt de regeling de verwarming uit.

Ter bescherming van de compressor schakelt de regeling pas na een wachttijd van 3 minuten de verwarming weer in. In de verwarmingsmodus wordt de ventilatormotor van de binnenunit vertraagd ingeschakeld om het uitstromen van koude lucht te voorkomen. De lamellen van de buitenunit kunnen bij lage temperaturen bevriezen.

Met deze toets wordt het ventilatorsnelheid ingesteld. Er kan worden gekozen tussen een laag, midden en een automatisch ventilatortoerental.FAN ToetsFANIn de modus ventileren circuleert de lucht in de kamer alleen. De temperatuur in de ruimte kan in deze modus niet worden veranderd. Het koel- of verwarmingsbedrijf zijn niet ingeschakeld.Modus CIRCULATIECIRCULATIEHr.ON TIMERHr.Off TIMERSET TEMPTurboHr.ON TI MERHr.Off T IMERSET TEMPTur boMODEHr.ON TIMERHr.Off TIMERTurboSET TEMPHr.ON TIMERHr.Off T IMERSET TEMPAu toTurboFANHr.ON TIM ERHr.Off TIMERSET TEMPAutoTurboHr.ON TIM ERHr.Off TI MERSET TEMPAu toTur boFANHr.ON TIM ERHr.Off TI MERSET TEMPAu toTur boFANHr.ON TIMERHr.Off TIMERSET TEMPAu toTurboFANHr.ON TIMERHr.Off TIMERSET TEMPAu toTurboMet deze toets wordt een programma geactiveerd waarmee de insteltemperatuur in de koelmodus na één uur 1 °C en na 2 uur 2 °C stijgt.

In de verwarmingsmodus wordt de insteltemperatuur na één een uur met 1 °C en na 2 uur met 2 °C verlaagd. Het display op de binnenunit gaat uit. Met de TURBO-functie wordt de maximale ventilatorsnelheid ingeschakeld.SLEEP/ TURBOSLEEP/TURBO ToetsHr.ON TIM ERHr.Off TIMERSET TEMPAutoTurboHr.ON T IMERHr.Off TI M ERSET TEMPAu toTur boHr.ON T IMERHr.Off TIM ERSET TEMPAu toTur boSLEEP/ TURBOHr.ON T IME RHr.Off TIM ERSET TEMPAu toTur boSLEEP/ TURBOHr.ON T IMERHr.Off TIM ERSET TEMPAu toTur bogedeactiveerd gedeactiveerdMet deze toetsen wordt de pendelfunctie van de luchtuitstroomlamellen ingesteld. Met de pendelfunctie wordt de luchtverdeling in de ruimte verbeterd. Voor het gericht positioneren van de luchtuitstroomlamellen moet de AIR DIRECTION toets kort ingedrukt worden.

Met deze toetsen kan een in- resp. uitschakeltijd geprogrammeerd worden. Door het indrukken van de Timer on toets resp. Timer off toets wordt de timer ingeschakeld. Het kloksymbool ON TIMER resp. OFF TIMER verschijnt. Door het indrukken van de Timer on toets resp. Timer off toets wordt de gewenste in- of uitschakeltijd tot de displaywaarde 9,5 (uur) in 30-minuten intervallen en vanaf de displaywaarde 10 in 60 minuten intervallen ingesteld.Zodra de geprogrammeerde tijd wordt bereikt, schakelt het apparaat automatisch in, resp. uit. Als het apparaat automatisch ingeschakeld wordt, worden de modus, de temperatuur en de ventilatorsnelheid van de laatste instelling geactiveerd.Het voortijdig wissen van het in- en het uitschakeltijdstip kan door het indrukken van de betrokken timer-toets.

De timerindicatie van de binnenunit gaat uit.TIMER Toetsen • TIMER-ON / OFFTIMER ON Toets - inschakelvertragingTIMER ONInschakel- vertragingTIMER OFF Toets - uitschakelvertragingUitschakel- vertragingHandmatige luchtverdelingAan de luchtuitstroomzijde bevinden zich individueel instelbare lamellen voor de horizontale luchtverdeling.Interne, bewegende onderdelen van het apparaat bijv. ventilator, vormen tijdens het gebruik een letselrisico! Voer alleen bij uitgeschakelde pendelaandrijving wijzigingen door.

Uit bedrijf nemenTijdelijk uit bedrijf nemen1. Laat de binnenunit 2 tot 3 uur in circulatie- of koelbedrijf draaien met de maximale temperatuurinstelling, zodat het restvocht uit het apparaat wordt afgevoerd. 2. Neem de installatie met de afstandsbediening uit bedrijf. 3. Schakel de stroomtoevoer van het apparaat uit. 4. Dek het apparaat indien mogelijk af met een kunststoffolie om deze tegen weersinvloeden te beschermen. Afdanken van de apparatuurHet afvoeren van de apparaten en componenten moet volgens de lokaal geldende voorschriften, bijv. door geautoriseerde gespecialiseerde bedrijven op het gebied van afvalverwerking en recycling of inzamelpunten, worden uitgevoerd. De firma REMKO GmbH & Co. KG of haar vertegenwoordigers verwijzen u graag naar een gespecialiseerd bedrijf bij u in de buurt.

Verzorging en onderhoudRegelmatige verzorging en onderhoud garanderen een storingsvrij gebruik en een lange levensduur van de apparaten. Verzorging■ Houd de binnen- en het buitenunit vrij van vuil, begroeiing en andere afzettingen. ■ Reinig de apparaten alleen met een vochtige doek. Gebruik geen bijtende, schurende of oplosmiddelen bevattende reinigingmiddelen. Gebruik geen waterstraal. ■ Reinig voor het begin van een langere stilstandperiode de lamellen van de binnen- en buitenunit. Onderhoud■ Wij raden u aan een onderhoudscontract met een jaarlijkse onderhoudsinterval met een gespecialiseerd bedrijf af te sluiten. Zo garandeert u altijd de veiligheid tijdens gebruik van de installatie. TIPVóór alle werkzaamheden aan de apparaten moet de netvoeding uitgeschakeld en beveiligd worden tegen onbevoegd herinschakelen. LET OP.

Reiniging van de condenspomp (accessoire)In de binnenunit kan eventueel een ingebouwde of losse condenspomp aanwezig zijn die het condens naar een hoger gelegen afvoer pompt.Volg de verzorgings- en onderhoudsaanwijzingen in de separate gebruikshandleiding opReiniging van de behuizing van de binnenunit1. Schakel de stroomtoevoer naar het apparaat uit.2. Open het aanzuigrooster van de afdekking en klap deze naar boven.3. Reinig het rooster en de afdekking met een licht bevochtigde doek.4. Schakel de stroomtoevoer weer in.Luchtfilter van de binnenunitReinig het luchtfilter minimaal eens per 2 weken. Verkort deze periode bij sterk vervuilde lucht.Reiniging van de filters van de binnenunit1. Schakel de stroomtoevoer naar het apparaat uit.2. Open de voorzijde van het apparaat, door het rooster naar boven te klappen en te laten vergrendelen (afbeelding 1).3.

Til de filters op en trek deze er naar onder toe uit.4. Reinig het filter met een normale stofzuiger. Draai daarvoor de verontreinigde zijde naar boven (afbeelding 2).5. U kunt verontreinigingen ook voorzichtig met lauwwarm water en een zacht reinigingsmiddel verwijderen. Draai daarvoor de verontreinigde zijde naar onder (Afbeelding 3).6. Laat het filter na gebruik van water eerst in de vrije lucht volledig drogen, voordat u deze weer in het apparaat plaatst.7. Plaats het filter voorzichtig terug. Let er daarbij op dat deze goed aanligt.8. Sluit de voorzijde zoals hierboven beschreven in omgekeerde volgorde.9. Schakel de stroomtoevoer weer in.10. Schakel het apparaat weer in. 2 Reinigen met de stofzuiger 3 Reinigen met lauwwarm water 1 Rooster openklappenREMKO RVT...DC14

Verhelpen van storingen en serviceDe apparaten en componenten worden volgens de modernste productiemethoden geproduceerd en meerdere keren op foutloze werking gecontroleerd. Als er desondanks toch storingen optreden, controleer dan de werking volgens de onderstaande lijst. Als alle controles zijn uitgevoerd en het apparaat nog steeds niet probleemloos werkt, licht dan uw gespecialiseerd bedrijf in. Storing Mogelijke oorzaak Controle OplossingHet apparaat start niet op of schakelt vanzelf uitStroomuitval, onderspanning, netzekering defect / hoofdschakelaar uitgeschakeldWerken alle andere elektrische apparaten. Spanning controleren eventueel wachten op herinschakelingNetkabel beschadigdWerken alle andere elektrische apparaten. Reparatie door een gespecialiseerd bedrijfWachttijd na het inschakelen te kortZijn er na het herstarten ca. 5 minuten verstreken.

Langere wachttijden inplannenGebruikstemperatuurbereik onder- / overschredenWerken de ventilatoren van de binnen- en buitenunit. Rekening houden met temperatuurbereiken van binnen- en buitenunitOverspanningen door onweerZijn er de laatste tijd plaatselijke blikseminslagen geweest. Uitschakelen netzekering en weer opnieuw inschakelen / Controle door gespecialiseerd bedrijfStoring van de externe condenspompIs de pomp zelf door een storing uitgeschakeld. Pomp controleren evt. reinigenHet apparaat reageert niet op de afstandsbedieningZendafstand te groot/ ontvangst gestoordHoort u een pieptoon bij de binnenunit na het indrukken van een toets. Afstand terugbrengen naar minder dan 6 m en uw positie veranderenAfstandsbediening defectWerkt het apparaat in handbediend bedrijf. Afstandsbediening vervangenOntvangst- resp. zendunit krijgt teveel zonWerkt het apparaat na het maken van schaduw.

Geen signaaloverdracht bij tegelijk werkende stoorbronnenToets van afstandsbediening klemt / dubbele toetsbedieningverschijnt het "Zend"-symbool in het display. Toets losmaken / één toets tegelijk indrukkenBatterijen van de afstandsbediening leegZijn er nieuwe batterijen geplaatst. Is het display onvolledig. Nieuwe batterijen plaatsenHet apparaat werkt met verminderde of zonder koel- of verwarmingscapaciteitFilter is verontreinigd / luchtinlaat-/uitstroomopening door vreemde voorwerpen geblokkeerdZijn de filters gereinigd. Filters reinigenRamen en deuren open. Warmte-/resp. koelbelasting is vergroot. Zijn er bouwkundige / toepassingsgerichte veranderingen. Ramen en deuren sluiten / extra installaties monterenGeen koel- resp. verwarmingsbedrijf ingesteldIs het koel- / verwarmingssymbool in de display aan.

Instellingen van het apparaat corrigerenLamellen van de buitenunit door vreemde voorwerpen geblokkeerdWerkt de ventilator van de buitenunit en zijn de lamellen vrij. Ventilator of winterregeling controleren, luchtweerstand verminderenLekkage in koudekringloopIs er rijpvorming aan de lamellen van de binnenunit zichtbaar. Reparatie door een gespecialiseerd bedrijfEr komt condenswater uit het apparaatAfvoerbuis van opvangbak verstopt / beschadigdIs een ongehinderde condens- afvoer gegarandeerd. Reinig de afvoerbuis en de opvangbakExterne condenspomp resp. vlotter defectStaat de condensopvangbak vol water en werkt de pomp. Pomp door gespecialiseerd bedrijf laten vervangenEr bevindt zich niet afgevoerd condens in de condensleidingIs de condensleiding met voldoende verval gelegd en niet verstopt. Condensleiding met verval verleggen, resp.

E1 Communicatiefout tussen buiten- en binnenunit Contact opnemen met een gespecialiseerd bedrijfE3 Regeling condensorventilator defect Contact opnemen met een gespecialiseerd bedrijfE5 Sensor condensortemperatuur defect / kortgesloten Contact opnemen met een gespecialiseerd bedrijfE6Sensor circulatie defect / kortgesloten ofsensor verdamper defect / kortgeslotenContact opnemen met een gespecialiseerd bedrijfH4Bedrijfsgrenzen van buiten- of binnenunit overschredenInstallatie uitschakelenP0 IGBT overspanningsbeveiliging Contact opnemen met een gespecialiseerd bedrijf P1 Onderspanningsbeveiliging Installatie spanningsvrij schakelen en herinschakelen P2 Compressor overlastbeveiliging Contact opnemen met een gespecialiseerd bedrijfP4 Vermogensprint IPM veiligheidsuitschakeling Contact opnemen met een gespecialiseerd bedrijf Montageaanwijzingen voor vakpersoneelBelangrijke aanwijzingen voor de installatie■ Breng het apparaat in de originele verpakking zo dicht mogelijk bij de montagelocatie.

Zo vermijdt u transportschade. ■ Controleer de inhoud van de verpakking op volledigheid en het apparaat op zichtbare transportschade. Meld eventuele schade onmiddellijk aan uw leverancier en de transporteur. ■ Til het apparaat op aan de hoeken en niet aan de koudemiddel- of condensaansluitingen. ■ De koudemiddelleidingen (inspuit- en zuigleiding), kleppen en verbindingen moeten dampdiffusiedicht worden geïsoleerd. Eventueel moet ook de condensleiding worden geïsoleerd. ■ Kies een montagelocatie, waar een vrije luchtinlaat en -uitlaat is gewaarborgd. (zie de paragraaf "Minimale vrije ruimte"). ■ Installeer het apparaat niet in de onmiddellijke nabijheid van apparaten met een sterke warmtestraling. De montage in de buurt van warmtebronnen vermindert de capaciteit van het apparaat. ■ Open de afsluitkranen van de koudemiddelleidingen pas na het afronden van alle installatiewerkzaamheden.

■ Sluit open koude-middelleidingen af tegen indringen van vocht met geschikte doppen, resp. plakband en knik leidingen niet knikken of indrukken koudemiddelleidingen. ■ Vermijd onnodige bochten. Zo wordt het drukverlies in de koudemiddelleidingen geminimaliseerd en wordt de vrije terugstroming van de compressorolie gewaarborgd. ■ Neem bijzondere voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de olieterugvoer, als de buitenunit hoger dan de binnenunit is geplaatst. (Zie de paragraaf "Maatregelen olieterugvoer"). ■ Is de enkele lengte van de koudemiddelleiding langer dan 5 meter, moet koudemiddel worden bijgevuld. De hoeveelheid bij te vullen koudemiddel kunt u vinden in het hoofdstuk "Koelmiddel bijvullen". ■ Gebruik alleen de meegeleverde wartelmoeren voor de koudemiddelleidingen en verwijder deze pas vlak voor het aansluiten van de koudemiddelleidingen.

Keuze van de installatielocatieBinnenunitDe binnenunit is voor horizontale montage aan de wand boven deuren ontworpen. Deze is echter ook boven aan wanden (min. 1,75 m bovenkant vloer) te gebruiken. BuitenunitDe buitenunit is ontworpen voor een horizontaal staande positie buiten. De opstellocatie van het apparaat moet horizontaal, vlak en stevig zijn. Bovendien moet het apparaat worden vastgezet zodat het niet kan kantelen. De buitenunit kan zowel buiten als binnen een gebouw worden geplaatst. Bij de buitenmontage moet u rekening houden met de volgende aanwijzingen ter bescherming van het apparaat tegen weersinvloeden. Wanddoorvoeren■ Per wandunit moet één opening in de wand van min. 70 mm diameter en één van 10 mm, oplopend van binnen naar buiten gemaakt worden. ■ Wij raden u aan, de wanden van het gat af te smeren of bijv.

met een PVC-buis te bekleden, om beschadigingen aan de leidingen te voorkomen. ■ Na de montage moeten de wanddoorvoeren met een geschikt afdichtmiddel worden afgesloten. Gebruik geen cement- of kalkhoudende materialen. MontagemateriaalDe binnenunit wordt door middel van 4 in de wand te monteren bouten op een wandframe bevestigd. De buitenunit wordt met behulp van 4 bouten via een wandframe tegen de wand of op een vloerconsole aan de vloer bevestigd. Minimale afstand tot sneeuw20 cmSneeuwWindbeschermingWindLeidingdoorvoer door een wandStuurleidingCondensleidingInspuitleidingZuigleidingPVC-buisRegen Het apparaat moet bij plaatsing op de vloer of op het dak met minimaal 10 cm bodemvrijheid worden gemonteerd. Een vloerconsole is leverbaar als accessoire. ZonDe condensor van de buitenunit is een module die warmte afgeeft.

Instraling van de zon verhoogt de temperatuur van de lamellen en verminderd daardoor de warmteafgifte van de lamellenwarmtewisselaar. De buitenunit moet indien mogelijk aan de noordzijde van het betreffende gebouw worden geplaatst.

Indien mogelijk moeten er bouwkundige voorzieningen worden aangebracht die voor schaduw zorgen. Dit kan door een klein afdak gebeuren. De uitstroom van warme lucht mag door de maatregelen echter niet beïnvloed worden. WindAls het apparaat op een winderige plaats wordt geïnstalleerd, let er dan op dat uitstromende warme lucht met de hoofdwindrichting mee afgevoerd wordt. Als dit niet mogelijk is moeten er bouwkundige voorzieningen worden aangebracht ter bescherming tegen wind. Let er op dat deze windbescherming geen negatieve invloed heeft op de luchttoevoer naar het apparaat. SneeuwIn gebieden met sterke sneeuwval moet het apparaat bij voorkeur tegen een wand worden geïnstalleerd. De montage moet dan minimaal 20 cm boven de te verwachten sneeuwhoogte gebeuren, om het binnendringen van sneeuw in de buitenunit te voorkomen. Een wandconsole is leverbaar als accessoire. 17.

2001201500120120Opstelling binnen een gebouw■ Zorg voor voldoende warmteafvoer als het apparaat in een kelder, op het dak, in een aangrenzende ruimte of in hallen wordt geplaatst (afbeelding 4).■ Installeer een extra ventilator met hetzelfde luchtdebiet als het in die ruimte op te stellen buitendeel en eventuele drukverliezen in de luchtkanalen kan compenseren (afbeelding 4).■ Waarborg een continue en ongehinderde luchttoevoer van buiten, indien mogelijk door tegenover elkaar liggende, voldoende grote lucht-openingen (afbeelding 4).Minimale vrije ruimteDe minimale vrije ruimte is nodig voor onderhouds- en reparatiewerkzaamheden en voor een optimale luchtverdeling.RVT 261DC AT RVT 351DC AT RVT 521DC ATA 150 mmB 700 mmC 400 mmD 150 mmE 200 mm 400 mm■ Houd u zich aan de statische en andere bouwtechnische voorschriften en bepalingen in verband met het gebouw en zorg eventueel voor geluiddemping.Minimale vrije ruimteECBADLuchtaanvoerLuchtuitstromingWarme luchtKoude verse luchtLicht- schachtBuitenunitWarme luchtLicht- schachtextra ventilator 4 Plaatsing binnen een gebouwLuchtaanvoerLuchtuitstromingAlle maten in mmREMKO RVT...DC18

Montagepunten voor het wandframe RVT 261DC ITRVT 351DC ITRVT 521DC ITAlle afmetingen in mm100050298656550750250656545815270656545Aaansluitvarianten1 Afvoer op de wand rechts2 Afvoer door de wand rechts3 Afvoer door de wand links4 Afvoer op de wand links1234Aansluitvarianten voor de binnenunit Installatie apparaatDe binnenunit wordt op het wandframe gemonteerd, waarbij rekening moet worden gehouden met de luchtuitstroom aan de onderkant.1. Teken op basis van de afmetingen van het wandframe de bevestigingspunten af op een statisch geschikte wand.2. Verwijder evt. de uitbreekopening in de behuizing.3. Sluit de leidingen voor koudemiddel, elektriciteit en condens aan op de binnenunit, zoals hierna beschreven.4. Hang de binnenunit iets naar achter gekanteld in het wandframe en druk daarna de onderkant van het apparaat tegen het wandframe (afbeelding 5).5.

Controleer nogmaals of het apparaat waterpas hangt. Wandframe voor de binnenunitHet wandframe voor de apparaten moet met geschikte schroeven en pluggen bevestigd worden. InstallerenHet installeren mag alleen door geautoriseerd vakpersoneel worden uitgevoerd. OPMERKINGMaatregelen olieterugvoerAls de buitenunit hoger dan de binnenunit wordt geplaatst, moeten geschikte maatregelen voor het terugvoeren van de olie worden getroffen. Dit gebeurt meestal door het vervaardigen van een olie-elleboog, die moet worden geïnstalleerd per 2,5 meter stijging. 5 OphangenMaatregelen olieterugvoerBuitenunitOlie-ellebogen in de zuigleiding naar het buitendeel 1 x per 2,5 meter stijgingRadius:min. 50 mmmax. 15 mBinnenunit19

De apparaten zijn vanuit de fabriek gevuld met gedroogde stikstof voor controle op lekkages. De onder druk staande stikstof ontwijkt bij het losdraaien van de wartelmoeren. LET OP. Aansluiten van de koudemiddelleidingenHet aansluiten van de koudemiddelleidingen gebeurt aan de achterzijde van de apparaten. Eventueel moet op de binnenunit een verloopnippel naar een grotere of kleinere diameter worden geïnstalleerd. Deze verloopnippels worden standaard meegeleverd met de binnenunit. Na de montage moeten de verbindingen dampdiffusiedicht worden geïsoleerd. De volgende aanwijzingen hebben betrekking op het installeren van de koudekringloop en de montage van de binnen- en buitenunit. 1. De vereiste leidingdiameters kunt u vinden in de tabel "Technische gegevens". 2.

Verwijder de vanuit de fabriek gemonteerde beschermdoppen evenals de wartelmoeren van de aansluitingen en gebruik deze tijdens de montage. 3. Zorg ervoor dat de wartelmoeren aanwezig zijn op de leiding, voordat u de koudemiddelleidingen omflenst. 4. Bewerk de verlegde koudemiddelleidingen zoals afgebeeld (afbeelding 6+7). Er mogen alleen gereedschappen en componenten gebruikt worden, die goedgekeurd zijn voor het gebruik in koeltechnische installaties. OPMERKINGFelsgereedschap 7 Omflenzen van de koudemiddelleidingKoudemiddelleidingOntbramer 6 Ontbramen van de koudemiddelleiding 8 Correcte flensvormVastdraaien met 1e steeksleutelTegenhouden met 2e steeksleutel 9 Schroefkoppelingen vastdraaienAanhaal- moment:14“15-20 Nm38“33-40 Nm12“50-60 Nm58“65-75 Nm34“95-105 Nm5. Controleer of de flens de juiste vorm heeft (afbeelding 8). 6.

Sluit de koppeling van de koudemiddelleidingen eerst met de hand aan, om ervoor te zorgen dat deze goed aansluit. 7. Monteer de schroefkoppelingen nu definitief met 2 steeksleutels met de juiste sleutelwijdte. Houd de schroefkoppeling tijdens het aandraaien met een steeksleutel tegen (afbeelding 9). 8.

Gebruik alleen voor het temperatuurbereik geschikte en diffusiedichte isolatieslangen. 9. Verleg de koudemiddelleidingen van de binnen- naar de buitenunit. Zorg voor voldoende bevestiging en neem eventueel maatregelen voor terugvoer van olie. 10. Let bij de montage op de buigradius van de koudemiddelleidingen en buig een leiding nooit tweemaal op dezelfde plaats. Hierdoor kan de leiding bros worden en scheuren. 11. Installeer de buitenunit met het wandframe resp. met de vloerconsole aan statisch geschikte delen van het gebouw (montageaanwijzingen van de consoles opvolgen). REMKO RVT. DC20.

Aanvullende aanwijzingen voor installeren■ Bij het combineren van de buitenunit met meerdere binnenunits kan de procedure voor het aansluiten van de koudemiddelleidingen afwijken. Monteer in dat geval de meegeleverde verloopnippels resp. T-stukken op de binnenunit.■ Is de enkele lengte van de koudemiddelleiding langer dan 5 m, dan moet bij de eerste inbedrijfstelling van de installatie koudemiddel worden bijgevuld. (zie hoofdstuk "Koudemiddel bijvullen").12. Zorg ervoor dat er geen contactgeluiden worden overgedragen aan delen van het gebouw. Contactgeluiden kunnen door trillingsdempers worden verminderd!13. Bewerk de koudemiddelleidingen bij de buitenunit, zoals eerder beschreven.Er moet een vacuüm van min. 20 mbar abs. tot stand worden gebracht!

LET OP!De tijdsduur voor het verkrijgen van het vacuüm is afhankelijk van het leiding-volume van de binnenunit en de lengte van de koudemiddelleidingen, de procedure duurt echter minimaal 60 minuten.Zodra de vreemde gassen en het vocht volledig uit het systeem verwijderd zijn, de kleppen van het manometerstation sluiten en de kleppen van de buitenunit openen, zoals beschreven is in het hoofdstuk "Inbedrijfstelling".Controle op lekkagesZodra alle aansluitingen gemaakt zijn, wordt het manometerstation als volgt aangesloten op de Schraderklep, indien aanwezig:rood = kleine klep = inspuitdrukblauw = grote klep = zuigdruk Na het maken van alle aansluitingen wordt de lektest met droge stikstof uitgevoerd.Voor het controleren op lekkages lekzoekspray spuiten op alle aansluitingen. Als er bellen te zien zijn, dan is de aansluiting niet correct uitgevoerd.

Draai dan de schroefkoppelingen strakker aan of maak eventueel een nieuwe flens aan de leiding.Na succesvolle lektest de overdruk uit de koudemiddelleidingen verwijderen en een vacuümpomp met een absolute onderdruk van min.10 mbar aansluiten, om een luchtledige te bereiken in de leidingen. Bovendien wordt op die manier het aanwezige vocht uit de leidingen verwijderd.21

Condensaansluiting buitenunitOpening voor de Condensaansluiting Condensopvangbak van de buitenunitCondensaansluitingHet elektrische installeren moet gebeuren door een gespecialiseerd bedrijf. De montage van de elektrische aansluiting moet spanningsloos gebeuren. LET OP. Elektrische aansluitingVoor de apparaten moeten een netaansluiting voor de stroomtoevoer worden aangesloten op de binnenunit en een stuurleiding worden geïnstalleerd naar de buitenunit, deze moeten voldoende afgezekerd zijn. CondensaansluitingDoor het onderschrijden van het dauwpunt ontstaat er bij de verdamper tijdens koelbedrijf en bij de condensor tijdens verwarmingsbedrijf condens. Onder de verdamper bevindt zich een opvangbak, die verbonden moet worden met een afvoer. Het onderste deel van de behuizing van de buitenunit is uitgevoerd als opvangbak. Hiervoor moet de meegeleverde condensaansluiting worden gebruikt.

■ De lokale condensafvoer moet worden uitgevoerd met een verval van minimaal 2 % (afbeelding 10). Monteer eventueel een dampdiffusiedichte Isolatie. ■ De condensleiding van het apparaat vrij invoeren in de afvoerleiding. Als het condens naar een afvoerleiding wordt geleid, monteer dan een sifon als stankafsluiter. De condensslang is vanaf de fabriek voorzien voor aansluiting op de linker- of de rechterzijde (vooraanzicht). 10 Verval van de condensleidingminimaal 2% verval■ Bij het gebruik van het apparaat beneden een buitentemperatuur van 0 °C moet worden gezorgd voor een vorstveilige verlegging van de condensleiding. Daarnaast moet de onderzijde van de bekleding van de behuizing vorstvrij worden gehouden om een doorlopende afvoer van condens te waarborgen. Monteer eventueel een lintverwarming langs de leiding.

■ Na het verleggen controleren op een vrije afvoer van het condens en zorgen voor een permanente lekdichtheid. Aansluiting binnenunit■ We adviseren lokaal in de buurt van de binnenunit een hoofd- / reparatieschakelaar te installeren.

■ De stroomtoevoer gebeurt op de binnenunits, de buitenunit wordt via de stuurleiding door de binnenunit gevoed. ■ De klemmenstroken voor de aansluitingen bevinden zich aan de voorzijde van het apparaat. Na het installeren kunnen metingen na het verwijderen van de afdekking, aan de voorzijde gebeuren. In de leveromvang van het apparaat bevindt zich een vijf meter lange, vieraderige stuurleiding voor het verbinden van de binnenunit met de buitenunit. Binnenin de stuurleiding naar de buitenunit bevindt zich een dataleiding, die zorgt voor de communicatie tussen binnen- en buitenunit. Via deze leiding wordt het de capaciteit van de koel- resp. verwarmingscapaciteit geregeld en storingsmeldingen doorgegeven aan de binnenunit. REMKO RVT. DC22.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met REMKO RVT 261 DC stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden