REMKO RKS518 Handleiding

REMKO Airco RKS518

Bekijk gratis de handleiding van REMKO RKS518 (16 pagina’s), behorend tot de categorie Airco. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 16 mensen en kreeg gemiddeld 5.0 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over REMKO RKS518 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/16
REMKO – alles beresterk.
REMKO RKS 510 / 513 / 518 / 524
Combi-airconditioners
Uitgave NL – P08
Bediening
Techniek
Onderdelen

Beoordeel deze handleiding

5.0/5 (2 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: REMKO
Categorie: Airco
Model: RKS518

Handleiding REMKO RKS518 – volledige tekst

3 G Bewaar deze instructies altijd binnen handbereik of in de buurt van het apparaat! G Inhoud bladzijde Veiligheidsvoorschriften 4 Transport en verpakking 4 Beschrijving van het apparaat 4 Bediening 5 Systeemopbouw 5 Combinaties 5 Buitenbedrijfstelling 5 Onderhoud 5 Storingen 6 Technische gegevens 6 Afmetingen 7 Montageinstructies voor de installateur 7 Inhoud bladzijde Installatie 9 Dichtheidsproef 10 Elektrische aansluiting 10 Schakelschema 11 Winterregeling 12 Voor de inbedrijfstelling 12 Bijvulling van koudemiddel 12 Inbedrijfstelling 13 Service en garantie 13 Milieu en recycling 13 Certificaat over de eerste inbedrijfstelling 14 Lees deze handleiding zorgvuldig door voordat u het apparaat in bedrijf stelt / gebruikt! Bij oneigenlijk gebruik, plaatsing of onderhoud etc. of het eigenhandig veranderen van de door de fabrikant geleverde apparatenuitvoering vervalt iedere garantie.

4 Transport en verpakking De apparaten worden geleverd in een stabiele transport-verpakking uit karton. Controleer de apparaten a. u. b. onmiddellijk bij levering. Noteer eventuele beschadigingen of ontbrekende onder-delen op het volgbriefje en informeer de transporteur en uw contractant. Op latere reclamaties wordt geen garantie gegeven. Beschrijving van het apparaat De buitenunit van de combi-airconditioners in splituit-voering dient om de warmte die door de binnenunit uit de te koelen ruimte wordt opgenomen, af te geven aan de buitenlucht. De werkwijze van de airconditioner is denkbaar een-voudig: door de binnenunit wordt warmte onttrokken aan de te koelen ruimte. Deze warmte wordt, zoals bij alle REMKO klimaatproducten, door het milieuvriende-lijke koudemiddel R407 C getransporteerd. De buitenunit bestaat uit een compressor, lamellen-condensor en smoororgaan.

De buitenunit is combi-neerbaar met een wand-, vloer– of cassette unit die over het passende koelvermogen beschikt. De aan-sturing van de buitenunit geschiedt via de regeling van de binnenunit. Veiligheidsvoorschriften Voor de levering werden de apparaten aan uitgebreide materiaal-, functie– en kwaliteitscontroles onderworpen. De apparaten mogen uitsluitend gebruikt worden voor de doeleinden waarvoor ze zijn gemaakt. Bij onheus gebruik kunnen gevaren van de apparaten uitgaan. Neem absoluut de volgende aanwijzingen in acht: àZorg dat de personen die bekend zijn met de be-diening van de airconditioner, het apparaat op zicht-bare gebreken aan de bedienings– en veiligheids-mechanismen controleren, voordat zij het apparaat in bedrijf stellen. àDe spanningstoevoer van de apparaten dient uitge-schakeld en tegen onbevoegd inschakelen beveiligd te zijn, voordat werkzaamheden worden uitgevoerd.

terwijl de apparaten aan staan is gevaarlijk en kan tot een ongecontroleerde werking leiden. àGebruik de apparaten enkel binnen de aangegeven bedrijfstemperaturen. Let op de omgevingstemperatuur. àZorg dat de apparaten op voldoende afstand van ontvlambare voorwerpen worden geplaatst. àZorg dat de voorgeschreven minimale vrije ruimte rondom de apparaten wordt aangehouden. àZorg dat de luchtaanzuig– en uitblaasopeningen altijd vrij zijn van andere voorwerpen. àSteek geen voorwerpen in de luchtaanzuig– en uitblaasopeningen en zet geen voorwerpen op de apparaten neer. àSluit de apparaten enkel aan op een correct geïn-stalleerde en geaarde stroomvoorziening. àGebruik de apparaten niet in ruimten met ontplof--fingsgevaar. Voor het gebruik in zeer stofhoudende of agressieve lucht zijn de apparaten eveneens niet geschikt.

àGebruik in de directe omgeving van de apparaten geen ontvlambare sprays zoals haar– of lakspray. àGebruik de apparaten niet in de buurt van olie– zwavel– en zouthoudende dampen. àStel de apparaten niet bloot aan een waterstraal. Hogedrukreiniger enz. àEen optimale functie van de apparaten wordt alleen gegarandeerd bij buitentemperaturen van – 15 tot + 46 °C. àOpen nooit de behuizing van de apparaten. U zou gevaar lopen voor een elektrische schok. àBescherm alle verbindingsleidingen tegen beschadi-ging, b. v. door dieren. àAlle REMKO klimaatproducten zijn uitgerust met het milieuvriendelijke koudemiddel R 407 C. àDe buitenunit is via de binnenunit voorzien van een beveiliging tegen het uit– en onmiddellijk weer in-schakelen, om schade aan de compressor te voor-komen. Na het uitschakelen kan het apparaat pas na een wachttijd van 3 minuten weer gestart worden.

G Alle installatie– en reparatiewerkzaamheden mogen alleen door erkend en gekwalificeerd personeel worden uitgevoerd. Onjuist gebruik De buitenunits zijn ontworpen en gefabriceerd om uit-sluitend in combinatie met REMKO binnenunits van de serie RKV te worden gebruikt. De fabrikant is niet aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit het niet in acht nemen van de instructies van de fabrikant, de wettelijke eisen, of voor schade tengevolge van het eigenmachtig aanbrengen van ver-anderingen aan de apparaten.

5 RKS 510 RKS 513 RKS 524 RKV 10 W l RKV 13 W l RKV 18 W l RKV 24 W l RKV 13 C l l RKV 18 C l RKV 24 C l RKV 13 T l RKV 24 T l l RKS 518 Combinaties Buitenbedrijfstelling Tijdelijke buitenbedrijfstelling 1. Schakel de installatie met behulp van de afstands-bediening uit en onderbreek de netspanning via de hoofdschakelaar of de beveiliging. 2. Controleer de buitenunit op zichtbare beschadi-gingen. 3. Reinig de buitenunit zoals beschreven in hoofdstuk „Onderhoud“ en dek de unit naar mogelijkheid met een kunststof hoes af om hem tegen weersinvloeden te beschermen. Bediening De bediening van de buitenunit geschiedt via de rege-ling van de aangesloten binnenunit. Raadpleeg daarom het hoofdstuk „Bediening“ van de bedieningshandleiding van de binnenunit. G Voordat aan het apparaat wordt gewerkt dient de hoofdvoeding uitgeschakeld en tegen onbevoegd inschakelen beveiligd te worden.

Onderhoud Periodiek onderhoud en het in acht nemen van enkele elementaire regels garanderen een storingsvrij functio-neren en een lange levensduur van het apparaat. àHou de apparaten vrij van vervuilingen en andere afzettingen. àMaak de apparaten met een bevochtigde doek schoon. Stel de apparaten niet aan een waterstraal bloot. àGebruik geen schuurmiddel en geen scherpe of oplosmiddelhoudende reinigers. àMaak het apparaat ook bij sterke vervuiling enkel mit een geschikt reinigingsmiddel schoon. àReinig vóór een langere periode van niet-gebruik de lamellen van de buitenunit bij lopende ventilator. àDek de buitenunit met een kunstof hoes af om het indringen van vuil te voorkomen. àWij adviseren om een servicecontract met een erkend vakbedrijf af te sluiten. Zo garandeert u te allen tijde de bedrijfsveiligheid van de installatie.

KG of uw contractant zijn graag behulpzaam bij het vinden van een erkend bedrijf voor koudetechniek in uw buurt. Systeemopbouw De binnenunit wordt op de aansluitingen van de buiten-unit angesloten. Verklaring 1 Binnenunit RKV 10 W (voorbeeld) 2 Buitenunit RKM 510 (voorbeeld) 3 Verbindingsleiding 4 Afsluitventiel van de koelkring A voor ruimte A 5 Condensorventilator 1 3 4 Buitenbereik Binnenbereik 5 2.

6 Storingen Het apparaat werd met de modernste productiemethoden vervaardigd en meerdere malen op een correct functione-ren getest. Mochten er desondanks storingen optreden, dan kunt u het apparaat aanhand van de onderstaande lijst controleren. De buitenunit wordt via de binnenunit aangestuurd. Het is daarom raadzaam ook het hoofdstuk „Storingen“ in de bedieningshandleiding van de binnenunit te lezen. Als u alle functies gecontroleerd heeft en het apparaat nog steeds niet correct werkt, raadpleeg dan uw vakhandelaar. RKS 510 RKS 513 RKS 518 RKS 524 Koelvermogen * W 2900 3800 4800 6800 Toepassingsbereik (grootte van de ruimte ca. ) m³ 90 120 160 230 Bedrijfslimiet buitentemperatuur °C - 15 tot + 46 Max. volumestroom lucht m³/h 2050 2050 2550 4100 Koudemiddel R 407 C Hoeveelheid koudemiddel g 1500 1500 2100 2300 Koudemiddeldruk max. / min.

Laten repareren door een vakbedrijf Wachttijd na het inschakelen te kort Werd de unit na ca. 5 min. herstart. Langere wachttijd inplannen Bedrijfstemperatuur onder- / overschreden Werken de ventilatoren van de apparaten. Temperatuurbereik in acht nemen Tijdelijke over– of onderspanning Door een erkend vakbedrijf laten controleren. Uitschakelen en herstarten van de installatie Alarmcontact van de externe condensaatpomp geopend Staat de externe condensaatpomp van de binnenunit op storing. Afvoer van de condensaatpomp reinigen / pomp laten vervangen Het apparaat levert minder of geen koelprestatie Aanzuig– / uitblaasopening geblokkeerd Zitten er vuildeeltjes in het aanzuig– en uitblaasbereik. Lamellen reinigen / luchtweerstand reduceren Verhoogde warmte-/ of windlast Zijn er bouwkundige veranderingen geweest of is de toepassing veranderd.

Reduceren van de warmte- / windlasten door geschikte maatregelen Geen warmteafgifte mogelijk Werkt de ventilator van de buitenunit. Ventilator / winterregeling controleren Lek in de koelkring Is rijpvorming op het grote afsluit-ventiel zichtbaar. Door een erkend vakbedrijf laten repareren Het apparaat start niet of schakelt zelfstandig af.

7 Montageinstructies voor de installateur Belangrijke aanwijzingen voor de installatie Om het vermogen van de airconditioner niet nadelig te beïnvloeden moeten bij de opstelling van de buitenunit en de installatie van de koudemiddelleidingen enkele fundamentele regels in acht genomen worden: àLet u op dat de maximale lengte van de koudemiddel-leiding 15 meter bedraagt, bij een maximaal hoogte-verschil van 10 meter. àEr moet extra koudemiddel in de installatie bijgevuld worden als de enkele lengte van de koudemiddel-leiding langer dan 5 meter is. Voor de hoeveelheid koudemiddel die bijgevuld moet worden, zie hoofdstuk „Bijvulling van koudemiddel“. àLet u op dat de binnenunit en de buitenunit van de airconditioner technisch op elkaar afgestemd zijn. Bij gebruik van componenten van een ander fabri-kaat vervalt iedere garantie.

àControleer de inhoud van de verpakking op volledig-heid en op zichtbare transportschade. àGebreken dienen onmiddellijk aan de contractant of transporteur te worden gemeld. Reclamaties achter-af worden niet aanvaard. àBreng het apparaat in de originele verpakking zo dicht mogelijk naar de plaats van montage. U vermijd zo eventuele transportschade. àControleer voordat u met de installatie begint, of de elektrische voeding overeenkomt met de gegevens op het typeplaatje. àVerwijder de beschermkappen van de aansluitingen pas kort voor het verbinden met de koudemiddelleidingen. àLet op dat de koudemiddelleidingen niet geknikt of ingedeukt worden. àBij de installatie en het onderhoud van luchtbehandelingsinstallaties kunnen gevaren door hoge druk en elektrische spanning ontstaan. àWees bij gedemonteerde afdekkingen extra voorzichtig.

àSluit de elektrische voeding alleen op de buitenunit aan. Het is aanbevolen om de stuurleidingen naar de binnenunit samen met de koudemiddelleidingen te installeren. àAlle elektrische aansluitingen dienen overeenkomstig de geldende voorschriften te worden uitgevoerd. àLet op dat alle koudemiddelleidingen, met inbegrip van de verbindingsstukken en ventielen, voorzien zijn van een diffusiedichte warmte-isolatie. Vermijdbare installatiefouten Neem bij de installatie de volgende punten in acht: àInstalleer de leidingen van de binnenunit naar de buitenunit en hou de lengte van de koudemiddelleidingen zo kort mogelijk. àOpen de afsluitventielen van de koudemiddelleidin-gen pas nadat de gehele installatie gemonteerd is. àZorg dat de elektrische leidingen altijd behoorlijk en stevig in de klemmen bevestigd zijn. Er kan anders brand ontstaan.

àDek open koudemiddelleidingen met passende dop-pen of tape af, zodat geen vocht kan indringen. àVermijd onnodige bochten. Zo wordt het drukverlies in de koudemiddelleidingen zo gering mogelijk gehouden en kan de compressor-olie vrij terugstromen. àTref bijzondere voorzieningen voor de olieterugvoer als de buitenunit hoger dan de binnenunit wordt ge-plaatst. Zie hoofdstuk „Maatregelen voor de olieterugvoer“. àInstalleer het apparaat niet in de buurt van objecten met een intensieve warmtestraling zoals b. v. glas reflectievlakken. In de buurt van warmtestralingen wordt de warmte- afgifte van de lamellen van de buitenunit verminderd. Afmetingen 615 295 322 860 510 320 RKS 510, RKS 513, RKS 518 645 345 417 997 560 335 RKS 524.

8 Deze afstanden zijn noodzakelijk voor een ongehinderde luchtaanzuig en -uitblaas, voor onderhoud en reparatie-werkzaamheden en tevens om beschadiging van het apparaat te voorkomen. Minimale vrije ruimte In de onderstaande afbeelding zijn de minimale vrije ruimten aangegeven die voor een storingsvrije werking van de apparaten nodig zijn. D C B A RKS 510 RKS 513 RKS 518 RKS 524 A 200 mm 300 mm B 700 mm 900 mm C 400 mm D 175 mm 100 mm Muurdoorvoeringen Om de verbindingen tussen binnenunit en buitenunit te kunnen realiseren, zijn muurdoorvoeringen onvermijdbaar. Let u op de volgende punten: àIn de muur moet een gat van minstens 70 mm door-snede worden geboord. àHet gat moet van binnen naar buiten een afschot van minstens 10 mm hebben. àControleer voor het begin van de werkzaamheden dat er op de boorplek geen toevoerleidingen (water etc. ) aanwezig zijn.

àWij raden u aan de binnenkant van het gat te voeren of b. v. met een pvc-buis te bekleden om bescha-diging van de leidingen te voorkomen. Stuurleiding Koudemiddel-zuigleiding Condensaatleiding Koudemiddel- inspuitleiding àBij gebruik van REMKO koudemiddel verbindings-leidingen dient de elektrische stuurleiding bouwzijdig te worden geleverd. Het muurgat moet daarom aangepast worden, af-hankelijk van de bouwzijdig gebruikte leidingen. àNa de montage dient de muurdoorvoering met een geschikte dichtingsmassa te worden gesloten. Gebruik geen cement– of kalkhoudend materiaal. Plaats van opstelling van de buitenunit De buitenunit moet op een horizontale, vlakke en sta-biele plaats opgesteld worden. Zorg bovendien dat het apparaat niet kan omkantelen. De buitenunit kan zowel buiten als ook binnen in een gebouw geplaatst worden.

Regen: Bij vloer– of dakopstelling moet tussen apparaat en vloer/dak een afstand van minimaal 10 cm (maat X in de onderstaande tekening) vrij gehouden worden. Een vloerconsole is als accessoire verkrijgbaar. Zon: De lamellenwisselaar (condensor en condensator) van de buitenunit is een warmteafgevend onderdeel. Zoninstraling verhoogt de temperatuur van de lamellen nog eens extra en reduceert zodoende de warmte-afgifte van de lamellenwisselaar. De buitenunit dient naar mogelijkheid aan de noordkant van het gebouw te worden geplaatst. Bouwzijdig dient eventueel voor beschaduwing gezorgd te worden. Dit kan b. v. een klein afdakje zijn. De uittre-dende warme luchtstroom mag hierdoor echter niet wor-den beïnvloed.

Wind: Als het apparaat voor het merendeel in een winderige omgeving wordt geïnstalleerd, dient erop gelet te wor-den dat de uittredende warme luchtstroom met de hoofd-windrichting wordt uitgeblazen. Indien dit niet mogelijk is, moet bouwzijdig eventueel in een windbescherming worden voorzien. Let op dat de windbescherming de luchttoevoer van het apparaat niet belemmert. Wind.

9 Sneeuw: In gebieden met sterke sneeuwval kan de buitenunit het beste aan de muur worden gemonteerd. De unit moet dan minstens 20 cm boven de te verwach-ten sneeuwhoogte worden gemonteerd om het indringen van sneeuw in de buitenunit te voorkomen. Een muurconsole is als accessoire verkrijgbaar. Plaatsing in een gebouw: Neem de volgende informatie in acht als de buitenunit binnen in een gebouw geplaatst wordt: àZorg voor voldoende warmteafvoer als de buitenunit in de kelder, op zolder, in nevenruimten of hal wordt geplaatst. àInstalleer hiervoor een extra ventilator die dezelfde luchtvolumestroom heeft als de te plaatsen buiten-unit en die eventuele drukafval in de luchtkanalen kan compenseren. àZorg voor een ongehinderde luchttoevoer van buiten, liefst door tegenover elkaar gelegen luchtopeningen, die voldoende groot zijn.

àVermijd geluidshinder in woonruimten door voldoende geluidsisolatie. àBlokkeer of barricadeer in geen geval de aanzuig-roosters. àNeem de statische en verdere bouwtechnische voor-schriften en bedingen met betrekking tot het gebouw in acht. àPlaats het apparaat niet in ruimten met zeer stoffige of agressieve lucht. Installatie De volgende aanwijzingen beschrijven de installatie van de koelkring en de montage van de binnen– en buiten-unit. 1. Zie voor de vereiste buisdoorsneden de tabel „Tech-nische gegevens“. 2. Installeer de binnenunit en sluit de pijpleiding aan, zoals beschreven in de bedieningshandleiding van de binnenunit. 3. Let u bij de montage op de buigingsstraal van de koudemiddelleidingen en buig de buis nooit twee-maal op dezelfde plaats. Verbrossing en scheurrisico kunnen het gevolg zijn. 4. Leg de koudemiddelleidingen van de binnenunit naar de buitenunit.

Neem hierbij de installatie-instructies voor de conso-les in acht. 6. Zorg ervoor dat geen geluid naar andere delen van het gebouw overgedragen wordt. Mechanische trillingen worden door trillingdempers beperkt. 7. Verwijder de beschermdoppen en de wartelmoeren van de afsluitventielen en gebruik deze voor de verdere montage. 8. Controleer, voordat de koudemiddelleidingen ge-flenst worden, dat de wartelmoer op de buis zit. 9. Bewerk de geïnstalleerde koudemiddelleidingen zoals hieronder beschreven. G Er mag alleen gereedschap gebruikt worden dat voor toepassing op koeltechnisch gebied geschikt is. Buissnijder, ontbramer en randomlegstempel. Ontbramer Koudemiddelleiding Randomlegstempel ongelijke dikte scheurvor-mingen scheurvor-mingen golvend JUIST 10. Controleer of de rand goed gevormd is. Licht- schacht Extra ventilator Buitenunit Warme lucht Licht- schacht Warme lucht Koude verse lucht.

10 G Er moet een vacuüm van min. 0,05 mbar worden bereikt. G Voordat aan het apparaat wordt gewerkt dient de hoofdvoeding uitgeschakeld en tegen onbevoegd inschakelen beveiligd te worden. Olieterugvoermaatregelen Als de buitenunit op een hoger niveau dan de binnen-unit wordt geplaatst, moeten geschikte maatregelen voor de olieterugvoer worden genomen. Dit gebeurt meestal door een oliehefboog te maken die iedere 2,5 stijgende meter geïnstalleerd wordt. Radius: 50 mm Buitenunit max. 10 m Binnenunit Oliehefboog in de zuigleiding naar de buitenunit 1x om de 2,5 stijgende meter G Controleer of de zuig– en de inspuitleiding van de koelkring op de juiste plaats zijn aangesloten. 11. Verbind de koudemiddelleidingen eerst handmatig met de afsluitventielen en verzeker u ervan dat zij goed zitten. Vasttrekken 1ste gaffelsleutel Tegenhouden 2de gaffelsleutel 13.

Voorzie de twee geïnstalleerde koudemiddelleidin-gen, met inbegrip van de verbindingsstukken, van warmte-isolatie. 14. Gebruik alleen diffusiedichte isolatieslangen die voor het temperatuurbereik zijn toegelaten. 12. Trek nu de schroefverbindingen met 2 gaffelsleutels met de juiste sleutelwijdte goed vast. Hou tijdens het schroeven in ieder geval met een tweede gaffelsleutel tegen (zie afbeelding). Bijkomende installatieaanwijzingen. àBij de combinatie van de buitenunit met enkele binnenunits kan het aansluitingsstuk van de koude-middelleidingen verschillen. Monteer in dit geval de mee-geleverde verloopschroeven aan de binnenunit. G Is de enkele lengte van de verbindingsleiding lan-ger dan 5 m, moet er bij de eerste inbedrijfstelling van de installatie koudemiddel bijgevuld worden. Zie het hoofdstuk „Bijvulling van koudemiddel“.

Nadat de gassen en de vochtigheid volledig uit het systeem zijn verwijderd, worden de ventielen van de manometerset gesloten en de ventielen van de buiten-unit geopend, zoals beschreven in hoofdstuk „Inbedrijf-stelling“ Dichtheidsproef Nadat alle verbindingen zijn gelegd, wordt de mano-meterset als volgt aan de overeenkomstige schräder-ventiel-aansluitingen bevestigd: rood = klein ventiel = inspuitdruk. blauw = groot ventiel = zuigdruk. Na de aansluiting wordt de dichtheidstest met droog stikstof uitgevoerd. Voor de dichtheidsproef worden de verbindingen met lekzoekspray bespoten. Als er gasbellen te zien zijn, is de verbinding niet goed uitgevoerd. Trek in dit geval de schroeven vaster aan of maak eventueel een nieuwe flens. Na de dichtheidsproef wordt de overdruk uit de koude-middelleidingen verwijderd en een vacuümpomp met een absolute partiële einddruk van min.

0,01 mbar in-geschakeld om de leidingen te vacumeren. Bovendien wordt zo het nog aanwezige vocht uit de leidingen ver-wijderd. Elektrische aansluiting Er moet een elektrisch voedingskabel naar de buitenunit en een 4-aderige stuurleiding van de buitenunit naar de binnenunit worden gelegd. Alle elektrische installaties mogen enkel door erkend en gekwalificeerd personeel overeenkomstig de geldende voorschriften worden uitgevoerd. Neem voor de opstelling en inbedrijfstelling de plaatselijk geldende toepassingsrichtlijnen en de voorschriften van de plaatselijke nutsbedrijven in acht. De aansluitingen van de buitenunit liggen in de unit, bo-ven de koudemiddel-aansluitventielen. De doorsnede van het elektrische voedingskabel is afhankelijk van de bouwkundige omstandigheden en het aangesloten vermogen van het apparaat.

11 Aansluiting van de buitenunit Neem de volgende aanwijzingen in acht voordat u met de aansluiting begint: àDe aansluitkast dient door de ge-bruiker in de buurt van de buitenunit te worden gemonteerd. Wij adviseren een beveiligings-of hoofdschakelaar te installeren. àDe binnenunit wordt via de verbindingsleiding door de buitenunit gevoed. Voor de aansluiting van de leiding gaat u als volgt te werk: 1. Demonteer de deksel van het apparaat. 2. Verwijder het zijpaneel aan de kant van de aansluiting. 3. Kies de doorsnede van de aansluitleiding overeenkomstig de voorschriften. 4. Leg de twee leidingen door de beschermringen van de vaststaande aansluitplaat. 5. Klem de leidingen vast overeenkomstig het schakelschema. 6. Fixeer de leiding in de snoerontlasting en zet het apparaat weer in elkaar.

Schakelschema Aansluitingen van de binnenunits RKV-C Afhankelijk van het type apparaat kan de benaming van de klemmen van de binnenunits verschillen. De klemmen hebben de volgende benamingen: Binnenunit Omschrijving Buitenunit L1 Buitenste geleider A N Nulleider N Y Stuurdraad compressor-schakelaar 2 PE Aardingsleider Aansluitingen van de binnenunits RKS-W en RKS-T Rood Wit Oranje Geel-groen Buitenunit Naar de compressorschakelaar Aardingsleider Netsnoer Binnenunit A N 2 L1 N A N 2 PE PE PE Stuurdraad Nulleider Buitenste geleider 230 V~, 50 Hz, L1 N PE Intern bedradingsschema van de buitenunits Veranderingen van constructies, die de technische vooruitgang dienen, blijven ons voorbehouden. àDe installatie dient te worden voorzien van een elek-trische beveiliging overeenkomstig de technische gegevens.

12 Voor de inbedrijfstelling Na de succesvolle dichtheidsproef moet de vacuüm-pomp door middel van de manometerset worden aan-gesloten op de ventielaansluitingen van de buitenunit (zie hoofdstuk „Dichtheidsproef“) en moet er een vacuüm gecreëerd worden. Voor de eerste inbedrijfstelling van het apparaat en na werkzaamheden aan het koudemiddelcircuit moeten de volgende controles worden uitgevoerd en in het Certificaat van Inbedrijfstelling worden opgeschreven: àControleer de koudemiddelleidingen en –ventielen met lekzoekspray of zeepwater op dichtheid. Bij stilstand van het apparaat. àControleer de verbindingsleidingen en verzeker u ervan dat de zuig– en de inspuitleiding niet per onge-luk verwisseld zijn. àControleer de koudemiddelleidingen en de isolatie op beschadiging. àControleer de juiste polariteit van de elektrische ver-binding tussen binnenunit en buitenunit.

àControleer alle bevestigingen, ophangingen e. d. op een goede houvast en correct niveau. G Als de enkele lengte van de koudemiddelleiding langer dan 5 meter is, moet extra koudemiddel in de installatie bijgevuld worden. Winterregeling Voor een goed functioneren van de installatie is het ab-soluut noodzakelijk dat het werkingsbereik (druk en temperatuur van het koudemiddel) van de binnenunit en de buitenunit niet onder– of overschreden wordt. Door de ingebouwde winterregeling kan het werkingsbereik ook bij buitentemperaturen tot –15 °C constant worden gehouden. De winterregeling zorgt voor een traploze aanpassing van het motortoerental van de condensorventilator, af-hankelijk van de bedrijfsdruk van de installatie en de buitentemperatuur. Om deze redenen kan b. v. in de winter de draaibeweging van de ventilator tijdens het koelbedrijf volledig stoppen.

De regeling bestaat uit een regelprintplaat in een om-kasting en een temperatuurvoeler. De voeler registreert de luchtinlaattemperatuur van de condensor.

De regelprintplaat regelt de uitgangsspanning voor de ventilator, afhankelijk van de door de twee jumpers (JP) ingestelde hysterese. MdV JP 1 JP 5 10 20 JP 2 JP 6 15 30 JP 3 20 JP 7 40 JP 4 25 JP 8 50 VmD Wijziging van de hysterese door de jumpers VmD = Max. ventilatorsnelheid VmD is het maximale toerental van de ventilator, ook Effectieve Proportionele Band (EPB) genoemd. MdV = Min. ventilatorsnelheid MdV is het type-afhankelijke minimale toerental van de ventilator bij een uitgangsspanning van 35 % van de regelprintplaat. Het wordt ook F V Sixe entilator panning (FVS) genoemd. Uitgangsspanning 35 % (ca. 80 V) 100 % (230 V) 5 10 15 20 35 40 45 50 0 25 30 -5 Temperatuur (°C) VmD 20 VmD 30 VmD 40 VmD 50 MdV 10 MdV 15 MdV 20 MdV 25 Voorbeeld: Jumper JP 4 (MdV) en JP 7 (VmD) zijn geplaatst. àDe maximale ventilatorsnelheid wordt bij een tempe-ratuur van 40 °C bereikt.

àDe minimale ventilatorsnelheid stelt zich in bij een temperatuur van 15 °C. Voor het bijvullen van de benodigde hoeveelheid koude-middel gaat u als volgt te werk: 1. Verwijder de vacuümpomp en sluit de vulcilinder aan. 2. Stel de geopende cilinder op een weegschaal en kalibreer de weegschaal op nul. 3. Ontlucht de slang bij de manometer verdeelbuis. 4. Bepaal de vulhoeveelheid, aanhand van boven-staande tabel. 5. Open de zuigdrukzijde van de manometer. 6. Sluit het manometerventiel weer als de juiste hoeveelheid is bijgevuld. Bijvulling van koudemiddel De hoeveelheid koudemiddel die voor het bedrijf van de installatie nodig is, bevindt zich in het buitendeel. Alleen bij koudemiddelleidingen waarvan de enkele lengte langer dan 5 meter is, moet koudemiddel worden bijgevuld, overeenkomstig onderstaande tabel: Leidinglengte Bijvulling per meter t/m 5 m 5 m t/m max. 15 m ––– 18 g/m.

13 G Een andere toepassing, gebruik of bediening dan in deze handleiding beschreven is niet toegestaan. Bij niet-inachtneming vervalt iedere aansprakelijkheid en garantie. Service en garantie Voorwaarde voor eventuele garantieclaims is dat de be-steller of zijn afnemer binnen een redelijk tijdsbestek na aankoop en inbedrijfstelling het "garantiebewijs" dat met ieder apparaat wordt meegeleverd, volledig ingevuld en teruggestuurd heeft naar REMKO GmbH & Co. KG. De apparaten werden in de fabriek meerdere malen op hun correcte functie gecontroleerd. Mochten er niettemin storingen optreden die door de gebruiker na het raad-plegen van hoofdstuk Storingen niet verholpen kunnen worden, raadpleeg dan uw vakhandelaar of contractant. Inbedrijfstelling De inbedrijfstelling dient overeenkomstig het Certificaat over de Inbedrijfstelling te geschieden.

Van de inbedrijf-stelling moet een rapport worden opgemaakt. Nadat alle onderdelen zijn aangesloten en gecontroleerd kan de installatie in bedrijf worden gesteld. Voordat de installatie aan de eindgebruiker wordt over-gedragen dient de installateur enkele controles uit te voeren en zich van het juiste functioneren van de instal-latie te verzekeren. Deze controle is afhankelijk van het type binnenunit dat gemonteerd is. Volg daarom de procedure die in de bedieningshandleiding van de aangesloten binnenunit is beschreven. Functietest en testloop De functietests worden via de binnenunit gestart. De binnenunit loopt voor de test in de normale koelmodus. Controleer de volgende punten: àDichtheid van de koudemiddelleidingen. àGelijkmatige loop van de compressor en van de ventilator. àAfgifte van koude lucht bij de binnenunit en van ver-warmde lucht bij de buitenunit.

Voor het meten van de temperatuur houd u de ther-mometer aan de zuigleiding en trekt de gemeten temperatuur af van de op de manometer afgelezen kookpunttemperatuur. àNoteer de gemeten temperaturen in het rapport van inbedrijfstelling. Voer de testloop als volgt uit: 1. Neem de afsluitdoppen van de ventielen. 2. Start de inbedrijfstelling door de afsluitventielen van het buitendeel kort te openen, tot de manometer een druk van ca. 2 bar aangeeft. 3. Controleer alle verbindingen met lekzoekspray of met een ander geschikt apparaat op dichtheid. 4. Als u geen lek heeft vastgesteld, open dan de afsluit-ventielen door deze met een inbussleutel tegen de klok in te draaien, tot de aanslag. Als er een lek is vastgesteld moeten de foute verbindingen opnieuw worden gelegd. Het opnieuw vacumeren en drogen is dan absoluut noodzakelijk. 5. Schakel de bouwzijdige hoofdschakelaar of zeke-ring in. 6.

Let op dat de dichtingen weer in de afsluitdoppen worden geplaatst. Werkzaamheden aan het koudemiddelcircuit mogen alleen door een erkend vakbedrijf worden uitgevoerd.

Zodoende is gegarandeerd dat ook bij reparaties geen koudemiddel in het milieu terecht komt. Zowel voor het koudemiddel als ook voor de onderdelen gelden bijzondere bepalingen met betrekking tot de afvalverwijdering. Het gebruikte koudemiddel is een veiligheidskoudemid-del. Dat betekent, dat bij beschadiging van het apparaat het vrijgekomen koudemiddel geen letsel van de adem-halingsorganen van mens en dier veroorzaakt. Belangrijke informatie m. b. t. recycling. Milieu en recycling G Het contact met vloeibaar koudemiddel kan tot be-vriezing van de huid leiden.

14 Certificaat over de Stand 01/2003   Eerste inbedrijfstelling Herinbedrijfstelling van een REMKO - airconditioningsysteem  Bovengenoemd airconditioningsysteem werd zonder reclamaties in bedrijf gesteld.  De klant werd geïnstrueerd en in het bezit gesteld van de bedieningshandleiding.  De inbedrijfstelling kon om bovengenoemde redenen niet plaatsvinden.

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met REMKO RKS518 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden