Junkers SAS ODU75-ASB Handleiding

Junkers Warmtepomp SAS ODU75-ASB

Bekijk gratis de handleiding van Junkers SAS ODU75-ASB (80 pagina’s), behorend tot de categorie Warmtepomp. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 25 mensen en kreeg gemiddeld 4.5 sterren uit 5 reviews. Heb je een vraag over Junkers SAS ODU75-ASB of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/80
Installatiehandleiding
Lucht/water warmtepomp in split-uitvoering
SUPRAECO A SAS
6 720 648 132-00.2I
SAS ODU75-ASB
SAS ODU100-ASB
SAS ODU120-ASB
bestaande uit ASB 75 of 120 met ODU 75-120
SAS ODU75-ASE
SAS ODU100-ASE
SAS ODU120-ASE
bestaande uit ASE 75 of 120 met ODU 75-120
6 720 805 043 (2013/03)

Beoordeel deze handleiding

4.5/5 (5 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Junkers
Categorie: Warmtepomp
Model: SAS ODU75-ASB

Handleiding Junkers SAS ODU75-ASB – volledige tekst

InhoudsopgaveSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03)2Inhoudsopgave1 Toelichting bij de symbolen en veiligheidsaanwijzingen. 31. 1 Toelichting van de symbolen. 31. 2 Veiligheidsaanwijzingen. 32 Leveringsomvang. 43 Algemeen. 53. 1 Specificaties betreffende warmtepomp. 53. 2 Gebruik. 53. 3 Typeplaatje. 53. 4 Transport en opslag. 53. 5 Opstellingslocatie. 53. 6 Automatisch ontdooien. 63. 7 Voor de installatie te controleren. 63. 8 CAN-BUS. 63. 9 CAN-BUS-afsluiting. 63. 10 Omgang met de printplaat. 74 Afmetingen. 74. 1 Warmtepomp. 74. 2 ASB/ASE-module. 114. 3 Leidingaansluitingen. 115 Voorschriften. 126 Installatie. 136. 1 Toebehoren. 136. 2 Aansluitprincipe. 136. 3 Voorbereidende leidingaansluitingen. 136. 4 Opstellen. 136. 5 Spoelen van het cv-systeem. 136. 6 Sluit de warmtepomp aan op het cv-systeem. 136. 7 Aansluiting van de koelmiddelleiding. 136. 8 Vullen van het cv-systeem. 166.

1 Toelichting van de symbolenWaarschuwingSignaalwoorden voor een waarschuwingsaanwijzing geven de soort en de ernst van de gevolgen aan, wanneer de maatregelen ter voorkoming van het gevaar niet gerespecteerd worden. •OPMERKING betekent dat materiële schade kan ontstaan. •VOORZICHTIG betekent dat licht tot middelzwaar persoonlijk letsel kan ontstaan. •WAARSCHUWING betekent dat zwaar lichamelijk letsel kan ont-staan. •GEVAAR betekent dat er levensgevaarlijk lichamelijk letsel kan ont-staan. Belangrijke informatieAanvullende symbolen1. 2 VeiligheidsaanwijzingenAlgemeen▶ Deze handleiding zorgvuldig doorlezen en bewaren. Installeren en inbedrijfnemen▶ De warmtepompen alleen door een erkend installateur laten installe-ren en in bedrijf laten stellen. Onderhoud en reparatie▶ Reparaties alleen door een erkend installateur laten uitvoeren.

▶ De warmtepompen door een erkend installateur jaarlijks laten inspec-teren en onderhoud naar behoefte laten uitvoeren. Omgang met het koelmiddelIn de lucht-waterwarmtepomp wordt het koelmiddel R410A gebruikt. ▶ Alleen gekwalificeerde en gecertificeerde koelmiddeltechnici mogen werkzaamheden aan het koelmiddelcircuit uitvoeren. ▶ Bij alle werkzaamheden met koelmiddel altijd geschikte veiligheids-handschoenen en veiligheidsbril dragen. Gedrag bij ontsnappend koelmiddelOntsnappend koelmiddel kan bij aanraken van de lekkageplaats bevrie-zing tot gevolg hebben. ▶ Wanneer koelmiddel ontsnapt, geen onderdelen van de lucht-water-warmtepomp aanraken. ▶ Voorkom huid- of oogcontact met het koelmiddel. ▶ Schakel bij huid- of oogcontact met het koelmiddel een arts in. Waarschuwingsaanwijzingen in de tekst worden aange-geven met een gevarendriehoek met grijze achtergrond en een kader.

Belangrijke informatie, zonder gevaar voor mens of ma-terialen, wordt met het nevenstaande symbool gemar-keerd. Dit wordt gescheiden van de tekst door een lijn onder en boven de tekst. Symbool Betekenis▶HandelingsstapKruisverwijzing naar andere plaatsen in het document of naar andere documenten• Opsomming/lijstpositie– Opsomming/lijstpositie (2e niveau)Tabel 1.

AlgemeenSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03) 5Afb. 3 Leveringsomvang, ODU 100 / 120[1] ODU 100 / 1203Algemeen3. 1 Specificaties betreffende warmtepompDe Supraeco A SAS bestaat uit de buitenmodule ODU 75; 100 of 120 en de binnenmodule ASB/ASE 75 of ASB/ASE120. De volgende combinaties zijn mogelijk:De ASE 75 en 120 zijn bedoeld voor mono-energetisch bedrijf met geën-tegreerde elektrische verwarming. De ASB 75 en 120 zijn bedoeld voor bivalent bedrijf met een olie- of gas-ketel. 3. 2 GebruikDe warmtepomp mag alleen in gesloten tapwater-verwarmingssystemen conform EN 12828 worden ingebouwd. Ander gebruik is niet conform de bedoeling. Daaruit resulterende scha-de valt niet onder de fabrieksgarantie. Het cv-systeem, waarop de warmtepomp wordt aangesloten, moet altijd een boiler met minimaal 50L volume omvatten. 3. 3 TypeplaatjeDe typeplaat bevindt zich op de servicedeksel van de warmtepomp.

Daar staan de gegevens betreffende de warmtepompcapaciteit, artikel-nummer, serienummer en productiedatum. De typeplaat voor de ASB/ASE-module bevindt zich buiten op de linker-zijde. 3. 4 Transport en opslagDe warmtepomp en de ASB/ASE-module moeten altijd staand worden getransporteerd en opgeslagen. De warmtepomp mag max. 45° worden gekanteld, maar niet worden neergelegd. De ASB/ASE-module mag niet bij temperaturen onder – 10 °C worden opgeslagen of getransporteerd. De warmtepomp mag niet bij tempera-turen lager dan – 10 °C worden opgeslagen. 3. 5 Opstellingslocatie• De buitenmodule ODU wordt buiten het huis op een stabiele en vlakke ondergrond opgesteld. Geadviseerd wordt een betonnen fundering. • Let bij de opstelling op de geluidsontwikkeling van de warmtepomp. • De warmtepomp moet vrij staan ( hoofdstuk 4), zodat het luchtvo-lume ongehinderd door de verdamper kan stromen.

• Stel de warmtepomp bij voorkeur niet zodanig op, dat de voorkant di-rect in de hoofdwindrichting wijst. • Stel de warmtepomp zodanig op, dat geen sneeuw of water vanaf het dak daarop terecht komt. Wanneer deze opstelling niet kan worden voorkomen, dan moet een beschermdak worden gemonteerd. • De ASB/ASE-module wordt in huis opgesteld. De leidingen tussen de warmtepomp en de ASB/ASE-module moeten zo kort mogelijk zijn. De leidingen moeten zijn geïsoleerd. 6 720 648 125-84. 1I1De installatie mag alleen door een erkend installateur worden uitgevoerd. De installateur moet de geldende re-gels en voorschriften en instructies in de installatie- en gebruikershandleiding respecteren. ODU ASB/ASE SAS ODU75 75 75 ASB/ASE100 120 100 ASB/ASE120 120 120 ASB/ASETabel 2Er zijn 2 opties voor de bevestiging van de warmtepomp als toebehoren leverbaar:▶ Vloerstaande uitvoering▶ Wandhangende uitvoering.

AlgemeenSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03)6• Gebruik als verbinding tussen warmtepomp en binneneenheid alleen geschikte koelmiddelleidingen. • Het afvoerwater van het overstortventiel moet door de ASB/ASE-mo-dule in een vorstvrije afvoer worden getransporteerd. • Let erop, dat in de ruimte, waarin de ASB/ASE-module moet worden opgesteld, een bodemafloop bevindt. 3. 6 Automatisch ontdooienDe warmtepomp wordt met het verwarmingsgas ontdooid, aangestuurd via een 4-wegklep. De 4-wegklep draait met de doorstroomrichting in het koelmiddelcircuit om. Het verwarmingsgas smelt het ijs op de lamellen van de verdamper. Daarbij koelt de cv-installatie iets af. Het ontdooien wordt via de in de buiteneenheid geïntegreerde voeler gestuurd. De duur van het ontdooi-en hangt af van de ijsdikte en de actuele buitentemperatuur. 3.

7 Voor de installatie te controleren▶ De warmtepomp moet door een erkend installateur worden geïnstal-leerd. ▶ Bij de installatie van de warmtepomp moeten de geldende voorschrif-ten worden aangehouden. ▶ Controleer of alle leidingaansluitingen intact zijn en tijdens transport niet zijn losgeraakt. ▶ Voordat de warmtepomp in bedrijf wordt genomen: cv-systeem, boi-ler inclusief de warmtepomp vullen en ontluchten. ▶ Voer alle leidingen zo kort mogelijk uit. 3. 8 CAN-BUSPrintplaten in de ASB/ASE-module en evt. toebehoren printplaten wor-den via de communicatiekabel CAN-BUS aangesloten. CAN (Controller Area Network) is een systeem voor communicatie tussen microproces-sorgestuurde modules/printplaten. Kamertemperatuurvoeler (toebehoren) wordt met CAN-BUS aangeslo-ten. Een geschikte kabel voor de externe aansluiting is de kabel LIYCY (TP) 2x2x0,6 of gelijkwaardig.

Minimale afstand 100 mm. Het installeren samen met voelerkabels is toegestaan. De verbinding tussen de printplaten wordt via vier aders uitgevoerd, die ook de 12 V spanning tussen de printplaten verbinden. Op de printplaat bevindt zich telkens een markering voor de 12V- en de CAN-BUS-aan-sluiting. 3. 9 CAN-BUS-afsluitingAfb. 4 CAN-BUS-afsluiting[1] Afgesloten CAN-BUS[2] Niet afgesloten CAN-BUSSchakelaar S1 markeert het begin en het einde van de CAN-BUS-verbin-ding. De display printplaat (op het schakelschema met CPU gemar-keerd) en de toebehoren printplaat (IOB-B) in de ASB/ASE-module moeten door de schakelaar S1 (positie AAN) worden afgesloten. Wanneer de op de CAN-BUS aangesloten kamervoeler (TT) wordt ge-bruikt, dan is deze afgesloten en S1 op de hoofd printplaat (IOB-A) in de ASB/ASE-module moet in de modus niet afgesloten (positie UIT) wor-den ingesteld.

Bij gebruik van de multimodule moet de toebehoren printplaat hierin, in plaats van in de hoofd printplaat in de ASB/ASE-module worden afgeslo-ten. Wij adviseren, alle printplaten, die met de CAN-BUS moeten worden ver-bonden, als eerste te installeren. Tijdens deze deze installatie, moet de schakelaar S1 zich in de positie Term bevinden. (positie AAN). 3. 9. 1 Instelling van schakelaar S1Wanneer de schakelaar S1 in de positie AAN staat, is de verbinding afge-sloten. In positie AAN staat S1 in het midden en dekt het gat in de printplaat af. Wanneer de schakelaar in de positie UIT staat, is de verbinding niet afge-sloten. In positie UIT bevindt de schakelaar zich in een zijpositie en het gat in de printplaat is niet afgedekt. In gebieden met een hoge luchtvochtigheid en gevaar voor ijsvorming (in de buurt van meren, rivieren en de zee) kan men de schakelaar SW 7-6 op "on" zetten.

Daar-door worden de ontdooicycli korter. VOORZICHTIG: Storing door inductieve invloeden. ▶ De CAN-BUS-kabel moet zijn afgeschermd en afzon-derlijk worden geïnstalleerd van de 230 V of 400 V ka-bels.

AfmetingenSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03) 73. 10 Omgang met de printplaatPrintplaten met besturingselektronica zijn zeer gevoelig voor elektrosta-tische ontladingen (ESD - ElectroStatic Discharge). Om schade aan de componenten te voorkomen, is daarom bijzondere voorzichtigheid ge-boden. Afb. 5 Antistatische armbandDe schade is meestal niet direct herkenbaar. Een printplaat kan bij de in-bedrijfstelling optimaal functioneren en problemen treden vaak pas later op. Opgeladen objecten zijn alleen in de nabijheid van de elektronica een probleem. Houd een veiligheidsafstand aan van minimaal een meter tot schuimrubber, beschermfolie en ander verpakkingsmateriaal, bekle-dingsstukken van kunstvezel (bijv. fleece truien) en dergelijke, voordat u met de werkzaamheden begint. Een goede ESD-beveiliging bij het werken met elektronica biedt een op de aarde aangesloten armband.

Deze armband moet gedragen worden, voordat de afgeschermde metaalzak/verpakking wordt geopend, of voordat een gemonteerde printplaat wordt blootgelegd. De armband moet gedragen worden, tot de printplaat weer in de afgeschermde ver-pakking wordt gedaan of in een gesloten schakelkast is aangesloten. Ook vervangen printplaten, die moeten worden teruggegeven, moeten op deze wijze worden behandeld. Afb. 6 Gebruik van een antistatische armband4 Afmetingen4. 1 WarmtepompAfb. 7 Aansluitingen warmtepomp[1] Aansluitingen stroom- en signaalkabels[2] Koelmiddel leidingaansluiting (kartelaansluiting) ø 9,52(3/8“)[3] Koelmiddel leidingaansluiting (kartelaansluiting) ø 15,88(5/8“)4. 1. 1 Benodigde minimale afstanden voor de warmtepompDe minimale afstand tussen warmtepomp en wand achter de warmte-pomp is 150 mm. De minimale afstand voor de warmtepomp is 500 mm voor ODU 75 en ODU 100 resp.

1000 mm voor ODU 120t. Minimale afstand 150 mm aan de zijkanten. Houd bij de montage van een beschermdak een afstand van 1 m tot de warmtepomp aan, zodat circulatie van koude lucht wordt vermeden. Afb.

AfmetingenSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03)84.1.2 Grootte van de warmtepompAfb. 9 ODU 75, maten in mmAfb. 10 ODU 100 en ODU 120, maten in mm4.1.3 OpstellingslocatieLet erop, dat de montage-eenheid op een draagkrachtige en vlakke on-dergrond wordt opgesteld, om klapperende geluiden tijdens bedrijf te voorkomen. De aanbevolen montagehoogte boven de vloer bedraagt mi-nimaal 150 mm, om ijsvorming te compenseren. In gebieden met meer sneeuwval moeten groteren minimale afstanden worden aangehouden.Afb. 11 Maten in mm[1] > 150 mm[2] Draagkrachtige en vlakke ondergrond, bijv.

gegoten cementplaat[3] Ontluchtingsgat, mag niet worden geblokkeerd950330+309431756003706 720 644 816-06.1I1050330+3013382256003706 720 644 816-10.2IDe warmtepomp moet op een door de fabrikant aanbe-volen frame worden opgesteld.WAARSCHUWING: Beknellingsgevaar▶ Het frame (toebehoren) is gedimensioneerd voor het gewicht van de warmtepomp. Het is de verantwoor-delijkheid van de installateur om te waarborgen, dat de opstellingsplaats geschikt is voor het totaalge-wicht van warmtepomp en frame. WAARSCHUWING: Beknellingsgevaar▶ De steunbeugel (toebehoren) is gedimensioneerd voor het gewicht van de warmtepomp. Het is de ver-antwoordelijkheid van de installateur, te waarborgen, dat de wand en de wandbevestigingen zodanig zijn gedimensioneerd, dat deze het totaalgewicht van warmtepomp en frame houden. 26720644816-09.1I13

AfmetingenSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03) 9Afb. 12 Afvoer condenswater via kiezelbed[1] Fundament 100 mm[2] Enkel 300 mm[3] Condenswaterleiding 40 mm[4] KiezelbedHet condenswater kan via een kiezelbed of via een afvoer in huis worden afgevoerd. Daarbij is bij gebruik van de condensopvangbak een verwar-mingskabel voor de afvoer noodzakelijk (toebehoren).Als alternatief kan natuurlijk verzinken van het condens als oplossing worden gekozen. Hierbij kan ijsvorming op de bodem ontstaan.min. 90 cm6 720 648 131-10.1I1234

AfmetingenSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03) 114.2 ASB/ASE-moduleAfb. 14 Minimale mater ASB/ASE-module (maten in mm)Tussen de ASB/ASE-module en de wanden is een montage-afstand van min. 50 mm nodig.Voor de ASB/ASE-module is een montage-afstand van 600 mm nodig. Boven de ASB/ASE-module is een montage-afstand van min. 150 mm nodig.4.3 LeidingaansluitingenIn de ASB/ASE-module moeten de volgende aansluitingen worden uitgevoerd:▶ Installeer de afwaterslang van het overstortventiel onder afschot naar een vorstvrije afvoer.Afb. 15 Leidingaansluitingen bivalente ASB-module, met mengerAfb.

InstallatieSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03) 136 Installatie6. 1 Toebehoren6. 2 AansluitprincipeDe werking is gebaseerd op de continue condensatie en de bijverwar-ming van de ASB/ASE-module. De regelaar stuurt de warmtepomp over-eenkomstig de ingestelde stooklijn met de meetwaarden van de buitentemperatuurvoeler T2 en de aanvoertemperatuurvoeler T1. Wanneer de warmtepomp alleen de warmtevraag niet meer kan dekken, start de bijverwarming in de ASB/ASE-module automatisch en genereert samen met de warmtepomp de in huis gewenste temperatuur. De tapwatervoorziening heeft voorrang. Het tapwater wordt door een voeler T3 in de boiler gestuurd. Terwijl de boiler wordt verwarmd, is de verwarming via een 3-wegklep uitgeschakeld. Wanneer de boiler de streeftemperatuur heeft bereikt, wordt het cv-bedrijf van de warmte-pomp voortgezet.

CV- en tapwaterbedrijf bij staande warmtepomp:Bij buitentemperaturen onder ca. -15 °C (instelbare waarde) stopt de warmtepomp automatisch en kan geen warmte meer leveren. De bijver-warming in de ASB/ASE-module of de extra warmtebron neemt automa-tisch en cv-bedrijf en de tapwatervoorziening over. 6. 3 Voorbereidende leidingaansluitingen▶ Installeer de aansluitleiding voor het cv-systeem en het koud-/warm-water lokaal tot aan de opstellingsplaats van de ASB/ASE-module. 6. 4 Opstellen▶ Pak de meegeleverde toebehoren uit. ▶ Voer de verpakking af overeenkomstig de instructies daarop vermeld. 6. 5 Spoelen van het cv-systeemDe warmtepomp is een onderdeel van de cv-installatie. Storingen in de warmtepomp kunnen door slechte waterkwaliteit in de cv-installatie of door constante zuurstoftoevoer ontstaan. Door zuurstof worden corrosieve producten gevormd in de vorm van magnetiet en afzettingen.

Bij cv-installaties, die regelmatig moeten worden gevuld, of waarvan het cv-water bij het nemen van monsters geen helder water bevat, moeten voor de montage van de warmtepomp maatregelen worden genomen, bijv. installatie van een filter en een ontluchter. Gebruik geen additieven voor waterbehandeling. Additieven voor verho-ging van de pH-waarde zijn toegestaan. De aanbevolen pH-waarde is 7,5 – 9. Het medium in de cv-installatie mag niet meer dan 200 ppm chloor be-vatten. 6. 6 Sluit de warmtepomp aan op het cv-systeemIsoleer de leidingen buiten het huis met een isolatiemateriaal dat ge-schikt is voor koelmiddelleidingen. Isoleer bij toepassing in koelbedrijf de aansluitingen en leidingen tegen condensvorming. 6. 7 Aansluiting van de koelmiddelleidingDe installatie mag alleen door een erkend installateur worden uitgevoerd.

De installateur moet de geldende re-gels en voorschriften en instructies in de installatie- en gebruikershandleiding respecteren. Monteer een verwarmingskabel in de condensopvang-bak en de condensafvoer, wanneer gevaar voor ijsvor-ming bestaat. Een verwarmingskabel verdient altijd aanbeveling. Het diagnosegereedschap is nodig voor het zoeken van storingen aan de warmtepomp. Het deeltjesfilter wordt in de retourleiding naar de ASB/ASE-module gemonteerd. De afvoerleiding van het overstortventiel van de binnen-eenheid moet beveiligd tegen vorst naar beneden toe worden aangebracht. VOORZICHTIG: Door achtergebleven objecten in het leidingnet kan de installatie beschadigd raken. ▶ Om vervuiling te verwijderen, leidingnet spoelen. Korte leidingen buiten verminderen warmteverliezen. De installatie mag alleen door een erkend installateur worden uitgevoerd.

De bui-teneenheid is voorgevuld met koelmiddel R410A, dat ontsnapt, wanneer de afsluiters te vroeg worden ge-opend. Voorzichtigheid is geboden, omdat de leidingen gebo-gen moeten worden, zonder dat deze daarbij knikken. Een buigradius van 100 – 150 mm is voldoende. Gebruik koelmiddelolie met ester, ether of alcylbenzol voor het insmeren van flenzen en flensmoeren. Installeer de koelmiddelleidingen zodanig, dat naden en verbindingen voor de conform de verordening betreffen-de broeikasgassen met fluor (F-gasverordeningen) uit te voeren dichtheidstesten en jaarlijkse inspecties toegan-kelijk zijn.

InstallatieSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03)146. 7. 1 VeiligheidIn de lucht-waterwarmtepomp mag uitsluitend koelmiddel R410A wor-den gebruikt. ▶ Alleen gekwalificeerde en gecertificeerde koelmiddeltechnici mogen werkzaamheden aan de koelmiddelinstallatie uitvoeren. ▶ Gebruik bij de installatiewerkzaamheden de speciaal voor het koel-middel R410A bedoelde gereedschappen en leidingcomponenten. ▶ Waarborg de dichtheid van de koelmiddelinstallatie. Ontsnappend koelmiddel veroorzaakt bij contact met open vuur giftige gassen. ▶ Koelmiddel niet in de atmosfeer laten ontsnappen. Ontsnappend koelmiddel kan bij aanraken van de lekkageplaats bevrie-zing tot gevolg hebben. ▶ Wanneer koelmiddel ontsnapt, geen onderdelen van de lucht-water-warmtepomp aanraken. ▶ Voorkom huid- of oogcontact met het koelmiddel. ▶ Schakel bij huid- of oogcontact met het koelmiddel een arts in. 6. 7.

2 Voorbereiden installatieGereedschappenVoor de omgang met koelmiddel R410A benodigde gereedschappen:• Manometerset•Vulslang• Gaslekdetectieapparaat• Draaimomentsleutel•Flensstempel• Flensprofiel• Adapter voor de vacuümpomp• Elektronische koelmiddelweegschaalLeidingen en leidingverbindingen▶ Waarborg, dat de inwendige buisoppervlakken schoon zijn en vrij van schadelijke vervuiling, zoals zwavelverbindingen, oxiderende stoffen, vreemde objecten en stof. – Bewaar de te gebruiken koelmiddelleidingen tijdens het inbouwen niet in de buitenlucht. – Verwijder de verzegeling van de buisuiteinden pas vlak voor het hardsolderen. – Bij het installeren van de koelmiddelleidingen is absolute zorgvul-digheid vereist. Stof, vreemde objecten en vocht in de koelmiddelleidingen kunnen de oliekwaliteit beïnvloeden of uitval van de compressor veroorzaken.

3 Aansluiting▶ Stel de aansluitleidingen zo op, als deze tussen de binneneenheid en de buiteneenheid van de warmtepomp moeten worden geïnstalleerd. Begin met aansluiten bij de binneneenheid. Flenzen en aansluiten van de vloeistofleiding en gasleiding als volgt:▶ Schroef de flensmoer van de vloeistofaansluiting op de binneneen-heid van de warmtepomp los. Verwijder de afsluitkap. ▶ Plaats de flensmoer op de vloeistofleiding (maten: tab. 4). Afb. 19 Flenshoek, koelmiddelleiding▶ De leiding flenzen ( afb. 19 en tab. 4). ▶ Contactoppervlakken op de flensmoer en op de leidingflens met koel-middelolie insmeren. ▶ Flensmoer op vloeistofaansluiting van de binneneenheid vastdraaien. ▶ Flensmoer met momentsleutel vastdraaien. Draaimoment conform tab. 4. Gebruik een anderen sleutel voor de draaimomentsteun ( afb, 20).

In vergelijking met vroeger gebruikte koelmiddelen is de druk van koelmiddel R410A ca. 1,6 maal hoger. VOORZICHTIG: Materiële schade door verkeerde in-stallatie. ▶ Gebruik alleen gereedschappen, die speciaal zijn be-doeld voor koelmiddel R410A. WAARSCHUWING: Gevaar voor lichamelijk letsel door ontsnappend koelmiddel. Niet toegestane of verkeerd gedimensioneerde buizen kunnen knappen. ▶ Gebruik alleen buizen met de aangegeven wanddik-ten. 90 0,5øAR0,4~R0,845 26 720 644 816-70. 1IKoelmiddelleiding, buitendiameterFlensmoer, buitendia-meterLeidingflens (øA in afb. 19) DraaimomentVloeistofzijde 9,52 mm 3/8“ 22 mm 12,8 – 13,2 mm 34–42 NmGaszijde 15,88 mm 5/8“ 29 mm buiteneenheid27 mm binneneenheid19,3–19,7mm 68–82 NmTabel 4 Maten, flenzen en draaimoment voor de aansluiting van de koelmiddelleiding.

InstallatieSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03) 15▶ Flens de leiding en sluit deze aan op de gasaansluiting van de binnen-eenheid als bij de vloeistofleiding. Afb. 20 Trek de moer met twee sleutels aan▶ Controleer dat de afsluiters voor vloeistof en gas zijn gesloten op de buiteneenheid van de warmtepomp ( [5], afb. 13). Maak de flens-moeren los. Verwijder de afsluitkappen. ▶ Controleer, dat afsluiters dicht zijn. Geadviseerd wordt een elektroni-sche lekdetectie te gebruiken. ▶ Flenzen en aansluiting van de vloeistofleiding en de gasleiding met de buiteneenheid van de warmtepomp op dezelfde wijze als bij de bin-neneenheid. ▶ Controleer of de leiding niet tegen de compressor aanligt. Wanneer de leiding de compressor raakt, kunnen ongewone geluiden en trillingen ontstaan. 6. 7.

4 Controleer de lekdichtheid van de koelmiddelleiding▶ Controleer dat de afsluiters voor vloeistof en gas zijn gesloten op de buiteneenheid van de warmtepomp ( [5], afb. 13). Niet openen. ▶ Sluit de manometer en de gastank (droge stikstof) aan op de service-uitgang op de afsluiter voor vloeistof ([1], afb. 21). ▶ Verhoog langzaam de druk tot 4,15 MPa (41,5 bar). Wacht vijf minu-ten en controleer de druk. ▶ De druk tot 1,0 MPa (10,0 bar) laten afnemen. Wacht een uur en con-troleer de druk opnieuw. ▶ Voer een lekdetectie uit met een bellentest (lekdetectiemiddel). 6. 7. 5 VacuümafzuigingZuig de leidingen met een vacuümpomp leeg, voordat het koelmiddel doorstroomt. ▶ Sluit de vacuümpomp aan op de service-uitgang op de afsluiter van de vloeistofleiding ([1], afb. 21). ▶ Start de vacuümpomp en houdt het vacuüm minimaal een uur in stand, nadat 1 mbar (/0,75 Torr /100 Pa) is bereikt.

21 Afsluitventielen[1] Service-uitgang, vloeistofleiding (aansluiting vacuümpomp)[2] Afsluiter voor gas* ODU 75: gat voor inbussleutel, 5 mm* ODU 100 – 120: handgreep[3] Flensmoer[4] Afsluiter voor vloeistof, gat voor inbussleutel 4 mmGaszijde▶ Afdekking verwijderen. ▶ Open de afsluiter, door de schroef ( [2], afb. 21) met een 5 mm in-bussleutel (ODU 75) tot aan de aanslag te verdraaien, of draai aan de handgreep (ODU 100–120). ▶ Afdekking weer aanbrengen. Vloeistofzijde▶ Afdekking verwijderen en afsluiter ( [3], afb. 21) linksom zover mogelijk met een 4 mm inbussleutel opendraaien. Stop bij het bereiken van de aanslag. ▶ Afdekking weer opschroevenSluiten van de afsluiters in omgekeerde volgorde. 6. 7. 7 Bijvullen koelmiddel▶ Bijvullen van het systeem is niet nodig, wanneer de leidinglengte niet meer is dan 30 m.

▶ Wanneer de leidinglengte meer is dan 30 m, moet extra koelmiddel conform tab. 3 worden bijgevuld. ▶ Wanneer de ODU draait, vult u koelmiddel in vloeibare toestand bij via de service-uitgang aan de aanzuigzijde. Vul het vloeibaar koelmiddel niet direct bij in de afsluiter. ▶ Wanneer u het koelmiddel in de ODU heeft gevuld, geef dan de bijge-vulde hoeveelheid koelmiddel aan op het service-etiket (op de een-heid). Voer een dichtheidstest uit conform EN 378-2. Gebruik droge stikstof voor de controle van de dichtheid van de koelmiddelleiding. 6 720 644 816-71. 1I146 720 644 816-29. 1I32modelToegelaten leidingleng-te (enkel)Toegelaten verschil in de verticale leiding (hoogteverschil binnen-/buiteneenheid)Bijvulhoeveelheid koelmiddel R410A0 – 30 m31–40m 41–50m 51–60m 61–70m75 0–50m 0,6 kg 1,2 kg – –100 – 120 0 – 70 m 0,6 kg 1,2 kg 1,8 kg 2,4 kgTabel 5 Bijvullen van het koelmiddel.

InstallatieSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03)166. 8 Vullen van het cv-systeemCV-systeem eerst uitspoelen. Wanneer de boiler op het systeem is aan-gesloten, moet deze met water worden gevuld. Vul daarna het cv-systeem. 6. 8. 1 Vul het cv-systeem met water▶ Voordruk van het bouwzijdige expansievat op de statische hoogte van de cv-installatie instellen. ▶ Radiatorkranen openen. ▶ Vul het systeem met cv-water en met de bedoelde werkdruk. ▶ Ontlucht het cv-systeem door het ontluchtingsventiel te openen ( [1], afb. 23). Deze procedure moet eventueel meerdere malen worden herhaald en is voor de optimale werking van de warmtepomp zeer belangrijk. ▶ Ontlucht de cv-installatie ook aan de overige ontluchtingsventielen (bijv. op de radiatoren). ▶ Bijvullen tot de juiste druk.

De standaarddruk is 1,0 tot 2,5 bar, maar wel afhankelijk van de voordruk van het expansievat en de hoogte van het gebouw. ▶ Sluit het ventiel voor het vullen van het cv-water, zodra de juiste druk is bereikt. Afb. 22 ASB-module met hoogrendementpomp en met mengmodule[1] Ontluchtingsventiel (automatisch)[2] Elektrische schakelkast[3] Manometer[4] Circulatiepomp[5] MengmoduleAfb. 23 ASE-module met hoogrendementpomp en elektrische bijver-warming[1] Ontluchtingsventiel (handmatig)[2] Ontluchtingsventiel (automatisch)[3] Manometer[4] Circulatiepomp[5] Elektrische bijverwarming[6] Drukbewaking6. 8.

2 Dichtheidstest▶ Voer een laatste dichtheidstest uit, wanneer de installatie in bedrijf is genomen en een aanvoertemperatuur tussen 45-55 °C is bereikt (wordt het snelst via handbedrijf compressortrap 7 bereikt) en voer een fijnlekdetectie uit op de flensaansluitingen op de warmtepomp en op de ASB/ASE-module. 6. 8. 3 Hoogrendementpomp voor warmtedrager (G2)De fabrieksinstelling voor de primaire warmtedragervloeistofpomp is "ext. in" (afb. 24). De fabrieksinstelling mag niet met de draaiknop worden veranderd.

InstallatieSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03) 17Afb. 24 Hoogrendementpomp, G2Bij zelfregulerend bedrijf wordt de pompsnelheid door het temperatuur-verschil tussen de warmtedrager aan de ingang en aan de uitgang ge-stuurd. Wanneer de pomp niet zelfregulerend is, wordt in plaats daarvan een constante snelheid aangegeven (hoofdstuk 13. 1). 6. 8. 4 DrukbewakingDe ASE-module met elektrische bijverwarming is met een drukbewaking ( [4], afb. 23) uitgevoerd, die wordt geactiveerd, wanneer de druk in het cv-systeem te laag wordt. Wanneer de systeemdruk onder 0,5 bar licht, wordt de drukbewaking geactiveerd en deze schakelt de spanning naar de elektrische bijverwar-ming uit en het alarm Geen systeemdruk in. Storing oplossen:▶ Controleer, of het expansievat en het overstortventiel voor de druk van de installatie zijn gedimensioneerd.

▶ Verhoog langzaam de druk in het cv-systeem, door water via de vul-kraan bij te vullen. ▶ Bevestig het alarm, door de draaiknop in het bedieningspaneel van de ASE-module in te drukken ([3], afb. 62). 6. 9 Aansluiten van de boiler (toebehoren) Afb. 25 Boiler bijvoorbeeld HR200[1] Tapwateruitlaat[2] Verbruiksanode[3] CV-waterinlaat (warmtepomp)[4] Voelerpositie [5] Cv-wateruitlaat (warmtepomp)[6] Ingang koud water[7] ThermometerEen boiler in verschillende grootten is leverbaar als toebehoren. 6. 9. 1 Tapwatertemperatuurvoeler T3Wanneer de boiler is aangesloten en T3 met het systeem is verbonden, wordt deze automatisch herkend en hoeft bij de voorconfiguratie niet meer te worden bevestigd. ▶ De tapwatertemperatuurvoeler E41. T3 wordt op de klem T3 op de printplaat IOB-A in de schakelkast aangesloten. De voeler moet bij boiler HR200 in de dompelbuis op de buitenkant worden aange-bracht, ca.

InstallatieSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03)186. 9. 2 Bivalente boiler voor gebruik van zonne-energieEen bivalente boiler voor zonne-energie is als toebehoren leverbaar. Handleidingen voor de installatie en het gebruik worden met de boiler meegeleverd. 6. 10 3-wegklep (toebehoren)Systeemoplossing met boiler ( hoofdstuk 8. 4) vereist een 3-wegklep (E21. Q21). Afb. 26 Doorstroomrichting 3-wegklep[A] Naar boiler[B] Naar cv-systeem (bufferboiler)[AB] Van ASB/ASE-moduleBij de tapwatervoorziening is het contact gesloten en poort A is geopend ( afb. 27)Afb. 27In geval van verwarmen is het contact geopend en poort B geopend. ( afb. 28)Afb. 28De 3-wegomschakelklep heeft een Molex-steekverbinder. Op de Molex-connector zijn alleen de klemmen 2, 6 en 3 bezet. ( afb. 29)Afb. 296.

11 IsolatieAlle warmtetransporterende leidingen moeten van een geschikte warm-te-isolatie conform de geldende voorschriften worden voorzien. Bij koelbedrijf moeten alle aansluitingen en leidingen conform de gel-dende voorschriften van een voor koeling geschikte isolatie worden voorzien. 6. 12 Montage van de temperatuurvoeler (sensor)6. 12. 1 Aanvoervoeler T1De voeler wordt samen met de ASB/ASE-module geleverd. ▶ Sluit de aanvoertemperatuurvoeler E11. T1 op de klem T1 op de print-plaat IOB-A van de schakelkast aan. De temperatuurvoeler wordt op de bufferboiler aangebracht. ( afb. 54)6. 12. 2 Buitentemperatuurvoeler T2De kabel naar de buitentemperatuurvoeler moet aan de volgende mini-male eisen voldoen:Kabeldiameter: 0,5 mm2Weerstand: max 50 ohm/km Aantal aders: 2▶ Voeler aan de koudste zijde van het huis monteren (normaal gespro-ken de noordzijde).

voeler beschermen tegen direct zonlicht, tocht enz. Voeler niet direct onder het dak monteren. 6. 12. 3 Kamertemperatuurvoeler T5Wanneer de kamertemperatuurvoeler is aangesloten en met het sy-steem verbonden, dan wordt deze bij de voorconfiguratie automatisch bevestigd.

Eisen aan de montageplaats:• Zo mogelijk een binnenmuur zonder tocht of warmtestraling. • Houd het gearceerde oppervlak vrij ( afb. 30) zodat de kamerlucht onder de kamertemperatuurvoeler T5 ongehinderd kan circuleren. 6 720 617 643-06. 1I6 720 641 553-06. 1I6 720 641 553-07. 1IWanneer de kabel naar de buitentemperatuurvoeler lan-ger is dan 15 m, dan moet een afgeschermde kabel wor-den gebruikt. De afgeschermde kabel moet in de binneneenheid worden geaard. De maximale lengte voor een afgeschermde kabel is 50 m. Slechts één kamertemperatuurvoeler kan de tempera-tuurregeling voor het betreffende cv-circuit beïnvloe-den. 6 720 617 643-10. 2I263LNY.

InstallatieSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03) 19Afb. 30 Aanbevolen montageplaats voor kamertemperatuurvoeler T56. 13 Montage van de dauwpuntmelder (toebehoren)Wanneer op de leidingen van de cv-installatie condens wordt gevormd, schakelt de dauwpuntmelder de warmtepomp uit. Condensaat vormt zich tijdens koelbedrijf, wanneer de temperatuur van de cv-installatie onder het betreffende dauwpunt ligt. Het dauwpunt varieert afhankelijk van de temperatuur en de luchtvoch-tigheid. Des te hoger de luchtvochtigheid, des te hoger moet de tempe-ratuur zijn, om het dauwpunt te overschrijden en een condensatie te voorkomen. De vochtvoeleren zenden een signaal aan de dauwpuntmelder, wanneer deze condensvorming registreren, en stoppen dan de warmtepomp. Handleidingen voor installatie en gebruik zijn met de dauwpuntvoeleren meegeleverd. Afb. 31 Dauwpuntvoeler6. 13.

1 Koeling alleen met ventilatorconvectorenWanneer een ventilatorconvector met condensafvoer en een condens-geïsoleerde leiding wordt gebruikt, kan de aanvoertemperatuur op 5 °C worden ingesteld. 6. 14 Montage van temperatuurbewaking (thermostaat)Conform nationale voorschriften moet eventueel een temperatuurbewa-king (thermostaat) bij gebruik van vloerverwarmingen worden aange-bracht. De temperatuurbewaking onderbreekt het bedrijf van de warmtepomp, bijverwarming (alleen verwarming) en cv-pomp wanneer de aanvoer-temperatuur te hoog wordt. ▶ Installeer de temperatuurbewaking op de aanvoerleiding van de vloer-verwarming. ▶ Sluit de temperatuurbewaking aan conform het schakelschema op de klem van de ASB/ASE-module. ▶ Stel de temperatuurbewaking in op de gewenste temperatuur. Acti-veer in het menu de functie Externe ingang 1 resp. Externe ingang 2 ( hoofdstuk 13. 1).

WAARSCHUWING: Wanneer alleen vloerverwarmings-circuits aanwezig zijn, mogen de vochtvoeler en de lei-ding, waarop deze zich bevindt, niet worden geïsoleerd. OPMERKING: De vochtvoeler is uiterst gevoelig. ▶ Ga bij de montage en de isolatie voorzichtig te werk. ▶ Raak de vochtvoeler niet meer aan, nadat de be-schermsticker is verwijderd. 6 720 614 366-34. 1I0,3 m 0,3 m0,6 m1,2 - 1,5 mT5WAARSCHUWING: Bij koelbedrijf met ventilatorcon-vectoren moeten alle leidingen en verbindingen tot aan de ventilatorconvector van een condensatie-isolatie worden voorzien. ▶ Voor de condensatie-isolatie voor koelsystemen met condensvorming geschikt materiaal gebruiken. WAARSCHUWING: Het gebruik van de vloerverwar-mingsinstallatie voor het koelbedrijf onder het dauw-punt is niet mogelijk. ▶ De juiste instelling van de aanvoertemperatuur con-form hoofdstuk 13. 6. 2 uitvoeren.

Elektrische aansluitingSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03)20▶ Door kortsluiten van het circuit wordt de functie van de temperatuur-bewaking gecontroleerd. Het informatiedisplay "Veiligheidsthermos-taat geactiveerd" verschijnt in de regelaar en de warmtepomp wordt uitgeschakeld. 6. 15 Overige aansluitingen6. 15. 1 Externe ingangenDe externe ingangen E21. B11 en E21. B12 kunnen worden gebruikt, om bepaalde functies in de regelaar op afstand te bedienen. De functies, die door de externe ingangen worden geactiveerd, worden in hoofdstuk 13. 3. 10 beschreven. De externe ingang wordt op een handbediende schakelaar of een af-standsbedieningseenheid aangesloten, die bijvoorbeeld telefonisch wordt geactiveerd. 6. 16 Extra mengkraangroepDe ASB/ASE-module is voorbereid in de standaarduitvoering voor de be-sturing van een ongemengd en een gemengd circuit.

Dit omvat de bestu-ring van het mengkraan en de cv-pomp. Er zijn ingangen voor de aanvoervoeler, kamertemperatuurvoeler, dauwpuntmelder (tot vijf stuks) en twee externe ingangen. ▶ Monteer het mengkraan en de cv-pomp conform de systeemoplossing ( hoofdstuk 8. 4). ▶ Sluit het mengkraan en de cv-pomp aan conform het aansluitschema ( hoofdstuk 13. 1). ▶ Installeer de aanvoervoeler op de aanvoer van het mengkraan con-form de systeemoplossing ( hoofdstuk 8. 4). ▶ Sluit de aanvoervoeler aan conform schakelschema afb. 47. ▶ Monteer de kamertemperatuurvoeler en de dauwpuntmelder (indien koelbedrijffunctie via dauwpunt)▶ Sluit deze aan conform schakelschema afb. 47. De instellingen in de ASB/ASE-module vindt u in hoofdstuk 13. 5. 6. 17 Verwijderen van toebehorenWanneer een toebehoren (bijv.

een multimodule) werd geïnstalleerd en later van de installatie werd verwijderd, omdat het niet meer wordt ge-bruikt, dan moet het resetten naar de fabrieksinstelling op serviceniveau worden uitgevoerd. Dat geldt niet bij het vervangen van defecte toebe-horen. ▶ Kies het installatie- en servicemenu ( hoofdstuk 11).

▶Uitgebreid menu kiezen. ▶Naar fabrieksinstellingen resetten kiezen. ▶Kies ja en dan Opslaan. Na het resetten naar de fabrieksinstelling moeten alle instellingen in de ASB/ASE-module weer opnieuw worden ingesteld. 7 Elektrische aansluiting▶ Rekening houdend met de geldende voorschriften voor de 230 V/50 Hz-aansluiting minimaal 3-aderige elektrische kabel model H05VV-U gebruiken. Voor 400V/50Hz wordt een 5-aderige elektrok-abel model H05VV-U gebruikt. Gebruik aderdiameters en -type con-form de voorgeschakelde zekeringen en de installatiewijze. ▶ Veiligheidsmaatregelen conform VDE voorschriften 0100 en speciale voorschriften (TAB) van de lokale energiebedrijven respecteren. ▶ Conform EN 60335 deel 1 toestel vast op de klemmenstrook van de schakelkast aansluiten en via scheidingsinrichting met min. 3 mm contactafstand aansluiten (bijv. zekeringen, LS-schakelaar).

Er mo-gen geen andere verbruikers worden aangesloten. ▶ Bij de aansluiting van een aardlekschakelaar (FI-schakelaar) het actu-ele schakelschema respecteren. Alleen voor het betreffende merk toegelaten componenten aansluiten. ▶ Bij vervangen van de printplaat de kleurcodering respecteren. VOORZICHTIG: De componenten, die op de externe aansluitingen van de warmtepomp worden aangesloten, moeten voor 5V en 1 mA geschikt zijn. De ASB/ASE-module kan maximaal een gemengd en een ongemengd cv-circuit aansturen. VOORZICHTIG: Noteer de parameters (stooklijn, streefwaarde, programma. ), die bij de inbedrijfstelling zijn ingesteld, voordat u reset naar de fabrieksinstellin-gen. GEVAAR: Gevaar door elektrocutie. ▶ Aansluitingen voor werkzaamheden aan elektrische componenten altijd spanningsloos schakelen. GEVAAR: Gevaar door elektrocutie.

WAARSCHUWING: De installatie wordt beschadigd, wanneer nog geen water aanwezig is en de voedings-spanning wordt ingeschakeld. ▶ Vul de boiler en zet deze onder druk; vul de cv-instal-latie. Pas daarna de voedingsspanning inschakelen. VOORZICHTIG: Voor de eerste start moet de compres-sor worden opgewarmd. ▶ Schakel daarom de buiteneenheid 2 uur voor de inbe-drijfstelling in. ▶ Voor de inbedrijfstelling van het totale systeem moet de buiteneenheid minimaal 1 minuut van het net wor-den gescheiden. Voor het uitschakelen van de spanning op de binnen- en buiteneenheid altijd de spanning bij beiden ongeveer te-gelijkertijd uitschakelen en minimaal 1 minuut wachten, tot de spanning weer wordt ingeschakeld. De elektrische aansluiting van de warmtepomp moet vei-lig kunnen worden gescheiden.

▶ Afzonderlijke veiligheidsstroomschakelaar installe-ren, die de warmtepomp compleet van de spanning kan scheiden. Bij een gescheiden voedingsspanning moet voor iedere voedingsspanning een eigen veilig-heidsschakelaar worden geïnstalleerd.

Elektrische aansluitingSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03) 217.1 Aansluiting van de warmtepomp▶ Demonteer de leidingbescherming ([3], afb. 32).▶ Trek de aansluitkabel door de trekontlasting aan de zijde van de warm-tepomp ([1], afb. 32).▶ Sluit de kabel aan conform afb. 33, alle kabelbevestigingen natrekken.▶ Monteer de serviceklep weer.Afb. 32 Aansluiting warmtepomp (voorbeeld met ODU 120)[1] Trekontlasting, kabel zodanig bevestigen, dat deze niet in contact met de serviceklep komen.[2] Leidingbescherming[3] Voorste leidingbescherming[4] ServiceklepWAARSCHUWING: SW8 op de printplaat van de buiten-eenheid moet als volgt zijn ingesteld: 3 = AAN, 2 = UIT, 1=UIT ( afb.

33)VOORZICHTIG: Printplaat alleen aanraken, wanneer u een antistatische armband draagt ( hoofdstuk 3.10).Tussen de eenheid in huis en de warmtepomp wordt een signaalkabel met de minimale afmetingen 2 x 0,3 mm2 en een maximale lengte van 120 m geïnstalleerd.12346720648125-10.1IInstallatie geldt voor alle afmetingen.

Elektrische aansluitingSupraeco A SAS – 6 720 805 043 (2013/03)227. 1. 1 Instelling SW8De schakelaar SW8-3 op de printplaat van de buiteneenheid moet altijd in positie AAN staan, omdat de aansluiting S1 niet voor de voeding van de PAC-printplaat wordt gebruikt. SW8-3 moet conform afb. 33 zijn ingesteld. Afb. 33 Aansluitidentificaties warmtepomp[1] 1-fasige aansluiting[2] 3-fasige aansluiting[3] Signaalkabel7. 1. 2 Steekbrugplaatsing bij aansluiting 1-fasig en 3-fasig, 9 kW elektrische bijverwarmingAfb. 34 Plaatsing van de steekbruggen in ASE-module, 1-fasig en 3-fasig[1] Plaatsing van de steekbruggen bij 3-fasig (uitleveringstoestand)[2] Plaatsing van de steekbruggen bij 1-fasig7. 1. 3 Alarmsignaal, 2e warmtebronBij externe 2e warmtebron wordt het alarmsignaal actief op E71. E1. F21 (230 V) op de aansluitklem J4 van de hoofd printplaat (IOB-A) in de ASB-binneneenheid aangesloten.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Junkers SAS ODU75-ASB stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden