Lancia Delta (2008) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Lancia Delta (2008) (258 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 17 mensen. Heb je een vraag over Lancia Delta (2008) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Lancia |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Delta (2008) |
Handleiding Lancia Delta (2008) – volledige tekst
U zult niet alleen de bijzondere eigenschappen ontdekken van uw LANCIA maar ook belangrijke aanwijzingen vindenvoor de verzorging, het onderhoud, de rijveiligheid en het geprogrammeerd onderhoud.Wij raden u aan om de aanwijzingen en tips bij de onderstaande symbolen aandachtig te lezen:veiligheid van de inzittenden;conditie van de auto;bescherming van het milieu.In de “Service- en garantiehandleiding” vindt u naast het schema voor het geprogrammeerd onderhoud:– het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden voor het geprogrammeerd onderhoud– een overzicht van de speciale aanvullende service voor de cliënten van LANCIA.Wij zijn ervan overtuigd, dat u met behulp van dit instructieboekje spoedig met uw auto vertrouwd zult raken en datuw nieuwe auto en de ondersteuning van de LANCIA-organisatie u volledig tevreden zullen stellen.Veel leesplezier en goede reis!Hoewel in dit instructieboekje alle uitvoeringen van de LANCIA Delta beschreven worden, dient u zich aan de informatie te houden met betrekking tot de uitrusting,de motoruitvoering en het model van de auto die u gekocht hebt.
BRANDSTOF TANKENBenzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzinemet een minimum octaangetal van 95 RON. Multijet-motoren: tank uitsluitend dieselbrandstof voormotorvoertuigen die voldoet aan de Europese specificatieEN590. Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motoronherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garantietot gevolg hebben. STARTEN VAN DE MOTORBenzinemotoren: controleer of de handrem isaangetrokken; zet de versnellingspook in vrij; trap hetkoppelingspedaal volledig in, maar trap het gaspedaalniet in; draai vervolgens de start-/contactsleutel instand AVV en laat de sleutel los zodra de motoraanslaat. Multijet-motoren: draai de start-/contactsleutel in standMAR en wacht tot de waarschuwingslampjes Yen mdoven; draai de start-/contactsleutel in stand en laat deAVVsleutel los zodra de motor aanslaat.
PARKEREN BOVEN BRANDBARE MATERIALENTijdens de werking wordt de katalysator zeer warm. Parkeer de auto dus niet op gras of boven drogebladeren, dennennaalden of ander ontvlambaarmateriaal: brandgevaar. BESCHERMING VAN HET MILIEUDe auto is uitgerust met een diagnosesysteem, datcontinu controles uitvoert op de componenten die vaninvloed zijn op de uitlaatgasemissie zodat overmatigevervuiling van het milieu wordt voorkomen. ELEKTRISCHE APPARATUURAls u na aanschaf van uw auto accessoires wiltmonteren die stroom verbruiken (waardoor de acculangzaam kan ontladen), wendt u dan tot het LanciaServicenetwerk. Deze kan controleren of deelektrische installatie van de auto geschikt is voor hetextra stroomverbruik. CODE-CARDBewaar deze op een veilige plaats, maar niet in deauto. U moet de elektronische code die op de CODEcard staat altijd bij u hebben voor het geval eennoodstart uitgevoerd moet worden.
IN HET INSTRUCTIEBOEKJE……treft u informatie, tips en belangrijkewaarschuwingen aan voor het juiste gebruik, derijveiligheid en het onderhoud van uw auto. Letbijzonder goed op de symbolen (veiligheid van"inzittenden) #(bescherming van het milieu) â(conditie van de auto). Als op het multifunctionele display het bericht “Zieinstructieboekje” verschijnt, raadpleeg dan het hoofdstuk“Lampjes en berichten” in dit boekje. ABSOLUUT LEZEN. K.
DASHBOARD EN BEDIENING 91SNELHEIDSMETER fig. 2-3De snelheidsmeter A geeft de snelheid van de auto aan. TOERENTELLER fig. 2-3De toerenteller D geeft het motortoerental per minuut aan. BRANDSTOFMETER fig. 2-3De brandstofmeter B geeft het aantal liters brandstof aandat in de tank aanwezig is. Het waarschuwingslampje van de reservebrandstof Kgaatbranden (op het display verschijnt ook een bericht) alser nog 5 à 7 liter brandstof in de tank aanwezig is. Rijd niet met een bijna lege tank: een onregelmatige brand-stoftoevoer kan de katalysator beschadigen. KOELVLOEISTOFTEMPERATUURMETER fig. 2-3De wijzer geeft de temperatuur aan van de motorkoel-vloeistof, zodra de koelvloeistoftemperatuur hoger wordtdan ongeveer 50°C. Het eerste streepje van de meter blijftaltijd branden en duidt op een correcte werking van hetsysteem.
Als het waarschuwingslampje ugaat branden(op het display verschijnt ook een bericht), dan is de koel-vloeistoftemperatuur te hoog; zet in dat geval de motor uiten wendt u tot het Lancia Servicenetwerk. CONTROLE-/WAARSCHUWINGSLAMPJES OPINSTRUMENTENPANEELAlgemene waarschuwingenHet branden van de lampjes is gekoppeld aan een specifiekbericht en/of een akoestische waarschuwing als functie vanhet instrumentenpaneel. Dergelijke signaleringen zijn kortewaarschuwingen en geven niet altijd volledige informatieen/of mogen niet worden gezien als alternatief voor de in ditinstructieboekje behandelde onderwerpen. Lees het boekjealtijd aandachtig. Houdt u bij een storing altijd aan de aan-wijzingen die in dit hoofdstuk beschreven worden. Te laag remvloeistofniveau (rood)Als u de contactsleutel in stand MAR draait,gaat het lampje op het instrumentenpaneelbranden. Na enkele seconden moet het lampjedoven.
Het lampje gaat branden als het remvloeistofni-veau in het reservoir onder het minimum niveau is ge-daald, bijvoorbeeld door lekkage in het remsysteem. Op het display verschijnt het betreffende bericht.
Aangetrokken handrem (rood)Als u de sleutel op MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet echter na enkele seconden doven. Het lampjegaat branden als de handrem wordt aangetrokken. Alsde auto beweegt, klinkt ook een bijbehorende akoesti-sche waarschuwing. WAARSCHUWING Als het lampje tijdens het rijden gaatbranden, controleer dan of de handrem niet is aangetrokken. x.
10 DASHBOARD EN BEDIENINGAls bij draaiende motor het lampje xgaatbranden (op het display verschijnt ook eenbericht), zet dan de motor onmiddellijk uit enwendt u zo snel mogelijk tot de Lancia Servicenet-werk.Slijtage remblokken (ambergeel)Het lampje (of het symbool op het display) gaatbranden als de remblokken van de voorrem-men versleten zijn; laat de remblokken zo snelmogelijk vervangen. Op het display verschijnt de bijbe-horende melding.dStoring airbag (rood)Als u de sleutel op MAR draait, gaat het lamp-je branden. Het moet echter na enkele secon-den doven. Als het lampje continu brandt, geeftdit een storing in het airbagsysteem aan.
Op het display verschijnt het betreffende bericht.¬Als het lampje ¬niet gaat branden als desleutel op MAR wordt gedraaid, of blijftbranden tijdens het rijden (in combinatie methet op het display getoonde bericht), is het moge-lijk dat de veiligheidssystemen een storing bevat-ten. In dat geval zou het kunnen zijn dat de air-bags of de gordelspanners niet geactiveerd wordenbij een ongeval of, in een beperkt aantal gevallen,niet op de juiste wijze geactiveerd worden. Voordatu verder rijdt, dient u contact op te nemen met deLancia Servicenetwerk om het systeem direct te la-ten controleren.Storing EBD (rood)Als bij draaiende motor de lampjes op het instrumentenpaneel xen >gelijktijdig gaanbranden, dan is er een storing in het EBD-sys-teem of is het niet beschikbaar en kunnen bijhard remmen de achterwielen vroegtijdig blok-keren waardoor de auto kan gaan slippen.
Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde werk-plaats van het Lancia Servicenetwerk om het systeem te la-ten controleren. Op het display verschijnt het betreffendebericht.x>WAARSCHUWING De auto is uitgerust met een slijtage-sensor voor de remblokken voor. Controleer bij de ver-vanging de voorremblokken ook de conditie van de rem-blokken achter.
DASHBOARD EN BEDIENING 111Een defect lampje ¬wordt weergegeven door-dat het lampje voor de uitgeschakelde front-airbag aan passagierszijde “langer dan denormale 4 seconden knippert. Daarnaast kunnen deairbags aan passagierszijde (frontairbag en zij-air-bag) automatisch worden uitgeschakeld. In dat gevalkan het lampje ¬geen storingen in de veiligheids-systemen aangeven. Voordat u verder rijdt, dient ucontact op te nemen met het Lancia Servicenetwerkom het systeem direct te laten controleren.Airbags passagierszijde / zij-airbagsuitgeschakeld (ambergeel)Het lampje “gaat branden als de frontairbagpassagierszijde en de zij-airbags passagierszijdeworden uitgeschakeld. Als u bij ingeschakelde frontairbagaan passagierszijde de contactsleutel in stand MAR draait,gaat het lampje “ongeveer 4 seconden branden en ver-volgens 4 seconden knipperen.
Hierna moet het lampjedoven.“Een defect lampje “wordt aangegeven doorhet branden van het lampje ¬. Bovendienzorgt het airbagsysteem voor de automati-sche uitschakeling van de airbags aan de passa-gierszijde (front en zij-airbags, waar voorzien).Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemenmet het Lancia Servicenetwerk om het systeem di-rect te laten controleren.Niet omgelegde veiligheidsgordel (rood)Het lampje op het instrumentenpaneel gaatcontinu branden als bij stilstaande auto de vei-ligheidsgordel aan bestuurderszijde niet goed isomgelegd. Als de auto rijdt en de veiligheidsgordels voorzijn niet goed omgelegd, dan gaat het lampje knipperenen klinkt tegelijkertijd een akoestisch signaal (zoemer).Het akoestische signaal (zoemer) van het SBR-sys-teem(Seat Belt Reminder) kan permanent worden uitge-schakeld door het Lancia Servicenetwerk.
12 DASHBOARD EN BEDIENINGAccu wordt niet voldoende opgeladen(rood)Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaathet lampje (of het symbool op het display) bran-den. Het moet doven nadat de motor is gestart (als de mo-tor stationair draait, kan het voorkomen dat het lampje ietslater dooft). Als het lampje blijft branden, wendt u dan onmiddellijktot het Lancia Servicenetwerk. wTe lage motoroliedruk (rood)Als u de contactsleutel in stand MAR draait,gaat het lampje branden. Het moet doven (ookiets later) nadat de motor is gestart. Op het dis-play verschijnt de bijbehorende melding. Oliekwaliteit onvoldoende (rood) (uitvoeringenMultijet met DPF)Het lampje gaat knipperen als het systeem motorolie vanonvoldoende kwaliteit constateert.
Na de eerste signalering zal, telkens als de motor wordtgestart, het lampje vongeveer 1 minuut blijven knip-peren en vervolgens iedere 2 uur, totdat de olie wordt ver-verst. Op het display verschijnt het betreffende bericht. vAls het lampje vknippert, wendt u dan onmiddellijk tot het Lancia Servicenetwerkvoor de verversing van de motorolie en hetuitschakelen van het betreffende lampje op het in-strumentenpaneel. Motorolieniveaumeter (rood) (waar voorzien)Als u de sleutel op MAR draait, gaat het lamp-je branden. Het moet echter na enkele secondendoven. Het lampje (of het symbool op het display) gaatbranden als de motorolie onder het minimum niveau is ge-daald. Herstel het juiste niveau (zie “Niveaus controleren”in hoofdstuk “5”). Op het display verschijnt de bijbehorende melding.
kStoring elektrische stuurbekrachtiging“Dualdrive” (rood)Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaathet lampje op het instrumentenpaneel branden. Naenkele seconden moet het lampje doven. Als het controlelampje (of het symbool op het display)blijft branden, werkt de elektrische stuurbekrachtigingniet meer en zal het aanzienlijk meer inspanning vergende auto te besturen. Dit blijft echter wel mogelijk. Wendtu tot het Lancia Servicenetwerk.
DASHBOARD EN BEDIENING 131Inschakeling elektrischestuurbekrachtiging “Dualdrive”Het opschrift CITY gaat branden op het dis-play als deze stand van de elektrische stuurbe-krachtiging “Dualdrive” wordt ingeschakeld door het in-drukken van de betreffende schakelaar. Als opnieuw opde knop wordt gedrukt, dooft het opschrift CITY. CITYTe hoge koelvloeistoftemperatuur (rood)Als u de contactsleutel in stand MAR draait,gaat het lampje op het instrumentenpaneel bran-den. Na enkele seconden moet het lampje doven. Hetlampje gaat branden als de motor te warm is. Als het lamp-je gaat branden, moeten de volgende handelingen wordenuitgevoerd:❍Bij een normale rit: stop de auto, schakel de motor uiten controleer of het niveau van de koelvloeistof in hetreservoir niet onder het MIN-teken staat.
Als dit welhet geval is, wacht dan enkele minuten zodat de mo-tor kan afkoelen, open vervolgens langzaam en voor-zichtig de dop, vul koelvloeistof bij en controleer ofde koelvloeistof tussen het MIN- en MAX-merktekenop het reservoir staat. Controleer bovendien visueelof eventueel vloeistof weglekt. Als bij het starten vande motor het lampje opnieuw gaat branden, wendt udan tot het Lancia Servicenetwerk. u❍Als de auto onder zware bedrijfsomstandigheden wordtgebruikt (bijvoorbeeld het bergopwaarts trekken vaneen aanhanger of met volgeladen auto): verlaag de snel-heid en breng de auto tot stilstand, als het lampje blijftbranden. Stop 2 of 3 minuten met draaiende motor engeef iets gas voor een snellere circulatie van de koel-vloeistof. Zet vervolgens de motor uit. Controleer hetvloeistofniveau zoals hiervoor beschreven.
WAARSCHUWING Bij zware bedrijfsomstandigheden ishet raadzaam de motor enkele minuten te laten draaienmet iets ingetrapt gaspedaal voordat u de motor uitzet. Op het display verschijnt het betreffende bericht. Niet goed gesloten portieren (rood)Als een of meerdere portieren of de achterklepniet goed gesloten zijn, gaat het lampje (of hetsymbool op het display) branden.
14 DASHBOARD EN BEDIENINGAlgemene storingsmelding (geel)BrandstofnoodschakelaarHet lampje (of het symbool op het display) gaatbranden als de brandstofnoodschakelaar inscha-kelt. Op het display verschijnt het betreffende bericht.Storing motoroliedruksensorHet lampje (of het symbool op het display) gaat brandenbij een storing in de motoroliedruksensor. Op het displayverschijnt het betreffende bericht.Storing schemersensorHet lampje (of het symbool op het display) gaat brandenbij een storing in de schemersensor.Snelheidslimiet overschredenHet lampje (geel) of het symbool op het display (rood)gaat branden als de ingestelde snelheidslimiet wordt over-schreden (voor Arabische landen wordt de snelheidslimietingesteld op 120 km/h).
Op het display verschijnt het be-treffende bericht.Storing regensensor (waar voorzien)Het lampje (of het symbool op het display) gaat brandenbij een storing in de regensensor. Op het display verschijnt het betreffende bericht.èStoring parkeersensoren (waar voorzien)Het lampje (of het symbool op het display) gaat brandenbij een storing in de parkeersensoren. Op het display verschijnt het betreffende bericht.Storing controlesysteem voor bandenspanning (waar voorzien)Het lampje (of het symbool op het display) gaat brandenbij een storing in het controlesysteem voor bandenspan-ning T.P.M.S.
(waar voorzien).Als banden zonder TPMS-sensoren worden gemonteerdgaat het lampje op het instrumentenpaneel branden tot debegincondities hersteld zijn.Op het display verschijnt het betreffende bericht.OPMERKING Indien één van de bovengenoemde storin-gen zich voordoet, wendt u dan onmiddellijk tot het Lan-cia Servicenetwerk.Storing AFSHet lampje (of het symbool op het display) gaat brandenbij een storing in de in het AFS-systeem (zie paragraaf“Koplampen” in dit hoofdstuk). Op het display verschijnthet betreffende bericht.
DASHBOARD EN BEDIENING 151Verstopt roetfilter (geel)(Multijetuitvoeringen)Als u de sleutel op MAR draait, gaat het lamp-je branden. Het moet echter na enkele secondendoven. Het lampje gaat branden als het roetfilter verstoptis en de rijomstandigheden verhinderen dat de regenera-tieprocedure automatisch wordt uitgevoerd. Voor de regeneratieprocedure en vervolgens het reinigenvan het filter raden wij u aan te blijven rijden, totdat deweergave van het lampje verdwijnt. Op het display verschijnt het betreffende bericht. hReservebrandstof (geel)Als u de sleutel op MAR draait, gaat het lamp-je branden. Het moet echter na enkele secon-den doven. Het lampje gaat branden als er nogongeveer 6/7 liter brandstof in de tank aanwezig is. Op het display verschijnt het betreffende bericht. WAARSCHUWING Als het waarschuwingslampje knip-pert, dan is er een storing in het systeem.
Wendt u in ditgeval tot het Lancia Servicenetwerk om het systeem telaten controleren. KStoring in EOBD/Motormanagementsysteem (geel)Door de contactsleutel op MAR te draaien, gaatonder normale omstandigheden het lampje bran-den. Het moet echter uitgaan nadat de motor is gestart. Als het lampje tijdens het rijden blijft of gaat branden,geeft dit een onjuiste werking van de inspuiting aan. Eencontinu brandend lampje geeft een storing in het inspuit-/ontstekingssysteem aan. Dit kan een hogere emissie vanschadelijke uitlaatgassen, lagere prestaties, slechtere rij-eigenschappen en een hoger verbruik veroorzaken. Bij sommige uitvoeringen verschijnt een bericht op het dis-play. Onder deze omstandigheden kan verder worden ge-reden, maar moet een zware belasting van de motor of ho-ge snelheden worden vermeden.
Langdurig gebruik vande auto met een continu brandend controlelampje kan be-schadigingen veroorzaken. Wendt u zo snel mogelijk tothet Lancia Servicenetwerk. Het lampje dooft als de storing verdwijnt. De storing wordtdoor het systeem in het geheugen opgeslagen.
Alleen benzine-uitvoeringenEen knipperend lampje geeft aan dat de katalysator mo-gelijk is beschadigd. Als het lampje knippert, moet het gaspedaal worden losge-laten zodat de motor met lage toerentallen draait en hetlampje niet meer knippert; u kunt met matige snelheid door-rijden waarbij rij-omstandigheden moeten worden verme-den die kunnen leiden tot het opnieuw gaan knipperen vanhet lampje. Wendt u zo snel mogelijk tot het Lancia Servi-cenetwerk. UStuurregelaar niet beschikbaarHet lampje (of het symbool op het display) gaat brandenals de stuurregelaar niet beschikbaar is. Op het displayverschijnt het betreffende bericht.
16 DASHBOARD EN BEDIENINGAls u de contactsleutel in stand MAR draaiten het lampje gaat niet branden of het gaatUbranden of knipperen tijdens het rijden (bijsommige uitvoeringen verschijnt ook een bericht ophet display), wendt u dan u zo snel mogelijk tot hetLancia Servicenetwerk. De werking van het lamp-je Ukan met speciale apparatuur door de politiegecontroleerd worden. Houdt u aan de wetgeving vanhet land waarin u rijdt. ESP 2 (ELECTRONIC STABILITYPROGRAM) (geel)Als u de sleutel op MAR draait, gaat het lampjebranden. Het moet echter na enkele seconden do-ven. Als het lampje niet dooft of tijdens het rijden blijft bran-den (op het display verschijnt ook een bericht), wendt u dantot het Lancia Servicenetwerk. Bij sommige uitvoeringenverschijnt een bericht op het display.
Als het lampje knip-pert tijdens het rijden, dan geeft dit aan dat het ESP inwerking is getreden.áStoring Hill Holder (geel)Als het lampje gaat branden, is er een sto-áring in het Hill Holder-systeem. Wendt u in datgeval zo snel mogelijk tot het Lancia Service-netwerk. Bij sommige uitvoeringen verschijnthet symbool op het display.*Op het display verschijnt het betreffende be-richt.á*VoorgloeibougiesAls u de contactsleutel in stand MAR draait, gaathet lampje branden. Het lampje dooft als de voor-gloeibougies de vooraf ingestelde temperatuur heb-ben bereikt. Start de motor zodra het lampje gedoofd is.WAARSCHUWING Bij een hoge buitentemperatuur kanhet lampje zeer kort branden.Storing in voorgloei-installatieHet lampje gaat knipperen als er een storing is in de voor-gloei-installatie. Wendt u zo snel mogelijk tot het LanciaServicenetwerk.Op het display verschijnt het betreffende bericht.m
DASHBOARD EN BEDIENING 171Water in brandstoffilter aanwezig(Multijetuitvoeringen - geel)Als u de sleutel op MAR draait, gaat het lampjebranden. Het moet echter na enkele seconden do-ven. Het lampje gaat branden als er water in het dieselfilterzit. Op het display verschijnt het betreffende bericht.cDe aanwezigheid van water in het brandstof-circuit kan het inspuitsysteem ernstige scha-de berokkenen en een onregelmatige werkingvan de motor veroorzaken. Als het lampje cgaatbranden (er verschijnt ook een bericht op het dis-play), wendt u dan zo snel mogelijk tot het LanciaServicenetwerk om de condens te laten aftappen. Alsdit direct na het tanken wordt gesignaleerd, kan ertijdens het tanken water in de brandstoftank zijngekomen: zet in dat geval onmiddellijk de motor uiten wendt u tot het Lancia Servicenetwerk.Storing ABS (geel)Als u de sleutel op MAR draait, gaat het lamp-je branden.
Het moet echter na enkele secon-den doven. Het lampje gaat branden als het sys-teem defect of niet beschikbaar is. In dat geval blijft hetremsysteem normaal werken, maar zonder de mogelijk-heden van het ABS.>Rijd voorzichtig verder en wendt u zo snel mogelijk tot hetLancia Servicenetwerk.Op het display verschijnt het betreffende bericht.Storing elektronische startblokkering -Lancia CodeAls het lampje (of het symbool op het display)met de contactsleutel in stand MAR, blijft bran-den, dan duidt dit op een mogelijke storing (zie “LanciaCode” in hoofdstuk 1).Als bij een draaiende motor het lampje Y(of het sym-bool op het display) knippert, dan wordt de auto niet be-veiligd door het systeem (zie de paragraaf “Lancia Co-de” in hoofdstuk 1).
Wendt u tot het Lancia Servicenetwerk om alle sleutelsin het geheugen te laten opslaan.Storing diefstalalarm (waar voorzien)Als het lampje (of het symbool op het display) gaat bran-den, is er een storing in het diefstalalarm. Wendt u zo snelmogelijk tot het Lancia Servicenetwerk.Op het display verschijnt het betreffende bericht.Y
18 DASHBOARD EN BEDIENINGDead lock-systeem (waar voorzien)Het lampje (of het symbool op het display) gaat brandenals een inbraakpoging is waargenomen. Wendt u zo snelmogelijk tot het Lancia Servicenetwerk. Op het display verschijnt het betreffende bericht. Controlesysteem voor bandenspanningAls u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lamp-je (waar voorzien) branden. Na enkele seconden moet hetlampje doven. Het lampje (of het symbool op het display) op het instrumentenpaneel gaat branden om de zachte band teidentificeren (zie paragraaf “TPMS-systeem” in dit hoofd-stuk). Als een of meerdere zachte banden zijn waargenomen, ver-schijnen op het display de betreffende symbolen van ie-dere band. In dit geval is het aanbevolen de correcte ban-denspanning zo snel mogelijk te herstellen (zie paragraaf“Bandenspanning” in hoofdstuk “6”).
Bandenspanning niet aan snelheid aangepastAls u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lamp-je (waar voorzien) branden. Na enkele seconden moet hetlampje doven. Als u sneller dan 160 km/h wilt rijden, moet u de ban-denspanning verhogen zoals aangegeven in de paragraaf“Bandenspanning” in hoofdstuk “6”. Als het TPMS een te lage bandenspanning van een ofmeerdere banden t. o. v. de kruissnelheid signaleert, gaathet lampje of het symbool branden (er verschijnt ook eenbericht op het display) (zie paragraaf “Te lage band-spanning” in dit hoofdstuk) tot wanneer de snelheid vande auto onder een bepaalde drempelwaarde zakt (zie pa-ragraaf “TPMS-systeem” in dit hoofdstuk). Te lage bandenspanning (waar voorzien)Als u de contactsleutel in stand MAR draait,gaat het lampje (of het symbool op het display)branden. Na enkele seconden moet het lampje doven.
In dat geval waarschuwt het TPMS-systeem de bestuur-der op het mogelijk leeglopen van de band(en) en dus opeen mogelijke lekke band (zie paragraaf TPMS-systeemin dit hoofdstuk). WAARSCHUWING Rijd niet verder met een of meerderezachte banden omdat de rijveiligheid van de auto in gevaarkan worden gebracht. Stop de auto en vermijd krachtig rem-men of grote stuurbewegingen. Vervang het wiel door hetnoodreservewiel (waar voorzien) of repareer de band metde daarvoor bestemde reparatieset (zie paragraaf “Noodre-servewiel vervangen” in hoofdstuk 4) en wendt u zo snelmogelijk tot het Lancia Servicenetwerk. n.
In dat geval wordt debestuurder gewaarschuwd via een bericht (waarvoorzien).Deze melding verdwijnt automatisch zodra de sto-ring het systeem niet meer hindert.Storing buitenverlichting (geel)Het lampje (of het symbool op het display) gaatbranden als er een storing is in een van de vol-gende lampenunits:❍parkeerlichten;❍achterlichten/remlichten (waar voorzien);❍mistachterlichten;❍richtingaanwijzers;❍kentekenplaatverlichting;❍daglichten.WMistachterlichten (ambergeel)Het lampje gaat branden als de mistachterlich-ten worden ingeschakeld.4Mistlampen voor (groen)Het lampje gaat branden als de mistlampen voorworden ingeschakeld.5Richtingaanwijzers (groen-knipperend))De lampjes gaan branden als de richtingaan-wijzerhendel omlaag/omhoog wordt gezet ofals de drukknop voor de waarschuwingsknip-perlichten wordt ingedrukt.FDWAARSCHUWING In dit geval moet u meteen afremmenwant een oververhitting van de band kan de prestaties vande levensduur ervan onherroepelijk beschadigen en kanzelfs leiden tot een klapband.De storing kan betreffen: doorbranden van een of meerlampen, doorbranden van de bijbehorende zekering of eenonderbreking in de elektrische verbinding.Op het display verschijnt het betreffende bericht.
20 DASHBOARD EN BEDIENINGDaglichten en dimlichten (groen)Het lampje op het instrumentenpaneel gaatbranden als de daglichten of de dimlichten wor-den ingeschakeld.Follow me homeHet lampje gaat branden als de functie “Follow me ho-me” wordt ingeschakeld (zie “Follow me home” in hoofd-stuk “1”). Op het display verschijnt het betreffende bericht.3Grootlicht (blauw)Het lampje gaat branden als het grootlichtwordt ingeschakeld.1Snelheidsregelaar (cruise control) (waar voorzien) (groen)Als u de sleutel op MAR draait, gaat het lamp-je branden. Het moet echter na enkele secondendoven. Het lampje op het instrumentenpaneel brandt alsde draaiknop van de cruise-control in stand ON staat.
Op het display verschijnt het betreffende bericht.ÜDISPLAYDe auto kan zijn uitgerust met een multifunctioneel dis-play dat, afhankelijk van de instelling, nuttige informa-tie levert aan de gebruiker tijdens de rit.BEGINSCHERM MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY fig. 4Op het beginscherm kan het volgende worden weergege-ven:A. DatumB. Stuurbekrachtiging Dualdrive ingeschakeldC. Symbool voor Sport-functie (waar voorzien)D. TijdE. Kilometerteller (weergave kilometer-/ mijltotaalteller)F. Symbool voor kans op gladheid.G. BuitentemperatuurH. Afstand tot volgende servicebeurtI. Stand koplampverstelling (alleen als het dimlicht is in-geschakeld).
DASHBOARD EN BEDIENING 211Bij sommige uitvoeringen kan onder de menuoptie “Infomotor”, als u de contactsleutel in stand MAR draait, deturbodruk worden weergegeven fig. 5.fig. 4L0E1000gfig. 5L0E0004mfig. 6L0E1001gBEGINSCHERM INSTELBAARMULTIFUNCTIONEEL DISPLAY fig. 6Op het beginscherm kan het volgende worden weergegeven:A. TijdB. DatumC. Symbool voor Sport-functie (waar voorzien)D. Kilometerteller (weergave kilometer-/ mijltotaalteller)E. Symbolen voor de toestand van de auto (bijv. portierenopen, kans op gladheid, etc. ...)F. Stand koplampverstelling (alleen als het dimlicht is in-geschakeld)G. Buitentemperatuur
22 DASHBOARD EN BEDIENINGfig. 7L0E0005mBEDIENINGSKNOPPEN fig. 7Õ: om het scherm en de betreffende opties naar boven tedoorlopen of om de weergegeven waarde te verhogen.SET: kort indrukken voor toegang tot het menu en/of omnaar het volgende scherm te gaan of de keuze te bevesti-gen. Lang indrukken om terug te keren naar het begin-scherm.Ô: om in het scherm en de keuzemogelijkheden de voor-gaande optie te selecteren of de weergegeven waardete verlagen.WAARSCHUWING Bij de knoppen ÕenÔhangt de wer-king van het volgende af:– binnen het menu kunt u naar de voorgaande of volgen-de optie in de keuzelijst gaan;– tijdens het instellen kunt u de waarde verhogen of ver-lagen.WAARSCHUWING Bij het openen van een voorportierwordt het display verlicht en wordt enkele seconden detijd en de kilometer-/mijltotaalteller weergegeven.
DASHBOARD EN BEDIENING 231SETUP-MENUHet menu bestaat uit een aantal functies die met de knop-pen Õen Ôworden gekozen, waarna u keuzemogelijk-heden kunt selecteren of instellingen (setup) kunt uitvoe-ren. Bij enkele opties is een submenu aanwezig. Het setup-menu kan worden geactiveerd door de knop SET kort inte drukken. De menu bevat de volgende opties:– VERLICHTING– BEEP SNELHEIDSLIMIET– SCHEMERSENSOR (waar voorzien)– ADAPTIEVE LICHTEN (waar voorzien)– TRIP B INSCHAKELEN/GEGEVENS– STEL UUR IN– STEL DATUM IN– EERSTE PAGINA (waar voorzien)– ZIE RADIO– AUTOCLOSCE– MEETEENHEID– TAAL– VOLUME BUZZER– VOLUME TOETSEN– BUZZER GORDELS– SERVICE– AIRBAG PASSAGIER– FLANKLICHTEN– SLUIT MENU AF
24 DASHBOARD EN BEDIENINGOptie van het hoofdmenu zonder submenu selecteren:– als u de knop SET kort indrukt, kunt u in het hoofd-menu de instelling selecteren die u wilt wijzigen;– met de knop Õof Ô(door de knop telkens in te druk-ken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd;– als u de knop SET kort indrukt, kunt u de instelling op-slaan en tegelijkertijd terugkeren naar het eerder gese-lecteerde menupunt. Selectie van een optie in het hoofdmenu met eensubmenu:– als u de knop SET kort indrukt, kunt u het eerste menu-punt van het submenu weergeven.
– met de knop Õof Ô(door de knop telkens in te druk-ken) kunt u de menupunten van het submenu doorlo-pen;– als u de knop SET kort indrukt, kunt u het menupuntvan het submenu selecteren waardoor u toegang krijgt tothet menu van de betreffende functie;– met de knop Õof Ô(door de knop telkens in te druk-ken) kan de nieuwe instelling van het punt van dit sub-menu worden geselecteerd;– als u de knop SET kort indrukt, kunt u de instelling op-slaan en tegelijkertijd terugkeren naar het eerder gese-lecteerde menupunt van het gekozen submenu. MENU-OPTIESLichtsterkte (Lichtsterkte interieur regelen)Met deze functie kan, bij ingeschakelde verlichting, delichtsterkte (op 8 niveaus) van het instrumentenpaneel,de bediening van de autoradio en van de automatische kli-maatregeling (waar voorzien) worden geregeld.
Ga voor het regelen van de lichtsterkte als volgt te werk:– druk kort op de knop SET; op het display knippert hetniveau van de ingestelde gevoeligheid;– druk op knop Õof Ôom de lichtsterkte in te stellen;– druk kort op de knop SET om terug te keren naar hetmenuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug tekeren naar het beginscherm zonder op te slaan. Zoemer Snelheid (snelheidslimiet)Met deze functie kan de snelheidslimiet van de auto (km/hof mph) worden ingesteld.
DASHBOARD EN BEDIENING 251– druk op knop Õof Ôom de snelheidslimiet in te schake-len (On) of uit te schakelen (Off);– als de functie al was ingeschakeld (On), kan met de knopÕof Ôde gewenste snelheidslimiet worden ingesteld enworden bevestigd door het indrukken van de knop SET;WAARSCHUWING De waarde kan worden ingesteld tus-sen 30 en 200 km/h of tussen 20 en 125 mph, afhanke-lijk van de ingestelde eenheid; zie de paragraaf “Mee-teenheid instellen (Afst. Eenh.)” - die hierna is beschre-ven. Elke keer als u de knop Õ/Ôindrukt, wordt de waar-de 5 eenheden verhoogd of verlaagd. Als u de knop Õ Ô/ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door ofterug.
Als de gewenste waarde genaderd wordt, moet deinstelling voltooid worden door steeds opnieuw op de knopte drukken.– druk kort op de knop SET om terug te keren naar hetmenuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug tekeren naar het beginscherm zonder op te slaan.Ga als volgt te werk als u de instelling wilt annuleren:– druk kort op de knop SET; op het display knippert (On);– druk op de knop Ôop het display knippert (Off);– druk kort op de knop SET om terug te keren naar hetmenuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug tekeren naar het beginscherm zonder op te slaan.Schemersensor (Gevoeligheid schemersensorinstellen) (waar voorzien)Met deze functie kan de gevoeligheid van de schemersen-sor ingesteld worden op drie niveaus (niveau 1 = mini-mum niveau, niveau 2 = middelste niveau, niveau 3 =maximum niveau); hoe hoger de gevoeligheid, hoe lagerde benodigde hoeveelheid buitenlicht om de lampen inte laten schakelen.
26 DASHBOARD EN BEDIENINGFlanklichten (in-/uitschakeling “Cornering lights - Meesturende mistlampen voor)(waar voorzien)Met deze functie kunt u de “Cornering lights” (adaptie-ve verlichting) in-/uitschakelen. Ga als volgt te werk omde lichten in/uit te schakelen (ON/OFF):– druk kort op de knop SET; op het display knippert “On”of “Off” afhankelijk van de instelling.– druk op de knop Õof Ôom de keuze uit te voeren;– druk kort op de knop SET om terug te keren naar hetmenuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug tekeren naar het beginscherm zonder op te slaan.Trip B inschakelen/gegevens (Trip B inschakelen)Met deze functie kan de weergave van Trip B (dag-/rit-gegevens) ingeschakeld (On) of uitgeschakeld (Off) wor-den.
Zie voor meer informatie de paragraaf “Trip computer”.Handel als volgt om de functie in of uit te schakelen:– druk kort op de knop SET; op het display knippert (On)of (Off), afhankelijk van de instelling; – druk op de knop Õof Ôom de keuze uit te voeren;– druk kort op de knop SET om terug te keren naar hetmenuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug tekeren naar het beginscherm zonder op te slaan.Instelling tijd (Instelling klok)Met deze functie kan de klok via twee submenu’s ingesteldworden: “Uren” en “Tijdweergave”.Handel als volgt om de gewenste instelling uit te voeren:- druk kort op de knop SET waarna op het display de tweesubmenu’s “Tijd” en “Tijdweergave” worden weergege-ven;– druk op de knop Õof Ôom te kiezen tussen de tweesubmenu’s;– druk kort op de knop SET wanneer u het gewenste sub-menu heeft geselecteerd;– als u het submenu “Uren ” heeft gekozen: druk kort opde knop SET; op het display knipperen de “uren”;– druk op de knop Õof Ôom de instelling uit te voeren;– druk kort op de knop MODE; op het display knippe-ren de “minuten”;– druk op de knop Õof Ôom de instelling uit te voeren.
Als de gewenstewaarde genaderd wordt, moet de instelling voltooid wor-den door steeds opnieuw op de knop te drukken.– als u het submenu “Tijdweergave ” heeft gekozen: drukkort op de knop SET; op het display knippert 12h of 24h,afhankelijk van de instelling;– druk op de knop Õof Ôom de keuze uit te voeren;Druk kort op de knop SET om terug te keren naar het sub-menu of houd de knop even ingedrukt om terug te kerennaar het beginscherm zonder op te slaan.– houd de knop SET even ingedrukt om terug te kerennaar het beginscherm/hoofdmenu.Instelling datumMet deze functie kan de datum worden ingesteld (dag-maand- jaar).Ga als volgt te werk om dit te doen:– druk kort op de knop SET; op het display knippert het“jaar”;– druk op de knop Õof Ôom de instelling uit te voeren;– druk kort op de knop SET; op het display knippert de“maand”;– druk op de knop Õof Ôom de instelling uit te voeren;– druk kort op de knop SET; op het display knippert de“dag”;– druk op de knop Õof Ôom de instelling uit te voeren.WAARSCHUWING Elke keer als u de knop Õof Ôin-drukt, wordt de waarde een eenheid verhoogd of verlaagd.Door de knop ingedrukt te houden, vindt de verhoging/verlaging automatisch sneller plaats.
28 DASHBOARD EN BEDIENINGHoofdpagina (weergave informatie inhoofdscherm) (waar voorzien)Met deze functie kan het type informatie geselecteerd wor-den dat in het hoofdscherm weergegeven moet worden.Zo kunnen de datum of de turbodruk worden weergege-ven.Ga voor het selecteren als volgt te werk:– druk kort op de knop SET; op het display knippert“Hoofdpagina”;- druk opnieuw kort op de knop SET waarna het displayde weergaveopties “Datum” en “Info motor” zal weerge-ven;– druk op de knop + of – om het type weergave in dehoofdpagina van het display in te stellen;– druk kort op de knop SET om terug te keren naar hetmenuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug tekeren naar het beginscherm zonder op te slaan.Als de contactsleutel op MAR wordt gedraaid, zal het dis-play na de controlefase aan het begin de informatie weer-geven die eerder ingesteld was met de functie “Eerste pa-gina” van het menu.Weergave radio (Herhaling audio-informatie)Met deze functie kan op het display de informatie overde autoradio worden weergegeven.– Radio: frequentie of RDS-mededeling van het geselec-teerde radiostation, activering automatische zoekfunctieof AutoSTore;– CD-, CD MP3 speler: nummer van de track;– CD Changer: nummer CD of nummer track;Handel als volgt om de informatie over de autoradio ophet display weer te geven (ON) of niet weer te geven (Off):– druk kort op de knop SET; op het display knippert (On)of (Off), afhankelijk van de instelling; – druk op de knop Õof Ôom de keuze uit te voeren;– druk kort op de knop SET om terug te keren naar hetmenuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug tekeren naar het beginscherm zonder op te slaan.Autoclose (automatische centraleportiervergrendeling bij rijdende auto)Als de functie geactiveerd is (On), worden de portieren au-tomatisch vergrendeld als de snelheid hoger wordt dan 20km/h.Handel als volgt om deze functie in of uit te schakelen:– druk kort op de knop SET; op het display verschijnt eensubmenu;
DASHBOARD EN BEDIENING 291– druk kort op de knop SET; op het display knippert (On)of (Off), afhankelijk van de instelling; – druk op de knop Õof Ôom de keuze uit te voeren;– druk kort op de knop SET om terug te keren naar hetsubmenu of houd de knop even ingedrukt om terug te ke-ren naar het hoofdmenu zonder op te slaan.– hou de knop SET even ingedrukt om terug te keren naarhet beginscherm/hoofdmenu.EenheidMet deze functie kunnen m.b.v. drie submenu’s de een-heden ingesteld worden: “Afstanden”, “Verbruik” en“Temperatuur“.
Ga voor het instellen van de gewenstemeeteenheid als volgt te werk:– druk kort op de knop SET; op het display verschijnendrie submenu’s;– druk op de knop Õof Ôom te kiezen tussen de drie sub-menu’s;– druk kort op de knop SET wanneer u het gewenste sub-menu heeft geselecteerd;– als u het submenu “Afstand ” heeft gekozen: druk kortop de knop SET waarna het display “km” of “mi” weer-geeft, afhankelijk van de eerder gemaakte instelling;– druk op de knop Õof Ôom de keuze uit te voeren;– als u het submenu “Verbruik ” heeft gekozen: druk kortop de knop SET; op het display knippert “km/l”,“l/100km” of “mpg”, afhankelijk van de instelling;Als u “km” hebt ingesteld kunt u op het display de een-heid van het brandstofverbruik (in km/l of l/100km) in-stellen.Als u “mi” hebt ingesteld verschijnt op het display de een-heid van het brandstofverbruik in “mpg”.–druk op de knop Õof Ôom de keuze uit te voeren;– als u het submenu “Temperatuur ” heeft gekozen: drukkort op de knop SET waarna het display “°C” of “°F”weergeeft, afhankelijk van de eerder gemaakte instelling;– druk op de knop Õof Ôom de keuze uit te voeren;Druk kort op de knop SET om terug te keren naar het sub-menu of houd de knop even ingedrukt om terug te kerennaar het beginscherm zonder op te slaan.– hou de knop SET even ingedrukt om terug te keren naarhet beginscherm/hoofdmenu.
30 DASHBOARD EN BEDIENINGTaal (Taal instellen)De mededelingen op het display kunnen in verschillende ta-len worden weergegeven: Italiaans, Duits, Engels, Spaans,Frans, Portugees, Nederlands. Ga voor de gewenste instelling als volgt te werk:– druk kort op de knop SET; op het display knippert deingestelde “taal”;–druk op de knop Õof Ôom de keuze uit te voeren;– druk kort op de knop SET om terug te keren naar hetmenuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug tekeren naar het beginscherm zonder op te slaan. Volume waarschuwingen (Instelling volumegeluidssignaal storingen/waarschuwingen)Met deze functie kan het volume van het geluidssignaal(zoemer), dat klinkt als een storing/waarschuwing wordtweergegeven, ingesteld worden op 8 niveaus.
Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt tewerk:– druk kort op de knop SET; op het display knippert het“niveau” van het ingestelde volume;– druk op de knop Õof Ôom de instelling uit te voeren;– druk kort op de knop SET om terug te keren naar hetmenuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug tekeren naar het beginscherm zonder op te slaan. Volume toetsen (Volumeregeling toetsenMet deze functie kunt u het geluidssignaal dat klinkt bijhet indrukken van de toetsen SET, Õen Ôinstellen op 8niveaus. Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt tewerk:– druk kort op de knop SET; op het display knippert het“niveau” van het ingestelde volume;– druk op de knop Õof Ôom de instelling uit te voeren;– druk kort op de knop SET om terug te keren naar hetmenuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug tekeren naar het beginscherm zonder op te slaan.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Lancia Delta (2008) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden