Husqvarna TS 238 Handleiding


Bekijk gratis de handleiding van Husqvarna TS 238 (92 pagina’s), behorend tot de categorie Tractor. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 24 mensen en kreeg gemiddeld 4.2 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over Husqvarna TS 238 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/92
Euro
115 77 51-20 Rev. 4
TS 238
Instruction manual
Please read these in struc tions care-
ful ly and make sure you un der stand
them before using this ma chine.
Manuel d’instructions
Merci de lire trés attentivement le
manuel d'instructions. Assurez-vous
d'avoir tout compris avant d'utiliser
ce tracteur.
Manuale di istruzioni
Prima di utilizzare la macchina
leggete queste istruzioni con at-
tenzione ed accertatevi di averle
comprese bene.
Instructieboekje
Lees deze instructies aandachtig en
zorg dat u ze begrijpt voordat u deze
ma chine gebruikt.
Manual de las instrucciones
Por favor lea cuidadosamente y
comp-renda estas intrucciones an tes
de usar esta maquina.
Bedienungsanleitung
Lesen Sie diese Anweisungen
sorgfältig durch und machen Sie sich
mit dem Inhalt vertraut, bevor Sie
diese Maschine benutzen.

Beoordeel deze handleiding

4.2/5 (2 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Husqvarna
Categorie: Tractor
Model: TS 238

Handleiding Husqvarna TS 238 – volledige tekst

13I. TRAINING• Lees de instructies aandachtig. Zorg dat u vertrouwd bent met de bedieningselementen en het juiste gebruik van de machine. • Laat kinderen of mensen die niet bekend zijn met de in-structies, de maaimachine niet gebruiken. Het is mogelijk dat plaatselijke voorschriften een beperking stellen aan de leeftijd van de bestuurder. • Maai nooit terwijl mensen, vooral kinderen, of huisdieren in de buurt zijn. • Bedenk dat de bestuurder of gebruiker verantwoordelijk is voor ongelukken of risico’s die andere mensen of hun eigendommen kunnen overkomen. • Geen passagiers vervoeren. • Alle bestuurders dienen vakkundige instructies te ontvan-gen. Bij dergelijke instructies dient de nadruk te worden gelegd op:- de noodzaak voor aandacht en concentratie bij het werken met zittrekkers;- een zittrekker die op een helling wegglijdt, kan niet onder controle worden gehouden door te remmen.

De hoofdredenen voor besturingsverlies zijn:a) onvoldoende houvast;b) te snel rijden;c) ontoereikend remmen;d) het soort machine is niet geschikt voor de taak;e) gebrek aan kennis van het effect van bodemcondities, vooral hellingen;f) verkeerd vastkoppelen en verkeerde verdeling van de lading. II. VOORBEREIDING• Inspecteer om brandgevaar te voorkomen, of er afvalo-phopingen zijn bij de tractor, de maaier en achter alle beveiligingen en verwijder die – voor het gebruik, als u brandstof tankt en aan het einde van iedere maaisessie. • Draag tijdens het maaien altijd stevige schoenen en een lange broek. Gebruik de ma chine niet blootsvoets of terwijl u open sandalen draagt. • Inspecteer de plek waar de machine zal worden gebruikt, grondig en verwijder alle voorwerpen die door de ma chine kunnen worden weggeslingerd. • WAARSCHUWING - Benzine is licht ontvlambaar.

Draai de dop nooit van de benzinetank af of tank nooit terwijl de motor draait of heet is. - Als benzine is gemorst, probeer de motor dan niet te starten maar haal de machine van de plaats vandaan waar u benzine heeft gemorst en zorg dat u geen ont-stekingsbron teweeg brengt totdat de benzinedampen zijn verdreven. - Draai de dop van alle brandstoftanks en -blikken weer goed vast. • Vervang defecte geluiddempers. • Inspecteer vóór het gebruik altijd of de messen, mesbouten en maai-inrichting niet versleten of beschadigd zijn. Vervang versleten of beschadigde messen en bouten in sets om het evenwicht in stand te houden. • Op machines met meerdere messen dient u eraan te denken dat het draaien van één mes andere messen kan doen draaien. III. BEDIENING• Laat de motor niet draaien in een besloten ruimte waar gevaarlijke koolmonoxydedampen zich kunnen verzamelen.

• Maai alleen bij daglicht of goed kunstlicht. • Voordat u de motor gaat starten, moet u alle meshulpstuk-koppelingen uitschakelen en naar de vrijloop schakelen. • Gebruik de trekker niet op hellingen van meer dan 15°. • Denk eraan dat er geen “veilige” hellingen bestaan. Bij het rijden op hellingen met gras dient men extra voorzichtig te zijn. Zo zorgt u ervoor dat de trekker niet omslaat:- stop en start niet plotseling bij het op- of afrijden van een helling. - schakel de koppeling langzaam in, houd de ma chine altijd in de versnelling, vooral bij het afrijden van een heuvel;- de snelheid van de machine dient op hellingen en in scherpe bochten laag te worden gehouden;- kijk uit voor bulten en kuilen en andere verborgen gevaren. - maai nooit dwars op de helling tenzij de maaier voor dit doel is ontworpen. • Wees voorzichtig bij het trekken van ladingen of het gebruik van zwaar materieel.

- Gebruik alleen goedgekeurde aanhaakpunten voor een trekstang. - Beperk de lading tot hetgeen u veilig kunt hanteren. - Maak geen scherpe bochten. Wees voorzichtig bij achteruit rijden.

- Gebruik contragewicht(en) of wielgewichten wanneer dat in de handleiding wordt aangeraden. • Kijk uit voor het verkeer wanneer u de weg oversteekt of zich nabij een weg bevindt. • Stop de messen voordat u andere oppervlakken dan gras oversteekt. • Voer bij het gebruik van hulpstukken het materiaal nooit af in de richting van omstanders en laat niemand in de buurt van de machine komen terwijl deze in bedrijf is. • Gebruik de maaimachine nooit met defecte beschermkappen en schermen of zonder beveiligingsinrichtingen op hun plaats. • Verander de instelling van de motorregelaar niet en laat de motor niet met te hoge toeren draaien. Als de motor met te hoog toerental draait, kan het risico van lichamelijk letsel groter worden.

• Voordat u de bestuurdersstoel verlaat:- de aftakas uitschakelen en de hulpstukken neerlaten;- naar de vrijloop schakelen en de parkeerrem inschakelen;- de motor stoppen en de sleutel verwijderen. • Schakel de aandrijving naar de hulpstukken uit, stop de motor en maak de bougiekabel(s) los of verwijder het contactsleuteltje,- voordat u opgehoopt materiaal weghaalt of een verstopte afvoer leeg maakt;- voordat u de maaimachine controleert, schoonmaakt of eraan werkt;- nadat u een ongewenst voorwerp heeft geraakt. Inspect-eer de maaimachine op schade en voer reparaties uit voordat u de machine weer start en gebruikt;- als de machine abnormaal begint te trillen (onmiddellijk controleren). - vor dem Entfernen von Verstopfungen aus dem Mähwerk oder dem Auswurf;• Schakel de aandrijving naar de hulpstukken uit tijdens transport of als ze niet worden gebruikt.

• Stop de motor en schakel de aandrijving naar het hulpstuk uit,- Voordat u tankt;- voordat u de opvangzak verwijdert;- voordat u de hoogte verstelt tenzij de hoogte vanuit de bestuurdersplaats kan worden ingesteld. 1. Veiligheidsregels Veilige bedieningsmethoden voor zittrekkersBELANGRIJK: DEZE MAAIMACHINE KAN HANDEN EN VOETEN AMPUTEREN EN VOORWERPEN WEGSLINGEREN.

14• Minder gas tijdens het uitlopen van de motor, en als de motor met een afsluitklep is uitgerust, moet u de brand-stoftoevoer aan het einde van het maaien afsluiten. WAARSCHUWING: KINDEREN KUNNEN VERWOND WORDEN DOOR DEZE APPARATUUR. De American Academy of Pediatrics adviseert dat kinderen minimaal 12 jaar moeten zijn voordat ze een lopend bediende gazonmaaier gebruiken en minimaal 16 jaar moeten zijn voordat ze een rijdende gazonmaaier gebruiken. • Bij het laden of ontladen van de machine mag de maxi-maal aanbevolen bedieningshoek van 15° niet worden overschreden. • Draai een geschikte persoonlijke beschermingsuitrusting (Personal Protective Equipment, PPE) tijdens het gebruik van deze machine, inclusief (minimaal) stevige schoenen, een veiligheidsbril en gehoorbescherming. Maai niet met laag schoeisel en/of schoeisel met open tenen.

• Trillingsniveaus vermeld in deze handleiding zijn niet aangepast voor blootstelling van de werknemer aan trill-ingen. Werkgevers dienen de waarden overeenkomstig de blootstelling gedurende 8 uur (A(8)) en de limiet voor blootstelling van de werknemer overeenkomstig te berek-enen. • Laat altijd aan iemand weten dat u buiten aan het maaien bent. IV. ONDERHOUD EN OPSLAG• Houd alle moeren, bouten en schroeven goed vastgedraaid zodat u er zeker van kunt zijn dat de machine in een veilige bedrijfsstaat verkeert. • Sla de machine nooit in een gebouw op, waar dampen een open vlam of vonk kunnen bereiken, terwijl zich benzine in de tank bevindt. • Laat de motor afkoelen voordat u hem in een besloten ruimte opbergt. • Beperk brandgevaar: houd de motor, geluiddemper, ac-curuimte en benzine-opslagruimte vrij van gras, bladeren of een overmaat aan smeervet.

• Controleer de opvangzak vaak op slijtage of verwering. • Vervang versleten of beschadigde onderdelen om veiligheidsredenen. • Als de brandstoftank afgetapt moet worden, moet dit buiten worden gedaan.

• Op machines met meerdere messen dient u eraan te denken dat het draaien van één mes andere messen kan doen draaien. • Wanneer de machine moet worden geparkeerd, opgeslagen of alleen moet worden gelaten, moet de maai-inrichting neergelaten worden tenzij een mechanische vergrendeling wordt gebruikt. WAARSCHUWING: Maak de bougiekabel altijd los, plaats hem waar hij de bougie niet kan raken teneinde onverhoeds starten te voorkomen tijdens het opstel-len, vervoeren, afstellen of uitvoeren van reparaties.

ALBERO DI ESTENSIONEHET STUUR• Monteer de verlengas (1). • Monteer de stuuraskap. Let erop dat de stuurtaps in de kap in de respectievelijke gaten vallen. • Haal de stuuradapter van het stuur af en schuif de adapter op het verlengstuk van de stuuras. Controleer of de voorwielen recht naar voren staan gericht en plaats het stuur op de naaf. • Bevestig de grote platte sluitring, de borgring en de zeskantbout. Zet ze stevig vast. • Klik het inzetstuk in het midden van het stuur. 1. VERLENGAS.

24291011111312142377148856 DE STOEL INSTALLERENVerwijder de bouten en vleugelmoeren waarmee de stoel aan de kartonnen verpakking is bevestigd en houd deze apart voor montage van de stoel op de trekker. Verwijder het karton en gooi het weg. BELANGRIJK: Verwijder de tape (1) niet van de stelhendel totdat de stoel goed op de trekker is bevestigd. • Sluit de kabelboom (2) aan op de stoelschakelaar (3). OPMERKING: De drie pads worden niet allemaal op hetzelfde moment geïnstalleerd. De middelste pad moet eerst worden gemonteerd, voordat de andere pads in lijn komen met de montagegaten. • Plaats de stoel op de zitting (4), zodat de middelste pad (5) in lijn is met het middelste sleufgat (6). • Plaats de pad en trek de stoel naar de achterkant van de trekker totdat de twee voorste pads (7) in lijn zijn met de voorste sleufgaten (8).

• Plaats de pads door gelijkmatig en licht naar beneden te drukken en de stoel naar de achterkant van de trekker (9) te trekken, waarbij u ervoor moet zorgen dat de voorste pads in de zitting vallen. • Breng de stoel omhoog. Monteer de bouten (10) en vleugelmoeren (11) en bevestig ze goed aan de voorste pads (12). OPMERKING: Zorg ervoor dat "UP" (boven) rechtop staat en dat de pijl naar boven in de richting van de vleugelmoeren wijst. • Verwijder de tape (13) en gooi deze weg. WAARSCHUWING: Zorg ervoor dat de stoel goed vast zit aan de zitting voordat u op de stoel gaat zitten of de trekker gaat gebruiken. • Laat de stoel in de bedieningsstand zakken en ga op de stoel zitten. Druk het koppelings-/parkeerrempedaal helemaal in. Als de bedieningspositie niet comfortabel is, stel de stoel dan af. DE STOEL AFSTELLENPak de stelhendel (14) vast en trek hem omhoog.

WAARSCHUWING: Doe voor het intalleren van de accu alle metalen voorwerpen: armbanden, ringen, horloges enz. , uit. Anders kan het contat tussen deze voorwerpen en de accu brandwonden veroorzaken.

• Stel de stelwielen zodanig af dat ze iets van de grond staan terwijl de maaier op de gewenste maaihoogte staat. Breng het stelwiel in de juiste opening aan en bevestig stevig met de borstbout, onderlegring en borgmoer. • Herhaal deze stappen aan de andere zijde om het stelwiel in dezelfde opening te installeren.

AcceleratoreQuesto comando aumenta o diminuisce il regime di giri del motore e di consequenza la velocità di rotazione delle lame. = Pieno gas = Minimo = Posizione di avviamento per clima freddo2. GashendelMet de gasregelaar wordt het toerental van de motor geregeld en daardoor ook de rotatiesnelheid van de messen. = Volgas-positie = Stationair-positie = Stand starten bij koude weersomstandigheden

Sistema per operazioni in retromarcia (ROS) - Permette l’o-perazione della falciatrice o altro elemento collegato mentre in fase di marcia indietro (Vedi sezione 5 - “Guida”). PERICOLO. Prima di lasciare la macchina, togliere sempre la chiave. 7. Stuurslot/contactDe contactsleutel heeft vier verschillende standen:OFF Alle elektrische stroom uitgeschakeldROS ON Systeem voor achteruit (ROS) aangeslotenON De elektrische stroom ingeschakeldSTART Startmotor ingeschakeldSysteem voor achteruit (ROS) – Maakt het mogelijk het ma-aierdek te gebruiken of een ander aangekoppeld apparaat dat elektrisch wordt aangedreven als men achteruit rijdt (Zie sectie 5 - “Rijden”). WAARSCHUWING. Laat nooit de sleutel in het contact zitten, wanneer de machine zonder toezicht wordt achtergelaten.

8-10 amp e deve essere utilizzata solo con questi caricabatteria. Contattare il rivenditore locale per conoscere i caricabatteria disponibili. 19. Accu-indicator/OplaadstekkerDe accu-indicator geeft de status van de accu aan. Er zijn drie verschillende indicatielampjes:1. ROOD Opladen is noodzakelijk2. GEEL Opladen wordt aanbevolen3. GROEN Opladen is niet nodigOPMERKING: Wacht 30 minuten na gebruik van de accu voor een nauwkeurige indicatie van de lading. De accu kan worden opgeladen via de oplaadstekker (4). WAARSCHUWING: De oplaadstekker (4) past alleen in CTEK 12 volt-laders tussen de 0,8-10 ampère en mag alleen worden gebruikt met deze laders. Neem contact op met uw plaatselijke leverancier voor verkrijgbare laders. 123419.

Se necessario, aggiungere olio fino al raggiungimento della parte superiore del settore tratteggiato sull'astina. Per la capacità approssimativa e il tipo di olio, fare riferimento a "SPECIFICHE TECNICHE DEL PRODOTTO" in questo manuale. Evitare di superare il limite. Het oliepeil moet tussen de markeringen op de oliepeilstok staan. Vul indien nodig olie bij totdat de bovenkant van het gemarkeerde deel op de peilstok wordt bereikt. Raadpleeg voor de capaciteit en het olietype het gedeelte "PRODUCT-SPECIFICATIES" van deze handleiding. Giet niet te veel brandstof in de tank.

Quando si avvia il motore per la prima volta, o quando si esaurisce il carburante nel serbatoio, il tempo di avviamento è più lungo, in quanto si deve attendere che il carburante dal serbatoio raggiunga il motore. Sedersi sul sedile in posizione di guida, premere il pedale dei freni e tirare il freno di stazionamento. Il tagliaerba deve essere sollevato in posizione di trasporto ela leva di inseri-mento/disinserimento deve essere in `posizione”disinserito”. Het starten van de motorDe op uw tractor gemonteerde Briggs & Stratton Endurance motor heeft een Ready-Start automatisch chokesysteem zodat in normale omstandigheden gemakkelijker gestart kan worden. Lees de volgende aanwijzing voor het starten alstublieft aandachtig door.

NORMAAL STARTEN (32°F/0°C en hoger)• Zet de gashendel in de snelle stand ( ) en klik hem vast op zijn plaats. LET OP: Laat de startmotor niet langer dan vijftien secon-den per minuut continu draaien. Als de motor na diverse pogingen niet start, wacht dan een paar minuten en probeer het nog eens. • Steek de sleutel in het contactslot en draai hem rechtsom () naar de stand “START” en laat hem los zodra de motor aanslaat. • Wanneer de motor gestart is kunnen de hulpstukken en aandrijving gebruikt worden. Als de motor de belasting niet accepteert en afslaat, start de motor dan opnieuw en laat hem gedurende een minuut warmlopen. • Laat de gashendel in de snelle stand () stand staan terwijl u rijdt. 02927.

LET OP: Laat de startmotor niet langer dan vijftien secon-den per minuut continu draaien. Als de motor na diverse pogingen niet start, wacht dan een paar minuten en probeer het nog eens. • Steek de sleutel in het contactslot en draai hem rechtsom () naar de stand “START” en laat hem los zodra de motor aanslaat. • Wanneer de motor gestart is, de gashendel terugdraaien naar de snelle stand () om de motor op te warmen. De tijd die nodig is om de motor po te warmen kan variëren van enkele seconden tot een minuut, afhankelijk van de omstandigheden en temperatuur. • Laat de gashendel in de snelle stand () stand staan terwijl u rijdt. COLD WEATHER STARTING (32°F/0°C and below)• Move throttle control beyond fast position into the cold weather starting position ( ). CAUTION: Do not run starter continuously for more than fifteen seconds per minute.

TRANSMISSIE ONTLUCHTENVoor de juiste werking en prestaties wordt aangeraden om de transmissie te ontluchten voordat de trekker voor het eerst wordt gebruikt. Hierdoor wordt lucht binnenin de transmissie verwijderd, die er tijdens het vervoer van uw trekker kan zijn ontstaan.

BELANGRIJK: MOCHT UW TRANSMISSIE VOOR ONDER-HOUD OF VERWISSELING VERWIJDERD MOETEN WOR-DEN, DAN DIENT HIJ NA DE INSTALLATIE ONTLUCHT TE WORDEN, VOORDAT U DE TREKKER GEBRUIKT. • Parkeer de trekker veilig op een vlakke ondergrond zodat hij in geen enkele richting kan wegrollen. Voor de volgende handeling moet de parkeerrem uitgeschakeld zijn. • Schakel de transmissie uit door de freewheel-hendel in de free wheel-stand te plaatsen. • Start de motor en breng de gashendel naar de stand Langzaam. Controleer of de parkeerrem uitgeschakeld zijn. • Druk het vooruitrijpedaal volledig in. Houdt deze vijf (5) sec-onden ingedrukt en laat dan los. Druk het achteruitrijpedaal volledig in. Houdt deze vijf (5) seconden ingedrukt en laat dan los. Herhaal deze procedure drie (3) keer. • Stop de trekker door de contactsleutel naar de stand “OFF” (UIT) te draaien.

Vooruitrijden en AchteruitrijdenDe richting en snelheid tijdens het rijden wordt bepaald door de vooruitrij en acheruitrijpedalen. • Start de traktor en haal de parkeerrem eraf. • Druk voorzichtig op het vooruitrij of achteruitrijpedaal om te gaan rijden. De snelheid neemt toe als het pedaal meer wordt ingedrukt. MaaienZet het maaionderdeel lager door de tilhendel naar voren te bewegen en bevestig het maaionderdeel. Kies een rijsnelheid die bij het terrein en de gewenste maairesultaten past. 5.

• Guardare giù e indietro prima di fare retromarcia. • Premere lentamente il pedale di retromarcia per iniziare il movimento. • Quando l’utilizzo nel ROS non serve più, girare la chiave di accensione in direzione orario con il motore in posizione "ON". Systeem voor achteruit - (ROS)Uw tractor is uitgerust met een systeem voor achteruit (reverse operation system – ROS). Elke poging door de bestuurder om achteruit te rijden waarbij het aankoppelingspedaal actief is, zal de motor doen afslaan, tenzij het contactsleuteltje zich in de "ON"-positie van de ROS bevindt. WAARSCHUWING. Achteruit rijden met het aankoppeling-spedaal actief tijdens het maaien wordt sterk afgeraden.

Als men de ROS "ON:" zet, om achteruit rijden met het aankop-pelingspedaal actief mogelijk te maken, dient dit alleen te gebeuren als de bestuurder beslist dat het nodig is de machine een andere positie te geven met wat aangekoppeld is. Maai niet achteruit, tenzij dit absoluut nodig is. WERKEN MET DE ROS• De motor loopt en draai de contactschakelaar tegen de klok in naar de positie "ON" van de ROS.

• Localiseer en markeer grotere stenen of andere vast-evoorwerpen, om ze bij het maaien te kunnen vermijden. • Start met een hoge maaihoogte en verlaag deze tot gewenste maairesultaat is verkregen. • Het maairesultaat wordt het beste met een hoog toerental (de messen roteren snel) en een lage versnelling (de ma-chine beweegt zich langzaam). Als het gras niet te lang en dik is, kan de rijsnelheid worden opgevoerd door een hogere versnelling te kiezen of door de motorsnelheid te verhogen zonder dat dit de maairesultaten beïnvloedt. • Het mooiste gazon wordt verkregen, als het vaak wordt gemaaid. Het maaien geschiedt gelijkmatiger en het ge-maaide gras wordt ook gelijkmatiger over het oppervlak verdeeld. Het totale tijdsbestek voor het maaien wordt niet langer, daar een grotere rijsnelheid kan worden toegepast, zonder dat het maairesultaat minder wordt. • Vermijd een nat gazon te maaien.

485 ATTENTION. • Ne jamais utiliser un tracteur sur des pentes excédant 15°. Les risques de renversement étant alors très importants. • Ne jamais rouler parallèlement à la pente du fait des risques de renversement. Toujours rouler perpendiculairement à la pente, aussi bien en montant, qu'en descendant. • Ne jamais arrêter ou démarrer un tracteur en pente. ADVERTENCIA. • No conduzca por terreno de inclinación superior a 15°, pues hay riesgo de sobrepeso en la parte posterior. • No conduzca por los bordes de terrenos inclinados, puesto que es entonces muy grande el riesgo de vuelco. • Evite el parar o arrancar la máquina en terreno inclinado. PERICOLO. • Non affrontare pendi superiori a 15° gradi. • Non procedere mai trasversalmente alla linea di massima pendenza. • Evitare fermate o partenze su terreni in pendio. WAARSCHUWING. • Rij niet op een terrein met een helling van meer dan 15°.

Voor elk gebruik:• Controleer het oliepeil en smeer de draaipunten indien nodig. • Controleer of alle bouten, moeren en splitpennen op hun plaats zitten en goed vast zitten. • Controleer de accupolen en ontluchtingsopeningen. • Laad voorzichtig op bij 6 ampere indien nodig. • Maak het luchtscherm schoon. • Zorg dat er geen vuil en kaf op en in de tractor zit, zodat de motor niet beschadigd of oververhit raakt. • Controleer de werking van de remmen. ReinigenWij raden u af om een tuinslang of hogedrukreinigingsapparaat te gebruiken om uw tractor te reinigen, tenzij de motor en de transmissie afgedekt zijn om water buiten te houden. Er kan water in de motor of in de transmissie komen, wat de levensduur van uw tractor verkort. Gebruik perslucht of een bladblazer om gras, bladeren en vuil van de tractor en maaier te verwijderen. Reinigen Stuurplaat:• Reinig het vuil van de stuurplaat.

Vuil kan het schakelen van het koppelings/rempedaal beperken, hierdoor kan de riem gaan slippen en de aandrijving verloren gaan. OP GELET: Vermijd alle kwetsbare punten en beweegbare onderdelen. 1. OP GELET: KWETSBARE PUNTEN. 2. Stuurplaat3. Stuurinrichting, dashboard, spatbord en maaier zijn niet afgebeeld. 4. Bovenkant reinigen. 5. Koppeling/Rempedaal53421.

SERVICE AANTEKENINGENVul telkens u service uitvoert, de datum inIndien NodigOm De 8 UurOm De 25 UurOm De 50 UurOm De 100 UurOm De 200 UurMotorolie vervangen (zonder oliefilter) *. •Motorolie vervangen (met oliefilter) *. •Draaipunten smeren. •Werking van de remmen controleren. •Lchtscherm schoonmaken *. •Papieren inzetstuk van de luchtreiniger vervangen *. •Koelribben van de motor schoonmaken *. •Bougie vervangen. •Bandendruk controleren. •Brandstoffilter vervangen. •Laad de accu op (minimaal 12,4 Volt ). •Maak de accu en de klemmen schoon *. •Controleer de knaldemper. •Inspecteer de geluiddemper elke 50 bedrijfsuren of zes maanden op tekenen van beschadiging. Als er een beschadiging wordt geconstateerd, raadpleeg dan de reparatieonderdelenlijst of neem contact op met uw lokale dealer om een vervangend onderdeel te bestellen.

Het luchtscherm moet vrij van vuil en kaf worden gehouden, om te voorkomen dat er motorschade ontstaat door oververhitting. Reinig met een staalborstel of perslucht om vuil en vastzittende gedroogde vezels te verwijderen. LUCHTFILTER Het gebruik van een vuil luchtfilter zorgt ervoor dat uw motor niet goed draait.

U kunt ook als volgt de rem controleren:1. Parkeer de tractor op een vlakke, droge betonnen of geplaveide ondergrond, duw het rempedaal helemaal in en schakel de parkeerrem in. 2. Ontkoppel de transmissie door de vrijstand-hendel in de stand “transmissie ontkoppeld” te zetten. Trek de vrijstand-hendel uit en in de gleuf en laat hem los zodat hij in de ontkoppelde stand wordt vastgehouden. De achterwielen moeten blokkeren en slippen als u de tractor handmatig vooruit probeert te duwen. Als de achterwielen draaien, moet de rem worden nagekeken. Neem contact op met een of een ander deskundig servicecentrum.

Systeem voor aanwezigheid bestuurder en sys-teem voor achteruit werken (ROS)Zorg ervoor dat de systemen voor de aanwezigheid van de bestuurder en voor achteruit werken goed werken. Als uw tractor niet zoals hierboven beschreven werkt, dient u het probleem onmiddellijk op te lossen. • De motor start niet, tenzij het rempedaal volledig ingedrukt is en het aankoppelingspedaalregelaar zich in de vrije positie bevindt. CONTROLEER HET SYSTEEM VOOR AANWEZIGHEID BESTUURDER• Wanneer de motor loopt, dient elke poging door de bestuurder om zijn stoel te verlaten zonder eerst de parkeerrem in te stellen de motor uit te zetten. • Wanneer de motor loopt en het aankoppelingspedaal is actief, dient elke poging van de bestuurder om zijn stoel te verlaten de motor af te sluiten. • Het aankoppelingspedaal dient nooit te werken, tenzij de bestuurder in zijn stoel zit.

CONTROLEER HET SYSTEEM VOOR ACHTERUIT WERKEN (ROS)• Als de motor loopt en de contactschakelaar zich in de positie "ON" van de motor bevindt en het aankoppeling-spedaal is actief, dient elke poging van de bestuurder om over te schakelen naar achteruit (reverse) de motor af te sluiten. • Als de motor loopt en de contactschakelaar zich in de positie "ON" van de ROS bevindt en het aankoppeling-spedaal is actief, dient elke poging van de bestuurder om over te schakelen naar achteruit (reverse) de motor niet af te sluiten. 6.

Het slijpen kan geschieden met een vijl of met een slijpschijf. N. B. : Het is zeer belangrijk dat beide uiteinden van het mes even-veel worden geslepen, om onbalans te voorkomen.

MES VERWIJDEREN• Zet de maaier in de hoogste stand om bij de messen te kunnen. • Haal de mesbout eraf. • Monteer een nieuw of geslepen mes waarbij het sleep (hulp) mes omhoog naar het maaidek gericht moet zijn, zie afbeelding. BELANGRIJK: Om zeker te zijn van goede montage moet het centrumgat in het mes passen met de ster op de mandrijn. • Zet de mesbout er weer op en draai goed aan (62-75 Nm. ). BELANGRIJK: Speciale mesbout is heet-behandeld, Graad 8.

• Procedere in ordine inverso. Monteren van de maaikast• Schuif de maaikast onder de machine. De uitwerp-opening is naar rechts gericht. • Het monteren vindt in omgekeerde volgorde van het demonteren. De Maaiunit Verwijderen• Zet de koppeling van het hulpstuk in de “ONTKOPPELDE” positie. • Zet de hendel van de hefinrichting in de laagste positie. WAARSCHUWING: De riemspanner heeft veerbelasting. Houd de stang goed vast en ontkoppel langzaam. • Verwijder de riem van de riemschijf van de koppeling (M). • Demonteer de haarpinveer (E) en verwijder de hefboom. • Demonteer de haarpinveer (A) en verwijder de hefboom. • Demonteer de haarpinveer (D) en verwijder de hefboom. WAARSCHUWING: De hendel van de hefinrichting heeft veerbelasting. Houd de stang goed vast en ontkoppel langzaam. • Schuif de maaiunit aan de rechterzijde onder de tractor vandaan.

74602966AAFig. 202548BBFig. 3BA0247302473BFig. 402948A0247302473Fig. 1De Maaiunit NivellerenZorg ervoor dat de banden tot de PSI-waarde die op de banden zelf staat aangegeven zijn opgepompt. Als de banden te hard of te zacht zijn, kan dat het uiterlijk van uw grasveld beïnvloeden zodat u denkt dat de maaiunit niet goed is afgesteld. BEIDE KANTEN OP HET OOG UITLIJNEN1. Als alle banden de juiste spanning hebben, maar uw veld toch niet gelijk is gemaaid, kijkt u welke kant van de maaier dieper maait. LET OP: U kunt naar wens de lage zijde van de maaiunit verhogen of de hoge zijde verlagen. 2. Ga naar de zijde van de maaiunit die u wilt aanpassen. 3. Draai met een verstelbare sleutel of een sleutel van 3/4” de afstelmoer van de hefkoppeling (A) naar links om de maaier te verlagen, of naar rechts om de maaier te verhogen (Fig. 1).

OPMERKING: Iedere volle slag van de afstelmoer wijzigt de hoogte van de maaier met ongeveer 3/16”. 4. Test uw afstelling door wat ongemaaid gras te maaien en te kijken hoe het resultaat eruitziet. Stel de maaiunit indien nodig verder af totdat u tevreden bent met het resultaat. PRECISIE-AFSTELLING BAN BEIDE KANTEN BAN DE MAAIUNIT1. Parkeer met alle banden op de juiste spanning de tractor op een vlakke ondergrond of op een oprit. VOORZICHTIG: De messen zijn scherp. Bescherm uw handen met handschoenen en/of wikkel dikke doeken om de messen. 2. Breng de maaier omhoog tot de hoogste positie. 3. Plaats aan beide zijden van de maaier het mes aan de zijkant en meet de afstand (A) van de onderste rand van het mes tot de grond. De afstand moet aan beide zijden hetzelfde zijn (Fig. 2). 4. Zie de stappen 2 en 3 van de instructies voor het op het oog uitlijnen als de messen afgesteld moeten worden.

Voor de beste maairesultaten moeten de maaimessen zodanig worden afgesteld dat de voorkant 1/8” tot 1/2” lager is dan de achterkant wanneer de maaier in de hoogste stand staat. VOORZICHTIG: De messen zijn scherp. Bescherm uw handen met handschoenen en/of wikkel dikke doeken om de messen. • Breng de maaier omhoog tot de hoogste positie. • Plaats alle messen zo, dat de punt recht vooruit wijst. Meet de afstand (B) tot de grond bij de voorste en achterste punt van het mes (Fig. 3). • Ga naar de voorkant van de tractor als de voorste punt van het mes niet 1/8” tot 1/2” lager is dan de achterste punt. • Haal met een 11/16” of verstelbare sleutel de blokkeermoer A verschillende slagen los om afstelmoer B vrij te maken.

Voor het gemak is er een sticker met aanwij-zingen voor het installeren van de riem op de onderkant van de linker voetsteun. DE RIEM VERWIJDEREN -1. Verwijder de maaiunit (zie “DE MAAIUNIT VERWIJ-DEREN” in dit deel van de handleiding).

LET OP: Bekijk goed de hele aandrijfriem en de positie van alle riemgeleiders en –houders. 2. Koppel de bedrading van de koppeling (A) los. 3. Verwijder de anti-rotatiekoppeling (B) aan de rechterzijde van de tractor. 4. Verwijder de riem van het stationaire tussenwiel (C) en het koppelingstussenwiel (D). 5. Verwijder de riem van het spanwiel (E). 6. Trek het slaphangende deel van de riem naar de achterkant van de tractor. Verwijder de riem voorzichtig omhoog van de ingaande transmissieriemschijf en over de bladen van de ventilator (F). 7. Verwijder de riem naar beneden toe van de motorschijf en om de elektrische koppeling (G). 8. Schuif de riem naar de achterkant van de tractor, van de stuurplaat (H) af en verwijder de riem van de tractor. DE RIEM INSTALLEREN1.

Installeer een nieuwe riem van de achterkant naar de voorkant van de tractor, over de stuurplaat (H) en boven de as van het koppelings-/rempedaal (J). 2. Trek de riem naar de voorkant van de tractor en rol de riem om de elektrische koppeling en op de motorschijf (G). 3. Trek de riem naar de achterkant van de tractor. Voer de riem voorzichtig naar beneden om de ventilator van de transmissie en op de ingaande riemschijf (F). Zorg ervoor dat de riem in de riemhouder zit. 4. Installeer de riem op het spanwiel (E). 5. Installeer de riem op het stationaire tussenwiel (C) en het koppelingstussenwiel (D). 6. Plaats de anti-rotatiekoppeling (B) aan de rechterzijde van de tractor terug. Goed vastmaken. 7. Koppel de bedrading van de koppeling (A) weer aan. 8. Zorg ervoor dat de riem in alle groeven van de riemschi-jven loopt en in alle riemgeleiders en –houders zit. 9.

POMPA FLUIDO - TRASMISSIONE E TRAZIONE ANTERIORELa trasmissione e la trazione anteriore sono state sigillate in fabbrica e pertanto non richiedono operazioni di intervento concernenti i fluidi. Se la trasmissione e la trazione anteriore dovessero perdere o necessitare di intervento tecnico, con-tattare il più vicino centro di assistenza tecnico autorizzato. ONDERHOUD - TRANSMISSIEKOELINGDe ventilator en koelribben van de transmissie moeten schoon gehouden worden om voore de juiste koeling te zorgen. Tracht niet de ventilator of de transmissie te reinigen terwijl de motor draait of terwijl de transmissie heet is. • Controleer de koelventilator om u ervan te overtuigen dat de bladen intact en schoon zijn. • Controleer de koelribben op vuil, gras en ander materiaal. TRANSMISSIEPOMPVLOEISTOFDe transmissie is in de fabriek verzegeld en vloeistofonder-houd is niet nodig.

Il promemoria assistenza funziona quando la chiave dell'accensione si trova in qualsiasi posizione eccetto la po-sizione "STOP". Per una lettura accurata, verificare che la chiave di avviamento resti nella posizione "STOP", quando il motore non è in funzione. SERVICEHERINNERING / URENTELLERDe serviceherinnering toont het totale aantal uren dat de motor heeft gedraaid en geeft aan wanneer de motor of maaier een servicebeurt nodig heeft. Na iedere 50 bedrijfsuren gaat het symbool met de oliekan gedurende 2 uur branden of tot er een handmatige reset plaatsvindt. Om het display handmatig te resetten draait u de contactsleutel naar de ingeschakelde positie en vervolgens naar de uitgeschakelde positie; doe dit vijf maal achter elkaar (1 seconde aan, 1 seconde uit). Zie het hoofdstuk Onderhoud van deze handleiding voor het uitvoeren van service aan de motor en de maaier.

OPMERKING De serviceherinnering wordt weergegeven als de contactsleutel in een willekeurige stand staat, behalve de “STOP”-stand. Voor een nauwkeurige uitlezing dient u ervoor te zorgen dat de sleutel in de “STOP”-stand blijft staan als de motor niet draait.

826DEKREINIGINGSPOORTHet maaidek van uw trekker is aan de bovenkant uitgerust met een reinigingspoort als onderdeel van het dekreinigingssysteem. Dit systeem dient na elk gebruik van de maaier te worden gebruikt. • Rijd de trekker naar een vlakke, open plek op uw gazon, dicht genoeg bij een waterkraan om met de tuinslang te bereiken. BELANGRIJK: Zorg ervoor dat de uitworp van de trekker is weg-gericht van uw huis, garage, geparkeerde auto’s, enz. Verwijder de opvangbak of mulchplaat indien bevestigd. • Zorg ervoor dat de koppelingshendel van het hulpstuk in de stand “DISENGAGED”(ontkoppeld) staat, trek de parkeerrem aan en schakel de motor uit. • Trek de borgkraag van de adapter van het mondstuk op uw tuinslang (A) naar achteren en druk de adapter op de inlaatopening van het reinigingsdek aan het linkeruiteinde van het maaidek (B).

Laat de borgkraag los om de adapter op het mondstuk te bevestigen. BELANGRIJK: Trek aan de slang om te controleren of de slang goed is gekoppeld. • Draai de waterkraan open. • Ga op de bestuurdersstoel van de trekker zitten, start de mo-tor en plaats de gashendel in de stand “Fast” ("") (snel). BELANGRIJK: Controleer nog een keer of de ruimte voor de uitworp vrij is. • Zet de koppelingshendel van het hulpstuk van de tractor in de stand “ENGAGED” (gekoppeld). Blijf op de bestuurdersstoel zitten met het maaidek ingeschakeld totdat het dek schoon is. • Zet de koppeling van het hulpstuk van de tractor in de stand “DISENGAGED” (ontkoppeld). Draai de startsleutel in de positie STOP om de motor uit te schakelen. Draai de water-kraan dicht. • Trek de borgkraag van de mondstukadapter terug om de adapter van de reinigingspoort los te koppelen.

• Verplaats de trekker naar een droge plaats, bij voorkeur met een betonnen of bestrate ondergrond. Zet de koppelingshen-del van het hulpstuk in de stand “ENGAGED” (gekoppeld), zodat overmatig water kan weglopen en de tractor sneller kan drogen, voordat u hem stalt.

De bougie-aansluiting is defect. 4. Vuil in carburateur of brandstofleiding. De startmotor trekt de motor niet1. De accu is leeg. 2. Slecht contact tussen kabel en accupool. 3. Aan/uitschakelhendel in foutieve stand. 4. De hoofdzekering is defect. 5. Het stuurslot/contact is defect. 6. Het veiligheidscontact voor koppelings/rempedaal is defect. 7. Koppelings/rempedaal niet ingedrukt. De motor loopt niet gelijkmatig1. Te hoge versnelling. 2. De bougie is defect. 3. De carburateur is foutief ingesteld. 4. Het luchtfilter zit dicht. 5. De ventilatie van de brandstoftank is verstopt. 6. De ontsteking is verkeerd ingesteld. 7. Vuil in de brandstofleidingen. De motor lijkt zwak/weinig vermogen1. Het luchtfilter is verstopt. 2. Gashendel in stand om te starten in koude weersomstan-digheden (). 3. De bougie is defect. 4. Vuil in de carburateur of brandstofleiding. 5.

De carburateur is verkeerd ingesteld. De motor raakt oververhit1. De motor is overbelast. 2. De luchtinlaat of de koelribben zitten verstopt. 3. De ventilator is beschadigd. 4. Te weinig of geen olie in de motor. 5. Het voorgloeien is defect. 6. De bougie is defect. De accu laadt niet op1. De zekering is defect. 2. Een of meer cellen zijn beschadigd. 3. Accupolen en kabels maken geen contact. De verlichting werkt niet1. Draadverbinding koplamp niet aangesloten. 2. De gloeilampen zijn stuk. 3. De schakelaar is defect. 4. Kortsluiting in de leiding. De machine trilt1. De messen zitten los. 2. De motor zit los. 3. Één of beide messen zijn in onbalans, veroorzaakt door beschadiging of slechte balans na het slijpen. Hoogte van gemaaid gras is ongelijk1. De messen zijn bot. 2. De maaikast staat niet recht. 3. Lang of nat gras. 4. Grasophoping onder de kap. 5.

87Aan het einde van elk maaisezoen moeten de vol gen de maatregelen worden genomen:• Maak de hele machine schoon, in het bijzonder de bin-nenkant van de kap van de maaikast. Geen water onder hoge druk gebruiken om het voertuig te reinigen. Er kan water in de motor en in de transmissieorganen komen, wat de levensduur van het voertuig verkort. • Herstel lakbeschadigingen om roest te voorkomen. • Ververs de olie in de motor. • Maak de benzinetank leeg. Laat de motor draaien totdat er ook in de car bu ra teur geen benzine meer is. • Verwijder de bougie en laat een eetlepel mo tor o lie in de cilinder lopen. Draai de motor rond zodat de olie wordt verdeeld en schroef daarna de bougie weer vast. • Haal de accu weg. Laad de accu op en bewaar deze op een koele plaats. Bescherm de accu tegen strenge kou. • Zet de machine in een droge overdekte ruimte. WAARSCHUWING.

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Husqvarna TS 238 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden