REMKO ML 521 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van REMKO ML 521 (28 pagina’s), behorend tot de categorie Airco. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 27 mensen en kreeg gemiddeld 4.1 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over REMKO ML 521 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | REMKO |
| Categorie: | Airco |
| Model: | ML 521 |
Handleiding REMKO ML 521 – volledige tekst
InhoudVoor indienstname / gebruik van het toestel dient deze gebruikshandleiding zorgvuldig gelezen te worden!Deze handleiding maakt deel uit van het toestel en dient steeds in de onmiddellijke nabijheid van de opstellingsplaats, resp.
bij het toestel bewaard te worden.Wijzigingen voorbehouden; we aanvaarden geen aansprakelijkheid voor drukfouten en vergissingen!Veiligheidsaanwijzingen 4Bescherming van het milieu en recyclage4Garantie 4Transport en verpakking 5Beschrijving van het toestel 5Bediening 6-12Uitdienstname 12Service en onderhoud 12-13Storingsverhelping en klantendienst 14-15Montageaanwijzing voor het vakpersoneel 15-18Installatie 18-19Dichtheidscontrole 20Condensaansluiting 20Elektrische aansluiting 20-21Elektrisch aansluitschema 21Elektrisch schakelschema 22Voor de indienstname 23Koelmiddel toevoegen 23Indienstname 23-24Afmetingen van het toestel 24Beschrijving van het toestel 25-26Wisselstukkenlijst 25-26Technische gegevens 27Made by REMKO3
VeiligheidsaanwijzingenVerwijderen van de verpakkingAlle producten worden voor het transport zorgvuldig in milieuvriendelijke materialen verpakt. Maak een waardevolle bijdrage aan de afvalvermindering en het behoud van de grondstoffen en breng het verpakkingsmateriaal naar de gepaste inzamelplaatsen. Afvoeren van gebruikte apparatenDe toestellenproductie is onderworpen aan een voortdurende kwaliteitscontrole. Er worden uitsluitende hoogwaardige materialen verwerkt, die voor het grootste gedeelte recycleerbaar zijn. Draag ook bij tot de bescherming van het milieu door U ervan te verzekeren dat Uw oud toestel op milieuvriendelijke wijze volgens de regionaal geldende voorschriften, bv. door gemachtigde vaklui verwijderd en herwerkt of naar inzamelplaatsen gebracht wordt.
GarantieVoorwaarden voor eventuele waarborgsaanspraken dienen, door de besteller of zijn af-nemer tijdig samen met de verkoop en indienstname via de bij het toestel gevoegde „waarborgdocument” alsook het indienstnameprotocol volledig ingevuld aan REMKO GmbH & Co. KG teruggestuurd te worden. De waarborgsvoorwaarden zijn te vinden in de „Algemene verkoops- en leveringsvoorwaarden“. Daarenboven kunnen slechts tussen de contractuele partners speciale afspraken gemaakt worden. Dienentgevolge gelieve U eerst tot Uw directe contractuele partner te wenden. Bescherming van het milieu en recyclageLees voor de eerste indienstname van het toestel de werkingshand- leiding aandachtig door. U bekomt nuttige tips, aanwijzingen alsook waarschuwingsaanwijzingen voor gevarenafwending voor personen en goederen.
Het verkeerd gebruiken van de handleiding kan tot gevaren leiden voor personen, het milieu en de installatie en daarmee tot het verlies van mogelijke aanspraken. ■ Bewaar deze gebruikshandleiding alsook de gegevensfiche van het koelmiddel in de nabijheid van het toestel. ■ De opstelling en installatie van het toestel en componenten mag enkel gebeuren door vaklui.
■ opstelling, aansluiting en werking van het toestel en componenten dienen te gebeuren binnen de inzet- en werkingsvoorwaarden volgens de handleiding en de geldende regionale voorschriften zijn van toepassing. ■ De toestellen voor mobiele inzet dienen op de gepaste ondergrond en loodrecht opgesteld te worden. toestellen voor stationaire werking mogen enkel werken in vast geïnstalleerde toestand. ■ Ombouw of wijziging van de door REMKO geleverde toestellen of componenten is niet toegelaten en kan foutfuncties veroorzaken. ■ De toestellen en componenten mogen niet binnen bereiken met verhoogd beschadigingsgevaar werken. De minimale vrije ruimte dient gerespecteerd te worden. ■ De elektrische stroomvoorzieining dient aangepast te worden aan de vereisten van het toestel.
■ De werkingszekerheid van het toestel en componenten is enkel gewaarborgd bij doelmatig gebruik en in kompleet gemonteerde toestand. Veiligheidsinrichtingen mogen niet gewijzigd of overbrugd worden. ■ De bediening van toestellen of componenten met in het oog springende defecten of beschadigingen dient vermeden te worden. ■ Alle behuizingsdelen en toestelopeningen, bv. luchtinlaat- en -uitlaatopeningen dienen vrij te zijn van vreemde voorwerpen, voleistoffen of gassen. ■ De toestellen en componenten vereisen een toereikende veiligheidsafstand tot ontvlambare, explosieve, brandbare, aggressieve en vervuilde bereiken of atmosferen. ■ Bij de aanraking van bepaalde toesteldelen of componenten kan het tot verbrandingen of kwetsuren komen.
De kameraircotoestellen ML 261-681 beschikken over een REMKO ML...AT buitendeel alsook over een binnentoestel ML...IT.Het buitendeel dient in koelwerking voor afgave van de uit het binnentoestel uit de te koelen ruimte weggenomen warmte naar de buitenlucht. In opwarmwerking kan in de op te warmen ruimte de door het buitendeel opgenomen warmte aan het binnentoestel afgegeven worden.Het buitendeel is in buitenbereik of met in acht name van bepaalde vereisten ook in binnenbereik monteerbaar. Het binnentoestel is voor binnenbereik ontworpen voor de bovenste wandbereiken. De bediening gebeurt via een infrarood-afstandsbediening.Het buitendeel bestaat uit een koelkring met compressor, vervloeier in lamellenbouwvorm, vloeiventilator, omkeer-ventiel en smoororgaan.
De aansturing van het buitendeel gebeurt via de regeling van het binnentoestel.Het binnentoestel bestaat uit verdamper in lamellenbouwwijze, verdamperventilator, regeling en condenskuip.Als toebehoren zijn winterregelingen, vloerconsoles, muurconsoles, koelmiddelleidingen en condenspompen verkrijgbaar.Beschrijving van het toestelDe toestellen worden in een stabiele transportverpakking geleverd.
Aangifte aan het binnentoestelDe aangifte licht op overeenkomstig de instellingen. max. 6 mMax. afstand 6 mAangifte aan het binnentoestelTimerAutomatisch modusVentilatortoerentalDisplay aanduiding van gecodeerde foutmelding, kamer- en theoretische temperatuurKoelwerkingSwingmodusSleepfunctieOntvochtigingsmodusTemperatuureenheidOpwarmmodusBedieningInfrarood-afstandsbedieningDe infrarood-afstandsbediening zendt de geprogrammeerde instellingen in een afstand tot 6 m naar het ontvangstdeel van het bInnentoestel. Een ongestoorde ontvangst van de gegevens is enkel mogelijk, wanneer de afstandsbediening naar het ontvangstdeel gericht is en er geen voorwerpen de overdracht verhinderen.Als voorbereiding dienen de in de levering bevindende batterijen (2 stuks, type AAA) in de afstandsbediening geplaatst te worden.
Trek daartoe de klep van het batterijvak uit en plaats de batterijen in de juiste poolrichting (zie markering).Het binnentoestel wordt comfortabel bediend met de seriematige infrarood-afstandsbediening. De overeenkomstige gegevensdoorgave wordt vanuit het binnentoestel met een signaaltoon verlaten. Indien een programma via de infrarood-afstandsbediening niet mogelijk is, kan het binnentoestel ook manueel bediend worden.Storingen worden gecodeerd aangegeven (zie hoofdstuk storing-oplossing en klantendienst) OPGELETVervang steeds ontladen batterijen direct door een nieuwe set, omdat het gevaar van uitlopen bestaat. Bij langere uitdienstname wordt aanbevolen de batterijen te verwijderen. AANWIJZINGManuele bedieningDe bInnentoestellen kunnen manueel in werking genomen worden.
Na het openen van de luchtingangroosters kan de binnen liggende toets ingedrukt en de automatische modus geactiveerd worden.In manuele werking gelden de volgende instellingen:Koelwerking: laatste instellingVentilatorsnelheid: AUTOOpwarmwerking: laatste instellingVentilator: AUTODoor het indrukken van een toets van de infrarood-afstandsbediening wordt de manuele werking onderbroken.REMKO ML6
Toets „TIMER AAN“ Met deze toets wordt de automatische inschakeltijd van de toestellen binnen de volgende 24 uur geprogrammeerd. Toets „TIMER UIT“ Met deze toets wordt de automatische uitschakeltijd van het toestel binnen de volgende 24 uur geprogrammeerd. Toets „HR“ Met deze toets worden de uren ingesteld. Toets „MIN“ Met deze toets worden de minuten ingesteld. Toets „RESET toets“ (in batterijvak) Met deze toets wordt de afstandsbediening in de levertoestand teruggezet. Toets „CLOCK“ (ib batterijvak) Door deze toets in te drukken wordt de uurtijdinstelling geactiveerd. Toets „DISPLAY“ Met deze toets wordt het display aan- en uitgeschakeld (geen beïnvloeding van de toestellenfunctie). Toetsen van de afstandsbediening 1. Automatische modus In deze modus werkt het toestel in koelmodus of in opwarmmodus. 2.
Koelmodus In deze modus wordt de warme kamerlucht op de gewenste temperatuur afgekoeld. 3. Ontvochtigingsmodus In deze modus wordt de kamer overwegend ontvochtigd, de ingestelde temperatuur aangehouden. 4. verwarmingsmodus In deze modus wordt de warme kamerlucht op de gewenste temperatuur opgewarmd. Toets „FAN“ Met deze toets wordt het gewenste ventilatortoerental ingesteld. 4 stappen staan ter beschikking: Automatisch, hoge, middel en lage ventilatorstap. Toets „LAMELLEN“ Met deze toets wordt de positie van de uitgangslamellen gekozen. Er staan 5 posities en een oscillerende functie ter beschikking. Toets „SLEEP“ Na het indrukken van deze toets stijgt in koelwerking de theoretische temperatuur binnen een uur automatisch met 1 °C, in opwarmwerking daalt de theoretische temperatuur binnen een uur met 1 °C.
Toets „SWING“ Deze toets activeert direct de oscillerende functie van de lamellen voor een betere luchtverdeling in de kamer. Toetsen van de afstandsbediening Toets „ON/OFF“ Met deze toets zet U het toestel in werking. Toets „TOO HOT“ Met deze toets wordt de gewenste temperatuur tot 16 °C verlaagd.
Het klaar zijn van de afstandsbediening wordt via een blinkende punt op de afstandsbediening gesignaleerd.Klaar zijn van de afstandsbedieningRESET Toets Door het indrukken van de RESET-toets in het batterijvak kan de afstandsbediening teruggeplaatst worden. Daarna dient de klok geprogrammeerd te worden (zie „CLOCK toets“).RESET 5 sec. UurinstellingDoor het indrukken van de CLOCK-toets in het batterijvak kan het uur geprogrammeerd worden. In de aangifte knippert „CLOCK“ en via de toets HR. en MIN. wordt de huidige tijd ingesteld. Een nogmaals indrukken van de CLOCK-toets sluit de programmering af, de aanduiding knippert niet meer.CLOCK ToetsCLOCKHR/MINCLOCKDoor indrukken van de ON / OFF- toets activeert en deactiveert U Uw aircotoestel.
In het display verschijnen de voor de afschakeling van de toestellen geprogrammeerde instellingen en instelwaarden.ON/OFF ToetsON/OFF ON/OFFDe doorgave van de instellingen wordt via een symbool in het display aangegeven.ToetsenfunctiesREMKO ML8
▲/▼ Toetsen De toets maakt het verlagen mogelijk van de gewenste theoretische ▼temperatuur, de toets de verhoging. In automatische modus ▲kan de temperatuur met 1°C verhoogd resp: verlaagd worden. In ontvochtigingsmodus is geen temperatuurinstelling mogelijk.Modus koelenDe aanduiding verdwijnt na 1 min.Modus automatischMODUS Toets Gebruik de toets MODUS om tussen afzonderlijke werkingswijzen te kiezen. Er staan 4 modussen ter beschikkingi:1. Automatisch koelwerking of verwarmingswerking 2. Koelen vooral zomerwerkingswijze 3. Ontvochtigen Zomer- of winterwerkingswijze 4. Verwarmen vooral winterwerkingswijzeMODUSMODUSMODUSAutomatisch Koelen Ontvochtigen VerwarmenIn modus automatisch kiest de regeling bij de eerste inschakeling zelfststandig tussen verwarmings- en koelwerking. Het regelbereik ligt tussen 22 °C en 26 °C.
deze kan met de toetsn nog verhoogd of ▲/▼ verlaagd worden.Modus AUTOMATISCHAuTOMATIschMODUSIn modus koelen wordt de kamerlucht op de ingestelde theoretische temperatuur afgekoeld. De gewenste kamertemperatuur wordt met de toetsen in 1 °C stappen ingesteld. Ligt de kamertemperatuur 0,5 °C ▲/▼ boven de gekozen theoretische temperatuur begint het binnentoestel de kamerlucht af te koelen. Wordt de ingestelde kamertemperatuur met ca. 1 °C onderschreden, schakelt de regeling de koeling uit. Ter bescherming van de compressor schakelt de regeling pas na een wachttijd van 3 minuten de koeling weer in.Modus KOELENKOELWERKINGMODUS▼▲▼▲9
Modus VERWARMEN In modus verwarmen heeft U de mogelijkheid de kamer in de lente en de herfst op te warmen. De gewenste kamertemperatuur wordt met de toetsen in 1 °C stappen ingesteld. Ligt de kamertemperatuur 1 °C ▲/▼onder de gekozen theoretische temperatuur begint het binnentoestel de kamerlucht op te warmen. Wordt de ingestelde kamertemperatuur met ca. 1 °C overschreden, schakelt de regeling de verwarmingswerking uit. Ter bescherming van de compressor schakelt de regeling pas na een wachttijd van 3 minuten de verwarmingswerking weer in.MODUSVERWARMINGsWERKINGIn modus ontvochtigen wordt de kamertemperatuur tot 24°C verminderd. Op basis van de geringe koelmiddeltemperatuur wordt het dauwpunt van de lucht aan de lamellenwisselaar onderschreden. De overbodige vochtigheid van de lucht condenseert in de verdamper, de kamer wordt ontvochtigd.
Het ventilatortoerental dient op automatisch ingesteld te zijn om een maximale ontvochtiging te bereiken. De ventilator wordt in automatische werking met intervallen in- en uitgeschakeld.Modus ONTVOCHTIGENONTVOchTIGINGs- WERKINGMODUSMet deze toets wordt de ventilatorsnelheid ingesteld. Er kan gekozen worden tussen laag, middel, hoog en automatisch ventilatortoerental gekozen worden.FAN ToetsFANFANFAN FANMet deze toets worden de luchtuitgangslamellen individueel ingesteld. Er kan tussen 5 posities en een oscilierende functie gekozen worden.LAMELLEN ToetsMet deze toets wordt de oscillerende functie van de luchtuitgangs- lamellen ingesteld. Dit laat een directe omschakeling toe tussen een ingestelde positie en de oscillerende functie. Met de swingfunctie wordt de luchtverdeling in de kamer verbeterd.SWING ToetsSWINGSWINGSWINGREMKO ML10
TIMER ToetsenMet deze toetsen wordt een aan- resp. uitschakeltijd geprogrammeerd. Door het indrukken van de toets timer in resp. timer uit, wordt de timer geactiveerd en de klokaanduiding verdwijnt. Het timersymbool voor in- resp. uitschakeltijd knippert. De timeraanduiding van het binnentoestel licht op. Door indrukken van de toetsen HR. en MIN. wordt de gewenste in- of uitschakeltijd ingesteld. Na succesvolle instelling knippert het timersymbool nog 30 seconden. Wordt de geprogrammeerde uurtijd bereikt, schakelt het toestel zich automatisch in, resp. uit. Wordt het binnentoestel automatisch ingeschakeld, is de modus, de temperatuur en de ventilatorsnelheid van de laatste iinstelling geactiveerd. Het voortijdige wissen van de in- en uitschakeltijd gebeurt door indrukken van de overeenkomstige timertoets of door de toets ON/OFF.
De timeraanduiding van het binnentoestellen verdwijnt.TIMER Toets AANTimer aan HR/MIN 30 sec.TIMER Toets UITTimer uit HR/MIN 30 sec.Met deze toets wordt een programmering geactiveerd, waarbij de theoretische temperatuur in koelmodus na een uur met 1 °C en na 2 uur met 2 °C verhoogt. In verwarmingsmodus wordt de theoretische temperatuur na een uur met 1 °C en na 2 uur met 2 °C verminderd. Het toestel wordt automatisch na 8 uur uitgeschakeld.SLEEP ToetsTIMER Toets AAN/UITToestel aan Toestel uitVoorbeeld:De regeling schakelt om 10:20 aan. Het toestel is tot 5:00 in werking.De regeling schakelt dagelijks naar de geprogrammeerde tijden van het toestel aan en uit. In werking zijn alle instellingen en het timersymbool op het display te zien. Buiten werking is de aanduiding 0->1 en het timersymbool duidelijk zichtbaar.SLEEPSLEEPSLEEP11
Aan de luchtuitgangszijde bevinden zich individueel instellbare lamellen voor horizontale luchtverdeling.Manuele luchtverdelingBinnenliggende, zich bewegende toestelbouwdelen bv. ventilator, vertegenwoordigen tijdens de werking potentiële letselgevaren!Enkel met uitgeschakelde swingwerking wijzigingen doorvoeren. OPGELETVerstelhefboom linksManuele luchtverdelingVerstelhefboom rechtsUitdienstnameDefinitieve uitdienstname1. Laat het binnentoestel 2 tot 3 uur in omgevingswerking of in koelwerking met maximale temperatuurinstelling lopen, zodat het resterende vocht uit het toestel verwijderd wordt.2. Plaats de installatie door middel van de afstandsbediening buiten werking.3. schakel de stroomvoorziening van de toestellen uit.4.
Dek het toestel zo mogelijk af met een kunststoffolie om het te beschermen tegen weersinvloeden.Service en onderhoudDe regelmatige service en onderhoud waarborgen een storingsvrije werking en een lange levensduur van de toestellen.Service■Hou het binnentoestel en buitendeel vrij van vervuiling, begroeiing en andere afzettingen.■Reinig het toestel enkel met een vochtige doek. Gebruik geen scherpe;: schurende of oplosmiddelhoudende reinigingsmiddelen. Gebruik geen waterstraal op het toestel.■Reinig voor het begin van een langere stilstandsperiode de lamellen van de binnentoestellen en buitendelen.Voor alle werkzaamheden aan de toestellen dient de stroomvoorziening onderbroken en beveiligd te worden tegen opnieuw inschakelen! OPGELETTijdelijke uitdenstnameDe afvalverwijdering van de toestellen en componenten is volgens de regionaal geldende voorschriften, bv.
Onderhoud■Wij raden aan om een onderhoudscontract met jaarlijkse onderhoudsintervallen met een geschikte vakkundige firma af te sluiten. Reiniging van de condenspomp (toebehoren)Eventueel bevindt zich in het binnentoestel een ingebouwde of afzonderlijke condenspomp, die het optredende condens naar de hoger gelegen aflopen pompt. Let bij de service op onderhoudsaanwijzingen in de afzonderlijke bedieningshandleiding. Werkwijze Controlee/Onderhoud/InspectieindienstnameMaandelijksHalfjaarlijksJaarlijksAlgemeen • •Spanning en stroom controleren • •Functie compressor/ventilatoren controleren • •functie ventilator controleren • •Vervuiling vervloeier/verdamper • •Koelmiddelvulhoeveelheid controleren • •Condensafloop controleren • •Isolatie controleren • •Bewegende delen controleren • •Reiniging van de behuizing aan het binnentoestel1. Onderbreek de stroomvoorziening naar het toestel. 2.
Open het luchtinlaatrooster aan de voorzijde en klap dit naar boven. 3. Reinig het rooster en de afdekking met een licht bevochtigde doek. 4. schakel de stroomvoorziening weer in. Luchtfilter van de binnentoestellenReinig de luchtfilter, met een interval van maximum 2 weken. Verminder deze tijdsduur bij sterk verontreinigde lucht. Reiniging van de filters aan het binnentoestel1. Onderbreek de stroomvoorziening naar het toestel. 2. Open de voorzijde van het toestel, waarbij het rooster naar boven klapt en in elkaar kan sluiten (afbeelding 1). 3. Hef de filter naar boven en trek deze uit naar onder. 2 Reiniging met de stofzuiger 3 Reiniging met lauwwarm waterZo waarborgt U telkens de werkingszekerheid van de installatie. TIP4. Reinig de filter met behulp van een gewone stofzuiger. Draai hiervoor de verontreinigde zijde naar boven. (afbeelding 2)5.
Laat de filter bij gebruik van water eerst volledig luchtdrogen, vooraleer deze weer in het toestel te plaatsen. 7. Plaats de filter voorzichtig. Let daarbij op de correcte positie. 8. Sluit de voorzijde zoals hierboven beschreven in omgekeerde volgorde. 9. schakel de stroomvoorziening weer in. 10. schakel het toestel weer in. 1 Rooster omhoogklappen13.
Storingsverhelping en klantendienstDe toestellen en componenten worden volgens de modernste vervaardigingsmethoden gemaakt en meermaals op foutvrije werking gecontroleerd. Zouden alsnog werkingsstoringen optreden, controleer dan svp de werking volgens onderstaande lijst. Wanneer alle functiecontroles uitgevoerd zijn en het toestel nog steeds niet onberispelijk werkt, verwitig dan svp Uw vakhandelaar. Storing mogelijke oorzaak Controle OplossingHet toestel start niet of schakelt zichzelf uitStroomuitval, onderspanning, netbeveiliging defect / hoofdschakelaar uitgeschakeldWerken alle andere elektrische werkingsmiddelen. Spanning controleren ev. wachten op opnieuw inschakelenNetaanvoerleiding beschadigd Werken alle andere elektrische werkingsmiddelen. Indienststelling door een vakmanWachttijd na het inschakelen te kortZijn er na de herstart ca. 5 minuten verlopen.
Langere wachttijden inplannenInsteltemperatuurbereik onder- /overschredenWerken de ventilatoren van het binnentoestel en buitendeel. Temperatuurbereiken van binnentoestel en buitendeel in acht nemenOverspanningen door onweer Waren er onlangs blikseminslagen. Afschakelen van de netbeveiliging en opnieuw inschakelen / Controle door vakmanStoring van de externe condenspompHeeft de pomp een storingsuitschakeling doorgevoerd. Pomp controleren ev. reinigenHet toestel reageert niet op de afstandsbediening. Zendafstand te groot / Ontvangst gestoordIs er bij het drukken van de toetsen een signaaltoon aan het binnentoestel. Afstand verminderen tot minder dan 6 m en wisselen van plaatsafstandsbediening defect Werkt het toestel manueel. afstandsbediening vervangenOntvangst- resp. zenddeel krijgt te sterke zonnestralingIs de functie gegeven bij schaduw. Zenddeel resp.
Geen signaaloverdracht bij gelijktijdige werking van storingsbronnentoets van FB geklemd / dubbele toetsenbedieningVerschijnt het “zend”-symbool in de aanduiding. toets ontgrendelen /slechts een toets indrukkenbatterijen van de afstandsbediening leegWerden nieuwe batterijen geplaatst. Is de aanduiding onvolledig. Nieuwe batterijen plaatsenHet toestel werkt met verminderde of zonder koel- of verwarmingsprestatieFilter is verontreinigd / luchtinlaat-/uitlaatopening geblokkeerd door vreemd voorwerpWerden de filters gereinigd. Filterreiniging uitvoerenVensters en deuren geopend. Warmte-/resp. koelingsbelasting werd verhoogdWas er een architectonische / toepassingsmatige wijziging. Vensters en deuren sluiten / extra installaties monterenGeen koel- resp. verwarmingswerking ingesteldIs het koel-/verwarmingssymbool in de aanduiding geactiveerd.
Instelling van de toestellen corrigerenLamellen van de buitendelen geblokkeerd door vreemde voorwerpenWerkt de ventilator van het buitendeel en zijn de lamellen vrij. Ventilator of winterregeling controleren, luchtweerstand verminderenOndichtheid in koelkringIs er een rijpvorming op de lamellen van het binnentoestel zichtbaar. Indienststelling door een vakmanUit het toestel komt condenswaterAfloopbuis van de verzamelcontainer verstopt / beschadigdIs er ongehinderde condens- afloop gewaarborgd. Reinig de afloopbuis en deze van de verzamelcontainerExterne condenspomp resp. vlotter defectIs de condenskuip vol water en werkt de pomp. Pomp door vakman laten vervangenEr bevindt zich niet afgelopen condens in de condensleidingIs de condensleiding met niveauverschil geplaatst en niet verstopt. Condensleiding plaatsen met niveauverschil resp.
Storingsaanduiding door knippercodeMontageaanwijzng voor het vakpersoneelBelangrijke aanwijzingen voor de installatie■Breng het toestel in de originele verpakking zo dicht mogelijk bij de montageplaats. Zo vermijdt U transportschade. ■controleer de verpakkingsinhoud op volledigheid en het toestel op zichtbare transportschade. Meldt eventuele defecten direct aan Uw contractpartner en de transporteur. ■Hef het toestel bij de hoeken en niet bij de koelmiddel- of condensaansluitingen. ■De koelmiddelleidingen (inspuit- en zuigleiding), ventielen en de verbindingen dienen stoomdiffuusdicht geïsoleerd te worden. Eventueel dient ook de condensleiding geïsoleerd te worden. ■Kies een montageplaats die een vrije luchtinlaat en -uitlaat waarborgt. (zie hoofdstuk „minimum vrije ruimte“). ■Installeer het toestel niet in de onmiddellijke nabijheid van toestellen met intensieve warmtestraling.
De montage in de nabijheid van warmtestralingen vermindert de prestaties van het toestel. ■Open de afsluitventielen van de koelmiddelleidingen pas na het beëindigen van de volledige installatie. ■Scherm open koel-middelleidingen tegen het binnendringen van vochtigheid met geschikte kappen, resp. kleefbanden en knik of druk de koelmiddelleidingen nooit dicht. ■Vermijdt onnodige buigingen. Zo minimaliseert U het drukverlies in de koelmiddelleidingen en waarborgt U de vrije terugstroom van de compressoroliën. ■Tref bijzondere maatregelen met betrekking tot de olieterugstroming, wanneer het buitendeel boven het binnentoestel geplaatst is. zie hoofdstuk „olieterugstromingsmaatregelen“. ■Overschrijdt de enkele lengte van de koelmiddelleiding 5 meter, dient koelmiddel toege-voegd te worden. De hoeveelheid extra koelmiddel vindt U in hoofdstuk „koelmiddel toevoegen“.
Keuze van de installatieplaatsBinnentoestelHet binnentoestel is ontworpen voor een horizontale wandmontage boven de deur. Het kan echter ook bovenaan de wand (min. 1,75 m bovenzijde vloer) geplaatst worden. BuitendeelHet buitendeel is ontworpen voor een horizontale staande montage buiten. De opstellingsplaats van de toestellen dient horizontaal, vlak en vast te zijn. Bijkomend dient het toestel beveiligd te worden tegen omkippen. Het buitendeel kan zowel buiten als binnen een gebouw opgesteld worden. Bij de buitenmontage dient er op gelet de volgende aanwijzingen voor de beveiliging van de toestellen tegen weersinvloeden te beschermen. Muuroverbruggingen■Er dient per binnentoestel een muuroverbrugging van min. 70 mm diameter en 10 mm niveauverschil van binnen naar buiten voorzien te worden. ■Wij raden aan het gat aan de binnenzijde te bekleden of bv.
met een PVC-buis te bekleden, om beschadigingen aan de leidingen te vermijden. ■Na montage dient de muuroverbrugging architectonisch met geschikte dichtingsmiddelen afgesloten te worden. gebruik geen cement- of kalkhoudende stoffen. MontagemateriaalHet binnentoestel wordt door middel van 4 architectonisch te plaatsen schroeven over een wandhouder bevestigd. Het buitendeel wordt door middel van 4 schroeven over een wandhouder aan de wand of over een vloerconsole op de vloer bevestigd. Minimumafstand tot sneeuw20 cmSneeuwWindbeveiligingWindLeidingen in muuroverbruggingStuurleidingCondensleidingInspuitleidingZuigleidingPVC-buisRegen Het toestel dient bij vloer- of dakopstelling met min. 10 cm open vloerruimte gemonteerd te worden. Een vloerconsole is als toebehoren verkrijgbaar. ZonDe vervloeier van het buitendeel is een warmteafgevend bouwonderdeel.
Architectonisch dient in voorkomend geval een beschaduwing ingericht te worden. Dit kan door een klein afdak gebeuren. De uitgaande warmeluchtstroom mag echter door deze maatregelen niet beïnvloed worden. WindWordt het toestel in voornamelijk windige omgevingen geïnstalleerd, dient erop gelet, dat de uitgaande warmeluchtstroom kan ontsnappen. Is dit niet mogelijk, voorzie dan eventueel architectonisch een windbeveiliging. Let er op, dat de windbeveiliging de luchttoevoer naar de toestellen niet beïnvloedtSneeuwIn gebieden met sterke sneeuwval dient U voor het toestel een montage op de wand te voorzien. De montage dient dan min. 20 cm boven de te verwachten sneeuwhoogte te gebeuren, om het binnendringen van sneeuw in het buitendeel te verhinderen. Een wandconsole is als toebehoren verkrijgbaar. REMKO ML16.
2001201500120120Opstelling binnenin gebouwen■ Zorg voor een voldoende warmteafvoer, wanneer het buitendeel in de kelder, op het dak, in naastliggende ruimten of hallen opgesteld wordt (afbeelding 4).■ Installeer een extra ventilator, die beschikt over eenzelfde luchtstroom als het in de kamer op te stellen buitendeel en die de eventuele extra drukverliezen via luchtkanalen kan compenseren (afbeelding 4).■Waarborg een voortdurend ongehinderde luchttoevoer van buiten, zo mogelijk via tegenover elkaar liggende, voldoende grote lucht-openingen .(afbeelding 4)Minimale vrije ruimte De minimale vrije ruimte is voor onderhouds- en herstellingswerkzaamheden en onder andere te voorzien voor de optimale luchtverdeling.ML 261 AT ML 351 AT ML 521 AT ML 681 ATA 150 mmB 700 mm 900 mmC 400 mmD 150 mmE 200 mm 400 mm 600 mm■Houdt U aan de speciale bouwtechnische voorschriften met betrekking tot gebouwen en voorzie ev.
Aansluitvarianten1 Vertrek van rechtse wand2 Vertrek door de wand rechts3 Vertrek door de wand links4 Vertrek van linkse wand1234Aansluitingsvarianten van de binnentoestellen De toestellen zijn voorzien van een vulling met droge stikstof voor dichtheids-controle. De onder druk staande stikstof ontsnapt bij het lossen van de overtrekmoeren. OPGELETToestelleninstallatieHet binnentoestel wordt over de wandhouder, met in acht name van de onderaan bevindende luchtuitlaatzijde, bevestigd. 1. Markeer volgens de afmetingen van de wandhouder de bevestigingspunten aan statisch toelaatbare bouwonderdelen. 2. Verwijder ev. de uitbreekopening van het gebouw. 3. Sluit, zoals hierna beschreven, de koelmiddel-, elektro- en condensleidingen aan aan het binnentoestel. 4. Hang het binnentoestel lichtjes naar achter gekipt in de wandhouder en druk dan met de onderzijde het toestel tegen de houder.
(afbeelding 5)5. controleer nogmaals de horizontale p laatsing van de toestellen. Wandhouder van de binnentoestellenDe wandhouder van de toestellen dient bevestigd te worden met geschikte schroeven en pluggen. InstallatieDe installatie mag slechts door gemachtigd vakpersoneel gedaan worden. AANWIJZINGOlieterugstroomsmaatregelenWordt het buitendeel op een hoger niveau geplaatst dan het binnentoestel, dienen geschikte olieterugstromingsmaatregelen genomen te worden. Dit gebeurt in de regel door de vervaardiging van een oliehefboog, die elke 2,5 stijgende meter te installeren is. 5 InhangenAansluiting van de koelmiddelleidingenDe architectonische aansluiting der koelmiddelleidingen gebeurt aan de achterzijde van de toestellen. Eventueel dient aan de binnentoestellenn een reductie, resp. vergroting geïnstalleerd te worden.
Deze schroeven worden in de regel als extra seriematig met het binnentoestel meegeleverd. Na montage dienen de verbindingen stoomdiffuusdicht geïsolieerd te worden.
De volgende aanwijzingen beschrijven de installatie van de koelkring en de montage van het binnentoestel en buitendeel. 1. Neem de noodzakelijke buisdiameters uit de tabel „Technische gegevens“. 2. Verwijder de beschermkappen alsook de overtrekmoeren van de aansluitingen en gebruik deze voor de verdere montage. 3. Vergewis U ervan, vooraleer de koelmiddelleidingen af te vlakken, dat de overtrekmoeren op de buis voorhanden zijn. 4. Bewerk de geplaatste koelmiddelleidingen zoals hierna voorgesteldt (blz. 19, afbeelding 6+7). REMKO ML18OlieterugstromingsmaatregelenBuitendeelOliehefbogen in de zuigleiding naar het buitendeel 1 x elke 2,5 stijgende meterRadius:min. 50 mmmax. 15 mBinnentoestel.
Extra aanwijzingen voor installatie■Wanneer de enkele lengte van de verbindingsleiding langer is dan 5 m, dan dient bij de eerste indienstname van de installatie koelmiddel toegevoegd te worden. (Zie hoofdstuk „koelmiddel toevoegen“).Er mogen slechts werktuigen en componenten gebruikt worden, die voor het inzetten bij koelbereiken toegelaten zijn. AANWIJZINGAfvlakwerktuig 7 Afvlakken van de koelmiddelleidingKoelmiddelleidingOntbramer 6 Ontbramen van de koelmiddelleiding 8 Correcte afvlakvormVasttrekken 1ste beksleutelTegenhouden 2. Beksleutel 9 Schroeven aantrekkenAantrek- draaimoment:14“15-20 Nm38“33-40 Nm12“50-60 Nm58“65-75 Nm34“95-105 Nm5. controleer of de afvlakking een correcte vorm heeft (afbeelding 8).6. Maak vervolgens de verbinding van de koelmiddelleidingen met de aansluiting manueel, om een juiste plaatsing te waarborgen.7.
Bevestig dan definitief de schroeven met 2 beksleutels met gepaste sleutelwijdte. Houdt tijdens het schroeven in elk geval tegen met een beksleutel .(afbeelding 9)8. gebruik enkel voor het temperatuurbereik bruikbare en diffuusdichte isolatieslangen.9. Plaats de koelmiddelleidingen vam het binnentoestel naar het buitendeel. Let op een voldoende bevestiging en neem ev. maatregelen voor olieterugstroom!10. Let bij de montage op de buigradius van de koelmiddelleidingen en buig een buis nooit tweemaal op eenzelfde plaats. Broosheid en roestgevaar kunnen de gevolgen zijn. 12. Verzeker U ervan, dat geen geluiden van voorwerpen overgedragen worden vanuit delen van het gebouw. Overdraging van geluiden van voorwerpen worden door trillingsdempers verminderd!13. Bewerk de koelmiddelleiding in het bereik van het buitendeel, zoals hoger beschreven.11. Installeer het buitendeel met de wand- resp.
10 Niveauverschil van de condensleidingminstens 2% niveauverschilDe condensslang is in series voor de aansluiting op de linkerzijde (vooraanzicht) voorzien. Alle elektrische installaties dienen uitgevoerd te worden door vakkundige ondernemingen. De montage van de elektro-aansluitingen dient spanningsvrij te gebeuren. OPGELETDichtheidscontroleIndien alle verbindingen geplaatst zijn, wordt het manometerstation als volgt aan de overeenkomstige Schraderventielaansluitingen aangesloten, in zoverre voorhanden:rood = klein ventiel = Inspuitdrukblauw = groot ventiel = Zuigdruk Na de aansluiting wordt de dichtheidscontrole met droge stikstof uitgevoerd. Voor de dichtheidscontrole worden de geplaatste verbindingen met lekzoekspray besproeid. Indien blazen zichtbaar zijn, is de verbinding niet correct uitgevoerd. Trek dan alle schroeven vaster aan of maak ev. een nieuwe afvlakking.
Na succesvolle dichtheidscontrole wordt de overdruk uit de koelmiddelleidingen verwijderd en een vacuümpomp met een absolute einddeeldruk van min. 10 mbar in werking gezet, om een luchtledige ruimte in de leidingen te creëren. Bijkomend wordt aldus voorhanden zijnd vocht uit de leidingen verwijderd. Er dient een vacuüm van min. 20 mbar abs. gecreëerd worden. OPGELETDe duur van de vacuümafzuiging wordt gericht op de buis-leidingsvolumes van het binnentoestel en de lengte van de koelmiddelleidingen, het proces duurt echter minstens. 60 minutenWanneer de vreemde gasen en vochtigheid volledig uit het systeem verwijderd zijn, worden de ventielen van het manometerstation gesloten en de ventielen van het buitendeel, die in hoofdstuk „indienstname“ beschreven zijn, geopend.
De onderste behuizingsbekleding van het buitendeel wordt vertoond als opvangkuip. Hier is de in de levering begrepen condensaansluiting te plaatsen. ■De architectonische condensleiding dient geplaatst te worden met een niveauverschil van min. 2 % (afbeelding 10). In voorkomend geval voorziet men een stoomdiffusiedichte isolatie. ■Voer de condensleiding van de toestellen vrij in de afloopleiding. Ingeval de condens in een afwateringsleiding gevoerd wordt, dient een sifon als geurafsluiting voorzien te worden. ■Bij een toestelwerking beneden 0 °C buitentemperatuur dient gelet te worden op een vorstveilige plaatsing van de condensleiding. Ook dient de onderste behuizingsbekleding architectonisch vorstvrij gehouden te worden, om een permanent aflopen van de condens te waarborgen. Ev. dient een buisverwarming voorzien te worden.
■Na plaatsing dient de vrije afloop van de condens gecontroleerd te worden en een permanente dichtheid gewaarborgd worden. Elektrische aansluitingBij de toestellen is een nettoevoerleieing als stroomvoorziening aan het buitendeel en een stuurleiding naar het binnentoestel te installeren en overeenkomstig te beveiligen. ■ Wij raden aan om architectonisch een hoofd- / herstellingsschakelaar in de nabijheid van het buitendeel te installeren. ■ Indien bij het toestel een als toebehoren verkrijgbare condenspomp wordt gebruikt, is bij het gebruik van het afschakelcontact van de pomp ev. een extra relais voor de verhoging van de schakelprestatie, voor de uitschakeling van de compressor, noodzakelijk. ■ worden de leidingen in bereiken geplaatst met sterke magnetische velden, dienen de stuurleidingen als afgeschermde leiding uitgevoerd te zijn.
Aansluiting van het buitendeelVoor de aansluiting van de leiding gaat U als volgt te werk:1. Demonteer de toesteldeksels.2. Verwijder de zich bij de aansluiting bevindende zijwand.3. Kies de diameter van de aansluitingsleiding volgens de voorschriften.4. Voer dan de beide leidingen door de kantenbeschermring van de vaststaande aansluitingsplaten.Elektrisch aansluitschemaAansluiting ML 261 tot ML 521De volledige elektrische stekker- en klemverbindingen dienen op hun vaste plaatsing en stevig contact gecontroleerd te worden en ev. aan te trekken. OPGELET5. Klem de leidingen aan volgens het aansluitschema.6. Veranker de leiding in de trekontlasting en bouw het toestel weer tesamen. (afbeelding 12).
12 Aansluiting van het buitendeelBuitendeelBinnentoestelNetstroomtoevoerleidingBeveiligingsgeleiderNeutraalgeleiderBuitengeleiderOmkeerventielAchterste klem- lijstVoorste klem- lijst230 V~, 50 Hz, L1 / N / PEStuurgeleiderCompressorbeveiligingPENNPE323PENL L L211StuurgeleiderStuurgeleiderVentilatormotorNeutraalgeleiderBuitengeleiderAansluiting ML 681BuitendeelBinnentoestelNetstroomtoevoerleidingNeutraalgeleiderBuitengeleiderOmkeerventiel230 V~, 50 Hz, L1 / N / PEStuurgeleiderCompressorbeveiligingNL1PELN323NL21PE1PEStuurgeleiderStuurgeleiderBeveiligingsgeleiderVentilatormotorVoorste klem- lijstAansluiting van het binnentoestelVoer de aansluiting als volgt door:1. Open het luchtinlaat-rooster.2. Maak de afdekking los aan de rechterzijde; onderaan rechts en aan de achterzijde (afbeelding 11).3. Verbindt het toestel met de bij bouwset geplaatste stuurleiding van het buitendeel.
Koelmiddel toevoegenDe toestellen hebben een basis koelmiddelvulling. Daarenboven is bij koelmiddelleidingslangen van meer dan 5 meter enkele lengte per kring extra koelmiddel, overeenkomstig onderstaande tabel, bij te voegen:ML 261 ML 351 ML 521 ML 681Enkele leidingslengtenExtra vulhoeveelhedenTot en met. 5 m 0 g/m5 m tot max. 25 m 25 g/m 25 g/m 25 g/m 45 g/mNa succesvolle dichtheidscontrole dient de vacuümpomp door middel van het manometerstation aan de ventielaansluitingen van het buitendeel (zie hoofdstuk „Dichtheidscontrole“) aangesloten te worden en een vacuüm gecreëerd.
Voor de eerste indienstname van de toestellen en na ingriipen in de koelkringloop dienen de volgende controles uitgevoerd worden en genoteerd in het indienstnameprotocol:■ Controle van alle koelmiddel-leidingen en -ventielen met lekzoekspray of zeepwater op dichtheid en op het per ongeluk verwisselen van zuig- en inspuitleiding, bij stilstand van de toestellen. ■ Controle van de koelmiddelleidingen en het bedwingen van beschadigingen. ■ Controle van de elektrische verbinding tussen binnentoestel en buitendeel op juiste polariteit. ■ Controle van alle bevestigingen, ophangingen etc. op behoorlijke houding en correct niveau. Voor de indienstname Let er op dat het gebruikte koelmiddel steeds in vloeibare vorm gebruikt wordt voor het vullen.
OPGELET AANWIJZINGDe koelmiddelvulhoeveelheid dient gecontroleerd te worden aan de hand van de oververhittingTijdens de omgang met koelmiddel dient beslist beschermkledij gedragen te worden. OPGELETIndienstnameDe indienstname mag slecht gebeuren en gedocumenteerd worden door speciaal geschoold vakpersoneel. AANWIJZINGNadat alle bouwdelen aangesloten en gecontroleerd zijn, kan de installatie in werking genomen worden. Ter beveiliging van de behoorlijke werking dient voor de overgave aan de gebruiker een werkingscontrole uitgevoerd te worden, om eventuele onregelmatigheden tijdens de werking van de toestellen te onderkennen.
Functiecontrole en testloopControle van volgende punten:■Dichtheid van de koelmiddelleidingen. ■Gelijkmatige loop van compressor en ventilator. ■Afgave koude lucht aan het binnentoestel en verwarmde lucht aan het buitendeel in koelwerking. ■Functiecontrole van het binnentoestel en alle programmaaflopen. ■Controle van de oppervlaktetemperatuur van de zuigleiding en onderzoek van de verdamperoververhitting. Hou voor de temperatuurmeting de thermometer aan de zuigleiding en trek van de gemeten temperatuur de aan de manometer afgelezen kookpunttemperatuur af. ■Documentatie van de gemeten temperaturen in indienstnameprotocol. Controleer de dichtheid van de afsluitventielen en ventielkappen na elke ingreep in de koelkring. gebruik ev. geschikt dichtingsmateriaal. AANWIJZINGWerkingstest van de werkingsmodus koelen en verwarmen1. Neem de afsluitkappen van de ventielen. 2.
Afsluitende maatregelen■Monteer alle gedemonteerde delen. ■Maak de gebruiker wegwijs in de installatie. 4. Heeft U geen lekken vastgesteld, open de afsluitventielen door te draaien, in tegenwijzerzin, met een zeskantsleutel tot de aanslag. Indien ondichtheden vastgesteld werden, dient de foutieve verbinding opnieuw geplaatst te worden. Een vernieuwde vacuümcreatie en droging zijn beslist noodzakelijk. 5. schakel de architectonischen hoofdschakelaar resp. de beveiliging in. 6. schakel het toestel via de afstandsbediening in en kies de koelmodus, maximaal ventilatortoerental en laagste theoretische temperatuur. 7. Meet alle noodzakelijke waarden, noteer deze in het indienstnameprotocol en controleer de beveiligingsfuncties. 8. controleer de toestellensturing met de in hoofdstuk „bediening“ beschreven gegevens functies.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met REMKO ML 521 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Airco REMKO
Handleiding Airco
Nieuwste handleidingen voor Airco