Nibe BA-SVM 10-200/6 Handleiding

Nibe Pomp BA-SVM 10-200/6

Bekijk gratis de handleiding van Nibe BA-SVM 10-200/6 (88 pagina’s), behorend tot de categorie Pomp. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 40 mensen. Heb je een vraag over Nibe BA-SVM 10-200/6 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/88
25-08-2020
631049-1 NL
INSTALLATIE EN GEBRUIKERSHANDLEIDING
Binnenunit voor splitsysteem lucht naar
water
NIBE BA-SVM 10-200

Beoordeel deze handleiding


Product specificaties

Merk: Nibe
Categorie: Pomp
Model: BA-SVM 10-200/6

Handleiding Nibe BA-SVM 10-200/6 – volledige tekst

4NIBE BA-SVM 10-200 1 Belangrijke informatieVeiligheidsinformatieSerienummerSymbolenMarkeringDe BA-SVM 10-200 is voorzien van het CE-keurmerk en heeft de be-schermingsklasse IP21.Het CE-keurmerk bevestigt dat NIBE heeft gegarandeerd dat het product voldoet aan alle geldende regelgeving die door de relevante EU-richtlijnen worden gespecifi-ceerd.

Het CE-keurmerk is verplicht voor de meeste producten die in de EU worden verkocht, ongeacht het land waar ze zijn gemaakt.IP21 houdt in dat voorwerpen met een diameter groter dan of gelijk aan 12,5 mm niet kunnen door-dringen en schade kunnen ver-oorzaken en dat het product is be-schermd tegen verticaal vallende druppels water.Dit apparaat kan worden gebruikt door kinderen van 8 jaar en ouder en personen met een vermin-derde lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke gesteldheid of gebrek aan ervaring en kennis, mits zij onder toezicht staan of instruc-ties hebben ontvangen om het apparaat veilig te gebruiken en als zij de gevaren die samenhan-gen met het gebruik ervan begrij-pen. Voorkom dat kinderen met het apparaat spelen.

Reinigen en basisonderhoud van het apparaat mogen niet zonder toezicht wor-den uitgevoerd door kinderen.Recht op structurele aanpassin-gen voorbehouden.©NIBE 2020Deze handleiding omvat de instal-latie- en onderhoudsprocedures voor uitvoering door specialisten.Het serienummer zit onderaan het typeplaatje, op het bovenpa-neel van de BA-SVM 10-200 en bestaat uit 14 tekens.VOORZICHTIG!Dit symbool duidt aan dat het apparaat of een persoon gevaar loopt.LET OP:Dit symbool geeft belang-rijke informatie aan voor tij-dens gebruik of onderhoud van het apparaat.TIP!Dit symbool geeft tips die het gebruik van het appa-raat vereenvoudigen.Serienummer BA-SVM (PF3)Hoofdstuk 1 | Belangrijke informatie

5NIBE BA-SVM 10-200 Hoofdstuk 1 | Belangrijke informatieAfvoeren van afvalLaat het afvoeren van de verpakking over aan de in-stallateur van het product of aan een speciaal afval-station. Het onjuist afvoeren van het product door de gebruiker kan resulteren in boetes conform de geldende wetge-ving.Doe gebruikte producten niet bij het normale huishoudelijke afval.

Ze moeten worden afgevoerd Beschrijving Opmerkingen -HandtekeningDatumVerwarmingsmiddelHet systeem spoelenSysteem ontluchtExpansievatVuilfilterOverstortventielAfsluitersDruk in het klimaatsysteemAangesloten volgens schematische weergaveWarmtapwaterAfsluitersMengklepOverstortventielElektrische voedingCommunicatie aansluitenCircuitzekeringenZekeringen, binnenunitNetzekeringBuitentemperatuursensorKamersensorStroomsensorVeiligheidsonderbrekerLekstroomdetectie apparaatDe thermostaat in de noodstand zettenDiversenGekoppeld aanInspectie van de installatieHet klimaatsysteem moet vóór inbedrijfstelling worden geïnspecteerd. De inspectie moet door een daartoe be-voegd persoon worden uitgevoerd. Vul bovendien de pagina voor de installatiegegevens in de Gebruikershand-leiding in.Checklijstnaar een speciaal afvalstation of naar een leverancier die deze ser-vice biedt.

6NIBE BA-SVM 10-200 2 Bezorging en verwerkingTransportBeschikbare modellenCompatibiliteitMontageDe binnenunit BA-SVM 10-200 moet verticaal en on-der droge omstandigheden worden getransporteerd en opgeslagen. Maar tijdens het naar binnen dragen kan de BA-SVM 10-200 voorzichtig op de achterkant worden gelegd.

BA-SVM 10-200-units omvatten de volgende afzon-derlijke modellen:• BA-SVM 10-200/6 E - unit bestemd voor gebruik met de AMS 10-6, geëmailleerde tank uitgerust met een titanium anode,• BA-SVM 10-200/12 E - unit bestemd voor gebruik met de AMS 10-8 en AMS 10-12, geëmailleerde tank uitgerust met een titanium anode,• BA-SVM 10-200/6 E EM - unit bestemd voor ge-bruik met de AMS 10-6, geëmailleerde tank uit-gerust met een titanium anode en energiemeter (waterzijdig),• BA-SVM 10-200/12 E EM - unit bestemd voor ge-bruik met de AMS 10-8 en AMS 10-12, geëmail-leerde tank uitgerust met een titanium anode en energiemeter (waterzijdig),• BA-SVM 10-200/6 R - unit bestemd voor gebruik met de AMS 10-6, roestvaststalen tank,• BA-SVM 10-200/12 R - unit bestemd voor gebruik met de AMS 10-8 en AMS 10-12, roestvaststalen tank.

• De BA-SVM 10-200 moet op een stevig, water-dicht oppervlak worden geplaatst, dat het ge-wicht van de gevulde binnenunit kan dragen. Ge-bruik de verstelbare poten van de binnenunit om het apparaat horizontaal en stabiel te plaatsen. • Aangezien de BA-SVM 10-200 een afvoer voor condenswater heeft, moet de opstellocatie zijn voorzien van een afvoer in de vloer die naar de riolering leidt. 20-40 mmSleutelmaat 13De binnenunit BA-SVM 10-200 kan worden gebruikt met buitenunits van Split-type. De compatibele NIBE SPLIT-warmtepompen zijn:Symbool ToepassingAMS 10-6 BA-SVM 10-200/6AMS 10-8 BA-SVM 10-200/12AMS 10-12U vindt meer informatie over NIBE SPLIT-warmte-pompen op www. nibenl. nl en in de relevante instruc-ties voor installatie en gebruik.

7NIBE BA-SVM 10-200Geleverde componentenHoud een ruimte van 800 mm vrij aan de voorzij de van de binnenunit. Alle servicewerkzaamheden aan de BA-SVM 10-200 kunnen vanaf de voorkant worden uitgevoerd.1. Verwij der de schroeven van de onderrand van het voorpaneel.2. Haal het paneel aan de onderrand naar voren en let daarbij goed op dat u de aansluitkabels niet beschadigt. Verwij der het voorpaneel vervolgens door het omhoog te tillen.3. Neem de kabel los die het voorpaneel verbindt met de unit.InstallatielocatieVOORZICHTIG!Laat bij aansluiten van een aanvullende warmtebron voldoende ruimte achter het apparaat voor het pro-bleemloos realiseren van de aansluitingen en voor toe-komstig onderhoud.25-30 mm800 mmBuitenmantel verwij -deren3Veiligheidsgroep met overstortventiel (3 bar), drukmeter en automa-tisch ontluchtingsventiel (1 st.)Temperatuursensor Buiten en binnen (2 st.)Aansluiting p.

10 NIBE BA-SVM 10-200 Hoofdstuk 4 | 4 LeidingaansluitingenAlgemene informatieDe leidingen moeten worden aangesloten volgens de geldende normen en voorschriften. De leidingafmetingen mogen niet kleiner zijn dan de aanbevolen leidingdiameter volgens de onderstaande tabel. Maar om het aanbevolen debiet te realiseren moet elke installatie afzonderlijk worden ontworpen. Het systeem kan worden gebruikt met een klimaatsys-teem met een lage en gemiddelde temperatuur. De aanbevolen temperatuur van het verwarmingsmiddel bij de gedimensioneerde buitentemperatuur DOT mag niet hoger zijn dan 55 °C voor de aanvoer- en 45 °C voor de retour vanuit het klimaatsysteem. De BA-SVM 10-200 kan een temperatuur tot 65 °C bereiken bij het gebruik van de elektrische bijverwarming of een andere piekwarmtebron. Leid vanaf het overstortventiel een overstortleiding naar een geschikte afvoer.

De overstortleiding moet over de hele lengte omlaag lopen naar de afvoer in de vloer om waterzakken te voorkomen. Bovendien moet de leiding vorstvrij zijn aangelegd. Om een maximaal systeem-rendement te verkrijgen, adviseren we om de BA-SVM 10-200 zo dicht mogelijk bij de buitenwarmtepomp te installeren. De BA-SVM 10-200-unit is niet uitgerust met een afsluiter voor het klimaatsysteem. Om servicewerkzaamheden in de toekomst te vereenvoudigen, moeten de afsluiters aan de buitenkant van de binnenunit worden geplaatst. De BA-SVM 10-200-unit kan worden gekoppeld aan de centrale verwarming, koeling en warmtapwatersyste-men. Het is beslist noodzakelijk om de meegeleverde veiligheidsmodule te installeren op aansluiting XL11.

Voordat de binnenunit wordt aangesloten, moeten de leidingen worden doorgespoeld om te voorkomen dat componenten beschadigd of verstopt raken door ver-ontreinigingen. VOORZICHTIG. Totdat het verwarmings-/koelcircuit is gevuld met ver-warmingsmiddel, mag de schakelaar (SF1) van de re-gelaar niet op “I” of " ” worden gezet. Als u zich niet aan de bovenstaande voorschriften houdt, kan een groot aantal componenten van de BA-SVM 10-200-unit beschadigd raken. Minimale systeemdebietDe installatie moet op zijn minst zijn berekend op de verwerking van het minimale ontdooidebiet bij een werking van de circulatiepomp van 100%, zie de tabel. VOORZICHTIG. Een onjuist gedimensioneerd klimaatsysteem kan tot schade aan het apparaat en storingen leiden. De BA-SVM 10-200 is uitgerust met een expansievat met een capaciteit van 10 l.

De drukin-stelling van het niveaureservoir moet worden ingesteld op ba-sis van de maximale hoogte (H) tussen het vat en de hoogst geplaatste radiator, zie de teke-ning. Een begindruk van 0,5 bar Het volume van het expansievat moet ten minste 5% van het totale volume van het cv-systeem bedragen. BA-SVM 10-200-apparatuur is uitgerust met een ex-pansievat met een inhoud van 10 l. Als de capaciteit van het ingebouwde expansievat niet toereikend is, moet de installatie worden uitgebreid met een extra expansievat dat aan bovengenoemde eisen voldoet. Tabel met voorbeelden:Totaal volume [l] (binnenunit en klimaatsysteem) Volume [l], expansievat500 10+15750 10+251000 10+40ExpansievatH(5 mwk) betekent een maximaal toegestaan hoogtever-schil van 5 m. De maximale inhoud van het systeem zonder boiler is 220 l bij bovenstaande begindruk. LeidingaansluitingenVOORZICHTIG.

In de installatie vóór de BA-SVM 10-200 moet een vuilfilter dat is bestemd voor verwarmingsinstallaties, worden gebruikt. Het filter beschermt de unit tegen vervuiling. VOORZICHTIG. Zorg ervoor dat ingaand water schoon is.

11NIBE BA-SVM 10-200De BA-SVM 10-200-binnenunit is uitgerust met een opslagtank met een verwarmingsspiraal, expansie-vat, veiligheidsgroep, elektrische bijverwarming, wis-selkleppen, platenwarmtewisselaar, energiemeter, elektronische circulatiepomp en regelaar. In combina-tie met de NIBE SPLIT (AMS 10) buitenluchtwarmte-pomp, vormt hij een compleet klimaatsysteem. De AMS 10-buitenunit levert thermische energie voor de verwarming van tapwater, het vermogen voor het klimaatsysteem, de verwarming van zwembaden en koeling, met gebruikmaking van de vrije energie die in de buitenlucht is opgeslagen en efficiënt werkzaam in het lage temperatuurbereik, tot -20 °C aan toe. De aansluiting van de buitenunit en de binnenunit BA-SVM 10-200, met een systeem van leidingen ge-vuld met koudemiddel, beschermt de aansluiting te-gen bevriezing in het geval van onderbrekingen in de stroomlevering aan apparatuur.

De werking van het systeem wordt gecontroleerd via een geavanceerde regelaar. Het regelmechanisme van de BA-SVM 10-200 maakt het gebruik van twee koelsystemen mogelijk:• Koelsysteem met 2 leidingen,• Koelsysteem met 4 leidingen. SysteemschemaLET OP:De BA-SVM is standaard voorzien van alle tempera-tuursensoren. In sommige systeemontwerpen moe-ten de sensoren worden overgezet naar nadere delen van het systeem. Zie voor de plaats van de sensoren het betreffende punt bij aansluiten van het systeem. LET OP:Als het watervolume van het centrale verwarmings-systeem door gebruik te maken van een buffervat toeneemt, moet u het systeemvolume controleren en eventueel het volume van het bestaande expansievat vergroten. Hoofdstuk 4 | LeidingaansluitingenAls de standaardbegindruk in het expansievat te laag is, kan deze worden verhoogd door het te vullen via de geïnstalleerde klep.

Veranderingen in de begindruk hebben gevolgen voor de mate waarin het expansievat de uitzetting van het verwarmingsmiddel kan opvangen. VOORZICHTIG. Gebruik om de minimale ongehinderde doorstroming in het klimaatsysteem te realiseren de juiste hydrau-lische oplossingen (bijv. aftapklep, open verdeler, pa-rallelle buffer en/of open verwarmingsgroepen). Denk eraan altijd de minimaal vereiste doorstroming in het systeem te handhaven - zie de paragraaf "Minimale systeemdebiet". BuffervatMinimale inhoud klimaatsysteemLET OP:Een expansievat in het warmtapwatersysteem wordt aanbevolen. Er moet wel een overstortventiel met de vereiste openingsdruk worden geïnstalleerd. De warmtepompinstallatie vereist het juiste volu-me verwarmingsmiddel (ca. 10 l / kW vermogen van de warmtepomp) en een minimale, onbelemmerde doorstroming.

Als de hoeveelheid verwarmingsmiddel in de instal-latie onvoldoende is, moet er een extra buffervat worden gebruikt, dat een adequate systeemvolume garandeert, zie de paragraaf "Minimale inhoud kli-maatsysteem". Een onvoldoende doorstroming in het centrale ver-warmingssysteem veroorzaakt een storing in de warmtepompinstallatie en dat zou tot aanzienlijke schade aan het product kunnen leiden. AMS 10 6 8 12Minimale inhoud klimaatsysteem tijdens verwarming/koeling 50l 80l 100l.

13NIBE BA-SVM 10-200Het werkingsprincipe van het systeem met 2 leidin-gen is dat het voor zowel koelen als verwarmen van dezelfde installatie gebruikmaakt (schema van koe-ling met 2 leidingen). In het systeem met 2 leidin-gen bedient het regelmechanisme alle componenten Het werkingsprincipe van het systeem met 4 leidin-gen is dat het afzonderlijke verwarmings- en koelcir-cuits gebruikt. In het systeem met 4 leidingen is een koelbuffer vereist. De sensor BT64 moet in het buf-Schema van werking met 2 leidingenSchema van werking met 4 leidingenvan het systeem, d.w.z. GP10, uitbreidingsmodules (extra verwarmings-/koelcircuits enz.). De keuze voor het systeem met 2 leidingen vindt plaats in hoofdstuk SERVICE, menu 5.2.4.fervat of op de leiding voor het koude cv-water wor-den geplaatst. De BT64 is aangesloten bij de AUX-in-gangen.

14 NIBE BA-SVM 10-200 • Aangeraden wordt om de BA-SVM 10-200-unit in een ruimte te installeren die is uitge-rust met een afvoer in de vloer en die beschermd is tegen bevriezen.• Het draagvermogen van de - bij voorkeur - beton-nen vloer moet voldoende zijn.• De BA-SVM 10-200-unit moet met de achterkant tegen een muur staan. Het toestel mag niet te-gen de muren van gebruiksruimten worden ge-plaatst waar geluid een probleem zou kunnen zijn.• Het toestel kan met behulp van de verstelbare poten waterpas worden gezet.• Leg leidingen zo, dat deze niet langs muren van een slaap- of woonkamer lopen, waar geluid een probleem zou kunnen zijn.• Zorg voor een vrije ruimte van ca. 800 mm vóór en 500 mm boven het toestel teneinde toekom-stig onderhoud te vereenvoudigen.1. Koppel de BA-SVM 10-200-unit aan het centrale verwarmingssysteem en aan de leidingen voor koud- en warmtapwater.2.

Installeer koudemiddelleidingen.3. Sluit de huidige sensoren, buitentemperatuur-sensoren, de leidingen tussen de BA-SVM 10-200 en AMS 10, alsook de communicatie en voe-ding aan.4. Sluit de voeding (230 V of 400 V) aan op de BA-SVM 10-200-unit.5. Ga verder volgens de instructies voor inbedrijf-stelling in het hoofdstuk Inbedrijfstelling en af-stelling.Aanbevolen montagevolgordeXL10XL1XL2-EB101-BT1BA-SVM 10-200 -GP11PXL18XL19HS1 -BP4 -BT15-BT3-GP12 -BT25-QN12 -BT63-BT71-QN10-BT7-BT6PEQ-BT25/BT64 Schema voor de aansluiting van een aanvullende warmtebronLET OP:Het maximaal aanbevolen vermogen van de aanvullende warmtebron mag niet hoger zijn dan 15 kW.Hoofdstuk 4 | Leidingaansluitingen

16 NIBE BA-SVM 10-200 De binnenunit aansluitenHet klimaatsysteem aansluitenEr kan een externe warmtebron met een maximum-vermogen van 15 kW, d. w. z. een gas- of oliegestook-te boiler, worden aangesloten aan de achterzijde van de BA-SVM 10-200-unit door de plaat te verwijderen die de toegang tot de aansluitpoorten blokkeert (zie onderstaande tekening). Schema - zie p. 11. De BA-SVM 10-200-unit heeft een condensslang om het condenswater af te voeren van de lekbak die onder de boiler is geplaatst. De leiding voert al het condenswater af uit het apparaat, wat het risico op schade tot een minimum reduceert. Deze leiding kan desgewenst worden verlengd. De koudemiddelleidingen moeten geïnstalleerd wor-den tussen de AMS 10-buitenunit en de BA-SVM 10-200-binnenunit. De installatie moet worden uitge-voerd volgens de geldende normen en voorschriften.

Condens-slangVoeding vanuit externe warm-tebron(XL 19)Retour naar externe warm-tebron(XL 18)Beperkingen• Maximale lengte van de leiding aan weerszijden, AMS 10-6, AMS 10-8 en AMS 10-12 (L): 30 m• Maximaal hoogteverschil (H): 7 mDe leidingaansluitingen van het klimaatsysteem zit-ten aan de bovenzijde van het apparaat. • Alle benodigde veiligheidsvoorzieningen en af-sluiters moeten zo dicht mogelijk bij de BA-SVM 10-200-unit worden geplaatst. • Zo nodig moeten er ontluchters worden ge-plaatst. • Het overstortventiel met de drukmeter en het ontluchtingsventiel op het centrale verwarmings-circuit alsook het overstortventiel op het warm-tapwatercircuit moeten worden bevestigd met de juiste aansluitingen XL 11 en XL 3. Om te voorkomen dat er luchtbellen ontstaan, moet de overstortleiding over de gehele lengte schuin af-lopen vanaf het overstortventiel. Hij moet tevens vorstvrij zijn.

• Installeer bij aansluiting op een systeem met thermostatische kleppen op alle radiatoren/lei-dingen van de vloerverwarming een buffervat en eventueel een drukgeregelde bypassklep om de juiste doorstroming en het juiste volume van het verwarmingsmiddel te garanderen. Zie de para-graaf "Minimale systeemdebiet". VOORZICHTIG. De term “klimaatsysteem”, die wordt gebruikt in deze installatie- en gebruikershandleiding, staat voor verwarmings- en koelsystemen die worden gevoed met warmte of koude, met gebruikmaking van ver-warmings- of koudemiddel van de BA-SVM 10-200-unit, voor verwarmings- of koeldoeleinden.

Aansluiting van externe warmtebronCondens afvoerenAansluiten van de koudemiddelleiding (niet inbegrepen)LHLHAMS 10AMS 10LET OP:Het is beslist noodzakelijk dat het juiste overstortven-tiel rechtstreeks op de aanvoerleiding van koud water naar de boiler wordt gemonteerd om deze te bescher-men tegen een overmatige druktoename. LET OP:De buitenunit, in de fabriek gevuld met koudemiddel, maakt het gebruik mogelijk van koudemiddelleidin-gen (maat L) tussen de buiten- en de binnenunit met een leidinglengte van L = 15 m. De maximaal toege-stane lengte van de koudemiddelleidingen is 30 m, maar dit vereist dat het systeem wordt bijgevuld met koudemiddel. BA-SVM 10-200BA-SVM 10-200Hoofdstuk 4 | Leidingaansluitingen.

AMS 10-6 / AMS 10-8• Verwijder tijdens installatie het zijpaneel van de AMS 10 om beter toegang te hebben. Flare-aansluitingenUitzetting:Uitwerping:AMS 10-12 • Verwijder het "uittikbare" deel uit het buitenpa-neel van de AMS 10, waar de leidingen langs moeten lopen. Onderstaande tekening toont de leidinguitgangen waaruit u kunt kiezen. • Pas op dat er geen water of verontreinigingen in de aansluitleiding van het koudemiddel komen. Door verontreinigingen in de leidingen zou de warmtepomp beschadigd kunnen raken. ABVOORZICHTIG. Gebruik bij het solderen een gasafscherming. Externe diameter, koperleiding A (mm)Ø 6,35 9,1Ø 9,52 13,2Ø 12,7 16,6Ø 15,88 19,7BA-SVM 10-200/12BA-SVM 10-200/6• Buig de leidingen met de maximale buigstraal (ten minste R100-R150). Zorg ervoor dat u geen leidingen herhaaldelijk buigt. Gebruik een buig-machine.

• Realiseer de flare-aansluiting en haal deze met het juiste moment aan met een momentsleutel. Gebruik de juiste aanhaalhoek als er geen mo-mentsleutel beschikbaar is. BA-SVM 10-200/6 Gasleiding (Ø ext. ) Vloeistofleiding (Ø ext.

18 NIBE BA-SVM 10-200 Druktest en lekkagetestVacuümpompIsoleren van koudemiddelleidingenHet systeem vullen met koudemiddelZawór serwisowy, PompaZowel de BA-SVM 10-200 als de AMS 10 zijn in de fabriek getest op druk en lekkage, maar de aanslui-tingen van de koudemiddelleiding tussen apparaten moeten na installatie op lekkage worden gecheckt. Doe bij het aansluiten van de leidingen druk- en lek-testen en denk er bij het creëren van het vacuüm aan de servicekleppen (QM35, QM36) gesloten te hou-den. Om de leidingen van de BA-SVM 10-200 te vul-len met koudemiddel moeten deze opnieuw worden geopend. Aansluitingen:Uitgangspunt:• Leidingen voor koudemiddel (zowel vloeibaar als gasvormig) moeten geïsoleerd worden met het oog op thermische isolatie en het voorkomen van condensatie. • Gebruik isolatie die bestand is tegen minimaal 120 °C. Gebruik een vacuümpomp om alle lucht te verwij-deren.

Vacumeer minimaal een uur. De einddruk na verwijdering moet 1 mbar (100 Pa, 0,75 droog of 750 micron) absolute druk zijn. Als het systeem nog voch-tig is of lekt, neemt het vacuüm af nadat het afzuigen is voltooid. VOORZICHTIG. De leidingaansluiting tussen de binnenunit en de buiten-unit moet getest zijn op lekken. Creëer vervolgens na het gereedkomen van de installatie een vacuüm voor de voltooide leiding, in overeenstemming met de geldende regelgeving. Er mag alleen stikstof worden gebruikt voor het persen en drogen van de voltooide leiding. TIP. Om een beter eindresultaat te realiseren en de tot-standkoming van het vacuüm te versnellen, moet u de onderstaande punten in acht nemen:• -De leidingen moeten de juiste diameter en lengte hebben. • Tap het systeem af tot 4 mbar en vul het met droge stikstof tot atmosferische druk.

Als de lengte van de koudemiddelleidingen de 15 m overschrijdt, moet er extra koudemiddel worden toe-gevoegd, en wel 0,02 kg/m voor de BA-SVM 10-200/6 of 0,06 kg/m voor de BA-SVM 10-200/12. unitsGas pipiZworka Zabezpieczenie ruryLET OP:Alle aansluitingen en werkzaamheden die aan het koelsysteem zijn gerelateerd, moeten worden uitge-voerd door personen met de juiste bevoegdheden en certificaten. LET OP:De maximaal toegestane lengte van de koudemiddel-leidingen is 30 m, maar het systeem moet worden bijgevuld met koudemiddel als de lengte van 15 m is overschreden. Uitgang bemeteringServiceklep, vloeistofServiceklep, gasDrukmeterVacuüm-pompJumper LeidingbeschermingBedradingTapeGasleidingIsolatieVloeistofleidingHoofdstuk 4 | Leidingaansluitingen.

20 NIBE BA-SVM 10-200 De binnenunit aansluitenKoppeling tijdens gebruik zonder warmte-pompKoud en warm water aansluitenDe BA-SVM 10-200-unit is niet uitgerust met een afsluiter voor het centrale verwarmingssysteem, warmtapwatersysteem of elektrische bijverwarming; deze moeten geïnstalleerd worden aan de buitenkant van de binnenunit om toekomstig onderhoud te ver-eenvoudigen.De configuratie van de hydraulische aansluitingen voor de binnenunit hoeft niet te worden gewijzigd voor een werking onafhankelijk van de buitenunit.De boiler moet worden aangesloten op een wa-teraanvoersysteem met een waterdruk van min. 1 bar en max. 10 bar. Gebruik een drukregelaar als de druk bij de koudwaterinlaat naar de tank hoger is dan het toegestane niveau.

Terwijl het water in de boiler wordt verwarmd, neemt de druk toe en om die re-den moet elke boiler worden uitgerust met het juiste overstortventiel, dat moet worden geïnstalleerd op de aanvoerleiding van koud water. Dat zal de boiler beschermen tegen een overmatige druktoename. Zie paragraaf "Warmtapwatercirculatie" als u gebruik maakt van warmtapwatercirculatie.Alternatieve installatiePPPPPPVOORZICHTIG!Het is niet toegestaan om beperkingen (bijv. reduc-tiestukken, vuilfilters enz.) en afsluiters tussen de op-slagtank en het overstortventiel te installeren. Alleen een T-stuk met een aftapklep en een T-stuk met een expansievat zijn toegestaan.VOORZICHTIG!Het is beslist noodzakelijk om een juist geselecteerd overstortventiel op de aanvoerleiding van koud water te installeren.VOORZICHTIG!Gebruik het apparaat niet als het overstortventiel ge-blokkeerd is.Hoofdstuk 4 | Leidingaansluitingen

21NIBE BA-SVM 10-200VOORZICHTIG!De warmtepomp moet koelisolatie hebben en werkt in een intermitterende stand.PP-BT25Gebruik bij aansluiting op een systeem met thermo-statische kleppen op alle radiatoren/leidingen van de vloerverwarming passende hydraulische oplossingen die het juiste volume van het verwarmingsmiddel en een minimale onbelemmerde doorstroming garande-ren. Zie de paragraaf "Buffervat".Het klimaatsysteem aansluitenHet systeem kan worden uitgebreid met extra ver-warmings-/koelcircuits, vooropgesteld dat er een extra accessoireprint wordt gebruikt. Zodra de AXC 30-print of kant-en-klare ECS 41-set in gebruik is ge-nomen, kan er via de regeling een aanvullend verwar-mings-/koelcircuit worden geactiveerd.Het koelsysteem met 2 leidingen aansluitenHet koelsysteem met 4 leidingen aansluitenIn het koelsysteem met 2 leidingen heeft de sensor BT64 / EQ-BT25 de functie van sensor BT25.

Graad-minuten worden geteld volgens EQ-BT25.Het systeem met 4 leidingen vereist voor koeling een extra buffervat. Sensor BT64 moet worden overgezet naar het buffervat. Graadminuten voor verwarming worden geteld volgens BT25. Graadminuten voor koeling worden geteld volgens BT64.Een extra klimaatsysteem koppelenPP-BT25Extra accessoires en de aansluitopties en -methoden daarvoor worden beschreven in de instructies voor de AXC 30 en ECS 41.PPEQ-BT25/BT64 -BT63-BT25-BT64PPEQ-BT25/BT64 -BT25Hoofdstuk 4 | Leidingaansluitingen

22 NIBE BA-SVM 10-200 VOORZICHTIG!Bij aansluiting AA3: X7 wordt gebruikt voor een ander doeleinde, een extra accessoire AXC 30 is nodig om de pompregeling van de warmtapwatercirculatie aan te sluiten.WarmtapwatercirculatieDe BA-SVM 10-200-unit heeft de mogelij kheid van aansluiting op de warmtapwatercirculatie. De plug van de circulatie-uitgang (XL5) zit aan de bovenkant van de boiler.Volg onderstaande stappen om de circulatie aan te sluiten:1. Verwij der de kap XL5 van het bovenstuk van de be-huizing.PP520120Afmetingen van de circulatieleiding Knie 15x152. Verwij der het voorpaneel en schuif vervolgens het regelkastje naar rechts om toegang te krij gen tot de hydraulische aansluitingen.3. Verwij der de plug van de poort van de circulatie-aansluiting (XL5)4.

Vervang het regelkastje en het voorpaneel.De regeling van de circulatiepomp voor warmtapwater aansluitenDe circulatiepomp voor warmtapwater kan in twee confi guraties worden aangesloten:• op plaat AA3:X7 op strook AA3-X7:C (230 V), AA3-X7:NO (N) en X1:PE,10 PE 2LNPE323456789EGP11X1AA5-X9Accessoireprint AA5 ExternXL50 PE 2L N PE3ExternalX1AA3-X7GP11X1AA3:X7C NO NC• als uitgang AA3:X7 al in gebruik is, op accessoire-print AA5 (niet inbegrepen in de BA-SVM 10-200) op strook AA5-X9:8 (230V), AA5-X9:7 (N) en X1:PEXL5Hoofdstuk 4 | Leidingaansluitingen

23NIBE BA-SVM 10-2005 Buitenunit AMS 10Bezorging en verwerkingInstallatieVan de straat naar de beoogde locatie hijsenDe warmtepomp AMS 10 moet verticaal worden ver-voerd en opgeslagen. Plaats de warmtepomp AMS 10 niet rechtstreeks op het gazon of een andere onstabiele ondergrond. Als er een kans is dat er sneeuw van het dak kan glijden, moet er een beschermend dak of een afdek-king worden geplaatst om de warmtepomp, inclusief leidingen en bedrading te beschermen. Als de ondergrond dit toestaat, is het het eenvoudig-ste om een palletwagen te gebruiken om de warmte-pomp AMS 10 naar de opstellocatie te verplaatsen. Als de warmtepomp AMS 10 over een zachte onder-grond moet worden vervoerd, zoals een gazon, dan wordt het gebruik van een kraan aangeraden die de unit naar de opstellocatie kan hijsen.

Als de warmtepomp AMS 10 door een kraan is opgehesen, moet de verpak-king onbeschadigd zijn en de belasting gelijkelijk over de zwaaiarm worden verdeeld, zie de bovenstaande tekening. Als er geen kraan kan worden gebruikt, kan de warm-tepomp AMS 10 worden verplaatst met een extra lange palletwagen. De warmtepomp AMS 10 moet worden vastgezet aan de zijkant die is gemarkeerd met "zware zijde" en er zijn twee mensen nodig om de AMS 10 op zijn plek te zetten. • Plaats de warmtepomp AMS 10 buiten op een ste-vige, vlakke ondergrond die bestand is tegen het gewicht, bij voorkeur een betonnen ondergrond. Als er betonnen platen worden gebruikt, moeten deze gelegd zijn op asfalt of grind. • De betonnen ondergrond of platen moeten zo worden geplaatst dat de onderste rand van de ver-damper op gelijk niveau komt met de gemiddelde sneeuwdiepte ter plekke, maar niet lager dan 300 mm.

De op deze pagina getoonde steunen en be-vestigingen zijn verkrijgbaar via het hoofdstuk "Ac-cessoires" in de AMS 10-handleiding. • De warmtepomp AMS 10 mag niet naast de muren van ruimten worden geplaatst waar lawaai een pro-bleem zou kunnen zijn, bijvoorbeeld naast een slaap-kamer.

• Zorg er ook voor dat de plaatsing geen overlast ople-vert voor de buren. • De warmtepomp AMS 10 mag niet dusdanig wor-den geplaatst dat recirculatie van buitenlucht kan optreden. Dit zorgt voor een lager vermogen en ge-ringere efficiëntie. • De verdamper moet worden afgeschermd tegen rechtstreekse wind, aangezien dit een negatieve in-vloed op de ontdooifunctie heeft. De warmtepomp AMS 10 moet zo worden geplaatst dat de verdam-per beschermd is tegen de wind. • Door ontdooiing kunnen grote hoeveelheden con-dens en smeltwater worden geproduceerd. Con-dens moet worden afgevoerd naar een afvoer (zie paragraaf "Condenswaterafvoer"). • Wees bij de installatie voorzichtig, zodat u geen krassen maakt op de warmtepomp. VOORZICHTIG. Zorg ervoor dat de warmtepomp niet kan kantelen tijdens transport. VOORZICHTIG.

24 NIBE BA-SVM 10-200 Van de pallet naar de definitieve positie tillenAfdankenBinnenafvoerAanbevolen alterna-tief voor afvoer van condenswaterAfvoer voor condens-waterCondensafvoeren naar de grond onder de AMS 10. Om schade aan de woning en de warmtepomp te voorko-men moet condens worden verzameld en afgevoerd. Het condenswater wordt naar een afvoer binnens-huis geleid (onder voorbehoud van plaatselijke wet- en regelgeving). Leg de leiding vanaf de lucht/water-warmtepomp schuin naar beneden aan. De afvoerleiding voor het condenswater moet zijn uitgerust met een waterslot om luchtcirculatie in de leiding te voorkomen. • Condens (50 l / 24 uur) wordt via de slang afge-voerd naar de juiste afvoer. Aangeraden wordt de route van het condens buitenshuis zo kort moge-lijk te houden. • Het deel van de leiding dat kan bevriezen moet worden verwarmd via de verwarmingskabel om bevriezing te voorkomen.

• Leg de leiding vanaf de AMS 10-warmtepomp schuin naar beneden aan. • De uitlaat van de condensleiding moet op een vorstvrije diepte of binnenshuis zitten (onder voorbehoud van plaatselijke wet- en regelgeving). • Gebruik een hevel voor installaties waarbij luchtcir-culatie kan optreden in de afvoerleiding voor con-denswater. • De isolatie moet strak tegen de onderkant van de opvangbak van condenswater worden bevestigd. Demonteer het product wanneer dit wordt afgedankt in de omgekeerde volgorde. Til het product op aan het onderpaneel in plaats van met een pallet. Verwijder vóór het tillen de verpakking en de band waarmee het product aan de pallet is bevestigd. Plaats hijsbanden rondom alle poten van het toestel. Om de pallet naar zijn basis te tillen zijn vier personen nodig, waarbij iedereen een band vasthoudt.

Het is niet toegestaan het toestel aan een ander on-derdeel dan aan de poten op te tillenVOORZICHTIG. Afvoer van condens is belangrijk voor de werking van de warmtepomp. De condensafvoer moet zo worden ge-legd dat deze het gebouw niet kan beschadigen.

25NIBE BA-SVM 10-200Als het gebouw een kelder heeft, gebruikt u een stenen caisson om te voorkomen dat het gebouw door condens wordt beschadigd. Ook kan de stenen caisson rechtstreeks onder de warmtepomp worden geplaatst.

De uitlaat van de afvoerleiding voor condenswater moet zich op een vorstvrije diepte bevinden.• De uitlaat van de afvoerleiding voor condenswa-ter moet zich op een vorstvrije diepte bevinden.• Leg de leiding vanaf de lucht/water-warmtepomp schuin naar beneden aan.• De afvoerleiding voor het condenswater moet zijn uitgerust met een sifon om luchtcirculatie in de leiding te voorkomen.• De installatielengte kan worden afgesteld aan de hand van de grootte van de sifon.Afvoer naar de gootVOORZICHTIG!Buig de slang om een sifon te creëren, zie de afbeel-ding.LEKLEKsifonsifon Vorstvrije diepteVan lucht/wa-ter-warmtepompLET OP:Indien geen van de aanbevolen opties wordt gebruikt, moet een juiste afvoer van condens gewaarborgd zijn.Buitenunit AMS 10Hoofdstuk 5 |

28 NIBE BA-SVM 10-200 1 300 mm 300 mm 30 cm15 cm30 cmInstallatielocatieGeluidsvermogenDe aanbevolen afstand tussen de AMS 10 en de muur van het gebouw moet ten minste 15 cm bedragen. De vrije ruimte boven de AMS 10 moet ten minste 100 cm bedragen. Maar de vrije ruimte vanaf de voorzijde moet met het oog op toekomstig onderhoud 100 cm zijn.Denk eraan dat de AMS 10-unit normaal gesproken tegen een muur wordt geplaatst, wat voor directe verspreiding van het geluid zorgt. Probeer daarom al-tijd een locatie te vinden die geen hinder veroorzaakt, Minimale vrije ruimteVrije ruimte vanaf de achterzijdeMaar de vrije ruimte vanaf de voorzijde moet met het oog op toekomstig onderhoud 100 cm zijn.Minimale ruimteergens waar het toestel minimale overlast voor bu-ren veroorzaakt. Het geluidsniveau kan negatief wor-den beïnvloed door muren, bakstenen, verschillen in grondniveau enz.

en daarom moeten de gegeven waarden slechts als aanbevolen waarden worden be-schouwd.Voorkom om het geluidsniveau te verlagen een rechtstreekse luchtuitlaat op plaatsen die bijzonder gevoelig zijn voor buitensporige geluidsniveaus. Een maatregel die u kunt nemen is bijvoorbeeld het aan-brengen van akoestische platen, waardoor het geluid minder onaangenaam wordt. De verspreiding van het geluid wordt beïnvloed door verschijnselen als: rich-tingsgevoeligheid van de bron, absorptie door de at-mosfeer, invloed van de bodem, oppervlaktereflectie en afscherming door obstakels.2 mKELGeluid AMS 10-6 AMS 10-8 AMS 10-12Geluidsvermogen in overeenstemming met NEN-EN12102 bij 7/35°C (nominale waarde)* LW(A) 51 55 58Geluidsvermogen op een afstand van 2 m (nominale waar-de)* dB(A) 32 41 44*Vrije ruimteBuitenunit AMS 10Hoofdstuk 5 |

29NIBE BA-SVM 10-2006 Elektrische aansluitingenAlgemene informatieAlle elektrische apparatuur met uitzondering van de buitentemperatuursensor, ruimtesensor en de stroomsensoren is af fabriek al aangesloten. • Schakel de voeding van de binnenunit uit alvo-rens de bedrading van het gebouw te testen op isolatie. • Indien de woning is uitgerust met een lekstroom-meting, moet de BA-SVM 10-200 worden voor-zien van een afzonderlijke lekstroomschakelaar. • Zie voor het bedradingsschema van de binnen-unit de paragraaf "Elektrisch bedradingsschema". • Communicatie- en sensorkabels mogen niet dichtbij hoge voltagekabels worden gelegd. • De minimale doorsnede van de communicatie- en sensorkabels naar externe aansluitingen dient 0,5 mm² te bedragen, met een lengte van maxi-maal 50 m, bijvoorbeeld EKKX, LiYY of gelijkwaar-dig. • De voedingskabel moet voldoen aan de toepas-selijke normen.

• Gebruik kabeldoorvoer UB1 (gemarkeerd op de tekening) om de kabels naar de BA-SVM 10-200 te leggen. Leg de kabels in de UB1 van achter naar voren door de gehele binnenunit. VOORZICHTIG. De schakelaar (SF1) voor de regeling mag pas op “I” of “ ” worden gezet als het klimaatsysteem is gevuld met verwarmingsmiddel en het centrale ver-warmingssysteem is ontlucht”. Anders kunnen de thermische stroomonderbreker, de thermostaat en de doorstroomverwarmer beschadigd raken. VOORZICHTIG. Onderbreek, voordat u met het onderhoud aanvangt, de stroom met gebruikmaking van de stroomonder-breker. De elektrische installatie moet in overeen-stemming met de huidige regelgeving worden uitge-voerd door iemand met de juiste bevoegdheden en kwalificaties. VOORZICHTIG.

Als het systeem werkt bij “ ”, moet de temperatuur op de BT30 worden afgestemd op de bedrijfstempera-tuur van het centrale verwarmingssysteem. Als de op de thermostaat ingestelde temperatuur te hoog is, kan het systeem beschadigd raken. Hoofdstuk 6 | Elektrische aansluitingenX10UB1BT30X1FD1FA2X0FA1K1A-K3AAA23AA3UB2X2AA7AA27AA8AA2:X4AA2:X15AA2K2X0 Klemmenstrook - 400V~/230V~X1 Klemmenstrook - 230V~X2 Klemmenstrook - 230V~X10 Klemmenstrook - 230V~FA1 Automatische zekering(voor de binnenunit)K1A-K3A Contactoren elektrisch verwarmings-elementBT30 Thermostaat stand-bystandAA3 SensorprintAA23 CommunicatieprintAA7 RelaisprintFA2 Automatische zekering AMS-buitenunitFD1 Thermische stroomonderbrekerUB1 KabeldoorvoerUB2 KabeldoorvoerK2 AlarmrelaisAA2 HoofdprintAA2:X15 Klemmenstrook - lage spanningAA2:X4 Klemmenstrook - lage spanningAA8 Print titanium anodeAA27 Relaisprint.

30 NIBE BA-SVM 10-200 De thermische stroomonderbreker (FD1) is toeganke-lijk achter het voorpaneel. U kunt deze resetten door met een kleine schroevendraaier stevig op de knop (FD1-SF2) te drukken. Druk op de knop met een max. kracht van 15 N (ca. 1,5 kg). ResettenKnopvergrendeling kabelGebruik een geschikt gereedschap om de kabel in de klemmenstroken van de binnenunit te ontgrendelen/vergrendelen. VOORZICHTIG. Bij activering van de thermische beveiliging moet u dit melden bij een erkend servicecenter om de mogelijke oorzaak vast te stellen. VOORZICHTIG. Bij activering van de thermische beveiliging moet u dit melden bij een erkend servicecenter om de mogelijke oorzaak vast te stellen. Thermische stroomonderbrekerDe thermische stroomonderbreker (FD1) onderbreekt de voeding naar de elektrische bijverwarming als de temperatuur oploopt tot ca. 98 °C of daalt tot -8 °C en kan handmatig worden gereset.

FD1FD1-SF2L1 L2 L3 N PEDe voeding is aangesloten op klemmenstrook (X0) via de ingang aan de achterkant van de unit (UB1). De kabelafmetingen moeten voldoen aan de toepas-selijke normen. De aansluiting van 400 V maakt een maximumvermo-gen van 9 kW naar de elektrische bijverwarming mo-gelijk. De aansluiting moet plaatsvinden volgens het schema in de gebruikershandleiding. Gedetailleerd bedradingsschema - zie paragraaf “Elektrische bedradingsschema's”. AansluitingenVOORZICHTIG. Om interferentie te voorkomen mogen niet-afge-schermde communicatie- en/of sensorkabels naar externe aansluitingen niet op een afstand van minder dan 20 cm van hoogspanningskabels worden gelegd. VOORZICHTIG. Het elektrische systeem waarop het toestel wordt aangesloten, moet zijn gebouwd in overeenstemming met de actuele regelgeving. VOORZICHTIG.

Wanneer er een aansluiting van 400 V wordt gebruikt, is het maximale vermogen van de elektrische unit die in de BA-SVM 10-200-unit wordt gebruikt 9 kW. VOORZICHTIG.

In het geval van een elektriciteitsvoorziening met dub-bel tarief, raden wij aan de neutrale draad van het voe-dingscircuit (meter) aan te sluiten. Voedingsaansluiting 400 VSchema - aansluiten voeding 400 VX0 Verwijder de brug om de regeling met dubbel tarief te gebruiken. Hoofdstuk 6 | Elektrische aansluitingen.

31NIBE BA-SVM 10-200L N PEL N PEDe voeding is aangesloten op klemmenstrook (X0) via de ingang aan de achterkant van de unit (UB1). De voeding is aangesloten op klemmenstrook (X0) via de ingang aan de achterkant van de unit (UB1).De aansluiting van 230 V maakt een maximumvermo-gen van 4,5 kW naar de bijverwarming mogelijk. De aansluiting moet plaatsvinden volgens het schema in de gebruikershandleiding.

Gedetailleerd bedradingsschema - zie paragraaf “Elektrische bedradingsschema's”.AansluitingVOORZICHTIG!Wanneer er een aansluiting van 230 V wordt gebruikt, is het maximale vermogen van de bijverwarming die in de BA-SVM 10-200-unit wordt gebruikt 4,5 kW.VOORZICHTIG!In het geval van een elektriciteitsvoorziening met dubbel tarief, raden wij aan de neutrale draad van het voedingscircuit (meter) aan te sluiten, met name bij gebruik van een aansluiting van 230 V.VOORZICHTIG!Het is niet toegestaan bruggen te installeren bij de aansluiting van kabel L2 en L3.

Anders zouden het toestel en het elektrische systeem beschadigd kun-nen raken.De fabrikant is niet aansprakelijk voor schade die is ontstaan doordat bovenstaande voorschriften niet zijn nageleefd.Schema - aansluiten voeding 230VVoedingsaansluiting 230V Automatische zekeringHet automatische regelsysteem voor de verwarming, de circulatiepomp en hun bedrading in de BA-SVM 10-200 zijn intern beveiligd via automatische zekering C10 (FA1). De AMS 10-buitenunit en accessoires zijn intern beveiligd in de BA-SVM 10-200 via automati-sche zekering B20 (FA2).X0 X0Verwijder de brug om de regeling met dubbel tarief te gebruiken.Plaats een brug om de 230 V-voeding aan te sluitenHET IS NIET TOEGE-STAAN BRUGGEN TE INSTALLEREN BIJ DE AANSLUITING VAN KA-BEL L2 EN L3!X10X1FD1FA2X0UB1FA1K1A-K3AX2Hoofdstuk 6 | Elektrische aansluitingen

32 NIBE BA-SVM 10-200 Aansluiten van BA-SVM 10-200 en AMS 10Aansluiten van de buitentemperatuursensorDe kabel waarmee het toestel wordt aangesloten, moet worden gekoppeld aan de voedingsklemmen-strook (TB) in de AMS 10 en aan de klemmenstrook (X0) in de BA-SVM 10-200. Sluit de fase- (bruin), neutrale (blauw), communicatie- (zwart en grij s) en aardingsconductors (geel-groen) aan op de in de tekening aangegeven wij ze:VOORZICHTIG. De AMS 10-unit moet worden geaard voordat u het apparaat via de kabel aansluit. De bedrading moet zo worden vastgezet dat de klemmenstrook niet onder spanning staat. Het uiteinde van de bedrading moet zonder isolatie 8 mm lang zij nVOORZICHTIG. Het maximaal beschikbare vermogen van de verwar-ming in de noodstand is 3 kW. VOORZICHTIG. De temperatuur op de thermostaat moet zij n ingesteld volgens de systeemvereisten.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Nibe BA-SVM 10-200/6 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden