Kymco Xciting VS 400i Handleiding

Kymco Scooter Xciting VS 400i

Bekijk gratis de handleiding van Kymco Xciting VS 400i (77 pagina’s), behorend tot de categorie Scooter. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 20 mensen en kreeg gemiddeld 4.5 sterren uit 7 reviews. Heb je een vraag over Kymco Xciting VS 400i of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/77
Beste gebruiker,
Hartelijk dank voor het aanschaffen van onze XCITING VS 400. Deze handleiding geeft gedetailleerde instructies
aangaande het bedienen, onderhouden en afstellen van de XCITING VS 400voor een maximale duurzaamheid en
comfort. Dit voertuigmodel voldoet aan de EPA-voorschriften voor de emissiebeheersing van scooters, en voldoet
daarmee aan de milieueisen met betrekking tot lage vervuiling, een laag geluidsniveau en laag energieverbruik. Hoewel
het voertuig van uitzonderlijke kwaliteit is, is regelmatig onderhoud nog steeds essentieel om ervoor te zorgen dat het
product optimale prestaties levert.
Lees deze handleiding aandachtig door om te kunnen genieten van een veilige en comfortabele rit op uw scooter.

Beoordeel deze handleiding

4.5/5 (7 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Kymco
Categorie: Scooter
Model: Xciting VS 400i

Handleiding Kymco Xciting VS 400i – volledige tekst

Beste gebruiker, Hartelijk dank voor het aanschaffen van onze XCITING VS 400. Deze handleiding geeft gedetailleerde instructies aangaande het bedienen, onderhouden en afstellen van de XCITING VS 400 voor een maximale duurzaamheid en comfort. Dit voertuigmodel voldoet aan de EPA-voorschriften voor de emissiebeheersing van scooters, en voldoet daarmee aan de milieueisen met betrekking tot lage vervuiling, een laag geluidsniveau en laag energieverbruik. Hoewel het voertuig van uitzonderlijke kwaliteit is, is regelmatig onderhoud nog steeds essentieel om ervoor te zorgen dat het product optimale prestaties levert. Lees deze handleiding aandachtig door om te kunnen genieten van een veilige en comfortabele rit op uw scooter.

Veilig rijden 1 1 1. Veilig rijden Lees de handleiding en voorzorgsmaatregelen goed door ◆ Bestuurder moet een helm, handschoenen, bril, etc. dragen. ◆ Draag geen kleding die het veilig rijden kan belemmeren. ◆ Losse mouwen kunnen verstrikt raken in de remhendel en zijn buitengewoon gevaarlijk. ◆ Bediening van de remhendel mag in geen geval worden belemmerd. ◆ Dagelijkse en periodieke controles zijn noodzakelijk. ◆ Controleer de banden visueel op vreemde voorwerpen of ongebruikelijke schade. ◆ Uitlaatgas bevat koolmonoxide, wat schadelijk is voor het menselijk lichaam. ◆ Start de motor alleen op een goed geventileerde plaats. ◆ Maak de kinriem van de helm vast. ◆ Houd het stuur met beide handen vast tijdens het rijden. Rijd niet met één hand, dit is extreem gevaarlijk. ◆ Het dragen van platte schoenen is veiliger.

◆ De uitlaat is zeer heet direct na het stoppen van de motor, raak deze niet aan. ◆ Vermijd droge grassen of ontvlambare stoffen bij het parkeren van de scooter, ter voorkoming van brand. ◆ De uitlaat is zeer heet direct na het stoppen van de motor; parkeer het voertuig met de uitlaat richting een muur of een plek zonder voetgangers om verbranding te voorkomen.

1 3 Veilig rijden 2 1 ◆ Metalen of plastic onderdelen van de scooter kunnen na blootstelling aan zonlicht een zeer hoge temperatuur bereiken; raak deze onderdelen niet aan om brandwonden te voorkomen. ◆ Vermijd scherpe bochten of rijden met één hand. ◆ Houd u aan alle verkeersregels. ◆ Roken is verboden tijdens het bijvullen van brandstof. ◆ Schakel de motor uit wanneer u brandstof bijvult. ◆ Bij het op- en afstappen dient de bijrijder extra voorzichtig te zijn om te voorkomen dat hij/zij zich verbrandt aan de hete uitlaat ◆ De bestuurbaarheid kan variëren bij meer of minder belasting. ◆ Tijdens het rijden moet de bestuurder beide voeten op de pedalen plaatsen; de passagier moet zijn armen om het middel van de bestuurder slaan en beide voeten op de achterste pedalen plaatsen. ◆ Voorkom overbelasting bij het vervoeren van voorwerpen. Zorg ervoor dat deze goed vastzitten.

Extra voorzichtigheid is geboden. ◆ De werking van de functies is gerelateerd aan de structuur van het voertuig; willekeurige modificaties kunnen de bedienbaarheid van het voertuig verslechteren, waardoor de levensduur wordt verkort en de veiligheid van de bestuurder wordt belemmerd. ◆ Willekeurige aanpassing van een voertuig is een wettelijk verboden handeling. ◆ Aanpassing van het voertuig kan leiden tot het vervallen van de garantie.

Veilig rijden 3 1 ◆ Natuurlijke geestelijke ontspanning en comfortabele kleding zijn essentieel voor veilig rijden. ◆ Houd u aan verkeersregels, vermijd angst, ontspan en concentreer u op het rijden. ◆ Draag geen kleding die de rijveiligheid kan hinderen (bijvoorbeeld een lange rok, broek met wijde pijpen, etc.) ◆ De uitlaat is extreem heet tijdens het rijden en tot 30 minuten na het rijden; vermijd contact met het voertuig om brandwonden te voorkomen. ◆ Vermijd droge grassen of ontvlambare stoffen bij het parkeren van de scooter, ter voorkoming van brand. LET OP LET OP

1 3 Veilig rijden 4 1 De opbergruimte voor in heeft een capaciteit van maximaal 1.3 kg. Het bagagecompartiment heeft een capaciteit van maximaal 10 kg. Het is verboden om een draagmand of beugel op de voorkant van de scooter te plaatsen. Dit blokkeert de koplamp en zal de rijveiligheid aanzienlijk beïnvloeden. Overschrijd de volgende laadlimieten niet: De opbergruimte voorin heeft een capaciteit van maximaal 1.3 kg Het bagagecompartiment heeft een capaciteit van maximaal 10 kg

Gebruikersinformatie 5 2 2. Gebruikersinformatie ID nummer Noteer alstublieft het motornummer en het framenummer in onderstaande velden. Dit vergemakkelijkt het bestellen van reserveonderdelen van een Kymco leverancier en functioneert als referentienummer als het voertuig kwijtraakt of wordt gestolen. ID Nummer: Motornummer Het motornummer staat gegraveerd op het carter, zoals te zien is op de afbeelding hiernaast. Aluminium typeplaatje Motornummer Framenummer

Beheerfuncties 9 4 4. Beheerfuncties Linker stuurschakelaar 1. KEYLESS Schakelaar: zie pag 22-23. 2. Schakelaar richtingaanwijzer. 3. Groot/Dimlicht Schakelaar: duw de schakelaar naar 「 」 voor grootlicht, en naar 「 」 voor dimlicht. 1. Knipperlichtschakelaar: Gebruik deze schakelaar als u afslaat of van rijstrook wisselt. Deactiveer door de gehele schakelaar in te drukken. : Zet in deze positie voor rechts afslaan. : Zet in deze positie voor links afslaan. █: Druk in om te deactiveren. Knipperlicht kan niet worden ingeschakeld als de hoofdschakelaar in de “ ” positie staat. 2. Claxon: De claxon werkt als de hoofdschakelaar aanstaat in de “ ” positie. Het knipperlicht schakelt niet automatisch uit. U dient het zelf weer in de schakelen. Onjuist gebruik van de richtingaanwijzer kan onveilige situaties veroorzaken.

3 3 Beheerfuncties 10 4 Rechter stuurschakelaar 1. Parkeerrem: : Duw deze schakelaar naar links om alle waarschuwingslichten (4 knipperlichten, links en rechts, achter en voor) zullen knipperen. OFF:Duw deze schakelaar naar rechts om alle waarschuwingslichten uit te schakelen. Gebruik het waarschuwingslicht NIET gedurende langere tijd na het stoppen van de motor, anders raakt de accu leeg. 2. Elektrische startknop: Zet de hoofdschakelaar aan, vergeet niet zowel de voor- als de achterremhendel in te knijpen; druk deze knop in om de motor te starten. Om te voorkomen dat de accu onvoldoende vermogen heeft en u de motor niet kunt starten, moet u naar de KYMCO-dealer gaan voor controle wanneer de startmotor minder krachtig wordt. 1 Parkeerlicht 2 Elektrische startknop 3 Motorstopschakelaar 3. Motorstopschakelaar: :Met de schakelaar in deze positie kan de motor niet worden gestart.

Zet in de“ ” positie om de motor te starten. :Tijdens normaal rijden zet u de motorstopschakelaar in de “ ” positie. In geval van nood, zoals een vastgelopen brandstofkabel of een kantelend voertuig, zet u de schakelaar in de stand “ ” om een motorstop te forceren. 3 LET OP LET OP LET OP

3 3 Beheerfuncties 12 4 Rechter stuurschakelaar 1. Tijd 2. Toerenteller: Geeft het motortoerental in tpm aan; elke schaal vermenigvuldigd met 1000 tpm. 3. Dashboard instelzone: Functiezone: • Druk op omhoog ( ︿ ) op de rechter stuurschakelaar, • VOLT (accuvoltage) → AVE (gemiddeld brandstofverbruik) → (huidig brandstofverbruik) • VOLT → geeft accuvoltage weer • AVE → modus gemiddeld brandstofverbruik (AVE), geeft gemiddeld brandstofverbruik weer (km/L en L/100km), (als TRIP wordt gereset, wordt AVE ook gereset) • Modus huidig brandstofverbruik, AVE indicator geeft huidig brandstofverbruik van het voertuig weer (in km/L en L/100km). • Eenheid van brandstofverbruik wijzigen: Klik in de modus AVE/ huidig brandstofverbruik op de knop "O" op de rechter stuurschakelaar om te schakelen tussen "km/L" en "L/100km".

• Km/Mijl eenheidsweergave aanpassen: Houd in de ODO Display Interface de "O" knop op de rechter stuurschakelaar 2 seconden ingedrukt om te wisselen tussen Km en Mijl weergave. Als u Mile Gauge selecteert, is de weergegeven eenheid MPG, d. w. z. mijl per gallon. Het gemiddelde brandstofverbruik of het momentane brandstofverbruik van het voertuig dat door de meter wordt weergegeven, dient uitsluitend ter referentie. Het werkelijke brandstofverbruik is afhankelijk van de omstandigheden. • Als de weergegeven accuspanning lager is dan 12V, betekent dit dat de batterijspanning laag is en dat deze onmiddellijk moet worden gecontroleerd of bijgeladen. • Als de accuspanning hoger is dan 16V nadat de motor draait, is de accuspanning te hoog. • Wanneer een van de bovenstaande situaties zich voordoet, moet het voertuig worden gecontroleerd.

Beheerfuncties 13 4 6. Waarschuwingslampje SERVICE: Het controlelampje olievervanging (SERVICE-symbool) gaat branden wanneer de kilometerstand 5000 km bereikt. Schakel over naar de modus OIL om het controlelampje olievervanging (symbool SERVICE) uit te schakelen en de kilometerstand op nul te zetten. 7. ABS-foutindicator: de ABS-foutindicator brandt constant wanneer de sleutel in de ON positie staat; en gaat uit wanneer het voertuig ≧ 10km/u versnelt. Als de ABS-foutindicator blijft branden wanneer de voertuigsnelheid ≧ 10 km/u is, betekent dit dat het ABS-systeem defect is. Ga onmiddellijk naar een plaatselijke KYMCO leverancier voor controle. 8. TCS indicator: TCS indicatielampje zal amberkleurig oplichten bij het inschakelen van het contactslot. Zodra de snelheid van het voertuig boven de 6 km/u komt, gaat het lampje automatisch uit. De TCS blijft dan wel functioneren. 9.

Indicatielampje parkeerrem: licht op wanneer de parkeerrem is ingeschakeld. 10. Motordetectie-indicator: Na het inschakelen van het contactslot brandt dit lampje 2 seconden en gaat dan uit. Als het lampje niet brandt of na 2 seconden blijft branden, is het voertuig defect en moet het bij een servicestation worden gecontroleerd. 11. Waarschuwingsindicator oliedruk: deze indicator gaat branden als de oliedruk lager is dan normaal. Het indicatielampje gaat branden als de sleutel in de ON-positie wordt gedraaid voordat de motor is gestart. De indicator moet uitgaan als de motor start. Als dat niet gebeurt, dient u onmiddellijk contact op te nemen met uw KYMCO leverancier. 12. Snelheidsmeter: Geeft de snelheid van het voertuig weer. 13. Indicatielampjes richtingaanwijzer: Knipperen wanneer een richtingaanwijzer wordt gebruikt. 14.

• TRIP A/TRIP B → Kilometerstand enkele reis; kan worden gereset door de “O” knop 2 seconden ingedrukt te houden. • OIL → Olie-indicator. Na 5,000km te hebben gereden, zal het "SERVICE" icoon links op het dashboard gaan knipperen, wat betekent dat er een oliecontrole nodig is. De olieverversingsindicator licht alleen op na 5000km, en zal dus niet oplichten voor de eerste olieverversing. Er is echter nog steeds een nulaanpassing nodig na de eerste olieverversing zodat de indicator correct blijft werken. LET OP LET OP LET OP LET OP.

3 3 Beheerfuncties 14 4 15. Waterthermometer: Als de watertemperatuur H bereikt (Hoogtemp. positie) terwijl het voertuig loopt, betekent dit dat de watertemperatuur abnormaal is. Stop en parkeer uw scooter op een veilige plek, wacht tot het koelwater is afgekoeld voordat u koelvloeistof toevoegt en start de motor opnieuw. Ga naar de KYMCO leverancier bij u in de buurt voor inspectie en onderhoud. Houd er rekening mee dat het rijden op uw scooter met een hoge watertemperatuur kan leiden tot een storing in de motor. 16. Brandstofmeter: Geeft de hoeveelheid brandstof in de tank aan. Vul bij met 95 loodvrije benzine als de brandstofmeter de laatste schaal nadert bij "E" (voorkom dat de brandstofpomp droogloopt en schade veroorzaakt). 17. Brandstofindicator: Licht op wanneer het brandstofpeil “E” nadert.

ABS (Anti-lock Braking System) ABS-indicator: ABS is een dubbel elektronisch regelsysteem dat respectievelijk de voor- en achterrem aanstuurt. Wanneer het ABS-systeem is geactiveerd, kan de bestuurder dit voelen door pulsaties in de handgrepen. Deze dienen in dat geval constant te worden vastgehouden, zonder "aantrekken en loslaten", anders wordt het ABS-effect tenietgedaan. De ABS-indicator bevindt zich op de weergavezone van het dashboard (zoals weergegeven in de afbeelding); het licht op als de hoofdschakelaar is geactiveerd en gaat niet automatisch uit. De ABS-indicator gaat alleen uit als de motor is gestart en het voertuig een snelheid van meer dan 10 km/u heeft bereikt.

• ABS wordt geregeld door de ECU (motorregelsysteem); als het ABS-systeem uitvalt, gaat de ABS-indicator branden; het ABS-systeem kan zijn functie verliezen, maar de originele rem werkt nog steeds; het ABS-systeem hervat de normale remfuncties. • Wanneer u op een ruw of kiezelig wegdek rijdt, wordt de ABS remweg langer. • Houd altijd een veilige afstand aan tot voertuigen voor u. • Het ABS-systeem presteert optimaal bij een langere remweg.

Beheerfuncties 15 4 • Wanneer de stroom van de hoofdschakelaar wordt geactiveerd of de snelheid van het voertuig hoger is dan 10 km/u, voert het ABS-systeem een zelfdiagnose uit. Tijdens deze zelfdiagnose kan een trilling voelbaar zijn op de remhendel als u deze zachtjes aantrekt, wat een normaal verschijnsel is. • Het wordt daarom aangeraden om op te letten als u remt in omstandigheden met minder grip bij lage snelheid (bijvoorbeeld remmen op vloertegels in de garage nadat u op een nat wegdek hebt gereden). Als u uit nood moet remmen in reactie op een bijzondere wegconditie, helpt het ABS-systeem te voorkomen dat het wiel blokkeert als gevolg van de plotselinge remactie, waardoor de bestuurder het voertuig soepel kan blijven besturen. Een ABS-systeem regelt automatisch de remkracht om te voorkomen dat de band slipt.

Een ABS-systeem verkort de remweg niet in de volgende omstandigheden: bij het rijden op een zacht en ongelijk wegdek of een dalende helling is de remweg zelfs langer dan bij een voertuig zonder ABS. Daarom presteren modellen met ABS optimaal op vlakke wegen. Een ABS-systeem bestaat uit een ABS ECU en sensoren voor de voor- en achterbandsnelheid. Het gebruik van banden die niet voldoen aan de juiste specificaties kan de detectie van de snelheidssensoren beïnvloeden en resulteren in abnormale werking van het ABS-systeem. • Als u banden gebruikt die niet voldoen aan de originele specificaties, kan dit leiden tot een storing in het ABS-systeem of zelfs tot een ongeluk als gevolg van een onjuiste activering van het ABS-systeem. U dient daarom banden te gebruiken die voldoen aan de specificaties van KYMCO. • Wanneer ABS wordt geactiveerd, kunt u een lichte trilling voelen op de remhendels.

Dit is normaal. • Wanneer de voertuigsnelheid lager is dan 10 km/u, wordt het ABS-systeem niet geactiveerd. • ABS werkt niet als er geen vermogen is of het systeem niet goed functioneert. De ABS-indicator licht in dat geval op. WAARSCHUWING

3 3 Beheerfuncties 16 4 TCS (Traction Control System) Het controlelampje licht amberkleurig op als TCS is ingeschakeld wanneer de hoofdschakelaar wordt aangezet. Zodra de snelheid van het voertuig hoger is dan 6 km/u, gaat het lampje automatisch uit. TCS blijft dan functioneren. De indicator kan het volgende aangeven: • Brandt niet: TCS is ingeschakeld maar werkt niet. • Knippert oranje: TCS is aan en functioneert. • Continu oranje: TCS is defect. Laat het voertuig zo spoedig mogelijk controleren door een KYMCO-dealer. • Brandt groen: TCS is uitgeschakeld. Inleiding TCS Als de bestuurder te veel gas geeft of op een gladde ondergrond rijdt zoals een met ijs bedekte of natte weg, kan het achterwiel slippen. Het tractiecontrolesysteem helpt het voertuig grip te behouden wanneer deze situatie zich voordoet.

Als de sensoren detecteren dat het achterwiel begint te slippen (ongecontroleerd draaien) helpt TCS het motortoerental te regelen totdat de grip is hersteld. U kunt veranderingen opmerken in de motorreactie of het uitlaatgeluid. • TCS is geen vervanging voor juist rijgedrag. TCS kan gripverlies of slippen van het voorwiel niet voorkomen wanneer de bestuurder met te hoge snelheid een bocht ingaat, hard optrekt onder een scherpe hellingshoek of te hard remt. Zoals bij elk voertuig dient u gladde oppervlakken voorzichtig te benaderen en bijzonder gladde oppervlakken te vermijden. • Gebruik alleen de gespecificeerde banden. Als u banden met een andere maat gebruikt, kan TCS niet nauwkeurig werken, wat tot gevaarlijke situaties kan leiden. • Het TCS wordt automatisch ingeschakeld wanneer de hoofdschakelaar opnieuw wordt aangezet.

• Schakel TCS uit om het achterwiel vrij te maken als het voertuig vast komt te zitten in modder, zand of een andere zachte ondergrond. • Wanneer het voertuig op de middenstandaard staat en TCS is ingeschakeld, probeer dan niet gedurende langere tijd het gas ver open te draaien.

Beheerfuncties 17 4 KEYLESS contactloze sleutel KEYLESS is een hightech elektronische hoofdschakelaar waarvoor geen sleutel nodig is (zie afbeelding hierboven). Elk voertuig wordt geleverd met twee contactloze sleutels (zie afbeelding hierboven). Bij verlies van de contactloze sleutel kan de KEYLESS hoofdschakelaar niet worden geactiveerd. De contactloze sleutel moet zorgvuldig worden bewaard. Batterij vervangen contactloze sleutel Benodigde batterij: CR2032 Maak open met geschikt gereedschap. • Zorg ervoor dat de positieve pool van de batterij zich in de juiste positie bevindt. • Raak de circuits en aansluitingen binnenin niet aan om storingen te voorkomen. • Oefen geen overmatige kracht uit op de contactloze sleutel bij het vervangen van de batterij. • Als beide contactloze sleutels verloren of beschadigd zijn, ga dan naar de dealer voor relevante inspecties of vervanging.

• Wanneer de batterij van de bijna leeg is, zal dit de detectieafstand beïnvloeden. Vervang de batterij zo snel mogelijk. • Als er elektronische medische apparatuur in het lichaam is geïmplanteerd, raadpleeg dan uw arts of de fabrikanten van de apparatuur om na te gaan of de radiogolven deze medische apparatuur beïnvloeden. • Stel de contactloze sleutel niet bloot aan sterke radiogolven, dit kan de werking ervan beïnvloeden. • Laat de contactloze sleutel niet in contact komen met metalen voorwerpen, dit kan de werking ervan beïnvloeden. • De opslagomgeving van de contactloze sleutel moet vrij zijn van vochtigheid en hoge temperaturen.

• In de contactloze sleutel bevinden zich elektronische precisiecomponenten, let op het volgende om mogelijke storingen of schade te voorkomen: • Plaats of bewaar de contactloze sleutel niet in het bagagecompartiment, zo kan deze kan beschadigd raken door trillingen van het wegdek of door oververhitting. • Laat de contactloze sleutel niet vallen, buig hem niet en stel hem niet bloot aan sterke schokken.

• Dompel niet onder in water of andere vloeistoffen. • Plaats geen zware voorwerpen of oefen geen overmatige kracht uit op de contactloze sleutel. • Stel de contactloze sleutel niet bloot aan direct zonlicht, hoge temperaturen of een hoge luchtvochtigheid. • Vijl de contactloze sleutel niet bij en probeer deze niet te veranderen. • Houd de contactloze sleutel uit de buurt van sterke magnetische velden of magnetische voorwerpen zoals sleutelhangers, tv's en computers. LET OP LET OP.

3 3 Beheerfuncties 18 4 KEYLESS detectieafstand 1. Antenne voor detectie op afstand (enkele, open ruimte): De beste detectieafstand is binnen 1,5 m; detectie is niet mogelijk voorbij 3,5 m. 2. Detectieantenne met kort bereik (enkele, open ruimte): Kan alleen worden gedetecteerd in de nabijheid van het detectiesymbool. • De beste detectieafstand is 150 cm, maar de werkelijke detectieafstand kan verschillen als gevolg van omgevingsfactoren en het batterijvermogen. • Controleer bij het verlaten van de auto of het stuur is vergrendeld en het KEYLESS-systeem is uitgeschakeld, en neem de contactloze sleutel mee. Korte afstandssensor Wanneer de contactloze sleutel te weinig vermogen heeft, kunt u de korteafstandsdetectiefunctie gebruiken om het voertuig te ontgrendelen.

Bevestig op dat moment de contactloze sleutel aan de bovenkant van het opbergkastje (op het symbool voor korteafstandsdetectie), plaats de achterkant van de contactloze sleutel in de buurt van het ronde symbool aan de bovenkant van de centrale schakelset en druk op de knop van de hoofdschakelaar. Na 2 korte pieptonen wordt de stroom ingeschakeld en is de ontgrendeling voltooid. Detectiesymbool • Als de contactloze sleutel de korte-afstandssensor verlaat, zal het systeem 10 pieptonen laten horen voordat het wordt uitgeschakeld. Druk nogmaals om het systeem in te schakelen. • Als het batterijvermogen van de sleutel loze autosleutel afneemt, beïnvloedt dit de detectieafstand. • Vermijd bij het vervangen van de batterij ongepaste handelingen die de functionaliteit van de contactloze sleutel kunnen beschadigen. Bezoek een servicestation voor inspectie.

• De detectieafstand is slechts ter referentie, en de KEYLESS knop is nog steeds nodig om het voertuig in te schakelen. • De contactloze sleutel maakt gebruik van radiogolftechnologieën, het werkingsbereik wordt beïnvloed door omgevingsfactoren.

Beheerfuncties 19 4 wat leidt tot een slechte detectie. • Als de sleutel zonder stroom zit, kan dit het detectiebereik beïnvloeden of kan de sleutel de afstandsdetectiefunctie verliezen. Wanneer dit gebeurt, kan de korte afstandsdetectiefunctie worden gebruikt. Plaats de sleutel binnen het detectiebereik van de korte afstandsantenne aan de rechterkant van de schakelaar, druk op de hoofdschakelaar. Er klinkt een korte pieptoon, het slot wordt ontgrendeld en de stroom wordt ingeschakeld. • Wanneer de contactloze sleutel weg wordt genomen van de korte afstandssensor terwijl het voertuig aan staat, zal het voertuig, als het moet worden uitgeschakeld, 10 waarschuwingssignalen laten horen als herinnering. Druk nogmaals op de hoofdschakelaar om uit te schakelen. • U moet de sleutel altijd bij u dragen. Leg hem niet in het opberg vak of op het voertuig.

• Wees voorzichtig wanneer de sleutel loze autosleutel binnen het werkingsbereik komt. Een persoon zonder contactloze sleutel maar binnen het detectiebereik kan de motor starten en met het voertuig wegrijden. • Wanneer de contactloze sleutel zich niet binnen het detectiebereik bevindt, kan het voertuig niet worden gestart. • Wanneer de sleutel het detectiebereik verlaat, gebruikt deze soms nog steeds stroom. Wanneer de gebruiker de KEYLESS hoofdschakelaar niet kan bedienen, moet de batterij in de sleutel zo snel mogelijk worden vervangen.

3 3 Beheerfuncties 20 4 KEYLESS hoofdschakelaar Plaats de contactloze sleutel deze binnen het detectiebereik (identificatie) Starten Houd de KEYLESS sleutel ingedrukt, de hoofdschakelaar licht blauw op en laat vervolgens tweemaal een piepgeluid horen. Op dat moment mag u de hoofdschakelaar omdraaien. Sluiten Draai de hoofdschakelaar naar of draai hem naar links en houd de KEYLESS knop ingedrukt. Op dit moment zal de blauwe LED rood worden en doven en vervolgens één keer lang piepen. • Als het lampje niet normaal oplicht of uit blijft, stuur de sleutel dan ter controle naar een KYMCO-dealer. • Draai de schakelaar niet naar tijdens het rijden, anders zal het elektrische systeem uitvallen en mogelijk controleverlies tot gevolg hebben. Tanken Draai naar vanuit en vervolgens naar rechtsom. Nu kan de dop van de brandstoftank geopend worden. LET OP

Beheerfuncties 21 4 Vergrendelen Om het voertuig te stoppen en onbeheerd achter te laten, draait u de knop van de KEYLESS hoofdschakelaar naar links richting of vanuit en drukt u vervolgens op de KEYLESS knop. De LED van de hoofdschakelaar rood worden en vervolgens uitgaan. Wanneer u een lang piepgeluid hoort, betekent dit dat de vergrendeling voltooid is. De hoofdschakelaar wordt automatisch vergrendeld nadat de draadloze sleutel buiten het detectiebereik is gebracht. * De stuurstang moet naar links worden gedraaid. Daarna kan de hoofdschakelaar naar draaien worden gedraaid door in te drukken en te draaien. Ontgrendelen Houd de KEYLESS knop ingedrukt, de LED zal blauw oplichten en tweemaal een piepgeluid laten horen. Draai de knop naar . U kunt nu de motor starten. • U mag het voertuig verlaten nadat u hebt gecontroleerd of de stuurstang veilig is vergrendeld.

• Parkeer het voertuig niet op een plaats die de verkeersveiligheid belemmert. • Om de scooter te sluiten en te vergrendelen, moet u deze stap uitvoeren wanneer de schakelaar in de of positie staat. Als de schakelaar niet in de juiste positie staat, wordt het voertuig niet vergrendeld, met mogelijk diefstal tot gevolg. • Controleer voordat u het voertuig verlaat of de LED van de hoofdschakelaar is gedoofd en of het voertuig veilig is vergrendeld om diefstal te voorkomen. LET OP LET OP

3 3 Beheerfuncties 22 4 Stuurslot Schakel het stuurslot in om diefstal te voorkomen. Vergrendelen: Draai in uitgeschakelde toestand de stuurstang volledig naar links, houd de knop "KEYLESS" 2 seconden lang ingedrukt, een lang geluidssignaal geeft aan dat de vergrendeling gelukt is. Ontgrendelen: Houdt de hoofdschakelaar ingedrukt, het systeem maakt 2 korte pieptonen. Dit ontgrendelt het voertuig. • Het systeem geeft 4 korte piepjes bij een mislukte vergrendeling. Controleer of de stuurstang volledig naar links is gedraaid en probeer opnieuw. • Het systeem laat 4 korte piepjes horen als het ontgrendelen niet lukt. Controleer of de stuurstang volledig naar links is gedraaid en probeer opnieuw. • Als de contactloze sleutel niet werkt, moet de korte afstandsmethode worden gebruikt.

• Bij het vergrendelen en parkeren van het voertuig moeten de vlakheid en de veiligheid van de parkeerplek worden beoordeeld en moet de handrem worden ingeschakeld. • Controleer na het vergrendelen van het stuur of dit goed gelukt is voordat u het voertuig verlaat. • Parkeer uw scooter niet op plaatsen waar de verkeersveiligheid kan worden belemmerd. • De opbergpositie van de contactloze sleutel kan het KEYLESS-systeem beïnvloeden (bijv. in de achterzak of een rugzak). KEYLESS schakelaar LET OP

Beheerfuncties 23 4 Achterremhendel De hendel van de achterrem bevindt zich op de linkerkant van het stuur. Trek om de achterrem te gebruiken de achterremhendel met enige kracht aan. De achterremhendel is voorzien van een instelknop, waardoor de ruimte tussen de achterremhendel en het stuur kan worden aangepast. Stel de knop op de juiste positie in en lijn deze uit met de markering op de achterremhendel. Onjuist gebruik is gevaarlijk. Achterremhendel WAARSCHUWING LET OP

3 3 Beheerfuncties 24 4 Voorremhendel De hendel van de voorrem bevindt zich op de rechterkant van het stuur. Trek om de voorrem te gebruiken de voorremhendel met enige kracht aan. De voorremhendel is voorzien van een instelknop, waardoor de ruimte tussen de voorremhendel en het stuur kan worden aangepast. Stel de knop op de juiste positie in en lijn deze uit met de markering op de voorremhendel. Aanpassen remhendelafstand Om de afstand van de hendel tot de handgreep aan te passen, duwt u de hendel naar voren en draait u aan de instelknop om de getallen uit te lijnen met de markering op de hendel. De afstand van de greep tot de hendel is het kleinst bij nummer 4 en het grootst bij nummer 1. Onjuist gebruik is gevaarlijk. Voorremhendel WAARSCHUWING LET OP

Beheerfuncties 25 4 Parkeerremhendel Parkeerremhendel Dit voertuig is voorzien van een parkeerremhendel om de achterband te blokkeren wanneer de scooter op een helling wordt geparkeerd. Draai de parkeerremhendel naar links en klik deze vast. Om te ontgrendelen draait u de hendel naar zijn oorspronkelijke positie. • Gebruik de parkeerremhendel nooit tijdens het rijden. Dit kan leiden tot verlies van controle over de scooter met een ongeluk tot gevolg. Zorg ervoor dat het voertuig volledig is gestopt voordat u de parkeerremhendel gebruikt. • Controleer bij gebruik van de handremarm of de achterband echt niet meer kan bewegen. • Controleer voordat u op uw scooter gaat rijden of de parkeerrem is ontgrendeld, anders kan het uitgangsvermogen worden beïnvloed en kan de parkeerrem beschadigd raken. WAARSCHUWING

3 3 Beheerfuncties 26 4 Helmhaak Aan de voorkant van de zitting zit een helmhaak. Til het zadel op, plaats de gesp van de helm om de haak en sluit het zadel. Bagagecompartiment Voorin Open de opslagruimte voorin Druk op de drukscharnier van het compartiment en trek het deurtje naar beneden om te openen. De opslagruimte sluiten Druk het deurtje terug in de oorspronkelijke positie. Rijd NIET op uw scooter met de helm op de haak. De helm kan anderen raken of uw rijgedrag en daarmee uw veiligheid belemmeren. Drukscharnier opslagruimte WAARSCHUWING

Beheerfuncties 27 4 De volgende limieten niet overschrijden: Opslagruimte voorin 1.3 kg Bagagecompartiment 10 kg Componenten in het bagagecompartiment Lamp (afstelbare richting): De verlichting gaat aan als het zadel wordt opgetild en weer uit als het zadel wordt gesloten. De bagageboxverlichting is voorzien van een lichtgevoelige schakelaar; als de gebruiker vergeet het zadel te sluiten of niet volledig kan worden gesloten, zal het systeem de stroom na een bepaalde tijd automatisch uitschakelen, waardoor vermogensverlies van de batterij wordt voorkomen. • Door de afmetingen en de vorm is het mogelijk dat u de helm niet in het compartiment kunt plaatsen. Kies een helm die in het compartiment past. • Leg ter voorkoming van diefstal geen waardevolle spullen in het compartiment. Sluit het zadel wanneer u het voertuig verlaat. • Laat de sleutel niet in het compartiment zitten als u hem sluit.

3 3 Beheerfuncties 28 4 • Leeg het bagagecompartiment voordat u het voertuig wast, zodat voorwerpen niet nat worden. • Door de werking van de motor en omgevingsfactoren is het bagagecompartiment warm en vochtig; plaats er geen breekbare, ontvlambare of gemakkelijk te bederven voorwerpen in. Windscherm De hoogte van het windscherm aanpassen. Neem het windscherm niet af met organisch oplosmiddel. Het windscherm kan zonder gereedschap worden versteld Het windscherm heeft vijf verschillende hoogteaanpassingen. De hoogte van het windscherm instellen: Duw de verstelhendel voorzichtig naar voren met uw rechterhand (zoals getoond in Fig. 1). Houd de onderkant van het windscherm in het midden vast (fig. 2) en druk omhoog of omlaag om de hoogte van het windscherm naar wens in te stellen. Laat de hendel voor het afstellen van het windscherm los en fixeer deze.

Beheerfuncties 29 4 USB Ingang Dit voertuig is voorzien van een USB-aansluiting. U kunt een apparaat met een laag stroomverbruik aansluiten om op te laden terwijl de motor draait. • De USB aansluiting kan alleen worden gebruikt terwijl de motor draait. • Om te voorkomen dat de batterij leegraakt, laadt u een apparaat niet op via de USB-aansluiting zonder dat de motor draait. • Laad een product met een vermogen van meer dan 10W niet op via de USB-aansluiting, de zekering kan doorbanden. Als tijdens het opladen oververhitting optreedt, schakelt het systeem automatisch de stroomtoevoer uit. • Controleer na het rijden en voordat u de scooter verlaat of het apparaat is losgekoppeld en de beschermdop goed op zijn plek zit. • Om elektrocutie of kortsluiting te voorkomen, moet u de beschermdop terugplaatsen na gebruik van de USB-aansluiting.

Beheerfuncties 31 4 Middenstandaard Stop de motor en zet de hoofdschakelaar uit voordat u de scooter op de middenstandaard parkeert. Houd de scooter rechtop, houd de linker handgreep vast met de linkerhand en pak de beugel op de achterkant van de scooter vast met de rechterhand. Plaats de rechtervoet op de middenstandaard en oefen kracht uit met zowel de rechtervoet als de rechterhand om het voertuig op te tillen en zo op de standaard te zetten. • Zorg dat de middenstandaard volledig is opgeklapt voordat u op de scooter gaat rijden. • De middenstandaard mag tijdens het rijden niet in contact komen met de grond, omdat dit de bestuurbaarheid van de scooter kan beïnvloeden. • Als de steunveer te zwak wordt, kan de middenstandaard niet terugspringen naar zijn oorspronkelijke positie. Ga in dat geval zo snel mogelijk naar een KYMCO leverancier om deze te laten vervangen. WAARSCHUWING

3 3 Beheerfuncties 32 4 Ophanging Elke schokdemper op uw scooter heeft 5 veervoorspanningsposities om in te spelen op verschillende rijomstandigheden. Gebruik een haaksleutel om de veervoorspanning van de achterste schokdemper aan te passen. Positie 1 is bedoeld voor een lichte belasting en goede wegomstandigheden. Positie 3 tot 5 verhogen de veervoorspanning voor een stijvere achterwielophanging en kunnen worden gebruikt wanneer de scooter zwaar beladen is. Zorg ervoor beide schokdempers op dezelfde veervoorspanningsposities aan te passen. Standaard veervoorspanpositie: 3 • Stel de veervoorspanning van de schokdemper altijd in stappen in (1-2-3-4-5 of 5-4-3-2-1). Als u probeert rechtstreeks van 1 naar 5 of van 5 naar 1 te draaien, kan de schokdemper beschadigd raken. WAARSCHUWING

Beheerfuncties 33 4 Zijstandaard De zijstandaard bevindt zich aan de linkerkant van de scooter; duw de zijstandaard naar beneden of omhoog met uw voet. De motor kan niet worden gestart als de zijstandaard uitgeklapt is. • De zijstandaard maakt deel uit van het mechanisme dat de ontsteking kan blokkeren; de bestuurder moet de zijstandaard omhoog duwen voordat hij met het voertuig gaat rijden. Als deze functie inactief wordt, dient u naar een KYMCO leverancier te gaan voor reparatie. • Rijd NIET met het voertuig als de zijstandaard niet inklapt; als de zijstandaard de grond raakt, kan de bestuurder de controle over het voertuig verliezen. Brandstof controleren/bijvullen Vul zo snel mogelijk benzine bij wanneer de brandstofindicator op het dashboard het laatste segment bij E nadert. Gebruik #95 ongelode benzine. Brandstofvuldop gebruiken 1. Open de beschermkap van de brandstoftank. 2.

3 3 Beheerfuncties 34 4 • Om brand door brandstofoverloop te voorkomen, dient u ervoor te zorgen dat de brandstofvuldop na het tanken volledig is vergrendeld. • U mag NIET roken terwijl u tankt. • Zet de motor tijdens het tanken uit. • Zorg dat de benzine tijdens het tanken niet voorbij de basisplaat komt, want dan kan de benzine overstromen. • Het wordt aanbevolen om na iedere 10.000km Kymco Nozzle Cleaner aan de brandstof toe te voegen om de brandstofinjectiekop schoon te maken. • Laat de brandstofpomp niet te lang lopen als de brandstoftank leeg is, dit kan de levensduur van de brandstofpomp verkorten. Brandstofaanbeveling Gebruik ongelode benzine met een octaangetal van 95 of hoger om te voorkomen dat de bougie en de uitlaatonderdelen beschadigd raken. Na het tanken de tankdop goed sluiten. Brandstofvuldop WAARSCHUWING

3 3 Beheerfuncties 36 4 Uitlaat en katalysator De katalysator gaat de vorming van vervuilende stoffen in de uitlaatgassen tegen. Neem de volgende voorzorgsmaatregelen om brand te voorkomen: ◆ Parkeer de scooter op de juiste manier zodat voetgangers of kinderen niet met de uitlaat in aanraking komen. ◆ Parkeer de scooter niet in de buurt van ontvlambare stoffen. Zorg dat het uitlaatsysteem is afgekoeld voordat u onderhoud pleegt. ◆ Zet de hoofdschakelaar nooit uit tijdens het rijden. Er zal dan namelijk een grote hoeveelheid onverbrand gasmengsel in de uitlaat komen en daar verbranden, waardoor de katalysator beschadigd raakt en verbrandt. ◆ Gebruik alleen loodvrije benzine; gelode benzine kan leiden tot achteruitgang en uitval van de katalysator.

Juiste rijmethode 37 5 5. Juiste rijmethode De motor starten ◆ Klap de hoofdstandaard in voordat u de motor start ◆ Controleer het olie- en brandstofpeil voordat u de motor start Motorstopschakelaar :De motor zal stoppen en kan niet gestart worden als de schakelaar in deze positie staat. Starten van de motor is alleen mogelijk als de sleutel in de“ ” positie staat. : Met de contactschakelaar in deze positie kan de motor Worden gestart. • De hoofdstroom wordt onderbroken wanneer de motorstopschakelaar in de “ “, positie staat, de motor zal daarom niet activeren als u de remhendel aantrekt en de startknop indrukt. • De motorstopschakelaar is alleen bedoeld voor een tijdelijke motorstop. • Wanneer het voertuig geparkeerd staat, zorg er dan voor dat de hoofdschakelaar op OFF / UIT staat; anders kan de accu leeglopen. Motorstopschakelaar Parkeerlicht LET OP

3 3 Juiste rijmethode 38 5 Voor- en achterremhendels aantrekken 1. Houd de voorremhendel of achterremhendel ingetrokken en druk op de startknop om de motor te starten. 2. Als starten moeizaam gaat, laat dan de startknop los en wacht een paar seconden voordat u het opnieuw probeert. Elke poging mag niet langer duren dan 5 seconden om de batterij te sparen. • Laat de startknop onmiddellijk los wanneer de motor start. • Druk nooit op de startknop wanneer de motor draait, anders kunnen motoronderdelen beschadigd raken. • Bij het starten van de motor moet de achterremhendel in de • remstand worden gezet, het remlicht licht op wanneer de stroom wordt ingeschakeld. Zorg voor een korte opwarmperiode nadat de motor is opgestart (ongeveer 1-2 minuten). Verleng deze periode tot 3-5 minuten in de bergen en in koude gebieden om de motor soepel te laten lopen en zonder problemen te kunnen rijden.

• Houd de achterremhendel in de remstand totdat u begint te rijden. • Uitlaatgas bevat koolmonoxide dat schadelijk is voor de gezondheid; vermijd het starten van het voertuig in een kleine of slecht geventileerde ruimte. WAARSCHUWING LET OP

Juiste rijmethode 39 5 Juiste rijmethode Houd de achterremhendel aangetrokken en duw het voertuig naar voren. De hoofdstandaard klapt automatisch in. Stap op vanaf de linkerzijde, ga rechtop zitten, laat uw linkervoet op de grond staan om te voorkomen dat u omvalt en zet de achteruitkijkspiegel goed. • Het is gevaarlijk om het toerental van de motor te verhogen zonder te rijden. • • Houd de achterremhendel ingetrokken voordat u gaat rijden. • Verhoog het toerental niet zonder te rijden. WAARSCHUWING WAARSCHUWING

3 3 Juiste rijmethode 40 5 De voor- en achterremhendel loslaten Draai de gashendel om de snelheid van de scooter aan te passen. Draai om de snelheid te verhogen. Open de gashendel geleidelijk. Als u op een helling omhoog rijdt, draait u langzaam aan de gashendel om het vermogen te verhogen. Draai de gashendel naar de originele positie om de snelheid te verlagen. Vermijd het plotseling verhogen van de snelheid als de motor koud is, zo verlengt u de levensduur van de motor. Draai niet te snel aan de gashendel om te voorkomen dat het voertuig wegschiet. • • Draai niet zomaar aan de gashendel nadat u de remhendels heeft losgelaten, het voertuig kan wegschieten. WAARSCHUWING LET OP

Juiste rijmethode 41 5 De juiste rijmethode Schakel voordat u wegrijdt de richtingaanwijzer in, controleer de verkeersomstandigheden in beide richtingen en draai langzaam aan de gashendel. Inloopperiode ◆ De inloopperiode van een nieuwe motor is 300km; rijd tijdens deze periode niet harder dan 80 km/u. ◆ Vermijd snel accelereren. Remmen Voorrem 1. Laat de gashendel los en sluit deze volledig voordat u de rem gebruikt. 2. Trek beide remhendels gelijktijdig aan en oefen geleidelijk steeds meer kracht uit om de remmen te activeren. • Rijden op hoge snelheid tijdens de inloopperiode kan resulteren in voortijdige slijtage van motoronderdelen. • • En nat of zanderig wegdek zorgt voor een langere remweg en remmen in deze omstandigheden is moeilijker. • Verlaag uw snelheid op bergwegen; het is moeilijker en gevaarlijker om op een helling te remmen. WAARSCHUWING WAARSCHUWING

3 3 Juiste rijmethode 42 5 Achterrem 1. Laat de gashendel los en sluit deze volledig voordat u de rem gebruikt. 2. Trek beide achterremhendels gelijktijdig aan en oefen geleidelijk steeds meer kracht uit om de remmen te activeren. Vermijd abrupt sturen of remmen Abrupt sturen of remmen kan tot gevolg hebben dat de scooter gaat slippen of omvalt. Wees extra voorzichtig als het regent Als u op een nat wegdek rijdt is de remafstand langer. U dient uw snelheid te verlagen en op een aangepaste manier te remmen. • • En nat of zanderig wegdek zorgt voor een langere remweg en remmen in deze omstandigheden is moeilijker. • Verlaag uw snelheid op bergwegen; het is moeilijker en gevaarlijker om op een helling te remmen. • • Vermijd krachtig of plotseling remmen, vooral wanneer het voertuig opzij gekanteld is. Dit kan tot gevolg hebben dat de scooter gaat slippen of omvalt. WAARSCHUWING

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Kymco Xciting VS 400i stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden