REMKO RXT 1052 DC Handleiding

REMKO Airco RXT 1052 DC

Bekijk gratis de handleiding van REMKO RXT 1052 DC (76 pagina’s), behorend tot de categorie Airco. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 40 mensen en kreeg gemiddeld 4.5 sterren uit 3 reviews. Heb je een vraag over REMKO RXT 1052 DC of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/76
Montage- en gebruikershandleiding
Voor het begin van alle werkzaamheden de handleiding
lezen!
REMKO RXT...DC
RXT 522 DC, RXT 682 DC, RXT 1052 DC, RXT 1402 DC
Inverter wand-plafondunit in split-uitvoering
0038-2014-12 Versie 3, nl_NL

Beoordeel deze handleiding

4.5/5 (3 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: REMKO
Categorie: Airco
Model: RXT 1052 DC

Handleiding REMKO RXT 1052 DC – volledige tekst

Montage- en gebruikershandleiding (vertaling van het origi-neel)Vóór het in bedrijf nemen / gebruik van dit apparaat dezeinstallatiehandleiding zorgvuldig lezen!!Deze handleiding maakt deel uit van het apparaat en dientsteeds in directe nabijheid van de opstellocatie resp. bij hetapparaat bewaard te worden.Wijzigingen voorbehouden; we aanvaarden geen aansprakelijkheidvoor drukfouten en vergissingen!

Inhoudsopgave1 Veiligheids- en gebruiksinstructies. 51. 1 Algemene veiligheidsvoorschriften. 51. 2 Markering van instructies. 51. 3 Kwalificaties van het personeel. 51. 4 Gevaren bij het niet-opvolgen van de veiligheidsvoorschriften. 51. 5 Veiligheidsbewust werken. 61. 6 Veiligheidsvoorschriften voor de exploitant. 61. 7 Veiligheidsvoorschriften voor montage-, onderhouds- en inspectiewerkzaamheden. 61. 8 Zelfstandige ombouw en veranderingen. 61. 9 Bedoeld gebruik. 71. 10 Garantie. 71. 11 Transport en verpakking. 71. 12 Milieubescherming en recycling. 72 Technische gegevens. 82. 1 productgegevens. 82. 2 Apparaatafmetingen. 112. 3 Capaciteitscurven verwarmen en koelen. 123 Opbouw en functie. 163. 1 Beschrijving van het apparaat. 164 Bediening. 175Montageaanwijzingen voor het vakpersoneel. 275. 1 Belangrijke aanwijzingen voor het installeren. 275. 2 Wanddoorvoeren. 275. 3 Montagemateriaal.

1 Veiligheids- engebruiksinstructies1. 1 Algemene veiligheidsvoor-schriftenLees de handleiding voor het eerste gebruik vanhet apparaat zorgvuldig door. Deze bevat nuttigetips, instructies en waarschuwingen voor de veilig-heid van personen en goederen. Het niet opvolgenvan de gebruikshandleiding kan gevaar voor per-sonen, het milieu, de installatie en tot het verliesvan mogelijke aansprakelijkheid leiden. Bewaar deze gebruikshandleiding en het koelmid-delgegevensblad in de buurt van het apparaat. 1. 2 Markering van instructiesDeze paragraaf geeft een samenvatting van allebelangrijke veiligheidsaspecten voor een optimalepersoonlijke bescherming en voor een veilig enstoringvrij bedrijf. De in deze handleiding gegeven instructies en vei-ligheidsvoorschriften dienen opgevolgd te worden,zodat ongelukken, persoonlijk letsel en beschadi-gingen worden vermeden.

Direct aan de apparatenaangebrachte instructies dienen absoluut teworden opgevolgd en in goed leesbare toestand teworden gehouden. Veiligheidsvoorschriften zijn in deze handleidinggemarkeerd door bepaalde symbolen. Verderbeginnen de veiligheidsvoorschriften met bepaaldesignaalwoorden die de aard van de risico's aan-geven. GEVAAR. Bij het aanraken van spanningvoerende delenbestaat direct levensgevaar door een stroom-stoot. Beschadiging van de isolatie of van com-ponenten kan levensgevaarlijk zijn. GEVAAR. Deze combinatie van symbool en signaalwoordwijst op een direct gevaarlijke situatie die dedood of zwaar letsel tot gevolg heeft, als dezesituatie niet wordt gemeden. WAARSCHUWING. Deze combinatie van symbool en signaalwoordwijst op een mogelijk gevaarlijke situatie die dedood of zwaar letsel tot gevolg kan hebben, alsdeze situatie niet wordt gemeden. VOORZICHTIG.

Deze combinatie van symbool en signaalwoordwijst op een mogelijk gevaarlijke situatie diegering of licht letsel tot gevolg kan hebben endie materiële schade of aantasting van hetmilieu kan veroorzaken, als deze situatie nietwordt gemeden. AANWIJZING.

Deze combinatie van symbool en signaalwoordwijst op een mogelijk gevaarlijke situatie diemateriële schade of aantasting van het milieukan veroorzaken, als deze situatie niet wordtgemeden. Met dit symbool wordt gewezen op nuttige tips,adviezen en informatie over hoe een efficiënten storingsvrij bedrijf gewaarborgd kanworden. 1. 3 Kwalificaties van het personeelHet personeel voor de inbedrijfstelling, bediening,het onderhoud, de inspectie en de montage dientover de betreffende kwalificaties voor deze werk-zaamheden te beschikken. 1. 4 Gevaren bij het niet-opvolgenvan de veiligheidsvoorschriftenHet niet opvolgen van de veiligheidsvoorschriftenkan zowel gevaar voor personen opleveren alsvoor het milieu en voor apparatuur. Het niet-opvolgen van de veiligheidsvoorschriften kanleiden tot het verlies van iedere aanspraak opschadevergoeding.

n Het uitvallen van belangrijke functies van deapparatuur. n Het feit dat voorgeschreven methodes betref-fende normaal en technisch onderhoud nietwerken. n Het in gevaar brengen van personen door elek-trische en mechanische effecten. 1. 5 Veiligheidsbewust werkenDe in deze handleiding vermelde veiligheidsin-structies, de bestaande nationale voorschriften tervoorkoming van ongevallen evenals eventueleinterne arbeids-, bedrijfs- en veiligheidsvoor-schriften van het bedrijf moeten in acht wordengenomen. 1. 6 Veiligheidsvoorschriften voorde exploitantDe veiligheid van de apparaten en componenten isalleen gegarandeerd bij het bedoeld gebruik en involledig gemonteerde toestand. n Het plaatsen, installeren en onderhouden vande apparaten en componenten mag alleengebeuren door vakpersoneel.

n Eventueel aanwezige aanraakbescherming(rooster) voor bewegende delen mag nietworden verwijderd bij een apparaat dat inbedrijf is. n De bediening van apparaten of componentenmet zichtbare defecten of beschadigingen isverboden. n Het aanraken van bepaalde onderdelen ofcomponenten van de apparaten kan brand-wonden of letsel veroorzaken. n De apparaten of componenten mogen nietworden blootgesteld aan mechanische belas-ting, extreme vochtigheid of extreme tempera-turen. n Ruimten waarin koudemiddel kan lekken vol-doende te laden en te ventileren. Andersbestaat er gevaar voor verstikking. n Alle delen van de behuizing en openingen, bijv. luchtin- en uitgangen, moeten vrij zijn vanvreemde voorwerpen, vloeistoffen of gassen. n De apparatuur dient tenminste eenmaal jaar-lijks door een deskundige gecontroleerd teworden.

7 Veiligheidsvoorschriften voormontage-, onderhouds- eninspectiewerkzaamhedenn Bij het installeren, het repareren, het onder-houden of het reinigen van de apparatenmoeten geschikte maatregelen wordengenomen om de van de apparaten uitgaandegevaren voor personen te voorkomen. n Het opstellen, aansluiten en gebruik van deapparaten en componenten moet volgens degebruiks- en bedrijfsomstandigheden uit degebruikshandleiding en de geldende lokalevoorschriften gebeuren. n Men dient zich aan de regionale verordeningenen wetten te houden, zoals de wet op dewaterhuishouding. n De elektrische voeding moet worden aange-past aan de eisen van de apparaten. n De apparaten mogen uitsluitend op die puntenworden bevestigd die de fabrikant hiervoorheeft voorzien. De apparaten mogen uitslui-tend aan constructies of wanden of op vloerenworden bevestigd of geplaatst die deze belas-ting kunnen dragen.

n Apparaten voor mobiel gebruik moeten veiligen verticaal op een geschikte ondergrondopgesteld worden. Apparaten voor stationairbedrijf mogen alleen in vast geïnstalleerde toe-stand gebruikt worden. n De apparaten en componenten mogen nietworden gebruikt op plaatsen met verhoogdrisico op beschadigingen. De minimale vrijeruimte moet worden aangehouden. n De apparaten en componenten moeten vol-doende veiligheidsafstand hebben ten opzichtevan ontvlambare, explosieve, brandbare,agressieve en vervuilde zones en atmosferen. n Veiligheidsinrichtingen moeten niet wordengewijzigd of omzeild. 1. 8 Zelfstandige ombouw enveranderingenHet ombouwen of wijzigen van de apparaten ofcomponenten is niet toegestaan en kan storingenveroorzaken. De veiligheidsvoorzieningen mogenniet worden veranderd of overbrugd.

1. 9 Bedoeld gebruikDe apparaten mogen afhankelijk van de uitvoeringen uitrusting uitsluitend worden toegepast als air-conditioning om het bedrijfsmedium lucht binneneen gesloten ruimte te koelen resp. verwarmen. Ander of verdergaand gebruik geldt als nietbedoeld gebruik. Voor de hieruit voortvloeiendeschade is de fabrikant / leverancier van demachine niet aansprakelijk. Het risico wordt uitslui-tend door de gebruiker gedragen. Bij het bedoeldgebruik hoort ook het opvolgen van de bedienings-en installatie-instructies en het aanhouden van deonderhoudsbepalingen. De in de technische specificaties opgegevengrenswaarden mogen in geen geval worden over-schreden. 1.

10 GarantieVoorwaarde voor eventuele aanspraken opgarantie is, dat de inkoper of zijn afnemer tegelijkmet de verkoop en het in gebruik nemen, de bij hetapparaat meegeleverde "Garantieoorkonde" vol-ledig ingevuld naar REMKO GmbH & Co. KGteruggestuurd heeft. De garantievoorwaarden zijnopgenomen in de "Algemene verkoop- en leve-ringsvoorwaarden". Daarnaast kunnen alleentussen de bij de overeenkomst betrokken partijenspeciale afspraken gemaakt worden. Neemdaarom eerst contact op met uw directe handels-partner. 1. 11 Transport en verpakkingDe apparaten worden in een stevige transportver-pakking geleverd. Controleer het apparaat directbij de levering en noteer eventuele schade of ont-brekende onderdelen op de pakbon en informeerde transporteur en uw leverancier. Bij klachtenachteraf wordt geen garantie verleend. WAARSCHUWING. Plastic folie en tassen etc. zijn gevaarlijkspeelgoed voor kinderen.

Daarom:- Verpakkingsmateriaal kan niet wordenonzorgvuldig. - Verpakking mag niet toegankelijk zijn voorkinderen. 1. 12 Milieubescherming enrecyclingAfvoeren van de verpakkingAlle producten worden voor het transport zorg-vuldig verpakt in milieuvriendelijke materialen.

Lever een waardevolle bijdrage aan de verminde-ring van afval en het recyclen van grondstoffen enlever het verpakkingsmateriaal alleen in bij dedaarvoor aangewezen inzamelplaatsen. Afvoeren van de apparaten en componentenBij de productie van de apparaten en compo-nenten worden uitsluitend recyclebare materialengebruikt. Draag bij aan de bescherming van hetmilieu, door er voor te zorgen dat apparaten ofcomponenten (bijv. batterijen) niet in het huisvuilkomen maar alleen op milieuvriendelijke wijze vol-gens de plaatselijk geldende voorschriften, bijv. door een erkend afvalverwerkingsbedrijf en recyc-ling of via een inzamelpunt worden verwerkt. 7.

nominaal opgen. vermogenkoelen 1)kW 1,46 2,11 3,24 3,93El. nominale stroomopn.verwarmen 2)A 6,68 9,66 14,83 6,79Max. opgenomen vermogen kW 2,20 2,90 7,10 7,20Max. opgenomen stroom A 10,00 13,00 11,00 13,00EDV-nr. 1619445 1619455 1619465 16194751) Luchtinlaattemp. TK 27°C / FK 19°C, buitentemperatuur TK 35°C, FK 24°C, max. luchtverplaatsing,5 m leidinglengte2) Luchtinlaattemp. TK 20°C, buitentemperatuur TK 7°C, FK 6°C, max. luchtverplaatsing, 5 m leidinglengte3) De opgegeven waarde is gebaseerd op resultaten van de genormeerde keuring.Het werkelijk verbruik is afhankelijk van het gebruik en van de gebruikslocatie van het apparaat4) De opgegeven waarde is gebaseerd op de gemiddelde verwarmingsperiode (average) REMKO RXT...DC 8

3 Opbouw en functie3.1 Beschrijving van het apparaatDe ruimteairconditioners RXT 522 DC-1402 DCbeschikken over een REMKO RXT...DC AT buiten-unit evenals een binnenunit RXT...DC IT.De buitenunit dient tijdens koelbedrijf voor hetafgeven van de door de binnenunit uit de te koelenruimte opgenomen warmte aan de buitenlucht. Bijverwarmingsbedrijf kan de door de buitenunitopgenomen warmte via de binnenunit wordenafgegeven aan de lucht in de te verwarmen ruimte.In beide bedrijfsmodi wordt het door de com-pressor te leveren capaciteit exact aangepast aande vraag en wordt de insteltemperatuur met mini-male temperatuurschommelingen geregeld. Doordeze "inverter-techniek" wordt, ten opzichte vanconventionele splitsystemen, energie bespaard enwordt het geproduceerde geluidsniveau terugge-bracht tot een zeer beperkte waarde. De buitenunitkan buiten of onder bepaalde voorwaarden binnenworden gemonteerd.

De buitenunit bestaat uit eenkoudekringloop met compressor, condensor inlamellenuitvoering, condensorventilator, keerklepen een elektronische expansieklep. De besturingvan de buitenunit gebeurt via de regeling van debinnenunit.Het ontwerp is dusdanig, dat de binnenunit kanbinnen zowel op de wand als op het plafond kanworden gemonteerd. De bediening gebeurt via eeninfrarood-afstandsbediening. De binnenunitbestaat uit een verdamper in lamellenuitvoering,verdamperventilator, regeling en condensop-vangbak.Vloerconsoles, wandconsoles, koudemiddellei-dingen, kabelafstandsbediening en conden-spompen zijn verkrijgbaar als accessoires.De verbinding tussen binnenunit en buitenunitwordt tot stand gebracht met koudemiddellei-dingen. BA4356123789Afb.

Als hetprogrammeren via de infrarood-afstandsbedieningniet mogelijk is, kan de binnenunit ook handmatigworden bediend.HandbedieningDe binnenunit kan handmatig in gebruik wordengenomen. Door indrukken van de toets "MANUEL"wordt de automatische modus geactiveerd. Bijhandbediening gelden de volgende instellingen:Koelbedrijf: 24 °C, ventilatorsnelheid: AUTOVerwarmingsbedrijf: 26 °C, ventilatorsnelheid:AUTODoor het indrukken van een toets op de infraroodafstandsbediening wordt de handbediening onder-broken.Infrarood-afstandsbedieningDe infrarood-afstandsbediening stuurt de gepro-grammeerde instelling over een afstand tot 6 mnaar de ontvanger op de binnenunit. Een storings-vrije ontvangst van de gegevens is alleen mogelijkals de afstandsbediening op de ontvanger wordtgericht en er geen voorwerpen zijn die de over-dracht belemmeren.max. 6 mAfb. 13: Maximale afstand van afstandsbedieningt.o.v.

Mochteen batterij worden ingeslikt, zoek dan directeen arts op.b) De batterijen daarom altijd volgens de gel-dende wettelijke voorschriften en milieuvrien-delijk recyclen. Gooi batterijen nooit bij het nor-male huishoudelijk afval.- Stel batterijen nooit bloot aan open vuur ofsterke hitte, omdat anders explosiegevaarbestaat.- Vervang lege batterijen direct door eennieuwe set, omdat gevaar voor uitlopenbestaat. Uitlopende batterijen kunnen bescha-digingen een de afstandsbediening veroor-zaken. Bij langer uit gebruik nemen wordt aan-bevolen de batterijen te verwijderen. Vervangbatterijen altijd door hetzelfde type. Storingen worden gecodeerd aangegeven (ziehet hoofdstuk Verhelpen van storingen en klan-tendienst). Help mee bij het besparen van energie tijdensstandby!

Wordt het apparaat, de installatie ofde component niet gebruikt, raden we hetonderbreken van de voedingsspanning aan.Componenten met een veiligheidsfunctie zijnuitgesloten van onze aanbeveling! REMKO RXT...DC 18

Display op de binnenunitDe indicatie-LED‘s gaan branden op basis van deinstellingen:1 2 34 5 6Afb. 17: Indicaties op het apparaat1: Handmatig bedrijf2: Bedrijfsindicatie3: Timerindicatie4: Ontvanger voor signalen van de afstandsbe-diening5: Ventilator dooien6: AlarmdisplayToetsen op de afstandsbediening417810113213956121415Afb. 18: Toetsen op de afstandsbediening1 Toets "AAN/UIT"Met deze toets neemt u het apparaat in gebruik.2 Toets " "Met deze toets wordt de temperatuur tot 17 °Cbeperkt.3 Toets " "Met deze toets wordt de gewenste temperatuur tot30 °C verhoogd.4 Toets "MODE"Met deze toets wordt de bedrijfsmodus gekozen.De binnenunit heeft 5 modi:1. Automatische modusIn deze modus kiest het apparaat automatisch viade ingestelde instelwaarde de koel- of verwarming-modus.2. KoelmodusIn deze modus wordt de warme ruimtelucht afge-koeld naar de gewenste temperatuur.3.

OntvochtigingsmodusIn deze modus wordt de ruimte ontvochtigd, hierbijwordt de ruimtetemperatuur aanzienlijk verlaagd.Het beïnvloeden van de temperatuur en de ventila-torsnelheid is in deze modus niet mogelijk.4. VerwarmingsmodusIn deze modus wordt de koude ruimtelucht ver-warmd naar de gewenste temperatuur.5. CirculatiemodusIn deze modus wordt de ruimtelucht zonder tempe-ratuurverandering gecirculeerd.5 Toets "VENTILATOR"Met deze toets wordt het gewenste ventilatortoe-rental ingesteld. Er zijn 4 niveaus beschikbaar:automatisch, hoge, midden en lage ventilatorsnel-heid.6 Toets "LED/FOLLOW ME"Kort drukken op deze toets activeert/deactiveert deLED-indicatie op de binnenunit.Door het langer dan 2 seconden ingedrukt houdenvan deze toets, wordt de meting van de ruimtetem-peratuur van de binnenunit verplaatst naar deafstandsbediening.

7 Toets "SLEEP"Na het indrukken van deze toets stijgt de theoreti-sche temperatuur in koelbedrijf binnen één uur 1°C, bij verwarmingsbedrijf daalt de theoretischetemperatuur binnen één uur 1 °C. 8 Toets "SWING"Deze toets dient voor het starten en stoppen vande automatische op en neergaande beweging vande horizontale uitstroomlamellen. 9 Toets "DIRECT"Met deze toets kunt u de stand van de uitstroomla-mellen instellen. De positie van de lamellen wijzigtbij elke druk op de "DIRECT"-toets met 6°. 10 Toets "TIMER ON"Met deze toets wordt de automatische inschakeltijdvan de binnenunit gestart. Elke druk op de knopverhoogt de automatische tijdinstelling in stappenvan 30 minuten. Is de instelling 10,0, verhoogt elkedruk op de knop de automatische tijdinstelling instappen van 60 minuten. Om de automatische tij-dinstelling te onderbreken, wordt de inschakeltijdeenvoudig ingesteld op 0,0.

11 Toets "TIMER OFF"Met deze toets wordt de automatische uitschakel-tijd van de binnenunit gestart. Elke druk op deknop verhoogt de automatische tijdinstelling instappen van 30 minuten. Is de instelling 10,0, ver-hoogt elke druk op de knop de automatische tijdin-stelling in stappen van 60 minuten. Om de automa-tische tijdinstelling te onderbreken, wordt deuitschakeltijd eenvoudig ingesteld op 0,0. 12 Toets "TURBO/SELF CLEAN"Deze toets heeft geen functie. 13 Toets "SHORTCUT"Door het voor het eerst indrukken van deze toetswordt de instelwaarde ingesteld op 24 °C en deventilatorsnelheid op automatisch. Wordt de toetsbij geactiveerde afstandsbediening tijdens bedrijfingedrukt, wordt het apparaat teruggeschakeldnaar de laatst ingestelde bedrijfsmodus. 14 Toets "LOCK"Door indrukken van deze toets wordt de afstands-bediening buiten gebruik gesteld.

ToetsfunctiesDe overdracht van de instellingen wordt door hetkort verschijnen van een symbool op het displayaangegeven.Afb. 20: ToetsfunctiesAan/uit-afstandsbedieningDe status aan/uit wordt door het cirkelvormigesymbool rechtsonder op het weergaveveld van deafstandsbediening weergegeven.Afb. 21: Aan/uit-afstandsbediening" " en " "-toetsenMet deze toetsen kan de insteltemperatuur met 1°C naar boven of beneden worden versteld. Hettemperatuurbereik kan worden gewijzigd tussen 17°C - 30°C.Afb. 22: " " en " "-toetsen 21

Toets "MODE"Gebruik de "Modus"-toets voor het omschakelentussen de afzonderlijke bedrijfsmodi.Er zijn 5 modi beschikbaar:1. Automatisch2. Koelen3. Ontvochtigen4. Verwarmen5. Circulatie 54321MODEMODEMODEMODEAfb. 23: Mode ToetsModus "Automatisch"In de modus "Automatisch" kiest de besturing zelf-standig op basis van de ruimtetemperatuur Tr ende gekozen instelwaarde Ts voor de verwar-mings-, circulatie- of koelmodus.De instelwaarde kan met de toetsen " " en " "tussen 17 °C en 30 °C worden versteld. De ventila-torsnelheid wordt automatisch geselecteerd.Afb. 24: Modus "Automatisch"Functie:TrTs=2 °C, wordt de bedrijfsmodus "Koelen"gekozen.Tr

Modus "Koelen"In de modus "Koelen" wordt de lucht in de ruimtetot de ingestelde richttemperatuur afgekoeld. Degewenste ruimtetemperatuur kan met de "Temp"-toetsen in stappen van 1 °C worden ingesteld. Ligtde temperatuur in de ruimte 0,5 °C boven degekozen insteltemperatuur, begint de binnenunitmet afkoelen van de lucht in de ruimte. Als deingestelde temperatuur in de ruimte ca. 1 °C wordtonderschreden, schakelt de regeling de koeling uit.Ter bescherming van de compressor schakelt deregeling pas na een wachttijd van 3 minuten dekoeling weer in.Afb. 25: Modus "Koelen"Modus "Ontvochtigen"In de modus "Ontvochtigen" wordt geadviseerd deinsteltemperatuur op 24 °C in te stellen. Door delage temperatuur van het koudemiddel wordt hetdauwpunt onderschreden. Het overtollige vocht inde lucht condenseert op de verdamper, de ruimtewordt zo ontvochtigd.Afb.

26: Modus "Ontvochtigen"Modus "Verwarmen"In de modus "Verwarmen" hebt u de mogelijkheidde ruimte in de herfst en de lente te verwarmen.De gekozen ruimtetemperatuur kan met de"Temp"-toetsen in stappen van 1 °C worden inge-steld. Komt de temperatuur in de ruimte 1 °C onderde insteltemperatuur, begint de binnenunit met hetverwarmen van ruimtelucht. Als de ingestelde tem-peratuur in de ruimte met ca. 1 °C wordt over-schreden, schakelt de regeling de verwarming uit.Ter bescherming van de compressor schakelt deregeling pas na een wachttijd van 3 minuten deverwarming weer in. Het ventilatorbedrijf start pasbij een temperatuur van 32 °C bij de warmtewisse-laar.Afb. 27: Modus "Verwarmen" 23

Toets "TIMER-ON"Deze toets maakt het mogelijk het apparaat in uit-geschakelde toestand binnen een instelbareinterval van 30 minuten (0,5 h) in te schakelen.3 sec.TIMERONTIMERONAfb. 31: Toets "TIMER-ON"Toets "TIMER-OFF"Deze toets maakt het mogelijk het apparaat iningeschakelde toestand binnen een instelbareinterval van 30 minuten (0,5 h) uit te schakelen.3 sec.TIMEROFFTIMEROFFAfb. 32: Toets "TIMER-OFF" 25

Toets "TURBO/SELFCLEAN"Met de "TURBO/SELFCLEAN"-functie worden demaximale ventilatorsnelheid en de compressoringeschakeld.TURBOSELF CLEANAfb. 33: Toets „TURBO“Toets "LOCK"Met deze verzonken toets worden de functies vande afstandsbediening geblokkeerd. Zo kan het perongeluk verstellen van de ingestelde waardenworden voorkomen.LOCKAfb. 34: Toets "LOCK"Toets "RESET"Met deze verzonken toets kan de afstandsbedie-ning worden gereset.RESETAfb. 35: Toets "RESET" REMKO RXT...DC 26

5 Montageaanwijzingenvoor het vakpersoneel5. 1 Belangrijke aanwijzingen voorhet installerenn Breng het apparaat in de originele verpakkingzo dicht mogelijk bij de montagelocatie. Zo ver-mijdt u transportschade. n Controleer de inhoud van de verpakking opvolledigheid en op zichtbare transportschade. Meld eventuele schade onmiddellijk aan uwleverancier en de transporteur. n Til het apparaat op aan de hoeken en niet aande koudemiddel- of condensaansluitingen. n De koudemiddelleidingen (vloeistof- en zuiglei-ding), kleppen en de verbindingen moetendampdiffusiedicht worden geïsoleerd. Even-tueel moet ook de condensleiding worden geï-soleerd. n Kies een montageplaats, die een vrije luchttoe-en -afvoer waarborgt (zie de paragraaf "Mini-male vrije ruimte"). n Installeer het apparaat niet in de onmiddellijkenabijheid van apparaten met een sterke warm-testraling.

De montage in de buurt van warmte-bronnen vermindert de capaciteit van het appa-raat. n Open de afsluitkranen van de koudemiddellei-dingen pas na het afronden van alle installatie-werkzaamheden. n Sluit open koudemiddelleidingen tegen het bin-nendringen van vocht met geschikte doppen,resp. plakband en knik of druk niet op de kou-demiddelleidingen. n Vermijd onnodig buigen. Zo wordt het drukver-lies in de koudemiddelleidingen geminimali-seerd en wordt de vrije retour van de compres-sorolie gewaarborgd. n Neem bijzondere voorzorgsmaatregelen voorde olieretour, als de buitenunit hoger dan debinnenunit is geplaatst (zie de paragraaf"Maatregelen olieretour"). n Is de enkele lengte van de koudemiddelleidinglanger dan 5 meter, moet koudemiddel bijge-vuld worden. De hoeveelheid bij te vullen kou-demiddel kunt u vinden in het hoofdstuk "Kou-demiddel bijvullen".

n Gebruik de voor de apparaten meegeleverdebevestigingsmaterialen. n Gebruik (geldt alleen voor plafondcassettes)vier ophangbeugels en de bijbehorende hakenvoor de ophanging van de plafondcassette. n Gebruik de meegeleverde geïsoleerde conden-saatslang als verloopstuk naar de verderopgelegen condensaatafvoer. Fixeer de conden-saatafvoer met de meegeleverde klembeugels. 5. 2 Wanddoorvoerenn Er moet een wanddoorbreking wordengemaakt met een diameter van minimaal 70mm en met minimaal 10 mm verval van binnennaar buiten. n Om beschadigingen aan de leiding te voor-komen, moet de doorbraak aan de binnenkantworden bekleed of bijv. worden voorzien vaneen PVC-buis (zie afbeelding). n Vanwege de brandveiligheid dient de muur vande wanddoorvoer na de montage met eengeschikt afdichtmiddel worden afgesloten. Gebruik geen cement- of kalkhoudende mate-rialen. 21 53 4Afb.

36: Wanddoorbraak1: Vloeistofleiding2: Besturingskabel3: Condensleiding4: Zuigleiding5: PVC-buis5. 3 MontagemateriaalDe binnenunit wordt met 4 schroeven (niet meege-leverd) op een wandhouder bevestigd. De buitenunit wordt met behulp van 4 bouten viaeen wandframe tegen de wand of op een vloercon-sole aan de vloer bevestigd. 27.

5. 4 Keuze van de installatielocatieBinnenunitDe binnenunit is voor horizontale montage aan dewand onder ramen ontworpen. Deze kan ookbovenaan de wand (max. 1,25 m boven de vloer)worden geplaatst. Het apparaat is eveneens ont-worpen voor horizontale montage aan het plafond. Hierbij moet vooral worden gelet op de condensaf-voer. Afb. 37: Waterpas stellenBuitenunitDe buitenunit is ontworpen voor een horizontaalstaande positie buiten. De opstellocatie van hetapparaat moet horizontaal, vlak en stevig zijn. Bovendien moet het apparaat worden vastgezetzodat het niet kan kantelen. De buitenunit kanzowel buiten als binnen een gebouw wordengeplaatst. Bij de buitenmontage moet u rekeninghouden met de volgende aanwijzingen terbescherming van het apparaat tegen weersin-vloeden. RegenHet apparaat bij vloer- of dakopstelling met min. 10cm bodemvrijheid monteren.

Een vloerconsole isleverbaar als accessoire. ZonDe condensor van de buitenunit is een module diewarmte afgeeft. Instraling van de zon verhoogt detemperatuur van de lamellen en vermindert daar-door de warmteafvoer van de lamellenwarmtewis-selaar. De buitenunit moet indien mogelijk aan denoordzijde van het betreffende gebouw wordengeplaatst. Indien mogelijk moeten er bouwkundigevoorzieningen worden aangebracht die voorschaduw zorgen. Dit kan door een klein afdakgebeuren. De uitgaande warme luchtstroom magdoor de maatregelen echter niet worden beïnvloed. WindAls het apparaat op een winderige plaats wordtgeïnstalleerd, let er dan op dat uitstromendewarme lucht met de hoofdwindrichting mee wordtafgevoerd. Als dit niet mogelijk is, moeten bouw-kundige voorzieningen worden aangebracht terbescherming tegen wind. Let er op, dat de windbe-scherming de luchttoevoer van het apparaat nietbeïnvloedt.

1Afb. 38: Windbescherming1: WindSneeuwIn gebieden met sterke sneeuwval moet het appa-raat bij voorkeur tegen een wand worden geïnstal-leerd. De montage dient dan min.

Opstelling binnen een gebouwn Zorg voor voldoende warmteafvoer als hetapparaat in een kelder, op het dak, in een aan-grenzende ruimte of in hallen wordt geplaatst(Afb. 40).n Installeer een extra ventilator, met hetzelfdeluchtdebiet als de in die ruimte op te stellenbuitenunit, die de eventuele drukverliezen in deluchtkanalen kan compenseren (Afb. 40).n Houd u zich aan de statische en andere bouw-technische voorschriften en bepalingen in ver-band met het gebouw en zorg eventueel voorgeluidsdemping. 21K3W3Afb. 40: Opstelling binnen een gebouwK: Koude verse luchtW: Warme lucht1: Buitenunit2: Extra ventilator3: Lichtschacht 29

43: AansluitvariantenA: Koudemiddelleidingen1: Afvoer op de wand rechts2: Afvoer door de wand rechts3: Afvoer op de wand onder5.7 OlieretourmaatregelenAls de buitenunit hoger dan de binnenunit wordtgeplaatst, moeten geschikte maatregelen voor deolieretour worden getroffen. Dit gebeurt meestaldoor het maken van een olie-syfon, die om de 2,5meter stijging moet worden geïnstalleerd. 21AB3Afb. 44: OlieretourmaatregelenA: BuitenunitB: Binnenunit1: Olie-syfon in de zuigleiding naar de buitenunit1 x elke 2,5 stijgende meter2: Radius: 50 mm3: Max. 10 m REMKO RXT...DC 30

6 Installatie6.1 InstallatievoorbereidingenDemontage van het luchtinlaatrooster AANWIJZING!Het installeren mag alleen door geautoriseerdvakpersoneel worden uitgevoerd.1. Het ventilatierooster naar voren klappen.2. Verwijder de middelste roosterhouder, doorde beide nokken uit de bevestiging los temaken.3. De bevestigingsschroeven aan de zijkantenlosdraaien en het rooster verwijderen.4. Na montage moeten alle gedemonteerdeonderdelen weer worden gemonteerd.6.2 Installeren binnenunitWandmontageHet apparaat wordt op het wandframe gemon-teerd, waarbij rekening moet worden gehoudenmet de luchtuitstroom aan de bovenkant.1. Teken op basis van de afmetingen van hetwandframe de bevestigingspunten af op eenstatisch geschikte bouwconstructie.2. Verwijder evt. de uitbreekopening in debehuizing.3. Hang het apparaat op de eerder gemon-teerde houder.4.

Sluit, zoals verder beschreven, de koudemid-delleidingen, elektrische leidingen en con-densleiding aan op de binnenunit.5. Hang de binnenunit iets naar achter gekan-teld in het wandframe en druk daarna deonderkant van het apparaat tegen het wand-frame.6. Controleer nogmaals of het apparaatwaterpas hangt.Het wandframe voor de apparaten moet metgeschikte schroeven en pluggen worden beves-tigd.PlafondmontageHet apparaat wordt via de geïntegreerde plafond-houder bevestigd, waarbij rekening moet wordengehouden met de luchtuitstroom aan de voorkant.1. Teken op basis van de afmetingen van hetwandframe de bevestigingspunten af op eenstatisch geschikte bouwconstructie.2. Verwijder evt. de uitbreekopening in debehuizing.3. Hang het apparaat aan de eerder gemon-teerde bouten/draadeinden.4.

6. 3 De koudemiddelleidingenaansluitenDe gebouwaansluiting van de koudemiddellei-dingen gebeurt aan de achterkant van de appa-raten. Eventueel moet op de binnenunit een verloop-nippel naar een grotere of kleinere diameterworden geïnstalleerd. Deze verloopnippels wordenstandaard meegeleverd met de binnenunit. Na demontage moeten de verbindingen dampdiffusie-dicht worden geïsoleerd. AANWIJZING. Het installeren mag alleen door geautoriseerdvakpersoneel worden uitgevoerd. AANWIJZING. Het apparaat is vanuit de fabriek gevuld metgedroogde stikstof voor lekdichtheidscontrole. De onder druk staande stikstof ontsnapt bij hetlosdraaien van de wartelmoeren. AANWIJZING. Er mag alleen gereedschap worden gebruikt,dat geschikt is voor gebruik in de koeltechniek(bijv. : buigtang, pijpsnijder, ontbramer en fels-gereedschap) koelmiddelbuizen mogen nietworden afgezaagd. AANWIJZING.

Bij alle werkzaamheden dient te worden uitge-sloten dat vuil, spaanders, water enz. in dekoelmiddelleidingen terechtkomt. De volgende aanwijzingen hebben betrekking ophet installeren van de koudekringloop en de mon-tage van de binnen- en buitenunit. 1. De vereiste leidingdiameters kunt u vinden inde tabel "Technische gegevens". 2. Installeer de binnenunit en sluit de koudemid-delleiding aan volgens de gebruikshandlei-ding van de binnenunit. 3. Installeer de buitenunit met het wandframeresp. met de vloerconsole aan statischgeschikte delen van het gebouw (montage-aanwijzingen van de consoles opvolgen). 4. Zorg dat geen geluid wordt overgedragennaar delen van het gebouw. Contactgeluidenkunnen door trillingsdempers worden vermin-derd. 5. Leg de koudemiddelleidingen van de binnen-naar de buitenunit. Zorg voor een voldoendebevestiging en neem evt. maatregelen tegenvoor de olieretour. 6.

Zorg voor het maken van de felsranden aande leidinguiteinden dat de wartelmoeren aan-wezig zijn op de leidingen. 8. Bewerk de verlegde koudemiddelleidingenzoals hierna afgebeeld (Afb. 45 en Afb. 46). 9. Controleer of de felsrand een correcte vormheeft (Afb. 47). 10. Maak nu de verbinding van de koudemiddel-leidingen met de aansluiting met de hand,om te waarborgen dat ze goed zitten. 11. Bevestig de schroefgfkoppelingen nu defini-tief net 2 steeksleutels met een geschiktesleutelwijdte. De schroefkoppeling tijdens hetvastdraaien met een steeksleutel tegen-houden (Afb. 48). 12. Gebruik alleen voor het temperatuurbereikgeschikte en diffusiedichte isolatieslangen. 13. Let bij de montage op de buigradius van dekoudemiddelleidingen en buig een leidingnooit tweemaal op dezelfde plaats. Hierdoorkan de leiding bros worden en scheuren. 14.

verdeelstukkenop de binnenunit.n Is de enkele lengte van de verbindingsleidinggroter dan 5 m, moet bij het in bedrijf nemenvan de installatie koudemiddel worden bijge-vuld (zie hoofdstuk "Koudemiddel bijvullen").6.5 Controle op lekkagesZodra alle aansluitingen gemaakt zijn, wordt hetmanometerstation als volgt aangesloten op deschraderkleppen, indien aanwezig:rood = kleine klep = hogedrukblauw = grote klep = zuigdrukNa het maken van alle aansluitingen wordt de lek-test met droge stikstof uitgevoerd.Voor het controleren op lekkages lekzoeksprayspuiten op alle aansluitingen. Zijn bellen te zien, isde aansluiting niet correct uitgevoerd. Draai dan deschroefkoppelingen strakker aan of maak even-tueel een nieuwe felsrand aan de leiding.Na succesvolle lektest, de overdruk uit de koude-middelleidingen ontlasten en een vacuümpompmet een absolute onderdruk van min.

10 mbaraansluiten, om te zorgen voor een vacuüm in deleidingen. Bovendien wordt zo het aanwezigevocht uit de leidingen verwijderd. AANWIJZING!Er moet een vacuüm van min. 20 mbar abs.worden bereikt!De tijdsduur voor het verkrijgen van het vacuüm isafhankelijk van het leidingvolume van de binnen-unit en de lengte van de koudemiddelleidingen, deprocedure duurt echter minimaal 60 minuten.Zodra de vreemde gassen en het vocht volledig uithet systeem verwijderd zijn, de kleppen van hetmanometerstation sluiten en de kleppen van debuitenunit openen, zoals beschreven is in hethoofdstuk "Inbedrijfstelling". REMKO RXT...DC 34

6.6 Koudemiddel bijvullenDe apparaten beschikken over een basisvullingmet koudemiddel. Daarnaast moet bij koudemid-delleidingen van meer dan 5 meter enkele lengteper koudekringloop een extra vulhoeveelheid vol-gens de hiernaast opgenomen tabel worden bijge-vuld: Tot en met 5mVanaf 5 m totmax. lengteRXT 522 DC0 g/m11 g/mRXT 682 DC30 g/mRXT 1052 DCRXT 1402 DC VOORZICHTIG!Draag bij de omgang met koudemiddelen altijdde betreffende beschermende kleding. GEVAAR!Let er op dat het gebruikte koudemiddel altijdin vloeibare vorm wordt bijgevuld! AANWIJZING!De vulhoeveelheid van het koudemiddel moetgecontroleerd worden op basis van de overver-hitting. AANWIJZING!Lekkage van koudemiddel draagt bij aan de kli-maatverandering. Koudemiddelen met eengeringer broeikaseffect dragen bij een lekkageminder bij aan de opwarming van de aarde dandegene met een hoger broeikaseffect.

Ditapparaat bevat koudemiddel met een broeikas-effect van 1975. Hierdoor heeft een lekkagevan 1 kg van dit koudemiddel een 1975 keergrotere invloed op de opwarming van de aardedan 1 kg CO2, over een periode van 100 jaar.Geen werkzaamheden aan het koudecircuit uit-voeren of het apparaat demonteren in onder-delen - altijd de hulp inroepen van vakperso-neel.7 Condensaataansluitingen gewaarborgde afvoer32495 51110068710 1012 121Afb. 49: Condensafvoer, infiltratie van condens enstrokenfundering (doorsnede)1: Buitenunit2: Richel3: Condensopvangbak4: Vloerconsole5: Gewapende strokenfunderingHxBxD = 300 x 200 x 800 mm6: Grindlaag voor infiltratie7: Condensafvoer-verwarming8: Aansluiting op het riool9: Beschermbuis voor koudemiddelleidingen enelektrische verbindingsleiding (temperatuurbe-stendig tot minimaal 60°C)10: Vorstgrens11: Drainagebuis12: Aarde 35

EBBADC111558193Afb. 50: Afmetingen van strokenfundering (boven-aanzicht) De aanduidingen 1, 3, 5, 8, 9 en 11 staan in delegenda van de Afb. 49Afmet. van strokenfundering (in mm) / * = maat* RXT 522DC ATRXT 682DC ATRXT 1052DC ATRXT 1402DC ATA 800 800 800 800B 200 200 200 200C 560 590 634 634D 335 333 355 355E 360 390 434 434CondensaataansluitingDoor de dauwpuntonderschrijding bij de lamellen-condensor, ontstaat er tijdens verwarmingsbedrijfcondens. Onder het apparaat moet een conden-sopvangbak worden gemonteerd die het condens-water kan afvoeren.n De in het gebouw gemonteerde condensleidingmoet gelegd worden met een verval van mini-maal 2 %. Monteer eventueel dampdiffusie-dichte isolatie.n Bij gebruik van het apparaat bij een buiten-temp. van minder dan 4 °C, moet wordengezorgd voor een vorstvrije plaatsing van decondensafvoer.

Daarnaast moeten de onder-zijde van de bekleding van de behuizing en decondensopvangbak vorstvrij worden gehouden,om een doorlopende afvoer van condens tewaarborgen. Monteer eventueel een lintver-warm. langs de leiding.n Na het leggen controleren op een vrije afvoervan het condens en zorgen voor een perma-nente lekdichtheid.min. 2% Afb. 51: Condensaansluiting binnenunit op dewandmin. 2% Afb. 52: Condensaansluiting binnenunit op het pla-fondGewaarborgde afvoer bij lekkagesMet de REMKO olieafscheider OA 2.2 wordt vol-daan aan de hieronder opgegeven eisen van delokale voorschriften en wetgeving. AANWIJZING!Regionale voorschriften of wetten betreffendehet milieu, bijv.

8 Elektrische aansluiting8.1 Algemene instructiesVoor de apparaten moeten een netaansluiting voorde stroomtoevoer worden aangesloten op de bui-tenunit en een stuurleiding worden geïnstalleerdnaar de binnenunit, deze moeten voldoende afge-zekerd zijn. GEVAAR!Het elektrische installeren moet gebeuren dooreen gespecialiseerd bedrijf. De montage vande elektrische aansluiting moet spanningsloosgebeuren. WAARSCHUWING!Alle elektrische leidingen moet gekozenworden volgens VDE voorschriften . AANWIJZING!De elektrische aansluiting van de apparatenmoet worden uitgevoerd volgens de plaatse-lijke voorschriften op een bijzonder voedings-punt met aardlekschakelaar en moet daaromdoor een elektricien worden. We raden aan de besturingsleidingen als afge-schermde leiding uit te voeren.

Controleer of alle elektrische stekker- en klem-verbindingen goed vastzitten en goed contactmaken, eventueel aandraaien.8.2 Aansluiten van de binnenunitBij het apparaat is een zes-aderige besturingslei-ding nodig van de binnenunit naar de buitenunit.n We adviseren ter plaatse een hoofd- / repara-tieschakelaar te installeren in de buurt van debinnenunit.n De stroomtoevoer gebeurt bij de buitenunit, debinnenunit wordt via de besturingsleiding naarde binnenunit door de binnenunit gevoed.n De klemmenstroken van de aansluitingenbevinden zich binnenin het apparaat.n Wordt bij het apparaat een als accessoire ver-krijgbare condenspomp gebruikt, is bij hetgebruik van het uitschakelcontact van de pompevt. een extra relais voor het verhogen van hetschakelvermogen en het uitschakelen van decompressor noodzakelijk.Voer de aansluiting op volgende wijze uit:1.

De aansluitklemmenstrook bevindt zich aande rechter binnenin het apparaat (Afb. 53)2. Verbind het apparaat met de besturingslei-ding van de buitenunit. Zie hoofdstuk "Elek-trisch aansluitschema".3. Het apparaat weer samenbouwen.2121Afb. 53: Aansluiten van de binnenunit1: Elektrische aansluiting (klemmenkastje)2: Aansluiting koudemiddel-leidingen 37

8.3 Aansluiten van de buitenunitVoor het aansluiten van de leiding als volgt te werkgaan:1. Verwijder het deksel in de zijwand.2. Kies de doorsnede van de aansluitingleidingvolgens de voorschriften.3. De leidingen volgens het aansluitingschemaaansluiten op de klemmen.4. Veranker de leiding in de trekontlasting enhet apparaat weer samenbouwen.Afb. 54: Aansluiten van de buitenunit8.4 Elektrisch aansluitschemaAansluiting RXT 522 DC-682 DC230V/1~/50 Hz L N P Q (E) L N 230V/1~/50 Hz P Q (E) X Y (E) A12B31Afb. 55: Elektrisch aansluitschemaA: Buitenunit RXT 522 DC-682 DC ATB: Binnenunits RXT 522 DC-682 DC IT1: Netaansluiting2: Communicatieleidingen3: Niet gebruikt REMKO RXT...DC 38

9 Vóór de inbedrijfstellingNa succesvolle lekdichtheidscontrole moet devacuümpomp via het manometerstation wordenaangesloten op de klepaansluitingen van de bui-tenunit (zie hoofdstuk "Lekdichtheidscontrole") enmoet daarna worden gezorgd voor een vacuüm. Vóór de eerste inbedrijfstelling van het apparaat enna ingrepen in de koudekringloop moeten de vol-gende controles worden uitgevoerd en in het inbe-drijfstellingsprotocol worden gedocumenteerd:n Controle van alle koudemiddelleidingen en -kleppen met lekzoekspray of zeepwater op lek-dichtheid. n Controle van de koudemiddelleidingen en deisolatie op beschadigingen. n Controleer de elektrische verbinding tussenbinnen- en buitenunit op de juiste polariteit. n Controleer alle bevestigingen, ophangingenetc. op correcte houding en correct niveau. 10 Inbedrijfstelling AANWIJZING.

De inbedrijfstelling mag alleen door speciaalgeschoold vakpersoneel en volgens de certifi-ceringseisen worden uitgevoerd en moetworden gedocumenteerd. Voor de inbedrijfstel-ling van de totale installatie moeten degebruikshandleidingen van de binnenunit en debuitenunit worden opgevolgd. Nadat alle onderdelen zijn aangesloten en getest,kan de installatie in bedrijf worden genomen. Vooreen correcte werking moet voor de overdracht aande exploitant een functiecontrole worden uitge-voerd, om eventuele onregelmatigheden tijdensbedrijf te kunnen constateren. AANWIJZING. Controleer na elke ingreep in de koudekring-loop de afsluitkleppen en de afsluitdoppen oplekkages. Gebruik eventueel geschikt afdicht-materiaal. Functiecontrole en proefdraaienControleer de volgende punten:n Lekdichtheid van de koudemiddelleidingen. n Gelijkmatige loop van compressor en venti-lator.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met REMKO RXT 1052 DC stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden