REMKO RKV13T Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van REMKO RKV13T (20 pagina’s), behorend tot de categorie Airco. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 26 mensen en kreeg gemiddeld 4.8 sterren uit 9 reviews. Heb je een vraag over REMKO RKV13T of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | REMKO |
| Categorie: | Airco |
| Model: | RKV13T |
Handleiding REMKO RKV13T – volledige tekst
3 * Deze gebruiksaanwijzing moet altijd in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat bewaard worden! * Inhoud pagina Veiligheidsinstructies 4 Beschrijving van de apparaten 4 Transport en verpakking 5 Bediening 5 Buitenbedrijfstelling 8 Onderhoud 8 Combinaties 8 Eliminering van storingen 9 Technische gegevens 10 Installatiehandleiding voor het vakpersoneel 11 Inhoud pagina Installatie 12 Elektrische aansluiting 13 Condensaataansluiting 14 Externe condensaatpomp 15 Voorbereiding van de ingebruikname 16 Ingebruikname 17 Milieu en recyclage 17 Klantendienst en garantie 17 Attest voor de ingebruikname 18 Voor ingebruikname / gebruik van het apparaat moet deze handleiding zorgvuldig worden doorgelezen! Bij niet-doelmatig gebruik, opstelling, onderhoud enz. of eigenmachtige veranderingen aan de vanuit de fabriek geleverde uitvoering van het apparaat vervalt elk recht op garantie.
4 Controleer regelmatig de ongehinderde afvoer van het condensaat. Laat het apparaat nooit werken zonder luchtfilter. Het apparaat is voorzien van een beveiliging tegen opnieuw inschakelen, die ter vermijding van verdich-terschade verhindert dat het apparaat na het uit-schakelen onmiddellijk wordt ingeschakeld. Opnieuw inschakelen is pas mogelijk na drie minuten. Reinigings- en kleinere onderhoudswerkzaamheden kunnen door de exploitant of een door hem in de hand genomen vakman binnen het kader van de in het hoofdstuk „6. Onderhoud“ opgesomde maatre-gelen worden uitgevoerd. Stel de afstandsbediening niet bloot aan sterke schokken. Installatie- en reparatiewerkzaamheden mogen al-leen gebeuren door geautoriseerd vakpersoneel. Alle REMKO airconditionings zijn uitgerust met het milieuvriendelijke koelmiddel R407 C.
Veiligheidsinstructies Dit apparaat werd voor de levering ervan onderworpen aan uitgebreide materiaal-, functie- en kwaliteitscontro-les. Het apparaat mag uitsluitend doelmatig gebruikt worden. Bij ondeskundig gebruik kunnen er gevaren uit-gaan van het apparaat. Het binnentoestel is niet geschikt voor bedrijf in de open lucht. De in de bediening van de airconditioning geïnstru-eerde persoon moet het apparaat voor elke inge-bruikname op opvallende gebreken aan de bedie-nings- en veiligheidselementen en op de aanwezig-heid van de beschermelementen controleren. Bij alle werkzaamheden aan het apparaat moet de voedingsleiding van het stroomnet geïsoleerd en te-gen onbevoegd inschakelen beveiligd worden. Het apparaat mag alleen in gemonteerde toestand en voor doeleinden waarvoor het bestemd is, ge-bruikt worden. Het verwijderen van afdekkingen, beschermroosters enz.
tijdens het bedrijf is niet toegelaten en kan tot ongecontroleerde bedrijfstoestanden leiden. Het apparaat mag alleen werken binnen de toegela-ten inzetgrenzen (omgevingstemperaturen). Zorg voor een toereikende veiligheidsafstand tot ont-brandbare voorwerpen.
Installeer de airconditioning niet in de buurt van ver-warmingen of achter vitrages en gordijnen. Zorg ervoor dat de luchtaanzuig- en luchtuitblaas-openingen altijd vrij zijn van vreemde voorwerpen en steek er geen vreemde voorwerpen in. Zet geen vreemde voorwerpen neer op het apparaat. Sluit het apparaat alleen aan aan een volgens de voorschriften geïnstalleerde en geaarde spannings-voeding. Het apparaat mag niet worden opgesteld of werken in olie-, zwavel- of zouthoudende atmosferen. Het apparaat mag evenmin worden opgesteld of werken in ruimtes waar explosiegevaar bestaat. Het apparaat is niet geschikt voor gebruik in zeer stoffige of agressieve lucht. Gebruik in de onmiddellijke nabijheid van het appa-raat geen brandbare sprays zoals haar- of lakspray. Het apparaat mag niet worden blootgesteld aan een directe waterstraal.
Bescherm het binnentoestel en de afstandsbedie-ning tegen vocht. Alle elektrische kabels en verbindingsleidingen moe-ten tegen beschadigingen, ook door dieren, be-schermd worden. Bescherm de airconditioning en de afstandsbedie-ning tegen direct of indirect zonlicht. Beschrijving van de appa-raten De airconditionings REMKO RKV 13 T / RKV 24 T zijn direct verdampende splitapparaten en zowel voor de wandmontage als voor de montage onder het plafond geconcipieerd. De werking van de airconditioning is uiterst eenvoudig: Er wordt warmte onttrokken aan de „af te koelen“ ruimte. Het transport van de warmte gebeurt, zoals bij alle air-conditionings van REMKO, door het milieuvriendelijke koelmiddel R 407C. De apparaten dienen in eerste instantie om ruimtes af te koelen. Daarnaast filteren en ontvochtigen ze de lucht en cre-ëren zo een aangenaam ruimteklimaat.
De apparaten zorgen bovendien voor een schone en ontvochtigde cir-culatielucht. Het apparaat werkt volledig automatisch en biedt dank-zij zijn moderne microprocessorregeling een groot aan-tal andere opties. De bediening gebeurt via de meegeleverde infrarood-afstandsbediening.
5 Transport en verpakking Het apparaat wordt geleverd in een stabiele transport-verpakking van karton. Gelieve het apparaat bij levering te controleren en noteer eventuele schade of ontbre-kende onderdelen op het leverbewijs en informeer on-middellijkde expediteur en uw contractant. Voor latere reclamaties kan geen garantie worden ver-leend. De afstandsbediening Twee tot vier seconden nadat de airconditioning is aan-gesloten aan de spanningsvoeding, kunt u hem gaan bedienen. De bediening van de airconditioning gebeurt via de infrarood-afstandsbediening. Een goede overdracht van de signalen kan slechts ge-beuren binnen een afstand van ca. 7m. Een pieptoon bevestigt een toetsdruk en signaleert de correcte ont-vangst van het signaal. 1 Aan / Uit toets Druk de toets in om het apparaat in gebruik te ne-men. De melding POWER licht op.
2 Ventilatorsnelheid Stel de gewenste snelheid van de ventilator in met deze toets. U kunt kiezen tussen de volgende 4 niveaus: automatisch, laag, normaal en hoog ventilatorni-veau. 3 Swing toets In ingeschakelde toestand (ON) verbetert de oscille-rende waaier de luchtverdeling in de ruimte. 4 Timer toets Met de timer kunt u het in- en uitschakelen binnen de komende 24 uur programmeren. 5 Sleep toets Als de functie Sleep geactiveerd wordt, dan wordt de ingestelde ruimtetemperatuur 1 °C verhoogd. De functie wordt teruggezet door een willekeurige toets in te drukken. 6 Modus 1 en 2 De airconditioning bezit 2 modi: 1. Koelmodus: In deze modus wordt de warmere ruimtelucht af-gekoeld tot de ingestelde, koudere waarde. De melding COMP begint gedurende ca. drie minuten te knipperen (beveiliging tegen opnieuw inschake-len ter vermijding van verdichterschade). 2.
Ontvochtigingsmodus: Bij deze modus wordt de ruimte overwegend ont-vochtigd, de ingestelde temperatuur echter ge-handhaafd. 7 Temp. toets Met de temperatuurtoets kan de gewenste tempera-tuur in stappen van 0,5 °C worden ingesteld tussen 15 °C en 30 °C.
6 7 1 2 5 4 3 Bediening De batterij in de afstandsbediening plaatsen Voor de eerste ingebruikname moeten de meegelever-de batterijen (2 stuks, type AAA) in de afstandsbedie-ning geplaatst worden. Trek daarvoor de klep aan de achterkant van de afstandsbediening in de richting van de pijl eraf, plaats de batterijen erin (polen in de juiste richting, markering in het batterijenvakje) en sluit het batterijenvakje weer. Manueel bedrijf Voor het geval dat de afstandsbediening niet goed werkt of als hij onvindbaar is, kan het apparaat ook ma-nueel in bedrijf worden genomen. Hiervoor drukt u de toets POWER rechtsboven aan het ontvangstgedeelte (bedieningspaneel) van het binnen-toestel in. De volgende bedrijfstoestanden zijn dan geactiveerd: MODE: Auto modus TEMP : 24°C FAN: Automatisch SWING: Aan TIMER: Uit.
6 SWING Toetsfunctie Met de afstandsbediening kunnen binnen een afstand van 7m de volgende commando‘s worden uitgevoerd. Richt de afstandsbediening daarvoor op het ontvangstgedeelte aan de rechterkant van het wandapparaat. Schakel uw binnentoestel in en uit met de AAN / UIT toets. In het display verschijnen de actuele instellingen: 1. FAN AUTO = snelheid van de ventilator 2. SWING = oscillerende waaier 3. 25. 0 °C = ingestelde temperatuurwaarde 4. COOL = modus Aan / Uit toets 25. 0 °c FAN AUTO COOL SWING Swing toets SWING 25. 0 °c FAN AUTO COOL SWING SWING SWING Functieafloop Met de SWING toets kan de oscillerende waaier gestopt worden. In ingeschakel-de toestand (melding ) wordt de gekoelde lucht beter verdeeld in de ruimte. Het apparaat kan de lucht automatisch alleen verticaal verdelen. Horizontaal kan de instel-ling alleen manueel gebeuren door de verticale lamellen te verstellen.
Fan toets 25. 0 °c FAN COOL FAN FAN Als de FAN toets wordt ingedrukt, dan verschijnen er drie ventilatorsymbolen van ver-schillende grootte op het display. De grootte symboliseert de ventilatorniveaus. Elke volgende activering van de toets heeft tot gevolg dat de snelheid wordt verlaagd. FAN AUTO FAN FAN FAN FAN Functieafloop SWING Gebruik de modus COOL als u de ruimte wilt afkoelen tot de gewenste waarde. Verlaag de gewenste temperatuur door de toets in te drukken in stappen van 0,5 °C. Na de signaaltoon begint de melding COMP. ongeveer 3 minuten te knipperen. Deze wachttijd is een gedwongen pauze om de levensduur van de verdichter in het buiten-deel te verhogen. Als de melding continu zichtbaar is, dan begint de airconditioning te werken. Als de ruimtetemperatuur 1 C° daalt onder de gewenste waarde, dan schakelt de regeling de koeling uit. SWING COOL 25. 0 °c Modus COOL COOL TEMP.
Airconditionings werken volgens het principe van de daling van de lucht onder het dauwpunt, waarbij water condenseert aan de lamellen van het binnentoestel. De ontvochtigingscapaciteit is afhankelijk van luchtvochtigheid en ruimtetemperatuur. Na het indrukken van de toets kan de ge-wenste temperatuur gekozen worden en begint het apparaat te werken. In bepaalde intervallen wordt de ventilator uitgeschakeld om de lamellentemperatuur te verlagen. Door om te schakelen in een andere modus verlaat u de COOL / DRY modus. 25. 0 Modus COOL / DRY DRY SWING COOL / DRY °c FAN AUTO SWING TEMP. DRY.
7 SWING HEAT 25. 0 °c Modus HEAT De modus is in deze apparaatuitvoering niet actief. HEAT SWING AUTO 25. 0 °c FAN AUTO Modus AUTO In deze modus werkt de apparaatuitvoering uitsluitend in de modus Koelen. AUTO HEAT 5LP SWING 5LP FAN AUTO Sleep toets SLEEP SLEEP 25. 0 °c 5LP / andere willekeurige toets SLEEP Functieafloop Door de toets SLEEP in te drukken wordt de ruimtetemperatuur 1 uur na de start van de-ze functie 1 °C verhoogd. Om deze functie te beëindigen kan elke willekeurige toets worden ingedrukt. Het teken verdwijnt en de normale weergave verschijnt. COOL De toets TIMER wordt gebruikt voor de programmering van een in- resp. uit-schakelvertraging. Als de airconditioning vertraagd moet worden ingeschakeld, druk dan de toetsen + of – ongeveer 2 seconden in bij uitgeschakelde afstandsbediening.
Als de airconditioning vertraagd moet worden uitgeschakeld, druk dan een van de beide toetsen in bij ingeschakelde afstandsbediening. Bij beide bedrijfstoestanden verschijnt 12:0H in de rechterhoek onderaan van het dis-play. De gewenste tijdsduur kan in stappen van 10 minuten met de – toets verkort resp. met de + toets verlengd worden. De verandering moet binnen 3 seconden ge-beuren, anders wordt de getoonde tijdsduur opgeslagen. Bij de programmering van de inschakelvertraging wordt de modus, de gewenste tem-peratuur en de snelheid van de ventilator van de laatste instelling overgenomen. Na het opslaan wordt er een tijdmelding zichtbaar en de „H“ op de laatste plaats ver-dwijnt. De dubbele punt begint te knipperen en de tijd loopt terug. Als de tijd is ver-streken, dan schakelt het apparaat zich automatisch in resp. uit.
8 Het apparaat moet worden vrijgehouden van grove vervuiling, begroeiing en andere afzettingen en mag alleen met een vochtige doek gereinigd worden (geen waterstraal gebruiken). Gebruik bij extreme vervuiling alleen geschikte reini-gingsmiddelen. Gebruik geen geconcentreerde, schurende of oplos-middelhoudende reinigingsmiddelen. Voor en na een gebruiksseizoen moet gecontroleerd worden of de diameter van de condensaatleidingen zich door verontreiniging vernauwd heeft. Als dit het geval is, dan moet de leiding schoongemaakt worden. Reinig in regelmatige intervallen het luchtaanzuig-filter zoals beschreven in de gebruiksaanwijzing. In-dien nodig ook vaker. Filterreiniging Reinig de beide luchtfilters rechts en links in intervallen van maximaal twee weken. Bij sterk verontreinigde lucht verkort u de intervallen. Voor de reiniging gaat u als volgt te werk: 1.
Open de voorkant van het apparaat door het afsluit-deksel omlaag te klappen. 2. U kunt de filters nu iets naar voor trekken en eruit tillen. 3. Reinig de filters met een gewone stofzuiger. 4. Sterke verontreinigingen kunt u ook voorzichtig ver-wijderen met lauwwarm water. Daarna moeten de filters aan de lucht gedroogd worden. 5. Zet de gereinigde filters er zorgvuldig in en zorg er-voor dat ze op de juiste plek zitten (links/rechts). 6. Sluit de voorkant van het apparaat. Buitenbedrijfstelling Tijdelijke buitenbedrijfstelling 1. Stel alle binnentoestellen met de afstandsbediening buiten bedrijf. 2. Isoleer de installatie met de hoofdschakelaar of de beveiliging van het net. 3. Controleer het binnentoestel en buitendeel op zicht-bare beschadigingen. 4.
Reinig de binnentoestellen en de buitendelen zoals beschreven in het hoofdstuk „Onderhoud“ en dek het buitendeel indien mogelijk af met een folie van kunst-stof om het te beschermen tegen weersinvloeden, zoals b. v. sneeuw. Definitieve buitenbedrijfstelling De ontmanteling kan om milieutechnische redenen al-leen gebeuren door een vakbedrijf.
De firma REMKO GmbH & Co. KG of uw bevoegde contractant noemen u graag een koelvakbedrijf in uw buurt. Combinaties RKV 13 W RKV 13 K RKV 13 T RKM 612 zz zz zz z z z z z z RKM 712 zzz zzz zzz zz z zz z z zz z zz zz z z zz z z z RKV 24 W RKV 13 K RKV 24 T RKM 618 zz zz zz z z z z z z zzz zzz zzz zz z zz z z zz z zz zz z z zz z z z RKM 718 RKV 13 W 24 W 13 K 24 K 13 T 24 T RKS 513 z z z RKS 524 z z z * Bij alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken en tegen opnieuw inschakelen beveiligd worden. Onderhoud Voor de regelmatige verzorging en het in acht nemen van een paar basisvoorwaarden zal uw airconditioning u danken met een lange levensduur en een storingsvrij bedrijf. * Laat het apparaat nooit werken zonder origineel fil-ter, omdat anders de warmtewisselaarlamellen ver-vuild raken en het apparaat aan capaciteit verliest.
9 * * Bij alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken (zekering resp. reparatieschakelaar) en tegen opnieuw inschakelen beveiligd worden. Eliminering van storingen Het apparaat werd vervaardigd met de meest moderne productiemethodes en meermaals getest op foutloze wer-king. Zouden er toch functiestoringen optreden, controleer het apparaat dan aan de hand van de volgende lijst. Indien alle functiecontroles werden uitgevoerd en het apparaat nog altijd niet storingsvrij werkt, gelieve dan uw vakhandelaar op de hoogte te stellen of wend u rechtstreeks tot REMKO GmbH & Co KG. Zie ook hoofdstuk “Klantendienst en garantie“. Storing Mogelijke oorzaak Ter controle Oplossing Het apparaat start niet of scha-kelt zich automatisch uit. Stroomuitval Werken alle andere elektrische componenten. Spanning controleren, evt.
wach-ten op opnieuw inschakelen Netzekering defect / hoofdschakelaar uitgeschakeld Zijn alle lichtstroomcircuits operati-oneel. Netzekering vervangen / hoofd-schakelaar inschakelen Netvoedingsleiding beschadigd Werken alle andere elektrische componenten. Reparatie door vakbedrijf Wachttijd na het inschakelen te kort Langere wachttijd plannen Nieuwe start na ca. 5 minuten Werktemperatuur te laag / te hoog Werkt de ventilator nog. Inzettemperatuurbereik 15 tot 30 °C in acht nemen Het binnentoestel reageert niet op de afstandsbediening. Timerinstelling op „Inschakelen“ Programmering wissen Start van het apparaat afwachten Overspanningen door onweer Waren er onlangs plaatselijke blik-seminslagen. Apparaat met de schakelaar 5 min isoleren van het net en opnieuw starten Na batterijvervanging verkeerde poling Is de poling verkeerd.
Afstand verminderen tot minder dan 6 m en van plaats veranderen Afstandsbediening defect Werkt de afstandsbediening bij schakelaarstand „Manueel“ Afstandsbediening vervangen Ontvangst- resp. zendgedeelte krijgt te veel zonlicht Werkt de afstandsbediening bij schaduw. Zend- resp. ontvangstgedeelte in de schaduw plaatsen Elektromagnetische velden storen de overdracht Werkt de afstandsbediening bij uitgeschakelde apparaten in de omgeving. Geen signaaloverdracht bij bedrijf van stoorbronnen Toets van de afstandsbediening geklemd / dubbele toetsbediening Verschijnt het symbool in het display. Toets ontgrendelen / maar één toets indrukken Batterijen van de afstandsbedie-ning leeg Zijn er nieuwe batterijen ingezet. Is het display onvolledig leesbaar. Nieuwe batterijen erin zetten Temperatuurinstelling te hoog Ligt de gekozen temperatuur bo-ven die van de ruimte.
Gekozen temperatuur verlagen Het apparaat werkt met vermin-derde koelcapaciteit. Filter is verontreinigd / aanzuig– en/of uitblaasopening geblokkeerd door vreemde voorwerpen Aanzuigrooster openen en filters controleren Filters reinigen Ramen en deuren geopend / warmtelast werd verhoogd Is er een bouwtechnische veran-dering / verandering in de toepas-sing. Ramen en deuren sluiten / extra installaties monteren Geen „Koel“-functie geprogram-meerd Is het koelsymbool in het display geactiveerd. Werking van het apparaat corrige-ren Het binnentoestel lekt zichtbaar condensaatwater. Afvoerbuis van het verzamel-reservoir verstopt / beschadigd Is de ongehinderde condensaat-afvoer gegarandeerd. Afvoerbuis en het verzamel-reservoir reinigen Condensaatpomp of vlotter defect Zit de opvangbak vol water en werkt de pomp niet. Defecte delen laten vervangen door een vakbedrijf.
11 Installatiehandleiding voor het vakpersoneel Belangrijke instructies voor de installatie Controleer de inhoud van de verpakking op volledig-heid en de apparaten op zichtbare transportschade. Gebreken moeten onmiddellijk aan uw contractant en de expediteur gemeld worden. Breng het apparaat in de originele verpakking zo dicht mogelijk bij de montageplaats om transport-schade te vermijden. Kies een montageplaats waar een vrij aanzuigen en uitblazen van de lucht gegarandeerd is. Minimum vrije ruimtes zijn aan de bovenkant 500 mm en aan de onderkant 150 mm. Plan zorgvuldig hoe de condensaatwaterleiding ge-legd wordt. Als die horizontaal gelegd wordt, dan moet er speciale aandacht worden besteed aan het verval (minstens 2 %). Controleer voor de installatie de elektrische aansluit-waarden en de gegevens op het typeplaatje op over-eenstemming.
Verwijder de beschermkappen van de aansluitingen pas vlak voordat ze met de koelmiddelleidingen ver-bonden worden. Houd er rekening mee dat de netvoeding alleen wordt aangesloten aan het buitendeel. De regellei-dingen naar het binnentoestel moeten samen met de koelmiddelleidingen gelegd worden. Voer alle elektrische aansluitingen uit volgens de geldende DIN-VDE voorschriften. Vaak voorkomende installatiefouten De volgende fouten moeten bij de installatie absoluut vermeden worden: Installeer het apparaat niet in de onmiddellijke nabij-heid van objecten met intensieve warmtestraling (b. v. lampen). De in- en uitlaatopeningen voor de lucht mogen niet door meubels, gordijnen e. d. gehinderd worden. Zorg ervoor dat de elektrische aansluitingen in de klemmen volgens de voorschriften zijn bevestigd. De koelmiddelleidingen mogen niet geknikt of inge-drukt worden.
Vermijd onnodige buigingen om het drukverlies in de koelmiddelleidingen te minimaliseren en om te ga-randeren dat de verdichterolie terugstroomt. Muurdoorbraken Om de verbindingen tussen binnentoestel en buitendeel te kunnen maken zijn muurdoorvoeren onvermijdelijk. Neem de volgende punten in acht: Voor de verbindingsleidingen naar het buitendeel moet op de plaats van installatie een doorbraak met een diameter van min. 70 mm gecreëerd worden. Het gat moet van binnen naar buiten een verval van minstens 10 mm of 2 % bezitten. Koelmiddel- terugloopleiding Regelleiding Condensaatslang Koelmiddel- toevoerleiding Controleer van tevoren of in de buurt van de muur-doorvoer geen voedingsleidingen (water enz. ) zitten. Wij raden aan om het gat van binnen te vullen of b. v. met een PVC-buis te bekleden om beschadigingen aan de leidingen te voorkomen.
Na geschiede montage moet de muurdoorbraak met een geschikte dichtmassa afgesloten worden. Ge-bruik hierbij geen cement- of kalkhoudende stoffen. min. 10 mm min. 70 mm Buiten Binnen Als het buitendeel boven het binnentoestel wordt aangebracht, dan moeten er speciale preventieve maatregelen voor de terugvoering van de olie ge-troffen worden. De condensaatleiding moet gelegd worden met een verval van minstens 2 %. Als de condensaatleiding wordt verbonden met de afvoerleiding, dan moet een geurafsluiting worden voorzien, waarvan de bovenkant de hoogte van de onderkant van het binnentoestel niet mag overschrijden.
12 De wandklem wordt, zoals beschreven in de volgende afbeeldingen, bevestigd met schroeven (meegeleverd) en voor de muur geschikte pluggen (aanzicht van ach-ter, alle maten in mm). Zorg voor een horizontale uitrichting en houd de vereis-te minimumafstanden aan. Montage van de wandklem Het binnenapparaat wordt gemonteerd met een wand-klem. Houd voor de montage rekening met de drie aansluit-mogelijkheden van de koelmiddel-, condensaat- en re-gelleidingen aan het binnentoestel (1 = achter, 2 = rechts, 3 = onder). De toegangen zijn afgesloten door platen, die afhankelijk van de betreffende afsluitvariant eruit gebroken moeten worden. 3 2 1 Wandklem Montage aan de wandklem Na geschiede montage van de wandklem wordt het bin-nentoestel van boven op de wandklem geschoven en ingehaakt. Zorg voor een goede bevestiging.
Montageafstanden (zijaanzicht/aanzicht van achter) Montage onder het plafond Bij de montage van het apparaat onder het plafond moeten in elk geval de vier geïntegreerde plafondklem-men gebruikt worden. Daarmee wordt het binnentoestel met geschikte pluggen 8 mm ø; schroeven / bouten en onderlegplaatjes aan het plafond bevestigd. Voor een ongehinderde condensaatafvoer moet een verval van ca. 8 mm naar de aansluitstomp toe wor-den aangehouden. Wandklem Plafondklem Installatie * Installeer het binnentoestel absoluut zo, dat een ongehinderde condensaatwaterafvoer en een vrije luchtaanzuiging en uitblazing altijd gegarandeerd zijn. * Zorg voor een goede bevestiging en houd de ver-eiste minimumafstanden aan. Ontbramer Koelmiddelleidingen 1. Kies de montageplaats zo, dat de achterkant vrij toe-gankelijk is. 2. Leid de vereiste buisdiameters af uit tabel „9. Tech-nische gegevens“.
Voor de verdere montage heeft u het volgende ge-reedschap nodig: * Er mag alleen gereedschap worden gebruikt dat is toegestaan voor gebruik in koelinstallaties. 4. Verwijder de wartelmoeren aan het apparaat en ge-bruik deze voor de verdere montage. 5. Bewerk de gelegde koelbuizen zoals beschreven in de volgende afbeelding.
13 Ongelijke dikte Scheur- vorming Scheur- vorming Golvend CORRECT 7. De condensaatwater- en regelleidingen worden eveneens aangesloten en al naargelang de variant naar buiten geleid (beschreven in wat volgt). 8. Als het door bouwtechnische omstandigheden niet mogelijk is om de condensaatleiding mee te leiden, vergewis u er dan van dat de condensaatafvoer voortdurend gegarandeerd is. 9. Hang het binnentoestel iets naar achter gekanteld in de gemonteerde wandklem. Druk het apparaat dan met de onderkant tegen de wandklem tot het appa-raat arrêteert. Neem de volgende instructies in acht, voordat u begint met de installatie: Wij raden aan om op de plaats van installatie een hoofd- / reparatieschakelaar te installeren in de buurt van het buitendeel. De stroomvoeding van de binnentoestellen gebeurt door het buitendeel via de verbindingsleiding.
De beveiliging van de installatie gebeurt conform de technische gegevens. De aansluitingen van het binnentoestel zitten, verstopt door de behuizing, aan de rechterkant van de ventilator. Om de leiding aan te sluiten gaat u als volgt te werk: 1. Klap het aanzuigrooster omlaag resp. demonteer het compleet en neem het rechter stoffilter weg. 2. De aansluitcontactstrip is na het verwijderen van de beschermafdekking vrij toegankelijk. 3. Sluit het binnentoestel nu met de spanningsvrije ver-bindingsleiding conform het elektrisch schakelsche-ma aan aan het buitendeel. 4. Monteer alle voordien gedemonteerde componenten in omgekeerde volgorde. 10. Als het buitendeel wordt aangebracht op een ho-ger niveau dan het bin-nentoestel, dan moeten er olieterugvoermaatregelen getroffen worden. Dit gebeurt door de vorming van een olie-zak, die per 2,5 stij-gende meter geïnstal-leerd moet worden.
De verbinding van de koelmiddelleidingen met de schroefverbindingen van het binnentoestel gebeurt eerst met de hand om een goede bevestiging te ga-randeren. Daarna worden de schroefverbindingen definitief bevestigd met twee muilsleutels met de juiste sleutelwijdte. 12. De beide geïnstalleerde leidingen worden voorzien van een geschikte diffusiedichte warmte-isolatie. Gebruik alleen voor het temperatuurbereik inzetbare isolatieslangen. 13. Leg de aangesloten buizen en regelleidingen naar het buitendeel. Verwijder de beschermkappen van de kleppen en ga zoals beschreven onder punt 5 verder met de bewerking. 14. Als de verbindingsleiding is gemaakt, dan wordt aan de schraderventielaansluitingen het manometerstati-on aangesloten: blauw = groot ventiel / zuigdruk, rood = klein ventiel / smoordruk) en de dichtheidscontrole uitgevoerd met gedroogd stikstof. 15.
Voor de dichtheidscontrole worden de gemaakte verbindingen besproeid met lekopsporingsspray. Als er bellen zichtbaar zijn, dan is de verbinding niet correct uitgevoerd. Elimineer de ondichtheid. 16. Na een succesvolle dichtheidscontrole wordt de overdruk verwijderd uit de buisleidingen en de vacuümpomp aangesloten aan de gele slang. Om een luchtledige ruimte (vacuüm) in de leidingen te creëren, schakelt u de vacuümpomp in. De tijdsduur is afhankelijk van het buisleidingvolume van het binnentoestel en de verbindingsleiding. 17. Als de lucht volledig uit het systeem is verwijderd, dan worden de ventielen van het manometerstation gesloten en de afsluitkleppen van het buitendeel, zoals beschreven in het hoofdstuk „Ingebruikname van het buitendeel“, geopend. * Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken en tegen op-nieuw inschakelen beveiligd worden.
Elektrische aansluiting Voor de aansturing van het buitendeel moet een vierade-rige regelleiding naar het binnentoestel en een voedings-leiding geïnstalleerd worden.
14 Elektrisch schakelschema Aansluitingen aan de buitendelen RKS en RKM De aansluitklemmen van de buitendelen kunnen al naargelang het type apparaat verschillende benamin-gen hebben: 230 V~, 50 Hz, L1/N/PE Rood Wit Oranje Geel-groen Buitendeel Naar de verdichterbe-veiliging Randaardegeleider Netvoedingsleiding Binnentoestel A / R N / C 2 / Y L1 N A N 2 PE PE PE Regelleiding Neutraalgeleider Buitenleiding Binnentoestel Beschrijving RKS RKM L1 buitenleiding A R N neutraalgeleider N C L regelleiding verdichterbeveili-ging 2 Y PE randaardegeleider Condensaataansluiting Omwille van de daling onder het dauwpunt aan de ver-damper wordt er tijdens het koelbedrijf zweetwater (condensaat) gevormd. De opvangbak van het binnen-toestel is uitgerust met een condensaatslang. Deze heeft een verval nodig om het condensaat veilig af te kunnen voeren.
Algemene instructies De condensaatafvoer wordt in de regel samen met de koelmiddelleidingen gelegd. Indien door bouwtechnische omstandigheden een af-wijkend traject van de condensaatslang vereist is, dan kan deze ook uit de andere aansluitvarianten naar buiten geleid worden. Indien het condensaat naar de riolering wordt geleid, voorzie dan een sifonachtig slangtraject als geuraf-sluiting. Zorg voor een toereikend verval naar de afvoer (minstens 2 %). Als het apparaat werkt bij buitentemperaturen onder 0 °C, dan moet de leiding vorstvrij gelegd worden. De meegeleverde condensaatafvoerslang kan met in de handel verkrijgbare slangen met een binnendiameter van 17 mm verlengd worden. Er moeten in elk geval geschikte slangklemmen gebruikt worden. Na het leggen moet gecontroleerd worden of het con-densaat goed wordt afgevoerd.
Wandmontage: De condensaatslang wordt onder of achter uit het bin-nentoestel geleid. Plafondmontage: De condensaatslang wordt door een extra, uitbreekbare ovale behuizingsopening in de buurt van het rooster uit het binnentoestel geleid.
15 Pomp De pomp wordt bevestigd met de meegeleverde, zelf-klevende klittenbanden op de aan, van voor gezien, rechter binnenkant van het apparaat boven de aansluit-klemmen. Aansluitklemmen Pomp Reservoir Afvoeropening Externe condensaatpomp De als toebehoren met EDV-nr. 1613167 verkrijgbare condensaatpomp transporteert het condensaat dat wordt gevormd in het binnentoestel, ook stijgend, naar ongunstig gelegen afvoeren. De pomp kan binnen het apparaat geïnstalleerd worden. Neem de gebruiksaanwijzing van de pomp en de vol-gende instructies in acht: Bescherm het huis tegen direct contact met het con-densaat. Open het huis van de pomp niet. Controleer of de bedrijfsspanning van de pomp en de netspanning overeenkomen. Gebruik het alarmcontact om het buitendeel uit te schakelen.
Houd er rekening mee dat het alarmcontact, al naar-gelang de last van het gebruikte buitendeel, alleen in combinatie met een beveiliging of relais voor de uit-schakeling mag worden ingezet. Sluit de pomp goed aan aan de regelleiding. Reservoir met sensor Het reservoir dient om het condensaat op te vangen. Een sensor schakelt de pomp in bij het bereiken van een bepaalde waterstand. De elektronische sensor maakt het mogelijk om de as van het reservoir tot 30° te draaien. Mogelijke montagepositie: draaiing van de as met maxi-maal 30° naar rechts of links De condensaatpomp bestaat uit 2 componenten: het reservoir met sensor de pomp * Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken en tegen op-nieuw inschakelen beveiligd worden.
Kondensatab-laufschlauchEntlüftungsschlauch(kurz)PumpeReservoirAnsaugschlauch(lang)TropfwanneCondensaat-afvoerslang Ontluchtingsslang(kort) Pomp Druppelbak Reservoir Aanzuigslang (lang) Verbindingen van de condensaatpomp aan water-kant Het reservoir wordt met de aansluiting van de conden-saatdruppelbak van het binnentoestel verbonden via een op de plaats van installatie te voorziene slang (20 mm Ø).
De in de fabriek gemonteerde flexslang van de condensaatbak moet gedemonteerd worden. Reservoir en pomp worden verbonden met de lange aanzuigslang en de insteekbare sensorleiding van het reservoir. Om een geluidsarm pompbedrijf te garande-ren mag de aanzuigslang niet worden ingekort. Elektrische aansluiting van de condensaatpomp De elektrische aansluitingen mogen alleen worden uit-gevoerd door geautoriseerd vakpersoneel conform de geldende voorschriften. Onder de slangaansluitingen bevindt zich de door een afschroefbaar deksel afgesloten elektrische aansluit-ruimte. De pomp is uitgerust met een alarmcontact, dat het binnentoestel uitschakelt en bovendien een ter plaatse te installeren stoor- / alarmmelding kan aansturen. De meegeleverde ontluchtingsslang is dwingend vereist voor de correcte werking van het reservoir.
Het uiteinde van de ontluchtingsslang moet zich minstens op dezelf-de hoogte als de condensaatbak bevinden om overlo-pen te verhinderen. De bijgevoegde metaaldraadklem dient voor de voorge-schreven verticale slangbevestiging. Zorg ervoor dat de slang niet doorhangt, om luchtblazen te vermijden. De 6 mm (binnendiameter) dikke slang wordt gelegd met een max. hoogteverschil van 6 meter naar de af-voer. Het traject van de condensaatleiding moet zo ver-ticaal mogelijk lopen. * Als de pomp buiten het apparaat wordt geïnstal-leerd, dan mag een hoogteverschil van 3 m tussen de onderkant van het apparaat en de erboven ge-monteerde pomp niet worden overschreden.
16 Leidinglengte Buis- diameter Vulhoeveel-heid per meter tot en met 5 m - - 6. 35 mm Ø / 1/4‘‘ 15 g/m 9. 52 mm Ø / 3/8‘‘ 18 g/m 5 m tot max. 15 m Voorbereiding van de in-gebruikname Na een succesvolle drukproef moet de vacuümpomp met het manometerstation aan de klepaansluitingen van het buitendeel (zie hoofdstuk „Installatie“) aangesloten en moet er een vacuüm gecreëerd worden. Procedure: 1. Verwijder de vacuümpomp en sluit de vulcilinder aan. 2. Zet de geopende cilinder op een balans en kalibreer de balans op nul. 3. Ontlucht de slang ter hoogte van de manometer-verdeelbuis. 4. Leg de vereiste vulhoeveelheid vast aan de hand van de tabel hierboven en open de zuigdrukkant van de manometer om met het vulproces te beginnen. 5. Sluit het manometerventiel bij het bereiken van de benodigde hoeveelheid.
Elektrisch schakelschema van de condensaatpomp Controle van de koelmiddelleidingen en kleppen met lekopsporingsspray of zeepwater bij stilstand van het apparaat. Controle op abusievelijk verwisselen van de verbin-dingsleidingen. Met name bij RKM serie 600 en 700. Controle van de koelmiddelleidingen en de isolatie op beschadigingen. Controle van de elektrische verbindingsleidingen tussen binnentoestel en buitendeel op correcte aan-sluiting. Controle van alle bevestigingen, ophangingen enz. op goede zitting en correct niveau. Als de enkele lengte van de koelmiddelleiding 5 me-ter overschrijdt, dan moet extra koelmiddel in de in-stallatie worden gegoten.
Voor de eerste ingebruikname van het apparaat en na ingrepen in het koelcircuit moeten de volgende contro-les uitgevoerd worden: Störung /AlarmSteuerleiterInnengerätSteuerleiterAußenteilAußenleiterNeutralleiterSteuerleiterInnengerätSchutzleiterSteuerleiterAußenteilANPEStörungInnengerätPumpefest verdrahtete2RotWeißOrangeGelb-GrünGelb-GrünBlauBraunNetzzuleitungBinnentoestel Rood Wit Oranje Geel-groen Buitengeleider Neutraalgeleider Regelleiding binnentoestel Randaardeleiding Regelleiding buitendeel Storing Vast bedrade netvoedingsleiding Geel-groen Blauw Bruin Pomp Storing / alarm Regelleiding binnentoestel Regelleiding buitendeel Ingebruikname van de condensaatpomp Voordat de pomp in gebruik wordt genomen, moet de werking en de dichtheid van de gelegde leidingen gecontroleerd worden. 1. Schakel de spanningsvoeding van de pomp in. 2.
Giet gedestilleerd water in de condensaatopvangbak tot de pomp door het reservoir wordt ingeschakeld. 3. Houd er rekening mee dat de pomp bij de eerste of een heringebruikname hoorbaar kan werken. Na een korte bedrijfstijd normaliseert het geluid zich. 4. Houd er rekening mee dat de pomp zich automatisch uitschakelt zodra het water uit het reservoir is gepompt. 5. Als u bij de ingebruikname een sterke geluidsont-wikkeling door vibrerende slangen vaststelt, isoleer de slangen dan met slangen van schuimstof. Bij het gebruik van diffusiedichte warmte-isolerende slangen wordt de vorming van kwelwater vermeden. 6. Controleer de werking van het alarmcontact door de ingegoten hoeveelheid water snel drastisch te vergroten. Het alarmcontact moet de compressor in het buitendeel uitschakelen.
17 * De ingebruikname moet gebeuren door de fabrikant of een andere door de fabrikant aangewezen geau-toriseerde deskundige conform het attest over de ingebruikname (pagina 18) en moet gedocumen-teerd worden. * Voor het proefdraaien moeten alle afsluitinrichtin-gen in het koelcircuit geopend worden (zie ook montagehandleiding van het buitendeel). Ingebruikname Om te garanderen dat alle functies correct werken moet voor de overhandiging aan de exploitant een functie-controle worden uitgevoerd om onregelmatigheden tij-dens het bedrijf van het apparaat te herkennen. * Door de inschakelvertraging van het buitendeel start de koelmachine pas een paar minuten later. Werkwijze bij het proefdraaien Ga tijdens het proefdraaien als volgt te werk: 1. Controleer de koelmachines en de ventilators op ge-lijkmatige loop. 2.
Controleer of het binnentoestel koude lucht en het buitendeel warme lucht afgeeft. 3. Meet de oppervlaktetemperatuur van de warmtewis-selaar, noteer deze in het ingebruiknameprotocol. Houd de thermometer bij de meting aan het verbin-dingsstuk van de dunne koelmiddelleiding. 4. Controleer tijdens het proefdraaien de werking en correcte instelling van alle programma-aflopen, alle regel-, stuur- en veiligheidsinrichtingen. 5. Controleer de regeling van het apparaat aan de hand van de in hoofdstuk „4. 2 De afstandsbedie-ning“ beschreven functies (timer, temperatuurinstel-lingen, ventilatie- en ontvochtigingsbedrijf). 6. Stel de uitblaaslamellen correct in om een ongunsti-ge luchtverdeling te vermijden. 7. Maak de exploitant vertrouwd met de installatie en overhandig hem het protocol over de eerste inge-bruikname. Ingrepen in het koelcircuit mogen alleen gebeuren door een vakbedrijf.
Daardoor is gegarandeerd dat er bij re-paraties geen koelmiddel in het milieu belandt. Zowel voor het koelmiddel als voor de installatiecompo-nenten gelden speciale voorwaarden bij de verwerking. Het ingezette koelmiddel behoort tot de zogenaamde veiligheidskoelmiddelen.
Dat betekent dat hoeveelhe-den die in het geval van een beschadiging vrijkomen, geen schade aan de longen en de luchtwegen van mensen of dieren veroorzaken. Belangrijke informatie over de recyclage. Milieu en recyclage Klantendienst en garantie De foutloze werking van het apparaat werd in de fabriek gecontroleerd. Zouden er toch storingen optreden, die door de exploi-tant niet met behulp van de storingseliminering (hoofdstuk „Eliminering van storingen“) kunnen worden opgehe-ven, gelieve dan contact op te nemen met uw hande-laar of contractant. * Het contact met vloeibaar koelmiddel kan niettemin bevriezingen aan de huid tot gevolg hebben. Proefdraaien Voer het proefdraaien als volgt uit: 1. Schakel de ter plaatse geïnstalleerde hoofdschake-laar resp. de zekering in. 2. Stel de gewenste temperatuur aan de afstands-bediening in op een lagere waarde dan de huidige ruimtetemperatuur. 3.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met REMKO RKV13T stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Airco REMKO
Handleiding Airco
Nieuwste handleidingen voor Airco