REMKO MKT260 Handleiding

REMKO Airco MKT260

Bekijk gratis de handleiding van REMKO MKT260 (16 pagina’s), behorend tot de categorie Airco. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 20 mensen en kreeg gemiddeld 4.1 sterren uit 9 reviews. Heb je een vraag over REMKO MKT260 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/16
Bediening
Techniek
Onderdelen
REMKO – alles beresterk.
REMKO MKT 260
Mobiele airconditioner
Uitgave NL – R03

Beoordeel deze handleiding

4.1/5 (9 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: REMKO
Categorie: Airco
Model: MKT260

Handleiding REMKO MKT260 – volledige tekst

Bewaar deze instructies altijd binnen handbereik of in de buurt van het apparaat. * * Lees deze handleiding zorgvuldig door voordat u het apparaat in bedrijf stelt / gebruikt! Bij oneigenlijk gebruik, plaatsing of onderhoud etc. of het eigenhandig veranderen van de door de fabrikant geleverde apparatenuitvoering vervalt iedere garantie. Wijzigingen voorbehouden! bladzijde Veiligheidsvoorschriften 4 Transport en verpakking 4 Beschrijving van het apparaat 5 Bediening 5 Voor de inbedrijfstelling 8 Inbedrijfstelling 9 Buitenbedrijfstelling 10 Onderhoud 10 Filterreiniging 10 bladzijde Storingen 11 Onderdelen 12 Onderdelenlijst 13 Technische gegevens 13 Schakelschema 14 Service en garantie 14 Milieu en recycling 14 Installatieschema voor muurdoorvoer 15

4 Voor de levering werd dit apparaat aan uitgebreide ma-teriaal-, functie– en kwaliteitscontroles onderworpen. Niettemin kunnen er gevaren van het apparaat uitgaan als deze door ondeskundig personeel onvakkundig of onheus worden gebruikt. Neemt u a. u. b. de volgende aanwijzingen absoluut in acht. ◊ Het apparaat is niet geschikt om buiten gebruikt te worden. ◊ Het apparaat mag niet in ruimten met ontploffings-gevaar geplaatst en gebruikt worden. ◊ Zorg dat het apparaat op voldoende afstand van ont-vlambare voorwerpen wordt geplaatst. ◊ Het apparaat mag niet in de buurt van olie– zwavel– en zouthoudende dampen worden geplaatst en gebruikt. ◊ Zet het apparaat niet direct in de buurt van gordijnen enz. Laat een veiligheidsafstand van minstens 50 cm vrij. ◊ Zorg dat de luchtaanzuig– en uitblaasopeningen al-tijd vrij zijn van andere voorwerpen.

◊ Zorg dat het apparaat stabiel op een vlakke onder-grond staat. ◊ Gebruik het apparaat alleen als het rechtop staat. ◊ Steek geen voorwerpen in de luchtaanzuig– en uitblaasopeningen. ◊ Zet geen zware of warme voorwerpen op het appa-raat. ◊ Stel het apparaat niet bloot aan een directe water-straal. ◊ Gebruik het apparaat enkel binnen de aangegeven bedrijfstemperaturen. Let op de omgevingstemperatuur. ◊ Sluit het apparaat alleen aan op een geaard stop-contact met automatische stroomonderbreking. 230V / 50 Hz; zekering 10 A. ◊ Trek niet aan het kabel of knik hem te zeer af. Dit kan anders tot beschadiging van het kabel lei-den. ◊ Wacht na ieder transport 5 min voordat u het appa-raat weer in bedrijf stelt. U voorkomt hiermee schade aan het compressor. ◊ Schakel het apparaat alleen uit met de „Power“ toets en niet door de stekker uit het stopcontact te trekken.

◊ Transporteer het apparaat niet als het in gebruik is. ◊ Leg het apparaat niet op een zijkant. ◊ Bescherm alle elektrische kabels van het apparaat tegen beschadiging, ook door dieren.

◊ Bij gebruik van een verlengsnoer dient u absoluut rekening te houden met het aangesloten vermogen van het apparaat, de kabellengte en het gebruiks-doel. ◊ Leg geen netsnoeren onder tapijten of vloerbekle-ding. ◊ Gebruik het apparaat nooit zonder luchtfilter. ◊ Richt de luchtstroom nooit direct op personen. ◊ Open nooit de behuizing van het apparaat. U zou gevaar lopen voor een elektrische schok. ◊ Werkzaamheden aan de koudeinstallatie en aan de elektrische installatie mogen enkel door een erkend vakbedrijf worden uitgevoerd. Alle apparaten worden aan een permanente kwaliteits-controle onderworpen en zijn voor de verzending zorg-vuldig verpakt. Het apparaat wordt geleverd in een stabiele transport-verpakking uit karton. Controleert u het apparaat a. u. b. onmiddellijk bij levering. Noteer eventuele beschadigingen op het volgbriefje en informeer de transporteur en uw contractant.

Op latere reclamaties kan geen garantie worden gegeven. Neem bij een eventueel transport de volgende aanwij-zingen in acht: ◊ Schakel het apparaat, voordat u het transporteert, via het bedieningspaneel uit en trek de stekker uit het stopcontact. ◊ Transporteer het apparaat enkel rechtop. ◊ Voor het eenvoudig en makkelijk verplaatsen is het apparaat voorzien van wieletjes en twee handgrepen. ◊ In het binnenreservoir wordt overtollig condenswater verzameld. Laat dit water via de condensafvoer aan de achterkant van het apparaat aflopen, voordat u het apparaat transporteert of verplaatst. Een ander gebruik / bediening dan hier in deze be-dieningshandleiding aangegeven is niet toe-gestaan. Bij niet inachtneming vervalt iedere aanspraak op garantie. *.

5 Het apparaat dient voornamelijk om de temperatuur in een ruimte te koelen. Daarnaast filtert en ontvocht het de lucht en zorgt zo voor een aangenaam binnenklimaat. In de bedrijfsmodus „Ventileren“ biedt het apparaat bo-vendien de mogelijkheid om de lucht te laten recirculeren zonder deze te koelen. In de stand „Ontvochten“ wordt vochtigheid aan de lucht onttrokken. Het apparaat werkt volautomatisch en biedt, dank zij de microprocessorregeling, een groot aantal andere op-ties, b. v. kan het apparaat via de timerfunctie automa-tisch tijdvertraagd in– of uitgeschakeld worden. De bediening gebeurt comfortabel via het bedienings-paneel of met de meegeleverde infrarood afstandsbe-diening. Tot de leveringsomvang van de mobiele airconditioner MKT 260 behoort de infrarood afstandsbediening en de luchtafvoerslang met plat mondstuk.

Controleer voordat u het apparaat in bedrijf stelt of alle veiligheidsvoorschriften in acht genomen zijn. Bedenkt u dat het apparaat het meest efficiënt en com-fortabel werkt wanneer het reeds voor de warmste uren van de dag, bijvoorbeeld in de ochtend, ingeschakeld wordt. De ingestelde temperatuur kan het beste 4 tot 7 °C on-der de buitentemperatuur liggen. In geen geval lager omdat de kamertemperatuur anders te koud lijkt als men uit een niet geklimatiseerde ruimte komt en dit ver-koudheid kan veroorzaken. De ingestelde temperatuur heeft geen invloed op het rendement. Het is dus niet zinvol om bij hoge kamer-temperaturen het apparaat op de laagst mogelijke tem-peratuur in te stellen. Het apparaat is ontworpen voor een universeel, flexibel en probleemloos gebruik. Door de compacte afmetingen kan het apparaat makkelijk getransporteerd en in alle binnenruimten geplaatst worden.

De opgenomen warmte wordt via de luchtafvoerslang naar buiten afgevoerd, de gekoelde lucht wordt via een ventilator weer terug naar de ruimte geleid waar het apparaat geplaatst is. Het condenswater dat ontstaat druppelt van de verdam-per op de hete condensator, verdampt hier en wordt via de luchtafvoerslang naar buiten getransporteerd. Het overtollige condenswater druppelt van de condensator in een condensopvangbak en wordt van hieruit met een schoepenrad weer teruggeleid naar de condensator, verdampt hier en wordt met de luchtafvoerstroom uitge-stoten. Bedieningspaneel Luchtklep IR-ontvanger Transportwielen Handgreep Het transport van de opgenomen warmte binnen het gesloten koudemiddelcircuit gebeurt met het milieu-vriendelijke koudemiddel R 407C.

6 1 Aan/Uit toets „Power“Met deze toets schakelt u het apparaat aan of uit. 2 Functiekeuze toets „Mode“ Met deze toets kunt u het apparaat in de gewenste bedrijfsmodus schakelen. U heeft de keuze uit 3 op-ties. De LED-indicatie 11 geeft de ingestelde bedrijfs-modus aan. De volgorde is: Koelen: LED „Cool“ In deze bedrijfsmodus koelt het apparaat de ruimte tot de ingestelde waarde is bereikt. De temperatuur kan van 16 tot 32 °C worden ingesteld. Bij de venti-latorsnelheid kunt u uit drie standen kiezen. Ontvochten: LED „Dehumidifier“ In deze bedrijfsmodus ontvocht het apparaat de ruimte. De temperatuur kan van 16 tot 32 °C worden ingesteld. De middelste ventilatorsnelheid „Med“ is vast ingesteld. Ventileren: LED „Fan“ In deze bedrijfsmodus wordt de ruimtelucht gere-circuleerd. Het apparaat koelt niet. U kunt de tem-peratuur niet instellen, wel de ventilatorsnelheid.

3 Ventilator toets „Fan Speed“Met deze toets kunt u in de bedrijfsmodussen Koe-len en Ventileren een van de drie ventilatorsnelhe-den kiezen. Met iedere druk op de toets wisselt de draai-snelheid van de ventilator van de ene stand naar de andere. De LED-indicatie 10 geeft de gese-lecteerde stand aan. De volgorde is: Hoogste ventilatorsnelheid: LED „High“ Middelste ventilatorsnelheid: LED „Med“ Kleinste ventilatorsnelheid: LED „Low“ 4 Tijdklok toets „Timer“ Met deze toets kunt u het automatisch starten of uit-schakelen van het apparaat activeren. De activering van deze functie wordt door de LED 9 aangegeven. Bedieningspaneel 4 3 2 1 7 11 10 6 12 5 8 9 5 Omhoog/Omlaag toets „Timer/Temp Adjust“Met deze toetsen kunt u in de bedrijfsmodussen Koelen en Ontvochten de door u gewenste tempera-tuur instellen.

Indien u in deze bedrijfsmodussen een van de toetsen Omhoog/Omlaag 5 drukt, gaat de LED 7 8 uit en begint de LED te branden. Op het display wordt nu de gewenste temperatuur in plaats van de gemeten kamertemperatuur aangege-ven.

De gewenste temperatuur kan met behulp van de toetsen 5 telkens met 1°C worden verhoogd of verlaagd (bedrijfstemperatuur: 16-32 °C). Linker toets = hogere temperatuur. Rechter toets = lagere temperatuur. Bovendien kunt u in alle bedrijfsmodussen met de omhoog/omlaag toetsen 5 de tijdsduur bepalen, waarna het apparaat automatisch dient te starten of te stoppen (in-/uitschakelvertraging). Linker toets = verhoogt het aantal uren. Rechter toets = verlaagt het aantal uren. 6 Display Het display geeft de door de interne sensor gemeten temperatuur aan. Wanneer een van de omhoog/omlaag toetsen 5 wordt gedrukt, wisselt het display en laat de gewenste temperatuur zien. Wanneer de tijdklok toets 4 wordt gedrukt, wisselt het display en laat de resterende uren van een in– of uitschakelvertraging zien.

Als vervolgens 15 seconden geen toets meer wordt gedrukt, geeft het display weer de kamertempera-tuur aan. 7 LED kamertemperatuur „Room Temp“ Deze LED geeft aan dat op het display 6 de geme-ten kamertemperatuur wordt weergegeven. 8 LED gewenste temperatuur „Set Temp“ Deze LED geeft aan dat op het display 6 de op dat moment ingestelde temperatuur wordt weergegeven.

7 Infrarood afstandsbediening Plaatsen van de batterijen in de afstandsbediening Voordat u het apparaat in bedrijf kunt stellen, dient u de meegeleverde batterijen in de afstandsbediening te plaatsen (2 stuks, type AAA). 1. Schuif hiervoor het klepje aan de achterkant van de afstandsbediening naar beneden. 9 LED Aan/Uit „On/Off“ Deze LED geeft aan, of een in– of uitschakelvertra-ging geactiveerd is. Hij knippert als een instelling met de omhoog/omlaag toetsen 5 mogelijk is. 10 Indicatie ventilatorsnelheid De LED‘s geven de ingestelde ventilatorsnelheid aan. LED „High“ = Hoge ventilatorsnelheid LED „Med“ = Middelste ventilatorsnelheid LED „Low“ = Lage ventilatorsnelheid 11 Indicatie bedrijfsmodus De LED‘s geven de ingestelde bedrijfsmodus aan.

LED „Cool“ = Koelen LED „Dehumidifier“ = Ontvochten LED „Fan“ = Ventileren 12 Indicatie „Reservoir vol“ Deze LED geeft aan, dat de vlotterschakelaar van het binnenreservoir het apparaat heeft uitgeschakeld. Het binnenreservoir raakt tijdens het normale gebruik niet vol, omdat de afvoerluchtventilator het condens-water dat ontstaat en verdampt via de afvoer-slang naar buiten transporteert. Om het apparaat vervolgens weer in bedrijf te stellen, dient u het volgende te doen: 1. Schakel het apparaat uit met de Aan/Uit toets en trek de stekker uit het stopcontact. 2. Zet een geschikte bak onder de condensafvoer van het binnenreservoir. De condensafvoer bevindt zich links beneden aan de achterkant van het apparaat. 3. Trek de dop van de afvoer en vang het uitstro-mende water op. 4. Plaats vervolgens de dop weer terug. 1,5 V1,5 V1,5 V1,5 V2.

Leg de batterijen in en let hierbij op de juiste positie (zie markering in het batterijvak) van de polariteit. 3. Plaats het klepje van het batterijvak terug. Algemene aanwijzingen ◊ De infrarood afstandsbediening dient tegen vocht te worden beschermd.

◊ Als het apparaat ingeschakeld is, wordt iedere wijzi-ging van de instellingen automatisch aan de aircon-ditioner doorgegeven. De goede ontvangst van de gegevens wordt met een piepton bevestigd. ◊ Bij het wijzigen van de instellingen moet de zender van de infrarood afstandsbediening op de aircondi-tioner gericht zijn. ◊ Het bereik van de infrarood afstandsbediening is ca. 8 meter. ◊ Een ongestoorde ontvangst van de gegevens is al-leen mogelijk wanneer zich tussen infrarood afstandsbediening en ontvanger geen voorwerpen bevinden zoals deuren, gordijnen enz. ◊ Gebruik nooit nieuwe batterijen samen met oude. ◊ Het is aanbevolen om bij langer niet-gebruik de bat-terijen uit de afstandsbediening te halen. * Verwijder ontladen batterijen meteen en vervang ze door nieuwe, aangezien de batterijen kunnen uitlo-pen. Gebruik geen batterijen van een andere kwali-teit dan voorgeschreven.

Functie van de afstandsbediening Alle instellungen van het apparaat kunnen met de mee-geleverde afstandsbediening worden uitgevoerd. De functies van de toetsen vindt u in het hoofdstuk „Be-dieningspaneel“. 1 Toets Aan/Uit „ON/OFF“ 2 Toets Bedrijfsmodus „Mode“ 3 Toets Ventilator „Fan Speed“ 4 Toets Tijdklok „Timer“ 5 Toetsen Omhoog/Omlaag „Up“ „Down“ 1 ON/OFF ModeFan Speed UpTimer Down3 4 2 5 * Denkt u er a. u. b. aan dat er water uit het apparaat kan lopen als de dop niet of niet goed geplaatst wordt.

8 Het apparaat wordt op de gewenste plaats gezet, met de uitblaaskant naar de kamer gericht. Neem bij de plaatsing de veiligheidsvoorschriften in acht. Houd ramen en deuren gesloten als het apparaat aanstaat. Vermijd direkte zoninstraling door ook gordijnen en rolluiken dicht te houden. Adviezen voor een optimale werking. * Tussen achterkant van het apparaat en muur moet een afstand van minstens 20 cm vrij blijven. Afvoeren van de warme afvoerlucht Bij het koelen produceert het apparaat vochtig warme afvoerlucht die, voor het behoud van het koeleffect, uit de te koelen ruimte moet worden afgevoerd. Steek hiervoor de meegeleverde luchtafvoerslang op de uitblaasopening aan de achterkant van het apparaat. * In ieder geval dient de afvoerslang stijgend in luchtrichting te worden geleid.

De luchtafvoer via een vast aangesloten luchtafvoer-slang kan eventueel een onderdruk veroorzaken in de ruimte waarin het apparaat staat. Mocht hierdoor het rendement van het apparaat afnemen, moet voor een drukcompensatie worden gezorgd. Let op dat de uitblaasopening goed in de twee sleuven van de luchtafvoer-slang inklikt. Leg de flexibele luchtafvoerslang zo dat er geen knikken of kronkels in zitten, zodat het apparaat goed en effectief kan werken. Andere mogelijkheden voor de luchtafvoer U kunt de afvoerlucht als volgt uit de te koelen ruimte leiden: 1. Met een plat mondstuk. Het meegeleverde mondstuk kan op verschillende manieren worden ge-ïnstalleerd. U kunt het mondstuk door het ge-opende raam leiden en met behulp van klitteband en zuignap bevesti-gen. U kunt het mondstuk echter ook in het gekantelde raam hangen. 2. Met een vast aangesloten lucht-afvoerslang (muurdoorvoer).

De meegeleverde slang wordt vast met een muurdoorvoer verbonden. Een passende doorvoer is als ac-cessoire verkrijgbaar. ◊ De luchtafvoerslang mag in geen enkel geval worden verlengd. ◊ De afvoerlucht van het apparaat bevat een bepaalde hoeveelheid vocht.

Het verdient daarom aanbeveling om de afvoerlucht uit de te koelen ruimte of naar buiten af te voeren. 5 MIN. Laat het apparaat na het uitpakken minstens 5 minuten op de transport-wielen staan voordat u het apparaat inschakelt. Condensafvoer met dop Controleer of de dop van de con-densafvoer correct geplaatst is. Er bestaat anders gevaar dat water uitloopt als u het apparaat in bedrijf stelt. Luchtklep Maximaal rendement bereikt u door de luchtklep zo ver mogelijk te ope-nen. Pas op dat personen en gevoelige voorwerpen, b. v. planten, niet direct door de luchtstroom worden geraakt. Filter Gebruik het apparaat nooit zonder luchtinlaatfilter. Zonder filter vervuilen de lamellen van de warmtewisselaar en het vermogen van het apparaat neemt af. Plaats het apparaat stabiel op een vlakke en vaste ondergrond. Bij oneffenheden van de vloer kun-nen vibraties en storende geluiden optreden.

9 Programmeren van een in– of uitschakelvertraging U kunt een in- of uitschakelvertraging van maximaal 12 uur instellen. Met iedere druk op een van de „Timer/Temp Adjust“ toetsen gaat het aantal uren van de vertraging een uur om-hoog of omlaag. Het aantal uren wordt op het display aangegeven. Controleer altijd voordat u het apparaat aanzet of er geen vreemde voorwerpen in de aanzuig- en uitblaaso-peningen en geen vuil op de luchtaanzuigfilter zit. Verstopte of vervuilde roosters en filters dienen onmid-dellijk te worden gereinigd, zie hoofdstuk „Onderhoud“. 1. Schakel het apparaat met de „Power“ toets aan. 2. Kies met de „Mode“ toets de bedrijfs-modus Ventileren. De LED „Fan“ moet branden. 3. Kies met de „Fan Speed“ toets de gewenste ventilatorsnelheid. „High“, „Med“ of „Low“.

Bedrijfsmodus Ventileren (recirculatie) Bedrijfsmodus Ontvochten De bedrijfsmodus Ontvochten verschilt duidelijk van de bedrijfsmodus Koelen wat betreft de afvoer van het condenswater. Belangrijke aanwijzingen voor de condensafvoer ◊ Plaats het apparaat in de kamer die u wilt ontvoch-ten en leidt de luchtafvoerslang niet naar buiten. De warme lucht blijft in de kamer en verhoogt zo de ont-vochtingscapaciteit van het apparaat. ◊ De afvoerlucht mag het condenswater dat tijdens het ontvochten ontstaat, niet weer via de luchtafvoerslang afgeven aan de ruimtelucht. Om dit te verhinderen moet het binnenreservoir voortdurend geleegd wor-den. 4. Trek de dop van de condensafvoer, vang het uitlo-pende water op of laat het via een slang in een dieper gelegen afvoer lopen. 5. Let op dat een eventueel geplaatste externe op-vangbak niet overloopt. Dit kan leiden tot waterschade. 6.

Sluit de condensafvoer na afloop van het ontvochten weer met de dop. Er kan water uit het apparaat lopen als de dop niet of niet juist is geplaatst. Automatisch stoppen: 1.

Als het apparaat ingeschakeld is, drukt u de „Timer“ toets, de LED „Room Temp“ gaat uit, de LED „On/Off“ knippert. 2. Stel nu met de „Timer/Temp Adjust“ toetsen de ge-wenste uitschakelvertraging in. 3. Let op dat na de instelling de LED „Room Temp“ weer gaat branden en de display-indicatie weer naar de kamertemperatuur wisselt. Na afloop van de geprogrammeerde tijd schakelt het apparaat automatisch af. De activering van de tijdklok wordt door de LED „On/Off“ aangegeven. 1. Schakel het apparaat met de „Power“ toets aan. 2. Kies met de „Mode“ toets de functie Koelen. De LED „Cool“ moet nu branden. 3. Stel met de „Timer/Temp Adjust“ toetsen de gewenste temperatuur in. De LED „Room Temp“ gaat uit, de LED „Set Temp“ begint te branden en op het display wordt de geko-zen temperatuur aangegeven. 4. Kies met de „Fan Speed“ toets de gewenste ventila-torsnelheid.

Bedrijfsmodus Koelen Automatisch starten: Let op: Het apparaat start met de instellingen die u het laatst heeft uitgevoerd. Indien u andere instellingen wenst, moet u het apparaat inschakelen, de wijzigingen aan-brengen en vervolgens het apparaat weer uitschakelen. 1. Druk, terwijl het apparaat uitgeschakeld is, de „Timer“ toets, de LED „On/Off“ knippert. 2. Stel met de „Timer/Temp Adjust“ toetsen de ge-wenste inschakelvertraging in. Na afloop van de ingestelde tijd start het apparaat auto-matisch. De activering van de tijdklok wordt door de knipperende LED „On/Off“ aangegeven. Opmerkingen met betrekking tot de tijdklok ◊ Door het drukken van de „Power“ toets wordt de tijd-klokfunctie onderbroken. ◊ Wordt de „Timer“ toets gedrukt terwijl de tijdklok ge-activeerd is, verschijnt op het display de resttijd die u met de „Timer/Temp Adjust“ toetsen kunt veranderen.

◊ Als u de stekker uit het stopcontact trekt, wordt een eventueel geprogrammeerde in– of uitschakelvertra-ging gewist. 1. Schakel met de „Power“ toets het appa-raat aan.

10 Schakel het apparaat altijd met de „Power“ toets op het bedieningspaneel of met de afstandsbediening uit, als u het apparaat buiten bedrijf wilt stellen. Haal dan pas de stekker uit het stopcontact. Schakel het apparaat nooit uit door de stekker uit het stopcontact te trekken. Opbergen Wordt het apparaat gedurende een langere tijd niet ge-bruikt, b. v. in de wintermaanden, dient het volgende ge-daan te worden: 1. Laat het apparaat ongeveer 2 uur in de bedrijfsmodus Ventileren (Fan) lopen om het oppervlak van de la-mellen van de verdamper te drogen. Hierdoor wordt de restvochtigheid uit het apparaat getransporteerd en u vermijdt onaangename geur-tjes als u het apparaat na een langere periode weer in bedrijf stelt. 2. Schakel het apparaat met de „Power“ toets uit, trek de stekker uit het stopcontact en rol het voedingska-bel op. 3.

Let op dat het kabel niet te erg geknikt of gebogen wordt. Het kabel kan aan de achterkant van het apparaat worden bevestigd. 4. Plaats een bak onder de condensafvoer van het bin-nenreservoir. De condensafvoer bevindt zich links beneden aan de achterkant van het apparaat. 5. Verwijder de dop van de condensafvoer en vang het aflopende water op. 6. Plaats vervolgens de dop weer op de condensafvoer. Als de dop niet of niet goed geplaatst is kan er bij een volgend gebruik water uit het apparaat lopen. 7. Bewaar het apparaat altijd in een rechtop-positie, liefst op een tegen directe zoninstraling beschutte, koele, droge en strofvrije plaats. 8. Bescherm het apparaat eventueel met een kunststof hoes tegen stof.

Reiniging van de kunststof behuizing: Gebruik voor het schoonmaken van het apparaat alleen een schone, zachte, licht bevochtigde doek, waarmee u de buitenkant van het apparaat voorzichtig afveegt. Neemt u a. u. b. de volgende aanwijzingen in acht: ◊ Gebruik voor het schoonmaken van het apparaat nooit chemische reinigingsmiddelen of politoeren. Deze kunnen het oppervlak aantasten. ◊ Gebruik alleen lauwwarm water.

Maximaal 40 °C warm. ◊ Let op dat geen vocht in het apparaat komt. Er mag in geen geval water of andere vloeistoffen in het ap-paraat gesproeid worden. Dit kan tot beschadiging van de elektrische installa-tie leiden. ◊ Reinig het apparaat in geen geval onder stromend water. ◊ Maak regelmatig de luchtafvoer– en de uitblaas-openingen goed schoon. Hier verzamelt zich vuil meestal het eerst. Periodiek onderhoud en het in acht nemen van enkele elementaire regels garanderen een storingsvrij functio-neren en een lange levensduur van het apparaat. Het apparaat dient na ieder langer gebruik, echter min-stens eenmaal per jaar nagekeken en grondig gereinigd te worden. De gehele koelinstallatie is een onderhoudsvrij, herme-tisch gesloten systeem en mag enkel door erkende en gespecialiseerde bedrijven onderhouden en/of gerepa-reerd worden.

* Zet het apparaat uit en haal de stekker uit het stop-contact voordat u met schoonmaak– of onder-houdswerkzaamheden begint. * Gebruik het apparaat nooit zonder filter. De filter verhindert dat de verdamper vervuilt en dat het rendement van het apparaat afneemt. Het apparaat is voorzien van een luchtfilter die u aan de achterkant eruit kunt trekken. De filter moet in regel-matige afstanden worden gereinigd. De reinigingsinter-val dient niet groter dan 100 bedrijfsuren te zijn en ove-reenkomstig korter als het apparaat in een stoffige ruimte met verontreinigde lucht staat. 1. Schakel het apparaat uit met de Aan/Uit toets op het bedienings-paneel of van de infrarood af-standsbediening. 2. Trek de stekker uit het stopcon-tact. 3. Neem de filter uit het apparaat. 4. Reinig de filter van stof. U kunt hiervoor een stofzuiger ge-bruiken. 5.

11 Het apparaat werd met de modernste produktiemethoden vervaardigd en meerdere malen op een correct functio-neren getest. Mochten desondanks storingen optreden, dan kunt u het apparaat aanhand van de onderstaande lijst controleren. * Haal eerst de stekker uit het stopcontact voor u werkzaamheden aan het apparaat verricht. * Storing Mogelijke oorzaak Controleren Remedie Het apparaat start niet of schakelt zelfstandig af. Stroomuitval. Werkt alle andere elektrische apparatuur. Spanning controleren, evt. wachten op het opnieuw starten. Netzekering defect. Hoofd-schakelaar is uitgeschakeld. Werken alle lichtstroom-circuits. Netzekering vervangen. Hoofdschakelaar inschakelen. Voedingskabel is beschadigd. Werkt alle andere elektrische apparatuur. Door een erkend vakbedrijf laten repareren. Bedrijfstemperatuur wordt on-der– of overschreden. Werkt de ventilator nog.

Op de bedrijfstemperatuur van 16 tot 35 °C letten. Binnenreservoir is vol. Brandt de LED „Reservoir vol“. Reservoir leeg maken. Bladz. 7. De omgevingstemperatuur van het apparaat ligt buiten de be-drijfstemperatuur (16-35 °C). Verschijnt de indicatie „E1“ op het display. Het apparaat niet buiten het tempe-ratuurbereik laten werken. Het apparaat koelt niet of minder goed. Luchtafvoerslang is geknikt, verlengd, naar beneden geleid of de luchtafvoerweg is verstopt. Koelt het apparaat beter als het zonder luchtafvoerslang en zonder filter wordt gebruikt. Zorgen dat de luchtafvoer niet be-lemmerd wordt. Filter is vuil, aanzuig– en/of uit-blaasopening is verstopt of ge-blokkeerd. Is de filter vuil. Koelt het appa-raat beter als het apparaat zon-der filter wordt gebruikt. Filter reinigen. Het apparaat staat te dicht te-gen de muur of tegen andere voorwerpen.

Ramen en deuren sluiten / warmtelast reduceren. Onderdruk in de ruimte waar hat apparaat is geplaatst, bij vaste aansluiting d. m. v. muur-doorvoer. Wordt de koelprestatie groter wanneer u een raam of een deur opent. Voor drukcompensatie zorgen in de ruimte waar het apparaat staat. De bedrijfsmodus „Koelen“ is niet ingesteld. Brandt de LED „Cool“. Bedrijfsmodus „Cool“ instellen. De tijdklok is geactiveerd. Brandt de LED „On/Off“. Aan/Uit toets opnieuw drukken. Temperatuurinstelling te hoog. Is de ingestelde temperatuur hoger dan de kamertemperat. Lagere temperatuur instellen. Overspanning door lokale blikseminslagen. Zijn er in de laatste tijd in de regio blikseminslagen geweest. Apparaat uitzetten en gedurende 5 min de stekker uit het stopcontact halen. Daarna opnieuw starten. Het apparaat reageert niet op de infrarood af-stands-bediening.

Batterijen van de afstandsbe-diening zijn leeg of de afstand naar de ontvanger is te groot. Wordt het signaal van de af-standsbediening bij een afstand van ca. 3 m aan het apparaat doorgegeven. Batterijen vervangen / afstand verkorten of van stand-plaats wisselen. Bij het vervangen werd niet op de juiste polariteit van de batterijen gelet. Is de polariteit correct. De batterijen plaatsen zoals in het batterijvak aangegeven. Er loopt condenswater uit het apparaat. Het apparaat staat scheef. Staat het apparaat loodrecht. Rechtop plaatsen en op een stabie-le stand letten. De dop van de condensafvoer zit niet goed op zijn plaats of is beschadigd. Druppelt water uit de condens-afvoer. Dop goed plaatsen of, indien nood-zakelijk, vervangen. De luchtklep staat niet ver ge-noeg open. De stand van de luchtklep con-troleren. Open de luchtklep so ver mogelijk.

14 Veranderingen van afmetingen en constructies, die de technische vooruitgang dienen, blijven ons voorbehouden. Werkzaamheden aan het koudemiddelcircuit mogen al-leen door vakkundigen worden uitgevoerd. Zodoende is gegarandeerd dat ook bij reparaties geen koudemiddel in het milieu terecht komt. Zowel voor het koudemiddel als ook voor de onderde-len gelden bijzondere bepalingen met betrekking tot de afvalverwijdering. Het gebruikte koudemiddel is een zogenaamd veilig-heidskoudemiddel. Dat betekent, dat bij beschadiging van het apparaat het vrijgekomen koudemiddel geen letsel van de ademhalingsorganen van mens en dier veroorzaakt. Belangrijke informatie m. b. t. recycling. * Het contact met vloeibaar koudemiddel kan tot bevriezing van de huid leiden. * Een andere toepassing, gebruik of bediening dan in deze handleiding beschreven is niet toegestaan.

Bij niet-inachtneming vervalt iedere aansprakelijk-heid en garantie Voorwaarde voor eventuele garantieclaims is dat de be-steller of zijn afnemer binnen een redelijk tijdsbestek na aankoop en inbedrijfstelling het "garantiebewijs" dat met ieder apparaat wordt meegeleverd, volledig ingevuld en teruggestuurd heeft naar REMKO GmbH & Co. KG. Het apparaat werd in de fabriek meerdere malen op zijn correcte functie gecontroleerd. Mochten er niettemin storingen optreden die door de gebruiker niet verholpen kunnen worden, raadpleeg dan uw vakhandelaar of contractant. Onjuist gebruik De fabrikant is niet aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit het niet in acht nemen van de instructies van de fabrikant, de wettelijke eisen, of voor schade tengevolge van het eigenmachtig aanbrengen van ver-anderingen aan de apparaten.

15 Installatieinstructies 1. Boor een gat in de buitenmuur (muurdikte max. 480 mm) met een doorsnede van minstens 135 mm. Let op dat er op de boorplek geen voedingsleidingen aanwezig zijn! 2. Plaats de schuifbuis zo in het muurgat dat de buiten-ste buis (grote doorsnede) zich aan de binnen-kant van de muur bevindt. Om koudebruggen te voorkomen, dient u de schuif-buis met geschikt isolatiemateriaal te isoleren. 3. De schuifbuis moet zodanig in het muurgat ingemet-seld worden dat hij aan beide kanten van de muur niet overstaat. Buitenrooster Terugslagklep Afsluitdop Schuifbuis 4. Bevestig het rooster met 4 schroeven aan de buiten-kant van de muur. Monteer het rooster zo dat geen regenwater kan in-dringen. 5. De terugslagklep wordt binnen ingezet en eveneens met 4 schroeven bevestigd. Het opschrift "oben" op de terugslagklep moet van binnen te zien zijn! 6.

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met REMKO MKT260 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden