REMKO RKV18C Handleiding

REMKO Airco RKV18C

Bekijk gratis de handleiding van REMKO RKV18C (24 pagina’s), behorend tot de categorie Airco. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 100 mensen en kreeg gemiddeld 4.4 sterren uit 5 reviews. Heb je een vraag over REMKO RKV18C of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/24
REMKO – sterk als een beer.
REMKO RKV 13 C / 18 C / 24 C
Plafondcassettes
Uitgave NL – R02
Bediening
Techniek
Vervangingsonderdelen

Beoordeel deze handleiding

4.4/5 (5 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: REMKO
Categorie: Airco
Model: RKV18C

Handleiding REMKO RKV18C – volledige tekst

3 Deze gebruiksaanwijzing moet altijd in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat bewaard worden.   pagina Veiligheidsinstructies 4 Beschrijving van het apparaat 4 Transport en verpakking 4 Bediening 5 Verzorging en onderhoud 12 Buitenbedrijfstelling 13 Klantendienst en garantie 13 Milieu en recyclage 24 Technische gegevens 14 Afmetingen 14 pagina Eliminering van storingen 15 Installatie 17 Montagehandleiding voor het vakpersoneel 16 Condensaataansluiting 19 Elektrische aansluiting 19 Aansluiting voor tweede ruimte en frisse lucht 21 Voor de eerste ingebruikname 22 Ingebruikname 22 Attest voor de eerste ingebruikname 23 Voor ingebruikname / gebruik van het apparaat moet deze handleiding zorgvuldig worden doorgelezen! Bij niet-doelmatig gebruik, opstelling, onderhoud enz.

4 Dit apparaat werd voor zijn levering onderworpen aan uitgebreide materiaal-, functie- en kwaliteitscontroles. Het apparaat mag uitsluitend doelmatig gebruikt wor-den. Bij ondeskundig gebruik kunnen er gevaren uit-gaan van het apparaat. Neem absoluut de volgende instructies in acht: Het binnentoestel is niet geschikt voor bedrijf in de open lucht. De in de bediening van de airconditioning geïnstru-eerde persoon moet het apparaat voor de inge-bruikname op opvallende gebreken aan de bedie-nings- en veiligheidselementen en op de aanwezig-heid van de beschermelementen controleren. Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de voedingsleiding van het stroomnet geïsoleerd en te-gen onbevoegd inschakelen beveiligd worden. Het apparaat mag alleen in gemonteerde toestand en voor doeleinden waarvoor het bestemd is, ge-bruikt worden. Het verwijderen van afdekkingen, beschermroosters enz.

tijdens het bedrijf is niet toegelaten en kan tot ongecontroleerde bedrijfstoestanden leiden. Het apparaat mag alleen werken binnen de toegela-ten inzetgrenzen (omgevingstemperaturen). Zorg voor een toereikende veiligheidsafstand tot ont-brandbare voorwerpen. Installeer de airconditioning niet in de buurt van ver-warmingen. Zorg ervoor dat de luchtaanzuig- en luchtuitblaas-openingen altijd vrij zijn van vreemde voorwerpen en steek er geen vreemde voorwerpen in. Sluit het apparaat alleen aan aan een volgens de voorschriften geïnstalleerde en geaarde spannings-voeding. Het apparaat mag niet worden opgesteld en niet werken in ruimtes waar explosiegevaar bestaat. Het apparaat is evenmin geschikt voor gebruik in zeer stoffige of agressieve lucht. Gebruik in de onmiddellijke nabijheid van het appa-raat geen brandbare sprays zoals haar- of lakspray.

Het apparaat mag niet in olie-, zwavel- en zouthou-dende atmosfeer opgesteld en gebruikt worden. Het apparaat mag niet worden blootgesteld aan een directe waterstraal. Bescherm het binnentoestel en de afstandsbedie-ning tegen vocht.

Alle elektrische kabels en verbindingen moeten te-gen beschadigingen, ook door dieren, beschermd worden. Bescherm de airconditioning en de afstandsbedie-ning tegen direct of indirect zonlicht. De werking van de airconditioning is uiterst eenvoudig; er wordt warmte onttrokken aan de „af te koelen“ ruim-te. Het transport van de warmte gebeurt, zoals bij alle air-conditionings van REMKO, door het milieuvriendelijke koelmiddel R 407 C. Het apparaat dient in eerste instantie om ruimtes af te koelen. Daarnaast filtert en ontvochtigt het de lucht en creëert zo een aangenaam ruimteklimaat. Het apparaat zorgt zodoende voor een schone en ont-vochtigde circulatielucht. Het apparaat werkt volledig automatisch en biedt dank-zij zijn microprocessorregeling een groot aantal andere opties. De bediening gebeurt via de meegeleverde infraroodaf-standsbediening.

Het apparaat wordt geleverd in een stabiele transport-verpakking van karton. Gelieve het apparaat onmiddellijk bij levering te contro-leren en noteer eventuele schade of ontbrekende on-derdelen op het leverbewijs en informeer de expediteur en uw contractant. Voor latere reclamaties kan geen garantie worden ver-leend. Open nooit de omkastingen van het apparaat. Er be-staat het gevaar van een elektrische schok. Controleer regelmatig de ongehinderde afvoer van het condensaat. Laat het apparaat nooit werken zonder luchtfilter. De optimale werking van het apparaat is alleen ge-garandeerd bij binnentemperaturen van 17 tot 32 °C. Het apparaat is voorzien van een 3 minuten lange beveiliging tegen opnieuw inschakelen, die ter ver-mijding van compressorschade verhindert dat het apparaat onmiddellijk wordt ingeschakeld.

Reinigings- en kleinere onderhoudswerkzaamheden kunnen door de exploitant of een vakman binnen het kader van de in het hoofdstuk „Verzorging en onder-houd“ opgesomde maatregelen worden uitgevoerd. Stel de afstandsbediening niet bloot aan sterke schokken.

5 Algemene instructies Het apparaat wordt geprogrammeerd, in- resp. uit- en omgeschakeld met een infraroodafstandsbedie-ning. De afstandsbediening moet tegen vocht beschermd worden. Bij ingeschakeld apparaat wordt elke wijziging aan de instellingen automatisch overgedragen naar het binnentoestel. De goede ontvangst van de gegevens wordt bevestigd met een pieptoon. De zender van de afstandsbediening moet bij wijzi-gingen van de instellingen in principe in de richting van de airconditioning wijzen. Een ongestoorde ontvangst van de gegevens is al-leen mogelijk als er zich tussen zender en ont-vangstgedeelte geen voorwerpen zoals deuren, vi-trages, gordijnen enz. bevinden. In het display verschijnt de volgende melding: Direct zonlicht op de afstandsbediening of het ont-vangstgedeelte kan de signaaloverdracht en daar-door het operationele gedrag van het apparaat ne-gatief beïnvloeden.

Lege batterijen zijn herkenbaar door een foutieve displayweergave of door de statusmelding van de batterij in het display.  Gebruik nooit nieuwe en gebruikte batterijen tege-lijkertijd. Bij langere buitenbedrijfstelling van het apparaat valt het aan te bevelen om de batterijen uit de afstandsbediening te nemen. Het ontvangstgedeelte aan het binnentoestel Het ontvangstgedeelte zit aan één kant van het uit-blaasrooster. Het bestaat uit de infrarood-sensor, de drie signaallampjes en de noodtoets. Binnentoestel Max. 5 m Afstandsbediening met zender Plaats de batterijen erin met de polen in de juiste rich-ting. Let op de markering in het batterijenvakje. Sluit het batterijenvakje. De afstandsbediening is operationeel na het indrukken van de terugzettoets (20) (zie pagina 12).

 Verwijder ontladen batterijen onmiddellijk en ver-vang deze door nieuwe van de voorgeschreven kwaliteit, aangezien het gevaar van uitlopen be-staat. De gebruiksduur van de batterijen bedraagt bij normaal bedrijf van het apparaat ca. een jaar, dat komt overeen met één koelseizoen.

Bij het overdragen van de gegevens mag een af-stand van 5m tussen zender en ontvangstgedeelte niet overschreden worden. De airconditioning kan alleen signalen verwerken die binnen een hoek van 120° op het oppervlak van de infrarood-sensor vallen. Groene lamp Rode lamp Gele lamp Infrarood-sensor voor signalen van de afstandsbediening Rode lamp (storingssignaal) Deze brandt als een beschermelement van het appa-raat geactiveerd is. Het apparaat hervat het normale bedrijf weer na een bepaalde tijd. Beschermtype Beschermelement Bevriesbeveiliging Compressor en buitenventila-tor worden uitgeschakeld. Condensaatbak vol Het apparaat blijft uitgescha-keld zolang de condensaat-bak vol is. De batterijen in de afstandsbediening plaatsen Voor de eerste ingebruikname moeten de meegelever-de batterijen (2 stuks, type AAA) in de afstandsbedie-ning geplaatst worden.

Open daarvoor de afdekking van het batterijenvakje aan de achterkant van de afstandsbediening door het verlengstuk van het deksel in de richting van de pijl naar binnen te drukken.

6 De afstandsbediening 1 = weergave signaaloverdracht 2 = weergave bedrijfsmodus 3 = weergave temperatuur 4 = weergave ventilatorbedrijf 5 = weergave tijd / tijddetector 6 = keuzetoets bedrijfsmodus 7 = toets Aan / Uit 8 = toets temperatuurdaling toets tijd of timer „lager“ 9 = toets temperatuurverhoging toets tijd of timer „hoger“ 10 = toets toerentalkeuze ventilator 11 = toets individualisering invoeren 12 = toets individualisering activeren 13 = toets luchtverdeling 14 = toets timer AAN 15 = toets timer DAGELIJKS 16 = toets timer VERWIJDEREN 17 = toets timer nachtbedrijf 18 = toets timer UIT 19 = toets tijdinstelling 20 = terugzettoets Gele lamp (timersignaal) Deze brandt als de timer geactiveerd is. Hij knippert na een stroomuitval, b. v. na onderbroken stroomvoeding of als het apparaat in het timerbedrijf di-rect na het uitschakelen opnieuw wordt ingeschakeld.

Alarmcode (in interval van 5 sec. ) Beschrijving van de storing 2 maal knipperen De vlotterschakelaar van de con-densaatbak is langer dan ca. 4 minuten geactiveerd. 3 maal knipperen De temperatuursensor van de circulatielucht is defect of buiten zijn regelbereik. 4 maal knipperen De bevriesbeveiliging heeft gerea-geerd. 10 maal knipperen EEPROM defect Groene lamp (AAN / UIT-signaal) Deze brandt tijdens het bedrijf van het apparaat. Hij knippert bij apparaatstoringen om de 5 seconden in intervallen. De knipperintervallen voeren een alarmcode uit. Het bedrijf van het apparaat is geblokkeerd en kan pas na een eliminering van de storing en kortstondige isolatie van het apparaat van het net weer hervat worden. Toets „Manueel noodbedrijf“ Deze toets kan gebruikt worden als de afstandsbedie-ning verloren is of niet werkt.

Na het openen van de roosterafdekking wordt een me-talen beschermplaat met de activeringsopening voor de verzonken toets zichtbaar. De activering van de verzonken toets met een geschikt gereedschap gedurende 5 sec.

bij uitgeschakeld appa-raat zorgt ervoor dat het apparaat in het zogenaamde „Manuele noodbedrijf“ loopt. De airconditioning schakelt in en houdt de ruimtetempe-ratuur constant op +22 °C. Het ventilatortoerental en de luchtverdeling worden automatisch ingesteld. Het timer-bedrijf is niet geactiveerd. Als de infrarood-sensor een signaal krijgt van de af-standsbediening, dan werkt het apparaat conform dit signaal. = toets 20 18 19 15 6 4 5 7 8 11 17 10 13 16 14 12 9 1 2 3 AAMPMAB12F.

7 Multifunctioneel display Het display is verdeeld in vier weergavedelen. Bovenaan verschijnt de bedrijfsmodus. Weergave van de bedrijfsmodus Ontvochtigen Koelen (+ ontvochtigen) Niet bezet Niet bezet Ventilatie (alleen ventilatorbedrijf) In de drie onderste delen wordt getoond: 1. gekozen temperatuur 2. ventilatorbedrijf 3. tijd / timerfuncties Controleren van de signaaloverdracht Houd de afstandsbediening in de richting van het ont-vangstgedeelte van het binnentoestel. Druk eenmaal de AAN / UIT toets in. De airconditioning moet nu de goe-de ontvangst met een pieptoon bevestigen. Tegelijker-tijd licht de groene lamp in het ontvangstgedeelte op.

Weergave van het ventilatorbedrijf Weergave individualisering actief Weergave toerentalniveau ventilator Weergave lamellenverstelling Weergave van de temperatuur Weergave van de gekozen temperatuur Weergave apparaatconfiguratie Weergave apparaatadres Weergave van de tijd / timerfuncties Dagprogramma Uitschakelprogramma Inschakelprogramma Dagtijd of geprogrammeerde in- / uitschakeltijd Nachtprogramma Weergave temperatuur-meeteenheid Weergave batterijstatus Inschakelen van het apparaat - toets (7)Als de airconditioning moet worden ingeschakeld, dan mag op de afstandsbediening alleen de tijd zichtbaar zijn in het display. Indien er andere symbolen worden getoond, eerst toets (7) indrukken. Dan verschijnt al-leen nog de tijd. Om het apparaat in te schakelen moet toets (7) ingedrukt worden, de groene lamp aan het binnentoestel brandt.

De in de afstandsbediening opgeslagen functies wor-den getoond. Het apparaat werkt conform deze funties. De condensaatpomp schakelt zich vertraagd in en loopt tijdens het koelbedrijf voortdurend. De signaaloverdracht van de afstandsbediening naar het apparaat wordt bevestigd door een pieptoon. Als bij het inschakelen zowel het akoestisch signaal als het oplichten van de groene lamp uitblijft, dan moet het pro-ces herhaald worden (uitschakelen van de afstands-bediening / inschakelen van het apparaat).

De aanpassing van afstandsbediening en binnentoestel aan de wensen van de exploitant wordt beschreven in wat volgt. Belangrijke instructies voor het inschakelen. De start van de compressor volgt om hem te be-schermen pas na afloop van een veiligheidstijd van ca. 3 minuten. Om de compressor te beschermen tegen verdere schade loopt hij altijd minstens 3 minuten, voordat hij uitschakelt. De airconditioning geeft alleen bij een goede over-dracht van het signaal de akoestische bevestiging. Instellen van de tijd - toets 19Voor het gebruik van de timerprogrammering is het noodzakelijk om eerst de tijd in te stellen aan de af-standsbediening. Daarvoor wordt de toets (19) eenmaal minstens 5 sec. ingedrukt gehouden. De uurcijfers knipperen en kunnen met de toetsen (8) en (9) worden inge-steld. Het instellen van de minuten gebeurt op dezelfde manier na het indrukken van de toets (19).

Door de toets (19) opnieuw in te drukken wordt de tijd geactiveerd. Uitschakelen van het apparaat - toets (7)De airconditioning wordt met de toets (7) uitgeschakeld. Daarvoor moeten in het display van de afstands-bediening de huidige instellingen oplichten. Als alleen de tijd te zien is, dan moet eerst de toets (7) ingedrukt worden. Als het apparaat niet uitschakelt, dan moet het proces herhaald worden. Belangrijke instructies voor het uitschakelen. Onder bepaalde omstandigheden kan de ventilator van het binnentoestel na het uitschakelen nog ca. 30 seconden nalopen. In dit geval brandt de rode lamp aan het apparaat. Na het uitschakelen van het apparaat loopt de con-densaatpomp nog ca. 7 minuten na.

8 Optimaal koelbedrijf In de functie „Koelen“ wordt de ruimtelucht door de air-conditioning aangezogen, gefilterd en gekoeld weer de ruimte in geleid. De aan de ruimte onttrokken warmte wordt doorgegeven aan het buitendeel en door dit afge-geven aan de omgevingslucht. Om de looptijden van het buitendeel zo gering mogelijk te houden moet de temperatuurinstelling van de te koe-len ruimte maar zo laag worden ingesteld als nodig is. Zeer lage ruimtetemperaturen en daardoor langere looptijden van het apparaat verhogen het elektrische energieverbruik. Temperatuurverschillen van 6 graden en meer onder de omgevingstemperatuur van de ruimte kunnen verkoud-heden tot gevolg hebben. Optimaal ventilatiebedrijf Het loutere ventilatiebedrijf dient ertoe om de “staande“ lucht in de ruimte te circuleren. Vaak is het niet vereist om de temperatuur te verlagen.

In dit geval is de werking gelijkaardig aan die van een plafondventilator. Op koele dagen kan in deze bedrijfs-modus de aan het plafond opgehoopte warmte naar beneden getransporteerd worden. In het ventilatiebedrijf wordt bovendien de reeds ge-noemde filtering van de ruimtelucht bereikt. Optimaal ontvochtigingsbedrijf In de functie „Ontvochtigen“ wordt de ruimtelucht in pe-riodieke intervallen aangezogen door de airconditio-ning, gefilterd en licht afgekoeld weer de ruimte in ge-leid. De lucht wordt daarbij meer ontvochtigd dan in het “normale“’ koelbedrijf. De aan de ruimte onttrokken warmte wordt doorgegeven aan het buitendeel en door dit afgegeven aan de omgevingslucht. De ventilatiecapaciteit kan in deze bedrijfsmodus niet veranderd worden (constante ingestelde ventilator-snelheid).

Extra aanwijzingen voor alle bedrijfsmodi: Het binnentoestel werkt het meest efficiënt met een schoon filter. Het filter moet ongeveer tweemaal per maand gecontroleerd resp. gereinigd worden. Het buitendeel moet op verontreinigingen en eventu-ele begroeiing gecontroleerd worden.

Ook hier leidt een vermindering van de luchthoeveelheid tot een reducering van de koelcapaciteit en zodoende tot een verhoging van de elektrische krachtontneming. De volgende ventilatorniveaus zijn mogelijk: Laag toerental (zeer geluidsarm) Normaal toerental Hoog toerental (grootste koeleffect) Automatisch bedrijf - het ventilatortoerental wordt aangepast aan de koelbehoefte. Bedrijfsmodustoets (6)Voor de inzet van de plafondcassette zijn drie bedrijfs-modi beschikbaar. Met de bedrijfsmodustoets kunnen de functies – Ventileren (+ filteren) – Verwarmen (zonder functie) – Automatisch (zonder func- tie) – Koelen (+ ontvochtigen) – Ontvochtigen geprogrammeerd worden. De toets (6) moet zo vaak wor-den ingedrukt, tot het gewenste symbool verschijnt in het display. M Bedrijfsmodus “ Koelen “ Bij deze bedrijfsmodus wordt de ruimtelucht gekoeld en licht ontvochtigd.

De instelling van de gewenste ruimte-temperatuur is beschreven in het volgende hoofdstuk „Temperatuurkeuzetoetsen“. Bedrijfsmodus “ Ventileren “ In deze bedrijfsmodus wordt de ruimtelucht niet ge-koeld. De functie heeft als doel de lucht te filteren en/of een voor het welbevinden aangename luchtcirculatie te creëren. In de winter kan de onder het plafond opge-hoopte warmte gecirculeerd worden. Bedrijfsmodus “ Ontvochtigen “ In deze bedrijfsmodus wordt de ruimtelucht ontvochtigd en licht gekoeld. De instelling van de ruimtetemperatuur is hierbij niet mogelijk. Keuze van het ventilatorniveau toets (10) Door de toets (10) in te drukken kan het ventilatorniveau en afhankelijk daarvan de luchthoeveelheid van de ven-tilator gekozen worden. In het display wordt het mo-menteel ingestelde niveau getoond.

Temperatuurkeuze toetsen (8) (9) Met behulp van de toetsen (8) en (9) wordt de gewenste ruimtetemperatuur ingesteld. Het binnentoestel bevestigt de ontvangst van het sig-naal met een pieptoon. De nieuwe temperatuurwaarde verschijnt op het display van de afstandsbediening.

De gewenste temperatuur kan tussen 17 °C en 32 °C worden ingesteld in stappen van 1 °C. Als de ruimtetemperatuur lager is dan de ingestelde temperatuurwaarde, dan begint het apparaat niet te werken. Als de ruimtetemperatuur hoger is dan de ingestelde temperatuurwaarde, dan wordt voor de start van het ap-paraat een veiligheidstijd van ca. 3 minuten doorlopen. Dan pas begint het apparaat te werken. Als het apparaat de ruimtelucht tot de gewenste waarde heeft afgekoeld, dan wordt het koelbedrijf uitgescha-keld. De condensaatpomp schakelt uit na een looptijd van ca. 7 minuten.

9 Positie van de uitblaaslamellen De lamellen kunnen conform de volgende afbeeldingen gepositioneerd worden. De volgende afbeelding toont de lamellen in gesloten toestand. Lamellen gesloten Bij volledig open lamellen wordt de luchtstraal naar beneden geblazen. Deze instelling is voor het koelbedrijf wegens mogelijke tochtverschijnselen ongunstig. In de winter kan deze lamellenpositie gebruikt worden om de warme lucht aan het kamerplafond terug te winnen. In het koelbedrijf moeten de lamellen “half open“ (zie afbeelding hieronder) gepositioneerd of de oscillerende modus gekozen worden. Door de toets (13) in te drukken kan de luchtverde-ling veranderd worden. De streep in het display beschrijft de positie van de la-mellen. Als de verdeling oscillerend moet zijn, dan moet na meermaals indrukken van de toets (13) in het display het bijhorende symbool zichtbaar zijn.

De uitblaaslamellen worden afhankelijk van de bedrijfsmodus automatisch ingesteld. Er kunnen zes verschillende posities van de uitblaaslamellen worden ingesteld. De uitblaaslamellen zijn ingesteld voor een oscillerende luchtverdeling. Symbolen in het display De posities en instellingen van de uitblaaslamellen wor-den voorgesteld door de volgende symbolen. Luchtverdeling toets (13) De plafondcassette bezit vier luchtuitlaatopeningen om de gekoelde lucht te verdelen in de ruimte. Uitblaaslamellen Uitblaaslamellen Luchtstraal aan het plafond Luchtstraal naar beneden Individualisering toets (11) en (12) Als er een persoonlijke, op elk moment oproepbare bedrijfsmodus moet worden opgeslagen, ga dan te werk als volgt: 1. Druk bij in- of uitgeschakelde afstandsbediening de toets (11) in en houd deze vijf seconden lang in-gedrukt. Op het display begint het individualiseringssymbool te knipperen.

Kies het bedrijf van de luchtlamellen met de toets (13). 6. Druk om op te slaan de toets (11) in, nadat u alle opties heeft ingevoerd. 7. Verlaat de individualiseringsmodus na beëindigde in-voer weer door een van de toetsen , , , of in te drukken. 8. Als u een of meerdere opgeslagen parameters wilt wijzigen, dan begint u weer met punt 1. 9. Activeer alle gekozen en opgeslagen functies door de toets (12) in te drukken, om het even in welke bedrijfsmodus het apparaat zich bevindt. M M.

10 Als de timerfunctie actief is, dan controleert het ap-paraat een uur voor de geprogrammeerde inscha-keltijd de ruimtetemperatuur. De start van het appa-raat kan, op basis van de inschakeltijd, tussen 0 en 40 minuten vervroegd worden, afhankelijk van het temperatuurverschil tussen ruimtetemperatuur en gekozen temperatuur. Timer - Uit toets (18) Druk voor de programmering van de uitschakeltijd van de timer de toets (18) in. Het bijhorende symbool en de tijdcijfers beginnen in het display te knipperen. Deze functie kan ook bij uitge-schakelde afstandsbediening gekozen worden. Gecombineerd timerprogramma Het in- of uitschakelprogramma van de timer kan ge-combineerd worden met de functie Timer-dagelijks. 1. Activeer daarvoor de programma‘s op de reeds beschreven manier. De bijhorende symbolen verschijnen in het display.

Timer - Aan toets (14) Met de toets (14) wordt het bedrijf van het apparaat in-gesteld en geactiveerd met het tijdprogramma. Het bedrijf "Timer actief" wordt getoond door het branden van de gele lamp aan de ontvangstindicatie van de pla-fondcassette. 3. Let op: Als het apparaat reeds is ingeschakeld, dan kan alleen een andere inschakeltijd geprogrammeerd worden. Voor deze inschakeltijd worden de huidige instellin-gen van het apparaat overgenomen. Ga als volgt te werk om het Timer Aan programma in te stellen: 1. Druk de toets (14) in. Ook mogelijk bij uitgeschakelde afstandsbediening. 2. Let op: Het bijhorende symbool en de tijdmelding beginnen in het display te knipperen. Als er tien se-conden lang geen toets wordt ingedrukt, dan deacti-veert de timerfunctie zich automatisch. 4. Stel bij uitgeschakeld apparaat de inschakeltijd in met de temperatuurkeuzetoetsen (8) en (9). 5.

De symbolen van de bedrijfsmodi knipperen. 7. Bevestig de gewenste bedrijfsmodus door de toets (14) in te drukken. Het symbool van deze bedrijfsmodus knippert niet meer. 8. Druk voor de keuze van de gewenste temperatuur ofwel de toets (8) of (9) in en bevestig de keu-ze met de toets (14). De temperatuurweergave knippert na de bevestiging niet meer. 9. Kies met de toets (10) het ventilatorniveau en be-vestig de keuze met de toets (14). Het symbool knippert niet meer. 10. Kies als laatste de positie van de luchtstuurlamellen met de toets (13) en bevestig de keuze met de toets (14). De symbolen van de luchtstuurlamellen knipperen na de bevestiging niet meer. 11. Druk de toets (16) in als u de tot op dit moment gekozen instellingen wilt verwijderen, resp. druk de toets (14) en daarna de toets (16) in als u alle timerinstellingen wilt verwijderen.

M Stel met de toetsen (8) en (9) het moment in, waarop het apparaat moet uitschakelen. Druk de toets (18) in om van uren naar minuten te gaan en druk ter bevestiging van de instelling opnieuw de toets (18) in. Timer-dagelijks toets (15) Met de Timer-dagelijks functie wordt het opgeslagen in- of uitschakelprogramma elke dag herhaald. 1. Druk de toets (15) in terwijl een in- of uitschakel-programma van de timer actief is. Het bijhorende symbool verschijnt in het display. 2. Druk opnieuw de toets (15) in om de functie Timer-dagelijks te activeren. Het bijhorende symbool dooft in het display. Timer-wissen toets (16) De timerinstellingen worden als volgt verwijderd: 1. Druk na elkaar de toetsen (14) en (16) in om een inschakelprogramma van de timer te verwijde-ren. Het bijhorende symbool dooft in het display. 2.

11 Nachtuitschakeling toets (17) De nachtuitschakeling is een comfort-functie, die het mogelijk maakt om de ruimtetemperatuur op een ge-zonde manier langzaam te verhogen. Een uur na acti-vering van deze functie wordt de in het koelbedrijf geko-zen temperatuur 1 °C per uur verhoogd. De ventilator van het binnentoestel loopt met laag toerental om het gelu-idsniveau tot een minimum te beperken. 2. Druk opnieuw de toets (17) in om de keuze te be-vestigen. Na afloop van de gekozen tijd schakelt het apparaat uit. 3. Druk de toets (17) in om de nachtuitschakeling bui-ten bedrijf te stellen.  Als er 30 sec. lang geen toets wordt ingedrukt, dan wordt het configuratiemenu automatisch verlaten en de programmering moet opnieuw gestart worden. Configuratie van de afstandsbediening voor het koel-bedrijf: 1. Leg de batterijen in de afstandsbediening, maar laat deze uitgeschakeld. 2.

„CL“ „12:12“ Tijdformaat 12-uurs klok (AM/PM) Fabrieksinstelling „24:24“ Tijdformaat 24-uurs klok Tabel II: Configuratie van de afstandsbediening 1. Stel de looptijd van de nachtuitschakeling in door de toetsen (8) en (9) in te drukken. Het display toont al naargelang selectie: 1:hr, 2:hr, 3:hr, 4:hr, 5:hr, 6:hr, 7:hr of 9:hr. Systeemconfiguratie De apparaten zijn vanuit de fabriek geconfigureerd als warmtepompen. Deze configuratie moet bij de installa-tie van de apparaten in een koelsysteem veranderd worden. Deze verandering wordt als volgt uitgevoerd: Configuratie van de apparaten als koelapparaat: 1. Controleer alle elektrische aansluitingen. Handleiding en schakelschema‘s in acht nemen. 2. Leg de batterijen in de afstandsbediening, maar laat deze uitgeschakeld. 3. Verbind het apparaat met de spanningsvoeding en schakel de stroomvoeding in. 4.

Houd de toetsen (6) en (13) van de afstands-bediening vijf seconden lang ingedrukt. Het display wordt gewist. De tijdmelding toont de eerste configuratiepost „rAdr“, de temperatuurweer-gave toont de ingestelde waarde van deze configu-ratiepost „Ab“ (regeling van beide binnentoestellen). 5. Druk de toets (6) herhaaldelijk in tot in het display „UCFG“ verschijnt. 6. Druk ofwel de toets (8) of (9) in om de instel-ling te veranderen van warmtepomp „HP“ in koelap-paraat „AC“. 7. Druk de toets (13) in om een nieuwe configuratie over te dragen naar het apparaat en druk vervolgens de toets (7) in om het configuratiemenu te verla-ten. Meer opties voor de configuratie van het apparaat kunt u afleiden uit tabel I. M M 3. Houd de toetsen (6) en (13) van de afstands-bediening vijf seconden lang ingedrukt. Het display wordt gewist.

De temperatuurweergave toont de ingestelde waarde van deze configuratie-post „CH“, de tijdmelding toont de ingestelde waarde van deze configuratiepost „Ab“ (regeling van beide binnentoestellen). 4. Druk de toets (6) herhaaldelijk in tot (rc) verschijnt in het display.

5. Druk ofwel de toets (8) of (9) in om de instelling van warmtepomp „HP“ in koelapparaat „AC“ te ve-randeren. 6. Druk de toets (13) in om een nieuwe configuratie over te dragen naar het apparaat en druk vervolgens de toets (7) in om het configuratiemenu te verla-ten. Meer opties voor de configuratie van het apparaat kunt u afleiden uit tabel II. M.

12 Reset toets (20) Als er een batterijvervanging (zie pagina 5) werd uitge-voerd of als de afstandsbediening niet goed werkt, dan moet de verzonken toets (20) met een spits voorwerp (potlood e. d. ) eenmaal worden ingedrukt. Alle instellingen van de afstandsbediening worden ver-wijderd en moeten opnieuw worden uitgevoerd.  Als er 30 sec. lang geen toets wordt ingedrukt, dan wordt het configuratiemenu automatisch verlaten en de programmering moet opnieuw gestart worden. Houd de apparaten vrij van vuil en andere afzettingen. Reinig het apparaat alleen met een vochtige doek. Gebruik geen geconcentreerde, schurende of oplos-middelhoudende reinigingsmiddelen. Gebruik ook bij extreme vervuiling alleen geschikte reinigingsmiddelen. Reinig in regelmatige intervallen, indien nodig ook vaker, het luchtfilter van het binnentoestel zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing.

Controleer voor en na een gebruiksseizoen of de diameter van de condensaatleidingen zich door ve-rontreiniging vernauwd heeft. Als dit het geval is, dan moet de leiding schoonge-maakt worden. Wij raden aan om een onderhoudscontract af te slui-ten met een bevoegd vakbedrijf. Zo garandeert u te allen tijde de bedrijfsveiligheid van de installatie. Aanwijzing: Laat het apparaat nooit werken zonder origineel filter, omdat anders de warmtewisselaarlamellen vervuild ra-ken en het apparaat aan capaciteit verliest. Vervuilde lamellen zijn moeilijk schoon te maken.  Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken en tegen opnie-uw inschakelen beveiligd worden. Regelmatige verzorging en het in acht nemen van een paar basisvoorwaarden garanderen een storingsvrij bedrijf en een lange levensduur van de apparaten.

Het aanzuigfilter kan niet vallen, omdat het aan de andere kant ingehangen en aan de roosterafdekking bevestigd is. Adreskeuzedisplay Als er twee binnentoestellen in één ruimte zijn geïnstal-leerd en deze onafhankelijk van elkaar bediend moeten worden, dan moet aan elk apparaat een eigen adres worden toegekend, opdat ze via de betreffende afstandsbediening bediend kunnen worden. Deze pro-grammering gebeurt als volgt: Adresconfiguratie van het apparaat 1. Houd de toetsen (6) en (13) van de afstands-bediening vijf seconden lang ingedrukt. Het display wordt gewist. De tijdmelding toont de eerste configuratiepost „rAdr“, de temperatuurweer-gave toont de ingestelde waarde van deze configu-ratiepost „Ab“ (regeling van beide binnentoestellen). 2. Druk ofwel de toets (8) of (9) in om de instelling van „Ab“ te veranderen in de nieuwe keuze „A“ of „b“. 3.

Druk de toets (13) in om de nieuwe configuratie over te dragen naar het apparaat en druk afsluitend de toets (7) in om het configuratiemenu te verla-ten. Adresconfiguratie van de afstandsbediening 1. Houd de toetsen (6) en (13) van de afstands-bediening vijf seconden lang ingedrukt. Het display wordt gewist. De temperatuurweergave toont de eerste configuratiepost „CH“, de tijdmelding toont de ingestelde waarde van deze configuratie-post „Ab“ (regeling van beide binnentoestellen). 2. Druk ofwel de toets (8) of (9) in om de instelling van „Ab“ te veranderen in de nieuwe keuze „A“ of „b“. 3. Druk de toets (13) in om de nieuwe configuratie over te dragen naar het apparaat en druk afsluitend de toets (7) in om het configuratiemenu te verlaten. M.

13  Bij het gebruik van water moet het filter eerst vol-ledig aan de lucht gedroogd worden, voordat het weer in het apparaat wordt gezet. 5. Zet het filterelement er voorzichtig weer in. Zorg ervoor dat het goed zit. 6. Sluit het aanzuigrooster. 7. Schakel het apparaat weer in. Tijdelijke buitenbedrijfstelling 1. Stel alle binnentoestellen met de afstandsbediening buiten bedrijf. 2. Isoleer de installatie met de hoofdschakelaar of de beveiliging van het net. 3. Controleer binnentoestel en buitendeel op zichtbare beschadigingen. 4. Reinig binnentoestel en buitendeel zoals beschre-ven in het hoofdstuk „Verzorging en onderhoud“ en dek het buitendeel indien mogelijk af met een folie van kunststof om het te beschermen tegen weer-sinvloeden. Definitieve buitenbedrijfstelling De ontmanteling kan om milieutechnische redenen al-leen gebeuren door een vakbedrijf. REMKO GmbH & Co.

KG of uw bevoegde contractant noemen u graag een koelvakbedrijf in uw buurt. 2. Klap het aanzuigrooster open en trek het filter e-ruit. 3. Reinig de filters met een gewone stofzuiger. Draai daarvoor de ve-rontreinigde kant naar boven. 4. Verwijder sterke veront-reinigingen voorzichtig met lauwwarm water en milde reinigingsmidde-len. Draai daarvoor de ve-rontreinigde kant naar boven. Voorwaarde voor eventuele garantieclaims is dat de be-steller of diens afnemer binnen een redelijke tijd ten aanzien van verkoop en ingebruikname het bij het ap-paraat gevoegde „Garantiecertificaat” volledig ingevuld heeft teruggezonden aan REMKO GmbH & Co. KG. De foutloze werking van de apparaten werd in de fabriek meermaals gecontroleerd.

Zouden er toch storingen optreden, die door de exploitant niet met behulp van de storingseliminering kunnen worden opgeheven, gelieve dan contact op te nemen met uw handelaar of contrac-tant. Een ander bedrijf / bediening dan beschreven in deze gebruiksaanwijzing is niet toegelaten. Gebeurt dit toch, dan vervalt elke aansprakelijkheid en het recht op garantie.

 Doelmatig gebruik Als de opgaven van de fabrikant of de wettelijke vereis-ten niet in acht worden genomen of na eigenmachtige veranderingen aan de apparaten, is de fabrikant niet aansprakelijk voor de daaruit resulterende schade. Ingrepen in het koelcircuit mogen alleen gebeuren door een vakbedrijf. Daardoor is gegarandeerd dat er bij re-paraties geen koelmiddel in het milieu belandt. Zowel voor het koelmiddel als voor de installatiecompo-nenten gelden speciale voorwaarden bij de verwerking. Het ingezette koelmiddel behoort tot de zogenaamde veiligheidskoelmiddelen. Dat betekent dat hoeveel-heden die in het geval van een beschadiging vrijkomen, geen schade aan de longen en de luchtwegen van mensen of dieren veroorzaken. Belangrijke informatie over de recyclage.  Het contact met vloeibaar koelmiddel kan niettemin bevriezingen aan de huid tot gevolg hebben.

15   Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken (zekering resp. reparatieschakelaar) en tegen onopzettelijk inschakelen beveiligd worden. Het apparaat werd vervaardigd met de meest moderne productiemethodes en meermaals getest op foutloze wer-king. Zouden er toch functiestoringen optreden, controleer het apparaat dan aan de hand van de volgende lijst. Indien alle functiecontroles werden uitgevoerd en het apparaat nog altijd niet storingsvrij werkt, gelieve dan uw vakhandelaar op de hoogte te stellen of wend u rechtstreeks tot REMKO GmbH & Co KG. Storing Mogelijke oorzaak Ter controle Oplossing Het apparaat start niet of schakelt zich automatisch uit. Stroomuitval Werken andere elektrische compo-nenten. Spanning controleren, evt.

wachten op opnieuw inschakelen Netzekering defect / hoofdschakelaar uitgeschakeld Zijn de andere stroomcircuits opera-tioneel. Zekering vervangen / hoofdschake-laar inschakelen Netvoedingsleiding beschadigd Werken andere elektrische compo-nenten. Reparatie door vakbedrijf Wachttijd na het inschakelen te kort Langere wachttijd aanhouden Nieuwe start na ca. 5 minuten Werktemperatuur te laag / te hoog Werkt de ventilator nog. Temperatuurbereik van 17 tot 32 °C in acht nemen De cassette reageert niet op de afstands-bediening. Timerinstelling op „Inschakelen“ Programmering ongedaan maken Start van het apparaat afwachten Overspanningen door onweer Waren er onlangs plaatselijke blik-seminslagen. Apparaat met de schakelaar 5 min isoleren van het net en opnieuw starten Na batterijvervanging verkeerde poling van de batterijen Is de poling correct.

zendgedeelte krijgt te veel zonlicht Werkt de afstandsbediening bij schaduw. Zend- en ontvangstgedeelte in de schaduw plaatsen Elektromagnetische velden storen de overdracht Werkt de afstandsbediening bij uit-geschakelde apparaten in de omge-ving. Geen signaaloverdracht bij gelijktij-dig bedrijf van stoorbronnen Indrukken van de Stop toets en na-loop van de cassetteventilator Schakelt het apparaat na 30 secon-den automatisch uit. Werking OK, naloop om de warmte-wisselaarlamellen te drogen Toets van de afstandsbediening geklemd / dubbele toetsbediening Verschijnt het driehoeksymbool „Signaaloverdracht“. Toets losmaken / maar één toets indrukken Batterijen van de afstandsbediening leeg Zijn er nieuwe batterijen ingezet. Is het display volledig leesbaar. Nieuwe batterijen erin zetten Temperatuurinstelling te hoog Ligt de gekozen temperatuur boven die van de ruimte.

Temperatuur verlagen Het apparaat werkt met verminderde koelca-paciteit. Filter is verontreinigd / aanzuig- resp. uitblaasopening geblokkeerd door vreemde voorwerpen Roosterafscherming openen en filter controleren Filters reinigen Ramen en deuren geopend / warm-telast werd verhoogd Is er een bouwtechnische verande-ring of een verandering in de toepassing. Ramen en deuren sluiten / extra installaties monteren Luchtcirculatie bij koeling van een tweede ruimte gehinderd Is er een vrije verbinding van uit-blaas- en aanzuigopening. Zorgen voor een ongehinderde luchtcirculatie Geen „Koel“-functie geprogram-meerd Is het koelsymbool in het display geactiveerd. Werking van het apparaat corrige-ren Afvoerbuis van het verzamel-reservoir verstopt / beschadigd Is de ongehinderde condensaat-afvoer gegarandeerd.

Afvoerbuis en het verzamelreservoir reinigen Externe condensaatpomp of vlotter defect Zit de opvangbak vol water en werkt de pomp niet. Laten vervangen door een vakbe-drijf Het binnentoestel lekt condensaatwater.

Een bescherminrichting van het ap-paraat heeft gereageerd Brandt de rode lamp aan het ont-vangstgedeelte van het binnentoe-stel. Zie hoofdstuk „Het ontvangst-gedeelte aan het binnentoestel“ Er is sprake van een storing van het apparaat Knippert de groene lamp aan het ontvangstgedeelte van het binnen-toestel. Elimineer de storing. Isoleer het ap-paraat kort van het net om het zon-der stoormelding opnieuw te kunnen starten. Zie pagina 5 Een bescherminrichting van het ap-paraat heeft gereageerd Brandt de rode lamp aan het ont-vangstgedeelte van het binnentoe-stel. Zie hoofdstuk „Het ontvangst-gedeelte aan het binnentoestel“.

16 Belangrijke instructies voor de installatie Voor de eigenlijke montage moeten de volgende punten gecontroleerd en nageleefd worden: Controleer de inhoud van de verpakking op volledig-heid en de apparaten op transportschade. Gebreken moeten onmiddellijk aan uw contractant en de expediteur gemeld worden. Breng het apparaat in de originele verpakking zo dicht mogelijk bij de montageplaats om transport-schade te vermijden. Kies een montageplaats waar een vrij aanzuigen en uitblazen van de lucht gegarandeerd is en waar het apparaat niet is blootgesteld aan direct zonlicht of andere warmtebronnen. Alle te koelen delen van de ruimte moeten een opti-male en tochtvrije luchtverdeling krijgen. Voor de installatie moeten de elektrische aansluit-waarden op het typeplaatje op overeenstemming ge-controleerd worden.

Alle elektrische aansluitingen moeten worden uitge-voerd volgens de geldige DIN en VDE voorschriften. Til de cassette op aan de hoeken en niet aan de koel- of condensaataansluitingen. Voor de montage van het apparaat moeten de flens-kragen (aansluitstompen) voor de nevenruimteaan-sluiting resp. de aansluiting voor frisse lucht beves-tigd worden. Plan zorgvuldig hoe de condensaatwaterleiding ge-legd wordt. Als die horizontaal gelegd wordt, dan moet er specia-le aandacht worden besteed aan het verval. Minstens 2 %. De ingebouwde pomp kan een maximaal hoogte-verschil van 250 mm boven de bovenkant van het apparaat overbruggen. Op voorwaarde dat de condensaatleiding vanuit het apparaat onmiddellijk verticaal naar boven loopt en vervolgens met een verval verder loopt. Verwijder de beschermkappen van de aansluitingen pas vlak voordat ze met de koelmiddelleidingen ver-bonden worden.

Vaak voorkomende installatiefouten Vermijd bij de installatie de volgende fouten om een vlotte montage te garanderen: Installeer het apparaat niet in de onmiddellijke nabij-heid van objecten met intensieve warmtestraling (b. v. lampen), maar centraal in de ruimte. De in- en uitlaatopeningen voor de lucht mogen niet door meubels, gordijnen e. d. gehinderd worden. Muurdoorbraken Om de verbindingen tussen binnentoestel en buitendeel te kunnen maken zijn muurdoorvoeren onvermijdelijk. Neem de volgende punten in acht: Voor de verbindingsleidingen van het binnentoestel naar het buitendeel moet op de plaats van installatie een gat met een minimumdiameter van 70 mm voor-zien worden. Van binnen naar buiten moet een verval van min-stens 2 % voorzien worden. Vergewis u ervan dat in de buurt van de doorvoer geen leidingen lopen.

Om beschadigingen aan de leidingen te voorkomen moet het gat van binnen gevuld worden. Geschikte materialen zijn b. v. PVC-buizen met een binnendiameter van 70 mm. Na geschiede montage moet de muurdoorbraak met een geschikte dichtmassa afgesloten worden. Gebruik hiervoor geen cement- of kalkhoudende stoffen. Vermijd onnodige buigingen om het drukverlies in de koelmiddelleidingen te minimaliseren en om te ga-randeren dat de compressorolie ongehinderd terug kan stromen. Als het buitendeel boven het binnentoestel wordt aangebracht, dan moeten er speciale preventieve maatregelen voor de terugvoering van de olie getrof-fen worden. Als de leiding wordt verbonden met de afvoerleiding, dan moet een geurafsluiting worden voorzien, waar-van de bovenkant de hoogte van de onderkant van het binnentoestel niet mag overschrijden. Zorg ervoor dat de koelmiddelbuizen niet geknikt of ingedrukt worden.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met REMKO RKV18C stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden