REMKO ML680 Handleiding

REMKO Airco ML680

Bekijk gratis de handleiding van REMKO ML680 (24 pagina’s), behorend tot de categorie Airco. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 28 mensen en kreeg gemiddeld 4.8 sterren uit 9 reviews. Heb je een vraag over REMKO ML680 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/24
REMKO – alles beresterk.
REMKO ML 260 tot 680
Wandairconditioning
Split-uitvoering
Uitgave NL – R05
Bediening
Techniek
Vervangingsonderdelen
Serie MALAGA

Beoordeel deze handleiding

4.8/5 (9 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: REMKO
Categorie: Airco
Model: ML680

Handleiding REMKO ML680 – volledige tekst

3 Deze gebruiksaanwijzing moet altijd in de onmiddellijke nabijheid van het apparaat bewaard worden. * * pagina Veiligheidsinstructies 4 Transport en verpakking 4 Beschrijving van het apparaat 4 Bediening 5 Buitenbedrijfstelling 9 Systeemopbouw 9 Verzorging en onderhoud 10 Eliminering van storingen 11 Technische gegevens 12 Afmetingen 13 Montage-instructie voor het vakpersoneel 14 pagina Installatie 17 Dichtheidscontrole 18 Elektrische aansluiting 18 Elektrisch aansluitschema 19 Condensaataansluiting 19 Voor de ingebruikname 19 Koelmiddel bijvullen 20 Ingebruikname 20 Klantendienst en garantie 21 Milieu en recyclage 21 Attest over de ingebruikname 22 Voor ingebruikname / gebruik van het apparaat moet deze handleiding zorgvuldig gelezen worden! Bij niet-doelmatig gebruik, opstelling, onderhoud enz.

4 ◊ Controleer regelmatig de ongehinderde afvoer van het condensaat. ◊ Laat de binnenapparaten nooit werken zonder luchtfilter. ◊ Houd er rekening mee dat het buitendeel via het binnenapparaat voorzien is van een herinschakel-beveiliging, die om verdichterschade te vermijden verhindert dat na het uitschakelen onmiddellijk weer wordt ingeschakeld. Opnieuw inschakelen is pas mogelijk na 3 minuten. ◊ Reinigings- en kleinere onderhoudswerkzaamheden kunnen door de exploitant of door een vakman die hij daartoe opdracht heeft gegeven, in het kader van de in het hoofdstuk „Verzorging en onderhoud“ beschreven maatregelen worden uitgevoerd. ◊ Deze REMKO airconditioningproducten zijn uitgerust met het milieuvriendelijke koelmiddel R 407C. ◊ Installatie- en reparatiewerkzaamheden mogen uitsluitend gebeuren door geautoriseerd vakpersoneel.

De airconditionings REMKO ML 260 tot 680 beschikken over een REMKO ML. -AT buitendeel voor de wand- of vloermontage in de open lucht en over een binnen-apparaat ML. -IT voor de montage hoog aan de muur binnen. De werkwijze van de airconditioning is uiterst eenvoudig: aan de te koelen ruimte wordt door het binnenapparaat warmte onttrokken. Het transport van de warmte gebeurt, zoals bij veel airconditionings van REMKO, door het milieuvriendelijke koelmiddel R 407C. Het buitendeel geeft de opgenomen warmte af aan de buitenlucht. Daarnaast filteren en ontvochtigen de apparaten de lucht en creëren zo een aangenaam ruimteklimaat. Ze werken volautomatisch en bieden dankzij hun micro-processorregeling een groot aantal verdere opties. De bediening van het binnenapparaat gebeurt comfortabel via de meegeleverde infrarood-afstandsbediening.

Neem absoluut de volgende instructies in acht: ◊ Houd er rekening mee dat de in de bediening van de airconditioning geïnstrueerde personen het apparaat voor elke ingebruikname op opvallende gebreken aan de bedienings- en veiligheidsinrichtingen moeten controleren. ◊ Isoleer voor alle werkzaamheden aan de apparaten de voedingsleiding van het stroomnet en beveilig deze tegen onbevoegd opnieuw inschakelen. ◊ Zet de apparaten uitsluitend in gemonteerde toestand en alleen doelmatig in. ◊ Houd er rekening mee dat het verwijderen van afdekkingen, beschermroosters enz. tijdens het bedrijf gevaarlijk is en tot ongecontroleerde operationele bedrijfstoestanden kan leiden. ◊ Laat de apparaten alleen werken binnen de toegelaten werkbereiken. Rekening houden met de omgevingstemperaturen. ◊ Zorg voor voldoende veiligheidsafstand tot ontvlambare voorwerpen.

◊ Houd altijd de voorgeschreven minimale vrije ruimtes aan. ◊ Zorg ervoor dat de luchtinlaat- en uitlaatopeningen altijd vrij van vreemde voorwerpen zijn. ◊ Zet geen voorwerpen neer op de apparaten. ◊ Steek geen voorwerpen in de luchtin- en uitlaatopeningen. ◊ Sluit de apparaten alleen aan aan een reglementair geïnstalleerde en volgens de voorschriften geaarde spanningsvoeding. ◊ Laat de apparaten niet werken in ruimtes waarin explosiegevaar bestaat. Voor de inzet in erg stoffige ruimtes of agressieve lucht zijn de apparaten evenmin geschikt. ◊ Gebruik in de onmiddellijke nabijheid van de appara-ten geen brandbare sprays zoals laksprays. ◊ Laat de apparaten niet werken in olie-, zwavel- en zouthoudende atmosferen. ◊ Stel de apparaten niet bloot aan een waterstraal. Hogedrukreiniger enz. ◊ Een optimale werking van het apparaat is alleen gegarandeerd binnen de toegelaten inzetgrenzen.

De apparaten worden geleverd in een stevige trans-portverpakking van karton. Gelieve de apparaten onmiddellijk bij levering te controleren. Noteer eventuele schade of ontbrekende onderdelen op het leverbewijs en informeer de expediteur en uw contractant. Voor latere reclamaties kan geen garantie worden aanvaard.

5 Twee tot vier seconden nadat het binnenapparaat is aangesloten aan de spanningsvoeding, kunt u beginnen met de bediening. De batterijen in de afstandsbediening plaatsen Voor de eerste ingebruikname moeten de meegeleverde batterijen (2 stuks, type AAA) in de afstandsbediening geplaatst worden. 1. Trek hiervoor het klepje aan de achterkant van de afstandsbediening in de richting van de pijl eraf en plaats de batterijen erin. 2. Let erop dat de batterijen met de polen in de juiste richting liggen. Zie markering in het batterijenvakje. 3. Sluit de klep weer. De afstandsbediening De bediening van de airconditioning gebeurt via de infrarood-afstandsbediening. Een signaaltoon bevestigt de correcte ontvangst van de instellingen na elke toetsdruk. 4 1 2 8 6 5 7 9 11 3 12 10 13 14 4 Modus toets Met deze toets wordt de bedrijfsmodus gekozen.

Het binnenapparaat beschikt over 4 modi: Automatisch: In deze modus werkt het apparaat in de koelmodus. Bedrijfscyclus van de compressor: Aan → 20 min. Uit → 10 min. Koelen: In deze modus wordt de warme ruimtelucht afgekoeld tot de gewenste temperatuur. Ontvochtigen: In deze modus wordt de ruimte overwegend ont-vochtigd, de ingestelde temperatuur gehandhaafd. Verwarmen: Deze modus is niet beschikbaar. Als deze modus wordt geactiveerd, dan werkt de compressor en functiestoringen zijn het gevolg. 5 Fan toets Met deze toets wordt de gewenste ventilatorsnelheid ingesteld. De volgende 4 niveaus kunnen gekozen worden: automatisch, laag, normaal en hoog ventilator-niveau. 6 Lamellen toets Met deze toets wordt de positie van de uitblaas-lamellen bepaald. Er kan gekozen worden tussen 5 posities en een oscillerende functie.

7 Sleep toets Na activering van deze toets stijgt in het koelbedrijf de gewenste temperatuur binnen één uur automa-tisch met 1 °C. 8 SWING toets Deze toets activeert direct de oscillerende functie van de lamellen voor een betere luchtverdeling in de ruimte.

9 Timer Aan toets Met deze toets wordt de automatische inschakeltijd van het apparaat binnen de komende 24 uur geprogrammeerd. 10 Timer Uit toets Met deze toets wordt de automatische uitschakeltijd van het apparaat binnen de komende 24 uur geprogrammeerd. 11 HR toets Met deze toets worden de uren ingesteld. 12 MIN toets Met deze toets worden de minuten ingesteld. 13 Reset toets (in het batterijenvakje) Door deze toets in te drukken worden de instellingen van de afstandsbediening teruggezet. 14 Clock toets (in het batterijenvakje) Door deze toets in te drukken wordt de tijdsinstelling geactiveerd. 1 ON/OFF toets Met deze toets neemt u het apparaat in bedrijf. De weergave van de instellingen verschijnt in het display. 2 toets Met deze toets wordt de gewenste temperatuur ver-laagd tot maximaal 16 °C. 3 toets Met deze toets wordt de gewenste temperatuur verhoogd tot maximaal 31 °C.

6 De functies van de toetsen Met behulp van de afstandsbediening kunnen de volgende instellingen binnen een afstand van 7m worden overgedragen. Richt de afstandsbediening daarvoor op het ontvangstgedeelte rechts aan het binnenapparaat. Het binnenapparaat bevestigt de correcte ontvangst van de instellingen na elke toetsdruk door een signaaltoon. Door de CLOCK toets in het batterijenvakje in te drukken kan de tijd geprogrammeerd worden. In het display knippert „CLOCK“ en via de toetsen HR. en MIN. wordt de huidige tijd ingesteld. Als de CLOCK toets nog eens wordt ingedrukt, dan wordt de programmering afgesloten; het display knippert niet meer. CLOCK toets Functieafloop CLOCK HR./ MIN. CLOCK Door de ON / OFF toets in te drukken activeert en deactiveert u uw airconditioning. In het display verschijnen de voor de uitschakeling van het apparaat geprogrammeerde instellingen en instelwaarden.

ON / OFF toets Functieafloop ON/OFF ON/OFF Door de RESET toets in het batterijenvakje in te drukken kan de afstandsbediening worden teruggezet. Daarna moet de tijd geprogrammeerd worden (zie „CLOCK toets“). RESET toets Functieafloop RESET 5 sec. Tijdsinstelling toetsen Functieafloop Modus Koelen Modus Automatisch Het display dooft na 1 min De operationaliteit van de afstands-bediening wordt gesignaleerd door de knipperende punt op de afstandsbediening. Het zenden van de instellingen wordt ge-toond door een symbool in het display. De toets maakt het mogelijk om de gewenste temperatuur te verlagen, de toets om hem te verhogen. Deze instelling is alleen mogelijk in de koelmodus. In de automatische modus wordt met de toets de vaste temperatuur 1 °C verlaagd, met de toets 1 °C verhoogd. Een temperatuurinstelling is niet mogelijk.

7 Modus Automatisch In de modus Automatisch werkt de regeling in het koelbedrijf. Een gewenste temperatuur van 24 °C is vast ingesteld. Het regelbereik ligt tussen 22 °C en 26 °C. Deze waarde kan met de toetsen nog 1 °C verhoogd of verlaagd worden. Functieafloop Functieafloop KOELBEDRIJF MODUS Modus Koelen In de modus Koelen wordt de ruimtelucht afgekoeld tot de ingestelde gewenste temperatuur. De gewenste ruimtetemperatuur wordt ingesteld met de toetsen in stappen van 1 °C. Als de ruimtetemperatuur 1 °C boven de ingestelde gewenste temperatuur ligt, dan begint het binnenapparaat de ruimtelucht af te koelen. Als de ruimtetemperatuur ca. 0,5 °C lager is dan ingesteld, dan schakelt de regeling de koeling uit. Ter bescherming van de compressor schakelt de regeling pas na een wachttijd van 3 minuten de koeling weer aan.

Modus Ontvochtigen In de modus Ontvochtigen wordt de ruimtetemperatuur verlaagd tot 24 °C. Omwille van de lage koelmiddeltemperatuur daalt de temperatuur van de lucht aan de lamellen-wisselaar onder het dauwpunt. Het overtollige vocht van de lucht condenseert aan de lamellenwisselaar en de ruimte wordt ontvochtigd. Het ventilatortoerental moet op Automatisch zijn ingesteld om een maximale ontvochtiging te bereiken. De ventilator wordt in het automatisch bedrijf in intervallen in- en uitgeschakeld. ONTVOCHTIGINGSBEDRIJF MODUS Functieafloop Modus Verwarmen Deze modus is niet beschikbaar. Modus toets Gebruik de toets MODUS om verschillende bedrijfswijzen te kiezen.

U heeft de keuze uit 4 modi: Automatisch, automatische keuze van koel- of verwarmingsbedrijf Koelen, belangrijkste bedrijfswijze in de zomer Ontvochtigen, zomer- of winterbedrijfswijze Verwarmen, niet beschikbaar Functieafloop MODUS KOELBEDRIJF FAN toets Met deze toets wordt de ventilatorsnelheid ingesteld. Er kan gekozen worden tussen laag, normaal, hoog en automatisch ventilatortoerental. Functieafloop FAN FAN FAN FAN MODUS MODUS MODUS MODUS Automatisch Verwarmen Koelen Ontvochtingen

8 Lamellen toets Met deze toets worden de luchtuitblaaslamellen individueel ingesteld. Er kan tussen 5 posities en een oscillerende functie gekozen worden. Functieafloop Swing toets Met deze toets wordt de oscillerende functie van de luchtuitlaatlamellen ingesteld. Dit maakt het mogelijk om direct om te schakelen tussen een ingestelde positie en de oscillerende functie. Met de swing-functie wordt de luchtverdeling in de ruimte verbeterd. Swing Swing Swing Functieafloop Sleep toets Met deze toets wordt een programmering geactiveerd, waarmee de gewenste temperatuur in de koelmodus na één uur 1 °C en na 2 uur 2 °C stijgt. Het apparaat wordt automatisch na 8 uur uitgeschakeld. Functieafloop Sleep Sleep Sleep Timer toetsen Met deze toetsen wordt een in- resp. uitschakeltijd geprogrammeerd. Door de toets Timer Aan resp.

Timer Uit in te drukken wordt de timer geactiveerd en de tijdsweergave dooft. Het timersymbool voor de in- resp. uitschakeltijd knippert. Het timerdisplay van het binnen-apparaat is verlicht. Door de toetsen HR. en MIN. in te drukken wordt de gewenste in- of uitschakeltijd ingesteld. Na de instelling knippert het timersymbool nog 30 seconden. Als de geprogrammeerde tijd wordt bereikt, dan schakelt het apparaat automatisch in resp. uit. Als het binnenapparaat automatisch wordt ingeschakeld, dan is de modus, de temperatuur en de ventilatorsnelheid van de laatste instelling geactiveerd. De voortijdige verwijdering van de in- en uitschakeltijd gebeurt door activering van de Timer toets of met de toets ON/OFF. Het timerdisplay van het binnenapparaat dooft. Functieafloop Timer Aan Timer Uit Timer Aan en Uit Voorbeeld: De regeling schakelt om 10:20 AM in. Het apparaat is tot 5:00PM in bedrijf.

De regeling schakelt dagelijks op de geprogrammeerde tijden het apparaat in en uit. Tijdens het bedrijf zijn alle instellingen te zien op het display. Buiten bedrijf zijn alleen de timerinstellingen zichtbaar. Apparaat aan Apparaat uit Timer Aan 30 sec. Geprogrammeerde tijd bereikt HR. / MIN. Apparaat in bedrijf Timer Uit Geprogrammeerde tijd bereikt HR. / MIN. Apparaat buiten bedrijf 30 sec.

9 Manueel bedrijf Het apparaat kan manueel in bedrijf worden genomen, b. v. indien de correcte werking van de afstandsbedie-ning niet gegarandeerd of deze niet bij de hand is. Open het luchtaanzuigrooster van het binnenapparaat en druk de toets aan de rechterkant in. De volgende bedrijfstoestanden zijn dan geactiveerd: MODUS = Automatisch (bedrijfscyclus van de compressor Aan → → 20 min. , Uit 10 min. ), TEMP. = 24 °C, FAN = Automatisch, SWING = Aan, TIMER = Uit. Tijdelijke buitenbedrijfstelling Laat het apparaat in het koelbedrijf een half uur werken met de temperatuurinstelling 31°C. Neem het binnenapparaat met de afstandsbediening uit bedrijf. Isoleer de installatie met de hoofdschakelaar of de beveiliging van het net. Controleer het binnenapparaat en het buitendeel op zichtbare beschadigingen.

Reinig het binnenapparaat en het buitendeel zoals beschreven in het hoofdstuk „Verzorging en onderhoud. Dek het buitendeel indien mogelijk af met een kunststof folie om het te beschermen tegen weersinvloeden. Definitieve buitenbedrijfstelling De ontmanteling van de airconditioning kan om milieutechnische redenen alleen worden uitgevoerd door een vakbedrijf. De firma REMKO GmbH & Co. KG of de voor u verantwoordelijke contractant noemen u graag een koelvakbedrijf bij u in de buurt. Manuele luchtverdeling Aan de luchtuitstroomkant zitten individueel instelbare geleidingslamellen voor de horizontale luchtverdeling. Zet de geleidingslamellen met de verstelhendels rechts en links in de gewenste stand. * Verstel de lamellen nooit tijdens het automatische swingbedrijf. Grijp niet in het apparaat. Er bestaat het gevaar van verwondingen aan de hand aan de ventilatormotor.

Display aan het binnenapparaat POWER Bedrijf Aan / Uit (rood) PROTECT Compressorbeveiliging (groen) RUN Compressorbedrijf (groen) TIMER Timerbedrijf (geel) Display Ruimte- / Gewenste temperatuur Foutcode Het display gaat naar de weergave van de gewenste temperatuur tijdens de instellingen met de afstands-bediening. verstelhendel links verstelhendel rechts Oorzaak E3 RUN en TIMER LED´s knipperen afwisselend. ventilatormotor E5 ruimteluchtvoelerTIMER LED knippert. E6 RUN LED knippert. vorstbescher-mingsvoeler E9 20 min. knipperen de LED´s afwisselend. koelmiddelgebrek Foutcode van het display Elimineer eerst de oorzaak van de storing en zet dan het display van de foutcode terug door het apparaat uit en in te schakelen. Storingsmeldingen 1 binnenapparaat ML. -IT 2 buitendeel ML.

10 * Voor alle werkzaamheden aan de apparaten moet de spanningsvoeding onderbroken en tegen opnieuw inschakelen beveiligd worden! De regelmatige verzorging en het in acht nemen van een paar basisvoorwaarden garanderen een storingsvrij bedrijf en een lange levensduur van het apparaat. ◊ Houd de apparaten vrij van vervuiling, begroeiing en andere afzettingen. ◊ Reinig de apparaten met een vochtige doek. Gebruik geen waterstraal. ◊ Gebruik geen agressieve, schurende of oplosmiddel-houdende reinigers. ◊ Gebruik ook bij extreme vervuiling alleen geschikte reinigingsmiddelen. ◊ Controleer voor en na een bedrijfsseizoen of de diameter van de condensaatleidingen van het binnenapparaat zich door verontreinigingen vernauwd heeft. Als dit het geval is, dan moeten ze gereinigd worden.

◊ Reinig voor het begin van een langere buiten-bedrijfstelling de lamellen van het buitendeel terwijl de ventilator werkt. ◊ Reinig in regelmatige intervallen, indien nodig ook vaker, de luchtfilters van het binnenapparaat zoals beschreven op deze pagina. * Laat het binnenapparaat nooit werken zonder originele filters. Zonder filters zou de lamellenwisselaar van het binnenapparaat vuil worden en het apparaat aan capaciteit verliezen. ◊ Wij raden aan om een onderhoudscontract af te sluiten met een vakbedrijf. ◊ Zo garandeert u op elk moment de bedrijfsveiligheid van de installatie! Filterreiniging Reinig de beide luchtfilters in intervallen van maximaal twee weken. Bij sterk verontreinigde lucht verkort u de periode. Voor de reiniging gaat u als volgt te werk: 1. Open de voorkant van het apparaat door het rooster naar boven te klappen en te laten arrêteren. 2.

Til de filters naar boven en trek ze naar onder eruit. 3. Reinig de filters met een in de handel verkrijgbare stofzuiger. 4. Sterke verontreinigingen kunt u voorzichtig verwijderen met lauwwarm water. Laat de filters dan aan de lucht drogen. 5. Zet de filters erin en sluit het rooster.

11 Het apparaat werd gefabriceerd met de modernste productiemethodes en meermaals gecontroleerd op foutloze werking. Als er toch functiestoringen optreden, controleer het apparaat dan aan de hand van de volgende lijst. * * Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken (zekering resp. reparatieschakelaar) en tegen onopzettelijk opnieuw inschakelen beveiligd worden. Als alle functiecontroles zijn uitgevoerd en het apparaat nog altijd niet foutloos werkt, gelieve u dan te wenden tot uw dichtstbijzijnde specialist of stel rechtstreeks REMKO GmbH & Co. KG op de hoogte. Storing Mogelijke oorzaak Ter controle Uitkomst Het apparaat start niet of schakelt zich automatisch uit. Stroomuitval, onderspanning Werken alle andere elektrische bedrijfsmiddelen. Spanning controleren, evt.

wachten op opnieuw inschakelen Netzekering defect / Hoofdschakelaar uitgeschakeld Zijn alle lichtstroomcircuits operationeel. Netzekering vervangen / Hoofdschakelaar inschakelen Netvoedingsleiding beschadigd Werken alle andere elektrische bedrijfsmiddelen. Reparatie door een vakbedrijf Wachttijd na het inschakelen te kort Zijn er na een nieuwe start ca. 5 minuten verlopen. Langere wachttijd plannen Werktemperatuur te laag / te hoog Werken de ventilators van binnenapparaat en buitendeel. Temperatuurbereiken van binnenapparaat en buitendeel aanhouden Overspanningen door onweer Waren er de laatste tijd regionale blikseminslagen. Uitschakelen van de netzekering en opnieuw inschakelen / Controle door een vakbedrijf Storing van de externe condensaatpomp Heeft de pomp een stooruitschakeling uitgevoerd. Pomp controleren, evt.

reinigen Defecte of niet correct bevestigde sensoren Signaleert het binnenapparaat een foutmelding. Reparatie door een vakbedrijf Het apparaat reageert niet op de afstandsbediening. Timerinstelling op „Inschakelen“ Is de timer ingesteld.

Programmering verwijderen en de start van het apparaat afwachten Na vervanging van de batterijen polen in de verkeerde richting Liggen de polen in de juiste richting. Batterijen met de polen in de juiste richting erin plaatsen Zendafstand te groot / Ontvangst gestoord Bij toetsdruk signaaltoon aan het binnenapparaat. Afstand verminderen tot minder dan 7 m en van standplaats veranderen Afstandsbediening defect Werkt het apparaat in het manuele bedrijf. Afstandsbediening vervangen Ontvangst- resp. zendgedeelte krijgt te veel zonlicht Werkt het bij beschaduwing. Zendgedeelte resp. ontvangstgedeelte beschaduwen Elektromagnetische velden storen de overdracht Werkt het na het uitschakelen van eventuele stoorbronnen. Geen signaaloverdracht bij gelijktijdig bedrijf van stoorbronnen Toets van de afstandsbediening zit vast / Dubbele toetsbediening Verschijnt het symbool in het display.

Toets ontgrendelen / Maar één toets activeren Batterijen van de afstandsbediening leeg Zijn er nieuwe batterijen in geplaatst. Is het display onvolledig. Nieuwe batterijen erin plaatsen Temperatuurinstelling te hoog Ligt de gekozen temperatuur boven die van de ruimte. Gekozen temperatuur verlagen Het apparaat werkt met verminderde of zonder koelcapaciteit. Filter is verontreinigd / Luchtinlaat / -uitlaat geblokkeerd door vreemde voorwerpen Zijn de filters gereinigd. Filterreiniging uitvoeren Ramen en deuren geopend / Warmte- resp. koudelast werd verhoogd Zijn er constructieve / toepassingsveranderingen. Ramen en deuren sluiten / Extra installaties monteren Geen „Koel“-functie ingesteld Is het koelsymbool in het display geactiveerd.

Instelling van het apparaat corrigeren Lamellen van het buitendeel geblokkeerd door vreemde voorwerpen Werkt de ventilator van het buitendeel, zijn de wisselaarlamellen vrij. Ventilator of winterregeling controleren, luchtweerstand verminderen Ondichtheid in het koelcircuit Is er rijpvorming zichtbaar aan de wisselaarlamellen van het binnenapparaat.

Reparatie door een vakbedrijf Er loopt condensaatwater uit het apparaat. Afvoerbuis van het verzamel-reservoir verstopt / beschadigd Is de ongehinderde condensaatafvoer gegarandeerd. De afvoerbuis en het verzamelreservoir reinigen Externe condensaatpomp resp. vlotter defect Zit de opvangbak vol water en de pomp werkt niet. De pomp laten vervangen door een vakbedrijf Warmte- resp. windlast werd verhoogd Zijn er constructieve / toepassingsveranderingen. Adequate maatregelen treffen om de warmte- / windlasten te verminderen Geen warmteafgifte mogelijk Werkt de ventilator van het buitendeel. Ventilator / Winterregeling controleren.

14 Belangrijke instructies voor de installatie ◊ Controleer de inhoud van de verpakking op volledig-heid en de apparaten op zichtbare transportschade en und meld gebreken onmiddellijk aan uw con-tractant en het expeditiebedrijf. Latere reclamaties kunnen niet erkend worden. ◊ Breng het apparaat in de originele verpakking zo dicht mogelijk naar de montageplaats om transportschade te vermijden. ◊ Voor de installatie moet gecontroleerd worden of de elektrische aansluitwaarden overeenkomen met de gegevens op het typeplaatje. ◊ Installeer het apparaat niet in de onmiddellijke nabijheid van voorwerpen met een intensieve warmtestraling. Lampen enz. ◊ Kies een montageplaats die een vrije luchtinlaat en -uitlaat garandeert. Minimale vrije ruimtes aanhouden. ◊ Gebruik uitsluitend de meegeleverde wartelmoeren van de koelmiddelleidingen. Andere moeren kunnen de schroefdraden beschadigen.

◊ Verwijder de beschermkappen van de aansluitingen van het apparaat pas vlak voordat ze worden verbonden met de koelmiddelleidingen. ◊ Houd er rekening mee dat de maximale lengte van de koelmiddelleidingen 10 resp. 15 meter bedraagt, bij een maximaal hoogteverschil van 5 resp. 8 meter. ◊ De koelmiddelleidingen mogen niet geknikt of ingedrukt worden. ◊ Zorg ervoor dat alle koelmiddelleidingen, inclusief alle verbindingsstukken en kleppen, diffusiedicht warmtegeïsoleerd zijn. ◊ Doe extra koelmiddel in de installatie als de enkelvoudige lengte van de koelmiddelleiding 5 meter overschrijdt. De extra hoeveelheid koelmiddel kunt u afleiden uit het hoofdstuk „Koelmiddel bijvullen“. ◊ De condensaatleiding moet gelegd worden met een verval van minstens 2 %.

◊ Als de condensaatleiding wordt verbonden met het riool, dan moet er een geurafsluiting worden voorzien, waarvan de bovenkant de hoogte van de onderkant van het binnenapparaat niet mag overschrijden. ◊ Alle elektrische aansluitingen moeten worden uitgevoerd volgens de geldende voorschriften.

De spanningsvoeding wordt alleen aangesloten aan het buitendeel. ◊ De regelleiding naar het binnenapparaat moet samen met de koelmiddelleiding gelegd worden. ◊ Zorg voor een reglementaire bevestiging van de elektrische leidingen in de klemmen. ◊ Het binnenapparaat en het buitendeel van de airconditionings van REMKO technisch op elkaar afgestemd. Bij gebruik van vreemde componenten vervalt elk recht op garantie. ◊ Bij de installatie en het onderhoud van airconditio-nings kunnen gevaren door hoge koelmiddeldrukken en elektrische spanning ontstaan. ◊ Tijdens het bedrijf van het apparaat kunnen sommige componenten van het koelmiddelcircuit temperaturen van meer dan 70 °C bereiken. Bij gedemonteerde afdekkingen is daarom extra voorzichtigheid geboden.

Te vermijden installatiefouten Houd bij de installatie absoluut rekening met de volgende punten: ◊ Leg de leidingen van het binnenapparaat naar het buitendeel en houd de lengte van de koelmiddel-leidingen zo kort mogelijk. ◊ Open de afsluitkleppen van de koelmiddelleidingen pas na afsluiting van de complete installatie. ◊ Bevestig elektrische leidingen altijd volgens de voorschriften in de klemmen. Er zou anders brand kunnen ontstaan. ◊ Bescherm open koelmiddelleidingen tegen het binnendringen van vocht met geschikte kappen of plakband. ◊ Vermijd onnodige buigingen. U minimaliseert zo het drukverlies in de koelmiddel-leidingen en garandeert dat de compressorolie vrij terugstroomt. ◊ Tref bijzondere maatregelen met betrekking tot de olieterugvoer als het buitendeel is aangebracht boven het binnenapparaat. Zie paragraaf „Maatregelen voor de olieterugvoer“.

◊ Installeer het apparaat niet in de onmiddellijke nabijheid van apparaten met een intensieve warmtestraling zoals b. v. glasreflectieoppervlakken. De montage in de buurt van warmtestraling vermindert de warmteafgifte van de lamellen van het buitendeel.

15 Opstellingsplaatsen van het buitendeel De opstellingsplaats van het apparaat moet horizontaal, vlak en stabiel zijn. Bovendien moet het apparaat tegen omkantelen beschermd worden. Het buitendeel kan zowel buiten als binnen een gebouw worden opgesteld. Gelieve bij montage buiten de vol-gende instructies in acht te nemen om het apparaat te beschermen tegen weersinvloeden. Zo kunnen vervuilingen en roest aan de onderkant door spatwater bij regen vermeden worden. Een vloerconsole is verkrijgbaar als toebehoren. Regen: Het apparaat moet bij opstelling op een vloer of een dak met een afstand van min. 10 cm (maat X in de volgende tekening) tot de grond gemonteerd worden. Zon: De lamellenwisselaar (condensor) van het buitendeel is een component die warmte afgeeft. Zonlicht verhoogt de temperatuur van de lamellen extra en vermindert zodoende de warmteafgifte van de lamellenwisselaar.

Het buitendeel moet zo veel mogelijk aan de noordkant van het betreffende gebouw worden opgesteld. Op de plaats van installatie moet indien nodig een beschaduwing worden ingericht. Dit kan gebeuren door een kleine bedaking. De uitstromende warmelucht-stroom mag door deze maatregelen echter niet beïnvloed worden. Wind: Als het apparaat wordt opgesteld in omgevingen met veel wind, dan moet u ervoor zorgen dat de uitstromen-de warmeluchtstroom in de belangrijkste windrichting wordt uitgeblazen. Als dit niet mogelijk is, voorzie dan op de plaats van installatie eventueel een windbescherming. Zorg ervoor dat de windbescherming de luchttoevoer van het apparaat niet nadelig beïnvloedt. wind Sneeuw: In gebieden met veel sneeuwval moet u voor het apparaat een montage aan de wand voorzien. De montage moet dan min.

20 cm boven de te ver-wachten sneeuwhoogte gebeuren om te verhinderen dat er sneeuw binnendringt in het buitendeel. Een wandconsole is verkrijgbaar als toebehoren. ◊ Garandeer een ongehinderde luchttoevoer van buiten, indien mogelijk door tegenover gelegen, voldoende grote luchtopeningen.

◊ Verhinder geluidsbelastingen in woonruimtes door een toereikende geluidsisolatie. ◊ Blokkeer de luchtinlaatroosters in geen geval en zet deze niet dicht. ◊ Neem de statische en andere bouwtechnische voorschriften en voorwaarden met betrekking tot het gebouw in acht. ◊ Stel het apparaat niet op in ruimtes met erg stoffige of agressieve lucht. licht- schacht extra ventilator buitendeel Warme lucht licht schacht warme lucht koude frisse lucht Opstelling binnen in het gebouw: Houd rekening met de volgende informatie als het buitendeel binnen in een gebouw moet worden opgesteld: ◊ Zorg voor voldoende warmteafvoer als het buiten-deel in de kelder, op zolder, in zijvertrekken of hallen wordt opgesteld.

16 Minimale vrije ruimtes van de binnenapparaten In de volgende afbeelding zijn de vereiste afstanden voor een storingsvrij bedrijf van de binnenapparaten aangegeven. maten in mm 120 120 200 1500 120 Minimale vrije ruimtes Deze beschermzones dienen voor de ongehinderde luchtin- en -uitlaat, om voldoende plaats voor onderhoud en reparaties te voorzien en ter bescherming van het apparaat tegen beschadigingen. Minimale vrije ruimtes van de buitendelen In de volgende afbeelding zijn de minimale vrije ruimtes voor een storingsvrij bedrijf van de buitendelen aangegeven. ML 260 ML 350 ML 520 ML 680 A 100 mm 150 mm B 700 mm 900 mm C 400 mm D 100 mm 150 mm E 400 mm 600 mm 200 mm Muurdoorbraken Om de verbindingen tussen binnenapparaat en buitendeel te kunnen maken zijn wanddoorvoeren onvermijdbaar. Houd rekening met de volgende punten: ◊ Er moet een muurdoorbraak met een diameter van min.

70 mm gemaakt worden. ◊ De doorbraak moet van binnen naar buiten een verval van minstens 10 mm bezitten. ◊ Vergewis u er voor het begin van de werkzaam-heden van dat er in de buurt van de muurdoorbraak geen verdeelleidingen (water enz. ) lopen. ◊ Wij raden aan om het gat van binnen te bekleden of er b. v. een PVC-buis in aan te brengen om beschadigingen aan de leidingen te vermijden. regelleiding koelmiddel- zuigleiding condensaatleiding koelmiddel- injectieleiding ◊ Bij gebruik van REMKO koelmiddelleidingen moet de elektrische regelleiding en de condensaatleiding op de plaats van installatie beschikbaar worden gesteld. De te creëren doorbraak moet dus, al naargelang de gebruikte leidingen, worden aangepast. ◊ Na de montage moet de muurdoorbraak met geschikte dichtmassa afgesloten worden. Gebruik geen cement- of kalkhoudende materialen.

17 * Er mag alleen gereedschap worden gebruikt dat is toegelaten voor de inzet in het koelbereik. Buissnijder, ontbramer en kraalbeitel. ontbkoelmiddelleiding kraalbeitel ongelijke dikte scheur- vormingen scheur- vormingen gegolfd CORRECT 6. Controleer of de fels een correcte vorm bezit. 7. Voer de verbinding van de koelmiddelleidingen met het binnenapparaat eerst met de hand uit om een juiste zitting te garanderen. 8. Bevestig de schroefverbindingen nu definitief met 2 muilsleutels met een geschikte sleutelwijdte. Houd tijdens het schroeven in elk geval tegen met een muilsleutel (zie afbeelding). vastdraaien 1ste muilsleutel tegenhouden 2de muilsleutel * Als de enkelvoudige lengte van de verbindings-leiding langer is dan 5 m, dan moet bij de eerste ingebruikname van de installatie koelmiddel worden toegevoegd. Zie hoofdstuk „Koelmiddel bijvullen“.

De volgende instructies beschrijven de installatie van het koelcircuit en de montage van binnenapparaat en buitendeel. 1. Gelieve de vereiste buisdiameters af te leiden uit de tabel „Technische gegevens“. 2. Begin met de installatie van het binnenapparaat. 3. Verwijder de in de fabriek aangebrachte wartel-moeren en gebruik deze voor de verdere montage. 4. Vergewis u er voordat u de koelmiddelleidingen ombuigt, van dat de wartelmoeren op de buizen zitten. 5. Bewerk de gelegde koelmiddelleidingen zoals hieronder getoond. 11. Hang het binnenapparaat licht naar achter gekanteld in de van tevoren gemonteerde wandhouder en druk het ap-paraat dan met de onderkant tegen de houder. Beschadig de leidingen niet en zorg ervoor dat ze correct lopen. 12.

De montage van het binnenapparaat moet zo worden uitgevoerd, dat een ongehinderde afvoer van het condensaatwater en een continu vrije luchtinlaat en luchtuitlaat gegarandeerd is. 13. Houd bij de montage rekening met de buigradiussen van de koelmiddelleidingen en buig nooit één plaats van de buis tweemaal. Verbrossing en scheurgevaar kunnen het gevolg zijn. 14.

Leg de koelmiddelleidingen van het binnenapparaat naar het buitendeel. Zorg voor een goede bevestiging en tref evt. maatregelen voor de olieterugvoer. 15. Installeer het buitendeel met de wand- resp. vloer-console aan statisch toegelaten delen van het gebouw. Installatie-instructies van de consoles in acht nemen. 16. Zorg ervoor dat er geen contactgeluid wordt overgedragen op delen van het gebouw. Contactgeluidsoverdracht wordt verminderd door trillingsdempers. 17. Verbind nu de koelmiddelleidingen met het buitendeel zoals hiervoor beschreven. 18. Voorzie de beide geïnstalleerde koelmiddelleidin-gen, inclusief de verbindingsstukken, van een adequate warmte-isolatie. 19. Gebruik alleen voor het temperatuurbereik inzetbare en diffusiedichte isolatieslangen. 9.

Als u voor de vertrekvariant 2 of 4 heeft gekozen (vertrek door de muur), leid de condensaatwater- en de regelleiding dan door de muurdoorbraak het binnenapparaat in. Indien u tevens een condensaatpomp nodig heeft, dan moet deze eerst gemonteerd worden. 10. Als het door constructieve omstandigheden niet mogelijk is om de condensaatleiding mee te leiden, vergewis u dan ervan dat de condensaatafvoer continu gegarandeerd is.

18 Maatregelen voor de olieterugvoer Als het buitendeel op een hoger niveau dan het binnen-apparaat wordt aangebracht, dan moeten adequate maatregelen voor de olieterugvoer getroffen worden. Dit gebeurt in de regel door de installatie van een oliehefboog voor elke 2,5 stijgende meter. radius: 50 mm buitendeel max. 8/10 m binnenapparaat oliehefboog in de zuigleiding naar het buitendeel, 1x per 2,5 stijgende meter * Er moet een vacuüm van min. 0,05 mbar gecreëerd worden. * Voor alle werkzaamheden aan het apparaat moet de spanningsvoeding onderbroken en tegen opnieuw inschakelen beveiligd worden. De duur van het luchtledig maken is afhankelijk van het buisleidingvolume van het binnenapparaat en de lengte van de koelmiddelleidingen; het proces duurt echter minstens 30 minuten.

Als de vreemde gassen en het vocht volledig uit het systeem zijn verwijderd, dan worden de ventielen van het manometerstation gesloten en de kleppen van het buitendeel, zoals beschreven in het hoofdstuk „Ingebruikname“, geopend. Als alle verbindingen zijn gemaakt, dan wordt het manometerstation als volgt aangesloten aan de betreffende schraderventielaansluitingen: rood = klein ventiel = injectiedruk blauw = groot ventiel = zuigdruk Na de aansluiting wordt de dichtheidscontrole uitgevoerd met gedroogd stikstof. Voor de dichtheidscontrole worden de gemaakte aan-sluitingen besproeid met lekopsporingsspray. Als er bellen zichtbaar zijn, dan is de verbinding niet correct uitgevoerd. Draai de schroefverbinding dan steviger aan of maak evt. een nieuwe fels.

Na een succesvolle dichtheidscontrole wordt de overdruk verwijderd uit de koelmiddelleidingen en een vacuümpomp met een absolute partiële einddruk van min. 0,01 mbar in bedrijf gesteld om een luchtledige ruimte in de leidingen te creëren. Bovendien wordt het vocht uit de leidingen verwijderd. Alle elektrische installaties mogen alleen worden uitgevoerd door geautoriseerd vakpersoneel conform de geldende voorschriften.

Voor de opstelling en de ingebruikname moeten de plaatselijke richtlijnen en de voorschriften van het plaatselijke energiebedrijf in acht worden genomen. De leidingdiameter van de stroomvoeding is afhankelijk van de constructieve omstandigheden en van het aansluitvermogen van het apparaat. Er moet een spanningsvoeding naar het buitendeel en een 4-aderige regelleiding van het buitendeel naar het binnenapparaat gelegd worden. Wij raden aan om voor de regelleidingen een afge-schermde leiding met een diameter van minstens 1,5 mm² te gebruiken. Aansluiting van het binnenapparaat Neem de volgende instructies in acht, voordat u met de aansluiting begint: ◊ De stroomvoeding van het binnenapparaat gebeurt via de regelleiding van het buitendeel. ◊ De beveiliging van de installatie gebeurt conform de technische gegevens.

◊ De contactstrip van de aansluitingen bevindt zich achter de afdekking aan de rechterkant van het binnenapparaat. contactstrip afdekking trekontlasting regelleiding regelleiding Voer de aansluiting als volgt uit: 1. Open het luchtaanzuigrooster. 2. Maak met een kruiskopschroevendraaier de afdekking aan de rechterkant los. 3. Verbind het apparaat met de spanningsvrije leiding van het buitendeel. Zie „Elektrisch aansluitschema“. 4. Assembleer het apparaat weer.

19 Aansluiting van het buitendeel Neem de volgende instructies in acht, voordat u met de aansluiting begint: ◊ De aansluitkast moet in de buurt van het buitendeel geïnstalleerd worden. Wij raden aan om een hoofd- resp. reparatieschakelaar in te zetten. ◊ De spanningsvoeding van het binnenapparaat gebeurt via de v e r bind i ngs l ei di ng v an het buitendeel. ◊ De elektrische beveiliging van de installatie gebeurt conform de technische gegevens. Voor de aansluiting van de leiding gaat u als volgt te werk: 1. Verwijder de afdekking boven de aansluitkleppen. 2. Selecteer de diameter van de aansluitleiding conform de voorschriften. 3. Leid de aansluitleiding en de regelleiding naar het apparaat. 4. Sluit de leidingen aan conform het aansluitschema. 5. Veranker de leiding in de trekontlasting en assembleer het apparaat weer.

buitendeel compressorbeveiliging aardgeleider netvoedingsleiding binnenapparaat L N 7 L1 N L N 7 PE PE PE regelgeleider neutraalgeleider buitengeleider 230 V~, 50 Hz, L1 / N / PE Na een succesvolle dichtheidscontrole moet de vacuümpomp met behulp van het manometerstation aan de klepaansluitingen van het buitendeel (zie hoofdstuk „Dichtheidscontrole“) aangesloten en moet er een vacuüm gecreëerd worden. Voor de eerste ingebruikname van het apparaat en na ingrepen in het koelcircuit moeten de volgende controles uitgevoerd en in het ingebruiknameprotocol gedocumenteerd worden: ◊ Controle van alle koelmiddelleidingen en kleppen met lekopsporingsspray of zeepwater op dichtheid. Bij stilstand van het apparaat. ◊ Controle van de verbindingsleidingen op abusievelijk verwisselen van zuig- en injectieleiding. ◊ Controle van de koelmiddelleidingen en de isolatie op beschadigingen.

◊ Controle van alle bevestigingen, ophangingen enz. op vereiste stevigheid en juist niveau. * Als de enkelvoudige lengte van de koelmiddellei-ding een lengte van 5 meter overschrijdt, dan moet er extra koelmiddel in de installatie worden gedaan. Omwille van de daling onder het dauwpunt wordt er tijdens het koelbedrijf aan de lamellenwisselaar van het binnenapparaat zweetwater (condensaat) gevormd. Het binnenapparaat is uitgerust met een opvangbak en een condensaatslang voor het gevormde condensaat. Neem bij het leggen van de condensaatslang de volgende instructies in acht: ◊ De condensaatafvoer wordt in de regel samen met de koelmiddelleidingen gelegd. ◊ Indien door constructieve omstandigheden een afwijkende geleiding van de condensaatslang vereist is, dan kan de slang ook door een ander vertrek vanuit het binnenapparaat naar buiten geleid worden.

2 % verval ◊ Bij bedrijf van het apparaat bij een buitentempera-tuur lager dan 0 °C moet de slang tegen vorst beschermd gelegd worden. ◊ Gebruik altijd geschikte slangklemmen. ◊ Indien het condensaat naar het riool wordt geleid, voorzie dan een sifonachtige slanggeleiding als geurafsluiting. ◊ Zorg voor voldoende verval naar de afvoer. Voorzie een verval van minstens 2 %. ◊ De meegeleverde condensaat-slang kan met in de handel verkrijgbare slangen verlengd worden. ◊ De condensaatleiding moet omwille van zweetwatervorming geïsoleerd worden. ◊ Na het leggen moet de vrije afvoer van het condensaat gecontroleerd worden.

20 Ga voor het vullen van de extra benodigde hoeveelheid koelmiddel als volgt te werk: 1. Verwijder de vacuümpomp en sluit de vulcilinder aan. 2. Zet de geopende cilinder op een weegschaal en kalibreer de weegschaal op nul. 3. Maak de slang ter hoogte van de manometer-verdelerbuis luchtledig. 4. Leg aan de hand van de tabel hierboven de vulhoeveelheid vast. 5. Open de zuigdrukzijde van de manometer. 6. Sluit het manometerventiel bij het bereiken van de vastgelegde hoeveelheid. De voor het bedrijf van de installatie vereiste hoeveel-heid koelmiddel bevindt zich in het buitendeel. Alleen bij koelmiddelleidingen met een enkelvoudige lengte per circuit langer dan 5 meter moet er koelmiddel, aan de hand van de volgende tabel, worden bijgevuld: ML 260 ML 350 ML 520 ML680 Leidinglengte Vulhoeveelheid per meter tot en met 5 m 5 m tot max.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met REMKO ML680 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden