REMKO RKV24W Handleiding

REMKO Airco RKV24W

Bekijk gratis de handleiding van REMKO RKV24W (20 pagina’s), behorend tot de categorie Airco. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 29 mensen en kreeg gemiddeld 4.2 sterren uit 5 reviews. Heb je een vraag over REMKO RKV24W of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/20
REMKO – alles beresterk.
REMKO RKV 10 W / 13 W / 18 W / 24 W
Combi-airconditionings
Uitgave NL – P07
Bediening
Techniek
Onderdelen

Beoordeel deze handleiding

4.2/5 (5 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: REMKO
Categorie: Airco
Model: RKV24W

Handleiding REMKO RKV24W – volledige tekst

3 G Deze gebruiksaanwijzing moet altijd in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat bewaard worden! G Inhoud pagina Veiligheidsinstructies 4 Transport en verpakking 4 Beschrijving van de apparaten 4 Bediening 5 Systeemopbouw 8 Buitenbedrijfstelling 8 Verzorging en onderhoud 8 Eliminering van storingen 9 Technische gegevens 10 Afmetingen 10 Montagehandleiding voor het vakpersoneel 11 Installatie 12 Inhoud pagina Dichtheidscontrole 14 Koelmiddel toevoegen 14 Elektrische aansluiting 14 Condensaataansluiting 15 Externe condensaatpomp 15 Voor de ingebruikname 17 Ingebruikname 17 Milieu en recyclage 18 Klantendienst en garantie 18 Intern schakelschema 18 Attest voor de ingebruikname 19 Voor ingebruikname / gebruik van het apparaat moet deze handleiding zorgvuldig worden doorgelezen! Bij niet-doelmatig gebruik, opstelling, onderhoud enz.

4 Beschrijving van de apparaten De airconditionings van de serie REMKO RKV 10 W, 13 W, 18 W en RKV 24 W zijn voor de wandmontage ontworpen, direct-verdampende splitapparaten. De werking van de airconditioning is uiterst eenvoudig; er wordt warmte onttrokken aan de „af te koelen“ ruim-te. Het transport van de warmte gebeurt, zoals bij alle airconditionings van REMKO, door het milieuvriendelijke koelmiddel R 407 C. De apparaten dienen in eerste instantie om ruimtes af te koelen. Daarnaast filteren en ontvochtigen ze de lucht en creëren zo een aangenaam ruimteklimaat. De apparaten zorgen zodoende voor een schone en ontvochtigde circulatielucht. Alle apparaten werken volledig automatisch en bieden dankzij hun microprocessorregeling een groot aantal andere opties. De bediening gebeurt via de meege-leverde infrarood-afstandsbediening.

Veiligheidsinstructies De apparaten werden voor hun levering onderworpen aan uitgebreide materiaal-, functie- en kwaliteits-controles. De apparaten mogen uitsluitend doelmatig gebruikt worden. Bij ondeskundig gebruik kunnen er gevaren uitgaan van de apparaten. Neem absoluut de volgende instructies in acht. à Gebruik het binnentoestel niet in de open lucht en nooit zonder luchtfilters. à Houd er rekening mee dat de in de bediening van de airconditioning geïnstrueerde personen het apparaat voor elke ingebruikname op opvallende gebreken aan de bedienings- en veiligheidselementen moeten controleren. à Isoleer voor alle werkzaamheden aan de apparaten de voedingsleiding van het stroomnet en beveilig hem tegen onbevoegd inschakelen. à Gebruik de apparaten alleen in gemonteerde toestand en voor doeleinden, waarvoor ze bestemd zijn.

à Houd er rekening mee dat het verwijderen van afdekkingen, beschermroosters enz. tijdens het bedrijf gevaarlijk is en tot ongecontroleerde bedrijfstoestanden kan leiden. à Het binnentoestel en het buitendeel van de airconditionings van REMKO zijn technisch op elkaar afgestemd.

Bij gebruik van componenten van derden vervalt het recht op garantie. à Laat de apparaten alleen werken binnen de toegelaten werkbereiken. Houd rekening met de omgevingstemperaturen. à Zorg voor een toereikende veiligheidsafstand tot ontbrandbare voorwerpen. à Installeer het binnentoestel niet in de buurt van verwarmingen of achter gordijnen en vitrages. Houd de opgegeven minimale vrije ruimtes aan. à Zorg ervoor dat de luchtaanzuig- en luchtuitblaas-openingen altijd vrij zijn van vreemde voorwerpen. à Steek geen vreemde voorwerpen in de luchtaanzuig- en luchtuitblaasopeningen. à Plaats geen voorwerpen op de apparaten. à Gebruik de apparaten niet in ruimtes waar explosie-gevaar bestaat. à De apparaten zijn niet geschikt voor gebruik in zeer stoffige of agressieve lucht. à Gebruik in de onmiddellijke nabijheid van de appara-ten geen brandbare sprays zoals haar- of lakspray.

à Gebruik de apparaten niet in olie-, zwavel- en zouthoudende atmosfeer. à Stel de apparaten niet bloot aan een directe waterstraal. Hogedrukreinigers enz. à Bescherm het binnentoestel en de afstandsbedie-ning tegen vocht en direct zonlicht. à Open nooit de omkastingen van de apparaten. Er bestaat het gevaar van een elektrische schok. à Controleer regelmatig de ongehinderde afvoer van het condensaat. à Houd er rekening mee dat het buitendeel via het binnentoestel voorzien is van een beveiliging tegen opnieuw inschakelen om ter vermijding van compressorschade te verhinderen dat het apparaat onmiddellijk na het uitschakelen weer wordt ingeschakeld. Opnieuw inschakelen is pas mogelijk na een wachttijd van 3 minuten.

à Reinigings- en kleinere onderhoudswerkzaamheden kunnen door de exploitant of een vakman binnen het kader van de in het hoofdstuk „Verzorging en onder-houd“ opgesomde maatregelen worden uitgevoerd. à Alle REMKO airconditionings zijn uitgerust met het milieuvriendelijke koelmiddel R407C.

à Installatie- en reparatiewerkzaamheden mogen uit-sluitend gebeuren door geautoriseerd vakpersoneel. Transport en verpakking De apparaten worden geleverd in een stabiele trans-portverpakking van karton. Gelieve de apparaten onmiddellijk bij levering te controleren. Noteer eventuele schade of ontbrekende onderdelen op het leverbewijs en informeer de expediteur en uw contractant. Voor latere reclamaties kan geen garantie worden verleend.

5 Bediening Twee tot vier seconden nadat het binnentoestel is aan-gesloten aan de spanningsvoeding, kunt u het gaan bedienen. 3 Swing toets In ingeschakelde toestand (ON) verbetert de oscille-rende waaier de luchtverdeling van de uitblaasope-ning in de ruimte. 4 Timer toets Met de toets Timer kunt u het automatische in- resp. uitschakelen van het apparaat binnen de komende 24 uur programmeren. 5 Sleep toets Als de functie Sleep geactiveerd wordt, dan wordt de ingestelde ruimtetemperatuur na een uur 1 °C verhoogd. De functie wordt teruggezet door een willekeurige toets in te drukken. 6 Modus toetsen 1 tot 4 De airconditioning bezit 4 modi: 1. Koelmodus: Toets COOL In deze modus wordt de warme ruimtelucht afgekoeld tot de gewenste temperatuur. De actieve beveiliging tegen opnieuw inschakelen van ca. 3 minuten wordt gesignaleerd door het knipperen van de melding COMP. 2.

Verwarmingsmodus: Toets HEAT De verwarmingsmodus is bij de apparaten niet actief. 3. Ontvochtigingsmodus: Toets DRY In deze modus wordt de ruimte voornamelijk ontvochtigd, de ingestelde temperatuur gehandhaafd. 4. Automatische modus: Toets AUTO HEAT In deze modus werkt het apparaat zoals in de koelmodus. Het verschil tussen inschakel- en uitschakelpunt (hysterese) is hoger dan in de koelmodus. 7 Temp. toets Met de temperatuurtoets kan de gewenste tempera-tuur in stappen van 0,5 °C worden ingesteld tussen 15 °C en 30 °C. 6 7 1 2 5 4 3 1 Aan / Uit toets Druk de toets in om het apparaat in gebruik te nemen. De melding POWER verschijnt in het display. 2 Fan toets Stel de gewenste snelheid van de ventilator in met deze toets. U kunt kiezen tussen de volgende 4 niveaus: automatisch, laag, normaal en hoog ventilatorniveau. Manueel bedrijf Het apparaat kan manueel in gebruik worden genomen, b. v.

Open bij de apparaten RKV 10 W tot RKV 18 W het luchtaanzuigrooster en druk de schakelaar ON / OFF aan de rechterkant van het bedieningspaneel in. Druk bij het apparaat RKV 24 W de toets aan de voorkant van de omkasting in. De volgende bedrijfstoestanden zijn dan geactiveerd: MODE : Auto modus, TEMP. : 24 °C, FAN: Automatisch, SWING: Aan, TIMER: Uit. De afstandsbediening De bediening van de airconditioning gebeurt via de infrarood-afstandsbediening. Een toon signaleert een toetsdruk en de correcte ontvangst van het signaal. De batterijen in de afstandsbediening plaatsen Voor de eerste ingebruikname moeten de meegeleverde batterijen (2 stuks, type AAA) in de afstandsbediening geplaatst worden. 1. Trek daarvoor de klep aan de achterkant van de afstandsbediening in de richting van de pijl eraf en plaats de batterijen in het vakje. 2.

6 Toetsfunctie Met de afstandsbediening kunnen de volgende commando‘s worden uitgevoerd. Richt de afstandsbediening daarvoor binnen een afstand van 7m op het ontvangstgedeelte aan de rechterkant van het wandapparaat. Swing toets SWING SWING SWING SWING Functieafloop SWING Met de SWING toets kan de oscillerende waaier gestopt worden. In ingeschakelde toestand (melding ) wordt de gekoelde lucht beter verdeeld in de ruimte. Het apparaat kan de lucht automatisch alleen verticaal verdelen. Horizontaal kan de instelling alleen manueel gebeuren door de verticale lamellen te verstellen. °c FAN AUTO COOL 25. 0 Fan toets FAN Als de FAN toets wordt ingedrukt, dan verschijnen er ventilatorsymbolen van verschil-lende grootte resp. de melding FAN AUTO op het display. De grootte van het symbool geeft de snelheid van de ventilator aan.

Elke volgende activering van de toets heeft tot gevolg dat de snelheid van de ventilator wordt verlaagd. FAN AUTO FAN FAN FAN FAN Functieafloop °c FAN COOL SWING 25. 0 Inschakelvertraging Apparaat UIT Functieafloop De toets TIMER wordt gebruikt voor de programmering van een in- resp. uitschakel-vertraging. Als de airconditioning zich vertraagd moet inschakelen, druk dan de toetsen + of – ongeveer 2 seconden in bij uitgeschakeld apparaat. Als de aircondi-tioning zich vertraagd moet uitschakelen, druk dan een van de beide toetsen in bij ingeschakeld apparaat. Bij beide bedrijfstoestanden verschijnt 12:0H in de rechterhoek onderaan van het display. De gewenste tijdsduur kan in stappen van 10 minuten met de – toets verkort resp. met de + toets verlengd worden. Na een wachttijd van 3 seconden wordt de getoonde tijdsduur opgeslagen.

7 Modus HEAT De HEAT modus is bij de apparaten niet actief. HEAT Modus AUTO Na het indrukken van de toets AUTO HEAT verschijnt de melding AUTO in het display. De gewenste ruimtetemperatuur wordt constant gehouden. Als de ingestelde temperatuur 2 °C wordt overschreden, dan wordt het koelbedrijf ingeschakeld. De bedrijfsmodus is hetzelfde als in de COOL modus. Het valt aan te bevelen om de FAN instelling eveneens op FAN AUTO te zetten. AUTO HEAT SWING AUTO °c FAN AUTO 22. 0 AUTO HEAT KOELEN Functieafloop 15. 5 AUTO 25. 0 AUTO TEMP. Sleep toets SLEEP SLEEP SLEEP °c / andere willekeurige toets Functieafloop Door de toets SLEEP in te drukken wordt de ruimtetemperatuur 1 uur na de start van deze functie 1 °C verhoogd. Om deze functie te beëindigen kan elke willekeurige toets worden ingedrukt. Het SLP teken verdwijnt en de normale weergave verschijnt. 25.

0 SWING AUTO FAN AUTO SLP SLP Gebruik de modus COOL als u de ruimte wilt afkoelen tot de gewenste waarde. Verlaag de gewenste temperatuur door de toets Temperatuur in te drukken in stappen van 0,5 °C. Na de signaaltoon begint de melding COMP. ongeveer 3 minuten te knipperen. Deze wachttijd is een gedwongen pauze om de levensduur van de compressor in het buitendeel te verhogen. Als de melding continu zichtbaar is, dan begint de airconditioning te werken. Als de ruimtetemperatuur 1 C° daalt onder de gewenste waarde, dan schakelt de regeling de koeling uit. Modus COOL COOL TEMP. COOL 25. 0 KOELEN COOL Functieafloop SWING COOL °c FAN 25. 0 15. 5 COOL DRY ONTVOCHTIGEN Functieafloop De COOL / DRY modus ontvochtigt de ruimte ongeregeld. De temperatuur aan de lamellenwisselaar van het binnentoestel ligt bijna altijd lager dan het dauwpunt van de lucht, waarbij water condenseert aan de lamellen.

De ontvochtigingscapaciteit is afhankelijk van luchtvochtigheid en ruimtetemperatuur. Na het indrukken van de DRY toets kan de gewenste temperatuur gekozen worden en begint het apparaat te werken.

8 Regelmatige verzorging en het in acht nemen van een paar basisvoorwaarden garanderen een storingsvrij bedrijf en een lange levensduur van de apparaten. à Houd de apparaten vrij van vuil en andere afzettingen. à Reinig de apparaten met een vochtige doek. Gebruik geen waterstraal. à Gebruik geen geconcentreerde, schurende of oplosmiddelhoudende reinigingsmiddelen. à Gebruik ook bij extreme vervuiling alleen geschikte reinigingsmiddelen. à Controleer voor en na een gebruiksseizoen of de diameter van de condensaatleidingen zich door verontreinigingen vernauwd heeft. Als dit het geval is, dan moeten ze schoongemaakt worden. à Reinig regelmatig, indien nodig ook vaker, de luchtfilters van het binnentoestel zoals beschreven op deze pagina. Filterreiniging Reinig de beide luchtfilters rechts en links in intervallen van maximaal twee weken.

Bij sterk verontreinigde lucht verkort u de intervallen evenredig. Voor de reiniging gaat u als volgt te werk: 1. Open de voorkant van het apparaat door het rooster naar boven te klappen en het te laten arrêteren. 2. Til het filter naar boven en trek het naar onder eruit. 3. Reinig de filters met een gewone stofzuiger. 4. Sterke verontreinigingen kunt u voorzichtig verwijderen met lauwwarm water. Laat de filters dan drogen aan de lucht. 5. Zet de filters erin en sluit het rooster. Verzorging en onderhoud Buitenbedrijfstelling Tijdelijke buitenbedrijfstelling 1. Stel het binnentoestel met de afstandsbediening buiten bedrijf. 2. Isoleer de installatie met de hoofdschakelaar of de beveiliging van het net. 3. Controleer het binnentoestel op zichtbare beschadigingen. 4. Reinig het binnentoestel zoals beschreven in het hoofdstuk „Verzorging en onderhoud“.

G Laat het binnentoestel nooit werken zonder originele filters. Zonder filters zou de lamellenwisselaar van het binnentoestel vervuild raken en het apparaat aan capaciteit verliezen. à Wij raden aan om een onderhoudscontract af te sluiten met een bevoegd vakbedrijf.

Zo garandeert u te allen tijde de bedrijfsveiligheid van de installatie. G Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken en tegen opnieuw inschakelen beveiligd worden. Systeemopbouw Het binnentoestel wordt aangesloten aan de aan-sluitingen van het buitendeel. 1 2 3 4 Buiten Binnen 5 1 Binnentoestel RKV 10 W (voorbeeld) 2 Buitendeel RKS 510 (voorbeeld) 3 Verbindingsleiding 4 Open/dicht-kleppen 5 Condensorventilator Definitieve buitenbedrijfstelling De ontmanteling van de airconditioning kan om milieutechnische redenen alleen gebeuren door een vakbedrijf. REMKO GmbH & Co. KG of uw bevoegde contractant noemen u graag een koelvakbedrijf in uw buurt.

9 Eliminering van storingen Het apparaat werd vervaardigd met de meest moderne productiemethodes en meermaals getest op foutloze werking. Zouden er toch functiestoringen optreden, controleer het apparaat dan aan de hand van de volgende lijst. Houd er rekening mee dat de binnentoestellen gevoed worden via de buitendelen. Daarom is het raadzaam om ook het hoofdstuk “Eliminering van storingen“ in de gebruiksaanwijzing van de binnentoestellen te lezen. G G Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken (zekering resp. reparatieschakelaar) en tegen onopzettelijk inschakelen beveiligd worden. Indien alle functiecontroles werden uitgevoerd en het apparaat nog altijd niet storingsvrij werkt, gelieve u dan te wenden tot uw dichtstbijzijnde vakhandelaar of stel rechtstreeks REMKO GmbH & Co KG op de hoogte.

Storing Mogelijke oorzaak Ter controle Oplossing Het apparaat start niet of schakelt zich automatisch uit. Stroomuitval, te lage spanning Werken alle andere elektrische componenten. Spanning controleren, evt. wachten op opnieuw inschakelen Netzekering defect / hoofdschakelaar uitgeschakeld Zijn alle lichtstroomcircuits operationeel. Netzekering vervangen / hoofdschakelaar inschakelen Netvoedingsleiding beschadigd Werken alle andere elektrische componenten. Reparatie door vakbedrijf Wachttijd na het inschakelen te kort Zijn er na een nieuwe start ca. 5 minuten verlopen. Langere wachttijd plannen Werktemperatuur te laag / te hoog Werken de ventilators van binnentoestel en buitendeel. Temperatuurbereiken van binnen-toestel en buitendeel in acht nemen Overspanningen door onweer Waren er onlangs plaatselijke blikseminslagen.

Uitschakeling van de netzekering en opnieuw inschakelen / controle door vakbedrijf Storing van de externe conden- saatpomp Is de pomp uitgeschakeld door een storing. Pomp controleren, evt. reinigen Defecte of niet correct bevestigde sensors Geeft het binnentoestel een continue signaaltoon.

Reparatie door vakbedrijf Het binnentoestel reageert niet op de afstandsbediening. Timerinstelling op „Inschakelen“ Is de timer ingesteld. Programmering ongedaan maken en de start van het apparaat afwachten Na batterijvervanging verkeerde poling van de batterijen Is de poling correct. Batterijen erin zetten met de polen in de juiste richting Zendafstand te groot / ontvangst gestoord Zendsignaal bij toetsdruk bij een afstand van ca. 3 m. Afstand verminderen tot minder dan 6 m en van plaats veranderen Afstandsbediening defect Werkt het apparaat in het manuele bedrijf. Afstandsbediening vervangen Ontvangst- resp. zendgedeelte krijgt te veel zonlicht Werkt de afstandsbediening bij schaduw. Zend- resp. ontvangstgedeelte in de schaduw plaatsen Elektromagnetische velden storen de overdracht Werkt de afstandsbediening na het uitschakelen van eventuele stoorbronnen.

Geen signaaloverdracht bij gelijktijdig bedrijf van stoorbronnen Toets van de afstandsbediening geklemd / dubbele toetsbediening Verschijnt het symbool in het display. Toets ontgrendelen / maar één toets indrukken Batterijen van de afstandsbediening leeg Zijn er nieuwe batterijen ingezet. Is het display onvolledig. Nieuwe batterijen erin zetten Temperatuurinstelling te hoog Ligt de gekozen temperatuur boven die van de ruimte. Gekozen temperatuur verlagen Het apparaat werkt met verminderde of geen koelcapaciteit. Filter is verontreinigd / aanzuig- resp. uitblaasopening geblokkeerd door vreemde voorwerpen Zijn de filters gereinigd. Filters reinigen Ramen en deuren geopend / warmte- resp. koudelast werd verhoogd Is er een bouwtechnische verandering / verandering in de toepassing.

Ramen en deuren sluiten / extra installaties monteren Geen „Koel“-functie ingesteld Is het koelsymbool (COOL) in het display geactiveerd. Instelling van het apparaat corrigeren Lamellen van het buitendeel ge-blokkeerd door vreemde voorwerpen Werkt de ventilator van het buitendeel, zijn de wisselaarlamellen vrij.

Ventilator of winterregeling contro-leren, luchtweerstand verminderen Lek in het koelcircuit Is er rijpvorming zichtbaar aan de wisselaarlamellen van het binnen-toestel. Reparatie door vakbedrijf Het binnentoestel lekt condensaatwater. Afvoerbuis van het verzamelreservoir verstopt / beschadigd Is de ongehinderde condensaatafvoer gegarandeerd. Afvoerbuis en het verzamelreservoir reinigen Externe condensaatpomp resp. vlotter defect Zit de verzamelreservoir vol water en werkt de pomp niet. Pomp laten vervangen door een vakbedrijf.

11 Montagehandleiding voor het vakpersoneel Belangrijke instructies voor de installatie à Gebruik uitsluitend de meegeleverde wartelmoeren van de koelmiddelleidingen. Andere moeren kunnen de schroefdraden beschadigen. à Controleer de inhoud van de verpakking op volledig-heid en de apparaten op zichtbare transportschade en meld gebreken onmiddellijk aan uw contractant en de expediteur. Latere reclamaties kunnen niet erkend worden. à Breng het apparaat in de originele verpakking zo dicht mogelijk bij de montageplaats om transport-schade te vermijden. à Installeer het apparaat niet in de onmiddellijke nabij-heid van objecten met intensieve warmtestraling. Lampen enz. à Kies een montageplaats waar een vrije luchtaan-zuiging en luchtuitblazing gegarandeerd is. Minimale vrije ruimte aan boven- en onderkant telkens 120 mm.

à De condensaatleiding moet gelegd worden met een verval van minstens 2 %. à Als de condensaatleiding wordt verbonden met de afvoerleiding, dan moet een geurafsluiting worden voorzien, waarvan de bovenkant de hoogte van de onderkant van het binnentoestel niet mag over-schrijden. à Verwijder de beschermkappen van de apparaataan-sluitingen pas vlak voordat ze worden verbonden met de koelmiddelleidingen. à Alle elektrische aansluitingen moeten worden uitge-voerd volgens de geldende voorschriften. à De netvoeding wordt alleen aangesloten aan het buitendeel. à De regelleiding naar het binnentoestel moet samen met de koelmiddelleiding gelegd worden. à Zorg voor een goede bevestiging van de elektrici-teitsleidingen in de klemmen. à Het binnentoestel en het buitendeel van de airconditionings van REMKO zijn technisch op elkaar afgestemd.

Bij gebruik van componenten van derden vervalt het recht op garantie. à Bij de installatie en het onderhoud van airconditio-nings kunnen gevaren door hoge koelmiddeldrukken en elektrische spanning ontstaan.

à Tijdens het bedrijf van het apparaat kunnen sommige componenten van het koelmiddelcircuit temperaturen van meer dan 70 °C bereiken. Bij gedemonteerde afdekkingen is daarom extra voorzichtigheid geboden. à De in- en uitlaatopeningen voor de lucht mogen niet door meubels, gordijnen e. d. gehinderd worden. à De koelmiddelleidingen mogen niet geknikt of ingedrukt worden. à Sluit open koelmiddelbuizen met geschikte kappen of tape hermetisch af tegen het binnendringen van vocht. à Vermijd onnodige buigingen om het drukverlies in de koelmiddelleidingen te minimaliseren en om te garanderen dat de compressorolie ongehinderd terug kan stromen. à Als het buitendeel boven het binnentoestel wordt aangebracht, dan moeten er speciale preventieve maatregelen voor de terugvoering van de olie getroffen worden. Oliehefbogen voorzien.

à Zorg ervoor dat alle koelmiddelleidingen, inclusief de verbindingsstukken en kleppen, diffusiedicht warmte-geïsoleerd zijn. Muurdoorbraken Om de verbindingen tussen binnentoestel en buitendeel te kunnen maken zijn muurdoorvoeren onvermijdelijk. Neem de volgende punten in acht: à Voor de verbindingsleidingen naar het buitendeel moet op de plaats van installatie een doorbraak met een diameter van min. 70 mm gecreëerd worden. à De doorbraak moet van binnen naar buiten een verval van minstens 10 mm bezitten. à Vergewis u er voor het begin van de werkzaam-heden van dat in de buurt van de muurdoorbraak geen leidingen (water enz. ) lopen. à Wij raden aan om het gat van binnen te vullen of b. v. met een PVC-buis te bekleden om beschadigingen aan de leidingen te voorkomen. à Na geschiede montage moet de muurdoorbraak met een geschikte dichtmassa afgesloten worden.

12 Montage van de wandklem De wandklemmen van de apparaten worden bevestigd met schroeven en voor de montage geschikte pluggen, zoals getoond in de volgende afbeeldingen. RKV 24 W RKV 10 W / 13 W / 18 W Installatie Neem voor de montage van het binnentoestel absoluut de volgende instructies in acht: à Monteer het binnentoestel zo, dat de vereiste minimumafstanden worden aangehouden. à Monteer het binnentoestel zo, dat een ongehinderde condensaatwaterafvoer en een vrije luchtaanzuiging en luchtuitblazing voortdurend gegarandeerd zijn. à Het binnentoestel wordt gemonteerd met een wandklem. 120 120 120 120 1500 Maten in mm Deze beschermzones dienen voor het ongehinderde aan-zuigen en uitblazen van de lucht, om voldoende plaats voor onderhoud en reparaties te garanderen en ter bescherming van het apparaat tegen beschadigingen.

Minimale vrije ruimtes van de binnentoestellen In de volgende afbeelding zijn de vereiste afstanden voor een storingsvrij bedrijf van de binnentoestellen opgegeven. Aanzicht van VOOR, alle maten in mm 240 107 36 Varianten van de doorvoer Houd voor de montage rekening met de mogelijke varianten voor de doorvoer van de koelmiddel-, con-densaat- en regelleidingen (zie afbeelding hieronder). 4 3 2 1 5 De apparaten RKV 10 W, RKV 13 W en RKV 18 W kunnen via alle vijf de varianten worden aangesloten, terwijl bij de apparaten RKV 24 W alleen de varianten 1 tot 3 mogelijk zijn. 1 Afvoer op de muur rechts 2 Afvoer door de muur rechts 3 Afvoer op de muur onder 4 Afvoer door de muur midden 5 Afvoer op de muur links Montage van het binnentoestel Voer de installatie als volgt uit: 1. Leid de vereiste buisdiameters af uit de tabel „Technische gegevens“.

Gebruik uitsluitend koelmiddelleidingen van „koelkastkwaliteit“. 2. Kies voor een afvoervariant van het binnentoestel en snij de buizen van de koelmiddelleidingen dienover-eenkomstig af. 3. Houd rekening met de buigradiussen van de koelmiddelleidingen en buig nooit één punt van de buis tweemaal.

Verbrossing en scheuren kunnen het gevolg zijn. 4. Verwijder de in de fabriek aangebrachte wartelmoeren van de apparaten. 5. Houd er rekening mee dat de binnentoestellen vanuit de fabriek voor de dichtheidscontrole werden voorzien van een vulling van gedroogd stikstof. Het onder druk staande stikstof ontsnapt bij het losdraaien van de wartelmoeren. G Gebruik uitsluitend de vanuit de fabriek meege-leverde wartelmoeren voor de verdere montage. 320 1000 Midden apparaat 5 160 240 200 200 35 500 Aanzicht van VOOR, alle maten in mm.

13 Ongelijke dikte Scheur- vorming Scheur- vorming Gol-vend CORRECT 9. Controleer of de flenskraag een correcte vorm bezit. G Er mag alleen gereedschap worden gebruikt dat is toegestaan voor gebruik in koelinstallaties. Ontbramer Koelmiddelleiding Kraalbeitel G Als de enkele lengte van de verbindingsleiding langer is dan 5 m, dan moet bij de eerste ingebruikname van de installatie koelmiddel worden toegevoegd. Zie hoofdstuk „Koelmiddel toevoegen“. Tegenhouden 1ste muilsleutel Tegenhouden 2de muilsleutel 10. Maak vervolgens met de hand de verbinding van de koelmiddelleidingen met de schroefverbindingen en de kleppen om de juiste bevestiging te garanderen. 11. Bevestig nu definitief de schroefverbindingen met twee muilsleutels met de juiste sleutelwijdte. 12. Houd tijdens het schroeven in elk geval tegen met een muilsleutel.

Olieterugvoermaatregelen Als het buitendeel wordt aangebracht op een hoger niveau dan het binnentoestel, dan moeten er adequate olieterugvoermaatregelen getroffen worden. Radius: 50 mm Buitendeel Maximaal 10 m Binnentoestel Oliehefboog in de zuigleiding naar het buitendeel 1x per 2,5 stijgende meter De terugvoer van de compressorolie gebeurt in de regel door de montage van een oliehefboog, die per 2,5 stijgende meter geïnstalleerd moet worden. 6. Gebruik voor de montage uitsluitend het hieronder afgebeelde gereedschap. 15. Als u heeft gekozen voor afvoervariant 2 of 4 (afvoer door de muur), leid de condensaatwater- en regelleiding dan door de muurdoorbraak naar het binnentoestel. Indien u ook een condensaatpomp nodig heeft, dan moet deze van tevoren gemonteerd worden. 16.

Als het door bouwtechnische omstandigheden niet mogelijk is om de condensaatleiding mee te leiden, vergewis u er dan van dat de condensaatafvoer voortdurend gegarandeerd is. 17. Hang het binnentoestel iets naar achter gekanteld in de van tevoren gemonteerde wandklem en druk het apparaat dan met de achterkant tegen de klem. 18.

Leg de koelmiddelleidingen van het binnentoestel naar het buitendeel. 19. Zorg voor een goede bevestiging van de koelmiddelleidingen. 20. Tref, indien nodig, maatregelen voor de olie-terugvoer zoals beschreven in de paragraaf Olieterugvoermaatregelen. 21. Leg de regelleiding in hetzelfde kabeltraject. 22. Verwijder de in de fabriek aangebrachte beschermkappen en wartelmoeren van de afsluitklepaansluitingen van het buitendeel en gebruik deze voor de verdere montage. 23. Sluit de koelmiddelleidingen aan aan het buitendeel zoals hiervoor beschreven. 7. Vergewis u er voordat u de koelmiddelleidingen openflenst, van dat de wartelmoer op de buis zit. 8. Bewerk de gelegde koelmiddelleidingen zoals getoond in de volgende afbeelding. 13. Voorzie de geïnstalleerde koelmiddelleidingen, inclusief verbindingsstukken, van een adequate warmte-isolatie. 14.

14 Aansluiting van de apparaten RKV 10 W, 13 W, 18 W 1. Open de voorkant van het apparaat en neem de beide filters weg. 2. Draai met een kruiskopschroevendraaier de beide schroeven van de roosterbevestiging los en neem het rooster weg. 3. Verwijder de zes bevestigingsschroeven aan de voorkant van de omkasting. 4. Houd er rekening mee dat drie van de bevestigings-schroeven, verstopt door kappen, achter de swing-lamellen zitten. 5. Neem de voorkant van de omkasting weg. 6. Trek de contactstrip van de aansluiting naar voor uit het apparaat. 7. Verbind het apparaat met de spanningsvrije leiding van het buitendeel. Zie afbeeldingen. 8. Assembleer het apparaat weer. G Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken en tegen opnieuw inschakelen beveiligd worden.

Koelmiddel toevoegen De voor het bedrijf van de installatie vereiste hoeveel-heid koelmiddel zit in het buitendeel. Alleen bij koelmiddelleidingen met een enkele lengte van meer dan 5 meter per circuit moet koelmiddel, overeenkomstig de opgaven in de gebruiksaanwijzing van het ingezette buitendeel, worden bijgevuld. Ga als volgt te werk om de extra benodigde hoeveelheid koelmiddel bij te vullen: 1. Verwijder de vacuümpomp en sluit de vulcilinder aan. 2. Zet de geopende cilinder op een balans en kalibreer de balans op nul. 3. Evacueer de slang ter hoogte van de manometer-verdeelbuis. 4. Leg de vereiste vulhoeveelheid vast aan de hand van de opgaven in de gebruiksaanwijzing van het buitendeel. 5. Open de zuigdrukkant van de manometer. 6. Sluit het manometerventiel bij het bereiken van de benodigde hoeveelheid. Aansluiting van het apparaat RKV 24 W 1.

Open de voorkant van het apparaat en neem de beide filters weg. 2. Draai met een kruiskopschroevendraaier de beide schroeven van de roosterbevestiging los en neem het rooster weg. 3. Verwijder de vijf bevestigingsschroeven van de rechter halve schaal van de omkasting. 4.

Neem de rechter halve schaal weg om de regeleenheid aan de rechterkant open te leggen. Neem de volgende instructies in acht: à Wij raden aan om op de plaats van installatie een hoofd- / reparatieschakelaar te installeren in de buurt van het buitendeel. à De stroomvoeding van de binnentoestellen gebeurt door het buitendeel via de verbindingsleiding. à De beveiliging van de installatie gebeurt conform de technische gegevens. à De contactstrips van de aansluitingen zitten aan de rechterkant achteraan in het binnentoestel. G Er moet een vacuüm van min. 0,05 mbar gegenereerd worden. Hoe lang het vacuüm gegenereerd moet worden is afhankelijk van het buisleidingvolume van het binnentoestel en de lengte van de koelmiddelleidingen, maar het proces duurt minstens 30 minuten.

Als vreemde gassen en vocht volledig uit het systeem zijn verwijderd, dan worden de ventielen van het manometerstation gesloten en de kleppen van het buitendeel, zoals beschreven in het hoofdstuk „Inge-bruikname“, geopend. Dichtheidscontrole Als alle verbindingen zijn gemaakt, dan wordt het manometerstation als volgt aangesloten aan de bijhorende schraderventielaansluitingen: rood = klein ventiel = injectiedruk blauw = groot ventiel = zuigdruk Na de aansluiting wordt de dichtheidscontrole uitgevoerd met gedroogd stikstof. Voor de dichtheidscontrole worden de gemaakte ver-bindingen besproeid met lekopsporingsspray. Als er bellen zichtbaar zijn, dan is de verbinding niet correct uitgevoerd. Draai de schroefverbinding dan steviger aan of maak evt. een nieuwe flensnaad.

Na een succesvolle dichtheidscontrole wordt de overdruk verwijderd uit de koelmiddelleidingen en een vacuümpomp met een absolute partiële einddruk van min. 0,01 mbar in bedrijf gesteld om een luchtledige ruimte in de leidingen te creëren. Bovendien wordt zo eventueel vocht uit de leidingen verwijderd. Elektrische aansluiting Er moet een 4-aderige regelleiding van het binnentoe-stel naar het buitendeel gelegd worden.

15 Elektrische aansluiting van de apparaten: Rood Wit Oranje Geel-groen Contactstrip buitendeel Naar de verdichter-beveiliging Randaardeleiding Contactstrip netvoeding Contactstrip binnentoesteI A N 2 L1 N A N 2 PE PE PE Regelleiding Neutraalgeleider Buitengeleider 230 V~, 50 Hz, L1 N PE 2 % verval à Gebruik altijd geschikte slangklemmen. à Indien het condensaat naar de riolering wordt geleid, voorzie dan een sifonachtig slangtraject als geurafsluiting. à Nadat de slang gelegd is, moet de vrije afvoer van het condensaat gecontroleerd worden. à Zorg voor voldoende verval naar de afvoer. Voorzie een verval van minstens 2 %. à De meegeleverde condensaat-slang kan met in de handel verkrijgbare slangen met een binnendiameter van 17 mm verlengd worden.

Condensaataansluiting Omwille van de daling onder het dauwpunt wordt er tijdens het koelbedrijf aan de lamellenwisselaar van het binnentoestel oppervlaktecondens (condensaat) gevormd. Het binnentoestel is uitgerust met een opvangbak en een condensaatslang voor het gevormde condensaat. Neem voor het leggen van de condensaatslang de volgende instructies in acht: à De condensaatafvoer wordt in de regel samen met de koelmiddelleidingen gelegd. à Indien door bouwtechnische omstandigheden een af-wijkend traject van de condensaatslang vereist is, dan kan de slang ook door een andere afvoer van het binnentoestel naar buiten geleid worden. à Als het apparaat werkt bij buitentemperaturen onder 0 °C, dan moet de leiding vorstvrij gelegd worden. Externe condensaatpomp De als toebehoren met EDV-nr.

1613167 verkrijgbare condensaatpomp transporteert het condensaat dat wordt gevormd in het binnentoestel, ook stijgend, naar ongunstig gelegen afvoeren. De pomp kan binnen het apparaat geïnstalleerd worden. Neem de gebruiksaanwijzing van de pomp en de volgende instructies in acht: à Bescherm het huis tegen direct contact met het condensaat. à Open het huis van de pomp niet.

à Controleer of de bedrijfsspanning van de pomp en de netspanning overeenkomen. à Gebruik het alarmcontact om het buitendeel uit te schakelen. à Houd er rekening mee dat het alarmcontact, al naargelang de last van het gebruikte buitendeel, alleen in combinatie met een beveiliging of relais voor de uitschakeling mag worden ingezet. à Sluit de pomp goed aan aan de regelleiding. Pomp De bevestiging van de pomp gebeurt met behulp van de meegeleverde zelfklevende klittenbanden op de, van achter gezien, rechter achterkant van het apparaat. Reservoir Pomp Reservoir met sensor Het reservoir dient om het condensaat op te vangen. Een sensor schakelt de pomp in bij het bereiken van een bepaalde waterstand. De elektronische sensor maakt het mogelijk om de as van het reservoir tot 30° te draaien.

Mogelijke montagepositie: draaiing van de as met maximaal 30° naar rechts of links De condensaatpomp bestaat uit 2 componenten: à het reservoir met sensor à de pomp 5. Trek de contactstrip van de aansluiting naar voor uit het apparaat. 6. Verbind het apparaat met de spanningsvrije leiding van het buitendeel. Zie afbeeldingen. 7. Assembleer het apparaat weer.

16 Ingebruikname van de condensaatpomp Voordat de pomp in gebruik wordt genomen, moet de werking en de dichtheid van de gelegde leidingen gecontroleerd worden. 1. Schakel de spanningsvoeding van de pomp in. 2. Giet gedestilleerd water in de condensaatopvangbak tot de pomp door het reservoir wordt ingeschakeld. 3. Houd er rekening mee dat de pomp bij de eerste of een heringebruikname hoorbaar kan werken. Na een korte bedrijfstijd normaliseert het geluid zich. 4. Houd er rekening mee dat de pomp zich automatisch uitschakelt zodra het water uit het reservoir is gepompt. 5. Als u bij de ingebruikname een sterke geluidsont-wikkeling door vibrerende slangen vaststelt, isoleer de slangen dan met slangen van schuimstof. Bij het gebruik van diffusiedichte warmte-isolerende slangen wordt de vorming van kwelwater vermeden. 6.

Controleer de werking van het alarmcontact door de ingegoten hoeveelheid water snel drastisch te vergroten. Het alarmcontact moet de compressor in het buitendeel uitschakelen. G Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken en tegen opnieuw inschakelen beveiligd worden. Kondensatab-laufschlauchEntlüftungsschlauch(kurz)PumpeReservoirAnsaugschlauch(lang)Tropfw an neCondensaat-afvoerslang Ontluchtingsslang(kort) Pomp Druppelbak Reservoir Aanzuigslang (lang) Verbindingen van de condensaatpomp aan waterkant Het reservoir wordt met de aansluiting van de conden-saatdruppelbak van het binnentoestel verbonden via een op de plaats van installatie te voorziene slang (20 mm Ø). De in de fabriek gemonteerde flexslang van de condensaatbak moet gedemonteerd worden.

Reservoir en pomp worden verbonden met de lange aanzuigslang en de insteekbare sensorleiding van het reservoir. Om een geluidsarm pompbedrijf te garan-deren mag de aanzuigslang niet worden ingekort. De meegeleverde ontluchtingsslang is dwingend vereist voor de correcte werking van het reservoir.

Het uiteinde van de ontluchtingsslang moet zich minstens op dezelfde hoogte als de condensaatbak bevinden om overlopen te verhinderen. De bijgevoegde metaaldraadklem dient voor de voor-geschreven verticale slangbevestiging. Zorg ervoor dat de slang niet doorhangt, om luchtblazen te vermijden. De 6 mm (binnendiameter) dikke slang wordt gelegd met een max. hoogteverschil van 6 meter naar de afvoer. Het traject van de condensaatleiding moet zo verticaal mogelijk lopen. Elektrische aansluiting van de condensaatpomp De elektrische aansluitingen mogen alleen worden uitgevoerd door geautoriseerd vakpersoneel conform de geldende voorschriften. Onder de slangaansluitingen bevindt zich de door een afschroefbaar deksel afgesloten elektrische aansluit-ruimte.

De pomp is uitgerust met een alarmcontact, dat het binnentoestel uitschakelt en bovendien een ter plaatse te installeren stoor- / alarmmelding kan aansturen. G Als de pomp buiten het apparaat wordt geïnstal-leerd, dan mag een hoogteverschil van 3 m tussen de onderkant van het apparaat en de erboven gemonteerde pomp niet worden overschreden. Störung /AlarmSteuerleiterInnengerätSteuerleiterAußenteilAußenleiterNeutralleiterSteuerleiterInnengerätSchutzleiterSteuerleiterAußenteilANPEStörungInnengerätPumpefest verdrahtete2RotWeißOrangeGelb-GrünGelb-GrünBlauBraunNetzzuleitungBinnentoestel Rood Wit Oranje Geel-groen Buitengeleider Neutraalgeleider Regelleiding binnentoestel Randaardeleiding Regelleiding buitendeel Storing Vast bedrade netvoedingsleiding Geel-groen Blauw Bruin Pomp Storing / alarm Regelleiding binnentoestel Regelleiding buitendeel.

17 Voor de ingebruikname Na een succesvolle dichtheidscontrole moet de vacuümpomp met het manometerstation aan de klepaansluitingen van het buitendeel (hoofdstuk „Dicht-heidscontrole“) aangesloten en moet er een vacuüm gecreëerd worden. Voor de eerste ingebruikname van het apparaat en na ingrepen in het koelcircuit moeten de volgende controles uitgevoerd en in het ingebruiknameprotocol gedocumenteerd worden: à Controle van alle koelmiddelleidingen en kleppen met lekopsporingsspray of zeepwater op dichtheid. Bij stilstand van het apparaat. à Controle van alle verbindingsleidingen op abusieve-lijk verwisselen van zuig- en injectieleiding. à Controle van de koelmiddelleidingen en de isolatie op beschadigingen. à Controle van de elektrische verbinding tussen binnentoestel en buitendeel op juiste polariteit. à Controle van alle bevestigingen, ophangingen enz.

op goede zitting en correct niveau. G Als de enkele lengte van de koelmiddelleiding 5 meter overschrijdt, dan moet extra koelmiddel worden toegevoegd. Ingebruikname Nadat alle componenten aangesloten en gecontroleerd zijn, kan de installatie in gebruik worden genomen. De ingebruikname moet gebeuren aan de hand van het attest over de ingebruikname en moet dienovereen-komstig gedocumenteerd worden. Na de ingebruikname moet de exploitant in de bediening van de installatie geïnstrueerd en hem het ingebruiknameprotocol overhandigd worden. Functiecontrole en proefdraaien Om te garanderen dat alle functies correct werken moet voor de overhandiging aan de exploitant een functie-controle worden uitgevoerd om eventuele onregel-matigheden tijdens het bedrijf van het apparaat te herkennen. Deze controle is afhankelijk van het gemonteerde buitendeel.

In de gebruiksaanwijzing van het in gebruik te nemen buitendeel zijn de procedures beschreven. G Door de inschakelvertraging start de compressor pas een paar minuten later. 4.

Controleer of er koude lucht aan het binnentoestel en warme lucht aan het buitendeel wordt afgegeven. 5. Controleer tijdens het proefdraaien de werking en correcte instelling van alle regel-, stuur- en veiligheidsinrichtingen. 6. Controleer de regeling van het binnentoestel aan de hand van de in de gebruiksaanwijzing beschreven functies. Timer, temperatuurinstellingen, ventilatiebedrijf en ontvochtigingsbedrijf en alle andere modusinstel-lingen. 7. Meet de oververhitting, buiten-, binnen-, uitblaas- en verdampingstemperaturen en noteer deze gegevens in het ingebruiknameprotocol. Proefdraaien koelbedrijf Voer het proefdraaien voor het koelbedrijf als volgt uit: 1. Schakel de ter plaatse geïnstalleerde hoofdschakelaar resp. de zekering in. 2. Stel de gewenste temperatuur aan het binnentoestel met de afstandsbediening in op een lagere waarde dan de huidige ruimtetemperatuur. 3.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met REMKO RKV24W stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden