HP 9g Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van HP 9g (167 pagina’s), behorend tot de categorie Rekenmachine. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 248 mensen en kreeg gemiddeld 4.1 sterren uit 8 reviews. Heb je een vraag over HP 9g of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | HP |
| Categorie: | Rekenmachine |
| Model: | 9g |
| Soort bediening: | Knoppen |
| Kleur van het product: | Zwart |
| Breedte: | 81 mm |
| Diepte: | 155 mm |
| Hoogte: | 13.7 mm |
| Soort: | Grafische rekenmachine |
| Stroombron: | Batterij/Accu |
| Vormfactor: | Desktop |
| Tweede LCD-scherm: | Nee |
| Cijfers: | - cijfers |
| Beeldscherm kanteling: | Nee |
| Tekstregels: | - regels |
| Type beeldscherm: | LCD |
| Type batterij: | GP-76A |
| Display met achtergrondverlichting: | Nee |
Handleiding HP 9g – volledige tekst
D-1 hp 9g Rekenmachine met grafische mogelijkheden Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 : Algemeenheden. 4 Voeding. 4 Aan/uit. 4 Vervanging van de batterijen. 4 Automatische uitschakeling. 4 Reset. 4 Contrast Aanpassing. 5 Weergave eigenschappen. 5 Grafische display. 5 Numerieke display. 5 Hoofdstuk 2 : Alvorens een berekening te starten. 6 Verandering van modus. 6 Selecteren uit een menu. 6 Toetsenlabels. 6 Gebruik van de 2nd en ALPHA toetsen. 7 Cursor. 7 Invoegen en verwijderen van karakters. 7 Terug oproepen van vorige invoer en resultaten. 8 Geheugen. 8 Lopend geheugen. 8 Standaard geheugen variabelen. 8 Een vergelijking opslaan. 8 Reeksvariabelen. 9 Volgorde der Bewerkingen. 9 Nauwkeurigheid en capaciteit. 10 Foutmeldingen. 12 Hoofdstuk 3 : Basisbewerkingen. 13 Algebraïsche bewerkingen. 13.
D-4 Hoofdstuk 1 : Algemeenheden Voeding Aan/uit Om de rekenmachine aan te zetten, toets [ ON ]. Om de rekenmachine uit te zetten, toets [ 2nd ] [ OFF ]. Vervanging van de batterijen De rekenmachine werkt op twee alkaline knoopbatterijen (GP76A of LR44). Wanneer de batterijen uitgeput raken, verschijnt LOW BATTERY op het scherm. Vervang de batterijen zo snel mogelijk. Om de batterijen te vervangen: 1. Verwijder het beschermdeksel door het in de richting van de pijl te schuiven. 2. Verwijder de oude batterijen. 3. Plaats nieuwe batterijen, elk met de positieve kant naar buiten gekeerd. 4. Plaats het beschermdeksel weer terug. 5. Druk [ ON ] om de machine weer aan te zetten. Automatische uitschakeling De rekenmachine schakelt zichzelf uit wanneer deze niet gebruikt wordt gedurende een periode van 9–15 minuten. De machine kan opnieuw geactiveerd worden door op [ ON ] te drukken.
De uitlezing, het geheugen en instellingen worden behouden bij het uitschakelen van de machine. Reset Wanneer de rekenmachine aan staat en er worden onverwachte resultaten verkregen, druk [ MODE ] of [ CL/ESC ]. Indien de problemen aanhouden, druk [ 2nd ] [ RESET ]. Een boodschap verschijnt dan waarbij om bevestiging wordt gevraagd. RESET : N Y Druk [ ] om de cursor naar Y te verplaatsen en druk vervolgens [ ]. De rekenmachine is dan gereset. Alle variabelen, programma’s, lopende bewerkingen, statistische data, antwoorden, vroeger ingevoerde gegevens en geheugenruimte zijn dan gewist. Om de reset actie niet uit te voeren, beweeg de cursor naar N en druk [ ]. Wanneer de rekenmachine blijft hangen en niet meer reageert op het indrukken van toetsen, druk dan gelijktijdig [ EXP ] en [ MODE ]. De rekenmachine wordt dan weer vrijgegeven en zet alle instellingen terug naar de default waarde.
D-5Contrast Aanpassing Druk [ MODE ] en vervolgens [ ] of [ ] om het scherm lichter of donkerder te maken. Weergave eigenschappen Grafische display Numerieke display Invoer lijn: geeft een invoer weer met ten hoogste 76 tekens. Invoer met meer dan 11 tekens zal links wegrollen. Wanneer het 69e teken van eenzelfde invoer wordt ingegeven, verandert de cursor van in , zodat wordt duidelijk gemaakt dat de limiet van invoer bereikt wordt. Indien meer dan 76 tekens dienen te worden ingevoerd, dient de bewerking in twee of meerdere stukken te worden opgeknipt. Resultaat lijn: geeft het resultaat van een berekening weer. 10 tekens kunnen worden weergegeven, samen met een decimaal punt, een minteken, het x10 symbool en een positief of negatief exponent van twee tekens. Resultaten die over deze limiet heengaan, worden in wetenschappelijke notatie weergegeven.
Indicatorsymbolen: De volgende symbolen verschijnen op het scherm en geven de status van de rekenmachine weer. Indicatorsymbool Betekenis M Waarden zijn in het geheugen opgeslagen – Resultaat is negatief Ongeldige actie 2nd De volgende actie zal een 2e functie zijn X = Y = De x en y coördinaten van de functiepointer Alfanumerieke tekens zijn geactiveerd STAT Statistiekmodus is actief Invoer lijnResultaat lijnResultaat lijnGrafiek
D-6PROG Programma modus is actief Actieve Hoekmodus: Graden (D), Radialen (R) of 100-delige graden (G) SCIENG Wetenschappelijke notatie (SCI) of engineering notatie (ENG) FIX Aantal decimalen is vastgelegd HYP Hyperbolische trigonometrische functie zal berekend worden De weergegeven waarde is een tussenresultaat Er zijn tekens links of rechts van de uitlezing Er zijn vroegere dan wel latere resultaten die kunnen weergegeven worden. Hoofdstuk 2 : Alvorens een berekening te starten Verandering van modus Druk [ MODE ] om het modus menu te tonen. Men kan kiezen uit vier gevallen: 0 MAIN, 1 STAT, 2 BaseN, 3 PROG. Bijvoorbeeld, om de BaseN modus te kiezen: Methode 1: Druk [ MODE ] en vervolgens [ ], [ ] of [ MODE ] totdat 2 BaseN onderlijnd is; druk dan op [ ]. Methode 2: Druk [ MODE ] en voer vervolgens het volgnummer van de gewenste modus in, [ 2 ].
Selecteren uit een menu Veel functies en instellingen zijn toegankelijk met behulp van menu’s. Een menu is een lijst met opties welke verschijnt op het scherm. Bijvoorbeeld, een druk op de [ MATH ] toets, brengt een menu met wiskundige functies naar voren. Om één van die functies te kiezen: 1. Druk [ MATH ] om het menu zichtbaar te maken. 2. Druk [ ] [ ] [ ] [ ] om de cursor door het menu naar de gewenste functie te bewegen. 3. Druk [ ] terwijl de gewenste functie is onderlijnd. Met genummerde menu-items, kan men ofwel [ ] drukken terwijl het gewenste item is onderlijnd, of het corresponderende nummer intoetsen. Om een menu te sluiten en terug te keren naar de vorige uitlezing, druk [ CL/ESC ]. Toetsenlabels Vele toetsen kunnen meer dan één functie vertegenwoordigen.
D-7Kleur Label Betekenis Wit Toets indrukken Geel Druk [ 2nd ] en vervolgens de toets Groen In Base-N modus volstaat het de toets in te drukken Blauw Druk [ ALPHA ] en vervolgens de toets Gebruik van de 2nd en ALPHA toetsen Om toegang te hebben tot een functie met een geel label, druk [ 2nd ] en vervolgens de overeenstemmende toets. Wanneer [ 2nd ] wordt ingedrukt, verschijnt de 2nd indicator om aan te geven dat men de tweede functie van de toets zal gebruiken die vervolgens wordt ingedrukt. Indien per ongeluk [ 2nd ] wordt ingedrukt, volstaat het om opnieuw [ 2nd ] in te toetsen om zodoende de 2nd indicator te laten verdwijnen. [ ALPHA ] [ 2nd ] vergrendelt de rekenmachine in de 2e functie modus. Dit maakt het mogelijk op een gemakkelijke wijze achtereenvolgende tweede functies in te voeren. Om deze vergrendeling weer weg te halen, druk opnieuw [ 2nd ].
Om een functie uit te voeren met een blauw label, druk [ ALPHA ] en vervolgens de overeenstemmende toets. Wanneer [ ALPHA ] wordt ingedrukt, verschijnt de indicator om aan te geven dat men vervolgens de alfanumerieke functies zal gebruiken. Wanneer [ ALPHA ] per ongeluk werd ingetoetst, druk dan nogmaals [ ALPHA ] om de indicator weg te halen. [ 2nd ] [ ALPHA ] vergrendelt de rekenmachine in de alfanumerieke modus. Dit maakt het mogelijk om eenvoudige reeksen van alfanumerieke functietoetsen aan te slaan. Om deze vergrendeling weer op te heffen, druk nogmaals [ ALPHA ]. Cursor Druk [ ] of [ ] om de cursor naar links of naar rechts te bewegen. Hou een cursortoets ingedrukt om de cursor snel te bewegen. Wanneer er invoer of resultaten niet op het scherm zichtbaar zijn, druk [ ] of [ ] om naar boven of beneden over het scherm te rollen.
Men kan zo een vorige invoer hergebruiken of aanpassen wanneer deze op de invoerlijn staat. Druk [ ALPHA ] [ ] of [ ALPHA ] [ ] om de cursor naar het begin of het einde van de invoerlijn te bewegen.
D-8Om een karakter in te voegen, beweeg de cursor naar de gewenste plaats en voeg het karakter in. Het karakter wordt ingevoegd onmiddellijk links van de cursor. Om een karakter te verwijderen, druk [ ] of [ ] om de cursor naar het te verwijderen karakter te bewegen en druk vervolgens [ DEL ]. (Wanneer de cursor op een karakter staat, is dit karakter onderlijnd). Om de verwijdering ongedaan te maken, druk onmiddellijk [ 2nd ] [ ]. Om alle karakters te verwijderen, druk [ CL/ESC ]. Zie voorbeeld 1 Terug oproepen van vorige invoer en resultaten Druk [ ] of [ ] om tot 252 karakters van de voorafgaande invoer, waarden en gegeven opdrachten zichtbaar te maken, welke vervolgens aangepast, gewijzigd en opnieuw uitgevoerd kan worden. Zie voorbeeld 2. Let op: voorgaande invoer wordt niet gewist door op [ CL/ESC ] te drukken of wanneer de voeding van de rekenmachine wordt onderbroken.
Dit gebeurt echter wel wanneer men van modus verandert. Geheugen Lopend geheugen Druk [ M+ ] om een resultaat toe te voegen aan het lopende geheugen. Druk [ 2nd ] [ M– ] om de waarde af te trekken van de in het lopende geheugen opgeslagen waarde. Om een waarde uit het lopende geheugen terug te halen, druk [ MRC ]. Om lopend geheugen te wissen, druk tweemaal [ MRC ]. Zie voorbeeld 4. Standaard geheugen variabelen De rekenmachine heeft 26 standaard geheugen variabelen—A, B, C, D, …, Z—welke kunnen gebruikt worden om een waarde aan toe te kennen. Zie voorbeeld 5. Bewerking die op dergelijke variabelen kunnen uitgevoerd worden zijn onder andere: • [ SAVE ] + Variabele wijst het getoonde resultaat aan de gewenste variabele toe (A, B, C, … of Z).
D-9Reeksvariabelen Bovenop de 26 standaard geheugenvariabelen, (zie boven) kan men de geheugencapaciteit opdrijven door programmastappen om te zetten naar geheugenvariabelen. Het is mogelijk 12 stappen om te zetten in één geheugenvariabele. Een maximum van 33 geheugenplaatsen kunnen op deze manier worden toegevoegd, met als resultaat een maximum van 59 geheugenvariabelen (26 + 33). Let op: Om de initiële geheugenconfiguratie terug te halen—26 geheugenplaatsen—dient men Defm 0 op te geven. Uitgebreide geheugens worden A [ 1 ] , A [ 2 ] enz. Genoemd en kunnen gebruikt worden op dezelfde manier als standaard geheugenvariabelen. Zie Voorbeeld 7. Let op: Bij het gebruik van reeksvariabelen, dient men overlapping van geheugenruimte te vermijden. De relatie tussen geheugenplaatsen is als volgt: Volgorde der Bewerkingen Elke bewerking wordt uitgevoerd met inachtname van de volgende volgorde: 1.
D-102. Type A functies, dat wil zeggen die functies waar het argument dient worden ingevoerd alvorens de functietoets in te drukken. bijvoorbeeld x 2, x 3, x-1, x!, º, r, g, %, º΄ ΄΄, ENGSYM. 3. Machtsverheffingen ( ), 4. Breuken 5. Verkort vermenigvuldigingsformaat met variabelen zoals, π, RAND, RANDI. 6. ( – ) 7. Verkort vermenigvuldigingsformaat voor Type B functies, , Alog2, enz. 8. nPr, nCr 9. × , 10. +, – 11. Relationele of logische operatoren: = =, < , >, ≠, ≤ , ≥ 12. AND, NAND (enkel BaseN bewerkingen) 13. OR, XOR, XNOR (enkel BaseN bewerkingen) 14. Omzettingen (A b/c d/e, F D, DMS) Wanneer functies met dezelfde prioriteit in reeksen voorkomen, worden zij uitgevoerd van links naar rechts. Bijvoorbeeld: e X ln120 e →X { ln (120 ) } In alle andere gevallen gebeurt de uitwerking van links naar rechts. Samengestelde functies worden uitgevoerd van rechts naar links.
Nauwkeurigheid en capaciteit Output tekens: Tot 10 tekens Tekens waarmee gerekend wordt: Tot 24 tekens Wanner mogelijk wordt elke berekening getoond met tot 10 tekens of cijfers, of als een 10-cijferige mantisse met een 2-cijferige exponent tot 10 ±99. De ingevoerde argumenten moeten binnen de intervallen liggen welke geldig zijn voor de gewenste functies. De volgende tabel geeft aan wat deze intervallen zijn. Functie Aanvaardbaar interval voor de invoer sin x, cos x, tan x Deg : x < 4.5 × 10 10 deg Rad : x < 2.5 × 10 8πrad Grad : x < 5 × 10 10 grad Desalniettemin, voor tan x Deg : x ≠ 90 (2n+1) Rad : x ≠ 2π (2n+1) Grad : x ≠ 100 (2n+1) (n is een geheel getal) sin –1 x, cos –1 xx ≦ 1
USL < LSL DIVIDE BY O Poging om door nul te delen. OVERFLOW Er Het resultaat van een berekening overschrijdt de limiet van de rekenmachine. SYNTAX Er 1. Invoerfout. 2. Een ongeschikt argument werd gebruikt in een opdracht of functie. 3. Een END statement ontbreekt in een programma. LENGTH Er De invoer bevat meer dan 84 tekens na geïmpliceerde vermenigvuldiging met autocorrectie. OUT OF SPEC Een negatieve CPU of CPL waarde werd ingelezen, waarbij
D-13σ3x–USL=CPU en σ3LSL–x=CPL NEST Er Subroutine nesting is dieper dan 3 niveaus. GOTO Er Er ontbreekt een Lbl n voor een GOTO n. GOSUB Er 1. Er ontbreekt een PROG n voor een GOSUB PROG n. 2. Poging werd ondernomen om naar een programmaplaats te springen waar geen programma is opgeslagen. EQN SAVE Er Poging om een vergelijking weg te schrijven naar een reeds ingenomen programmaplaats. EMPTY Er Poging om een programma te starten van op een plaats zonder dat er een vergelijking of programma aanwezig is. MEMORY Er 1. Geheugenuitbreiding overschrijdt de nog in het programma beschikbare stappen. 2. Poging om geheugen te gebruiken zonder dat er geheugenuitbreiding heeft plaatsgevonden. DUPLICATE De labelnaam is reeds in gebruik.
LABEL Druk [ CL/ESC ] om een foutmelding te wissen Hoofdstuk 3 : Basisbewerkingen Algebraïsche bewerkingen • Voor gemengde algebraïsche bewerkingen hebben vermenigvuldiging en deling voorrang op optelling en aftrekking. Zie Voorbeeld 8. • Voor negatieve waarden, druk [ (–) ] alvorens de waarde in te voeren Zie Voorbeeld 9. • Resultaten groter dan 1010 of kleiner dan 10-9 worden weergegeven in exponentvorm. Zie voorbeeld 10. Weergavenformaat • Decimale weergave wordt geselecteerd door [ 2nd ] [ FIX ] te drukken en door een waarde uit het menu te kiezen ( F0123456789 ). Om het aantal decimale plaatsen op n te zetten, dient men de waarde n rechtstreeks in te voeren, of de cursortoets ingedrukt houden tot de waarde onderlijnd wordt weergegeven. Druk dan [ ]. (De default instelling is vlottende komma weergave (F) en de waarde ervan is •). Zie Voorbeeld 11.
• Het weergavenformaat voor getallen wordt geselecteerd door [ 2nd ] [ SCI/ENG ] in te drukken en het gewenste formaat te kiezen uit het menu. De menukeuzes zijn FLO (vlottende komma), SCI (wetenschappelijke notatie), en ENG (engineering formaat). Druk [ ] of [ ] tot het
D-14gewenste formaat is onderlijnd. Druk vervolgens [ ]. Zie Voorbeeld 12. • Een getal kan in mantisse en exponent formaat worden ingevoerd met behulp van de [ EXP ] toets. Zie Voorbeeld 13. • Deze machine heeft ook de beschikking over 11 symbolen voor de invoer van waarden met behulp van het engineering formaat. Druk [ 2nd ] [ ENG SYM ] om de symbolen weer te geven. Zie voorbeeld 4. De symbolen worden hieronder weergegeven: Bewerkingen met haakjes • Bewerkingen binnen haakjes worden altijd eerst uitgevoerd. De mogelijkheid wordt geboden tot 13 opeenvolgende niveaus van haakjes te gebruiken in eenzelfde berekening. Zie Voorbeeld 15. • Sluitende haakjes die normaal gezien direct voor het indrukken van [ ] zouden moeten ingevoerd worden, kunne achterwege gelaten worden. Zie Voorbeeld 16. Percentage Bewerkingen [ 2nd ] [ % ] deelt het weergegeven getal door 100.
Deze functie kan gebruikt worden om percentages, vermeerderingen, verminderingen en percentageverhoudingen te berekenen. Zie Voorbeeld 17. Herhalingsbewerkingen De laatst uitgevoerde bewerking kan worden herhaald door [ ] te drukken. Zelfs indien een bewerking werd afgesloten met de [] toets, kan het resultaat gebruikt worden in een volgende bewerking. Zie Voorbeeld 18. Antwoordfunctie Wanneer een numerieke waarde of uitdrukking wordt ingevoerd, en vervolgens [ ] drukt, wordt het resultaat opgeslagen in de antwoordfunctie, welke vervolgens gemakkelijk kan opgeroepen worden. Zie Voorbeeld 19. Let op: Het resultaat wordt behouden, zelfs wanneer de rekenmachine wordt uitgezet. Het resultaat wordt eveneens behouden wanneer een volgende bewerking eindigt met een foutmelding.
D-15 5 12┘ = 56 U 5 ┘12 = • Om een gemengd getal in te voeren, voer het gehele deel in en druk [ A b/c ], voer vervolgend de teller in en druk [ A b/c ], en sluit af met de noemer. Om een oneigenlijke breuk in te voeren, voer de teller in en druk [ A b/c ], voer vervolgens de noemer in. SZie Voorbeeld 21. • Tijdens een bewerking met breuken, worden de breuken herleid naar hun meest eenvoudige vorm, voor zover mogelijk. Dit gebeurt wanneer de toetsen [ + ], [ – ], [ × ], [ ] ) of [ ] worden ingedrukt. [ 2nd ] [ A b/c d/e ] herleid een gemengd getal tot een oneigenlijke breuk en vice versa. Zie Voorbeeld 22. • Om een decimaal getal om te zetten in een breuk of vice versa, druk [ 2nd ] [ F D ] en [ ]. Zie Voorbeeld 23. • Bewerkingen waarin zowel breuken als decimale getallen in voorkomen, worden in decimale vorm uitgevoerd. Zie Voorbeeld 24.
Omzetten van hoekgrootheden Men kan aangeven in welke specifieke hoekeenheid men wenst te werken: graden (DEG), radialen (RAD), of 100-delige graden (GRAD). Een waarde uitgedrukt in de éne eenheid kan worden omgezet naar de corresponderende waarde in een andere eenheid. De relaties tussen de verschillende hoekeenheden zijn: 180° = π radialen = 200 grads Om de ingestelde hoekeenheid te veranderen, druk herhaaldelijk [ DRG ] tot de gewenste eenheid verschijnt in het uitlezingsvenster. De omzettingsprocedure is al volgt (zie ook Voorbeeld 25): 1. Verander de hoekeenheid naar de eenheid waarnaar men wenst om te zetten. 2. Voer de om te zetten waarde in. 3. Druk [ 2nd ] [ DMS ] om het menu zichtbaar te maken. De beschikbare eenheden zijn °(graden), ’ (minuten), ” (seconden), r (radialen), g (100-delige graden) ofDMS (Graden – Minuten - Seconden). 4. Selecteer de eenheid waaruit wordt omgezet.
D-16Hyperbolische functies en hun inverse De [ 2nd ] [ HYP ] toetsen om hyperbolische en inverse hyperbolische functies te starten: sinh, cosh, tanh, sinh-1, cosh-1 and tanh-1. Zie Voorbeeld 29. Let op: Alvorens een hyperbolische functie te starten, dient men zich ervan te vergewissen dat de gewenste eenheid is ingesteld. Coördinatentransformaties Druk [ 2nd ] [ R P ] om een menu zichtbaar te maken voor het omzetten van rechthoekige coördinaten naar poolcoördinaten of vice versa. Zie Voorbeeld 30. Let op: Alvorens een coördinatentransformatie uit te voeren, dient men zich ervan te vergewissen dat de gewenste eenheid is ingesteld. Wiskundige functies Druk herhaaldelijk [ MATH ] om een lijst met wiskundige functies zichtbaar te maken en hun overeenkomstige argumenten. Zie Voorbeeld 31. De beschikbare functies zijn: !
Bereken de faculteit van een opgegeven positief geheel getal n, met n ≦ 69. RAND Genereer een willekeurig getal tussen 0 en 1. RANDI Genereer een willekeurig geheel getal tussen twee opgegeven gehele getallen, A en B, met A ≦ willekeurig getal ≦ B. RND Rond het resultaat af. MAX Bepaal het maximum van een aantal opgegeven waarden. (Tot 10 getallen kunnen opgegeven worden.) MIN Bepaal het minimum van een aantal opgegeven waarden. (Tot 10 getallen kunnen opgegeven worden.) SUM Bepaal de som van een aantal opgegeven getallen (Tot 10 getallen kunnen opgegeven worden.) AVG Bepaal het gemiddelde van een aantal opgegeven getallen. (Tot 10 getallen kunnen opgegeven worden.) Frac Bepaal het fractionele deel van een gegeven getal. INT Bepaal het gehele deel van een gegeven getal.
SGN Bepaal het teken van een gegeven getal: indien het getal negatief is, wordt –1 weergegeven, als het getal 0 is wordt 0 gegeven als resultaat en +1 indien het getal positief is. ABS Bepaal de absolute waarde van een gegeven getal. nPr Bepaal het aantal mogelijke permutaties van r elementen gekozen uit n elementen.
D-17nCr Bepaal het aantal mogelijke combinaties van r elementen gekozen uit n elementen. Defm Geheugenuitbreiding. Andere Functies ( x-1, , , ,x 2, x 3, ^ ) De rekenmachine voorziet ook in de berekening van reciproque waarden ( [ x -1] ), vierkantswortels ( [ ] ), derde machtswortels ( [ ] ), kwadraten ( [ x 2 ] ), x-de machtswortels ( [ ] ), derde machten ( [ x 3 ] ) en algemene machtsverheffingen ( [ ^ ] ). Zie Voorbeeld 32. Omzetten van eenheden Getallen kunnen omgezet worden van metrische waarden naar de overeenkomstige waarden in het imperial systeem en vice versa. Zie Voorbeeld 33. De procedure is: 1. Voer het om te zetten getal in. 2. Druk [ 2nd ] [ CONV ] om het eenhedenmenu zichtbaar te maken. Er zijn 7 deelmenu’s, met betrekking op afstanden, oppervlakten, temperatuur, volume, gewicht, energie en druk. 3.
D-18µ Atomische massa constante 1. 66054021 × 10 -27 kg ε0 Dielectrische permitiviteit 8. 854187818 × 10 -12 F / m µ0 Magnetische permitiviteit 1. 256637061 × 10 -6 N A-2 φ0 Quantum Flux 2. 067834616 × 10 -15 Wb a 0 Bohrstraal 5. 291772492 × 10 -11m µB Bohr magneton 9. 274015431 × 10 -24 J / T µN Kernmagneton 5. 050786617 × 10 -27J / T Alle vermelde fysische grootheden in deze handleiding zijn gebaseerd op de aanbevolen waarden voor fundamentele fysische constanten, zoals beschreven in de CODATA uit 1986. Om een Constante in te voegen: 1. Plaats de cursor waar de Constante dient ingevoegd te worden. 2. Druk [ 2nd ] [ CONST ] om het menu met de Constanten zichtbaar te maken. 3. Rol doorheen het menu tot de gewenste Constante is onderlijnd. 4. Druk [ ]. (Zie Voorbeeld 34.
) Samengestelde functies Samengestelde functies kunnen gevormd worden door een aantal afzonderlijke uitdrukkingen samen te voegen met de bedoeling deze na elkaar uit te voegen. Samengestelde functies kunnen zowel in manuele als in geprogrammeerde uitdrukkingen gebruikt worden. Wanneer de uitvoering het einde van een uitdrukking nadert en dit gevolgd wordt door het resultaat commandosymbool ( ), zal de uitvoering stoppen en het tot dan toe bereikte resultaat tonen. De uitvoering kan hervat worden met behulp van [ ]. Zie Voorbeeld 35. Hoofdstuk 5 : Grafieken Ingebouwde Grafische functies Men kan grafieken oproepen van de volgende functies: sin, cos, tan, sin -1, cos -1, tan -1, sinh, cosh, tanh, sinh -1, cosh -1, tanh -1, , , x2, x3, log, ln, 10 x, e x, x –1. Wanneer men een ingebouwde grafische functie gebruikt, zal de vorige gegenereerde grafiek gewist worden.
D-19 Na het bereik te hebben ingesteld, druk [ Graph ] en voer de uitdrukking in waarvan men de grafische weergave wenst. Zie Voorbeeld 37. Grafische ↔ Tekst Display en wissen van een grafiek Druk [ G T ] om te schakelen tussen grafische en tekst display. Om de grafiek te wissen, druk [ 2nd ] [ CLS ]. Zoomfunctie De zoomfunctie maakt het mogelijk een grafiek te verkleinen of te vergroten. Druk [ 2nd ] [ Zoom x f ] om de vergrotingsfactor in te voeren, of druk [ 2nd ] [ Zoom x 1/f ] om de grafiek te verkleinen. Om de grafiek terug te brengen naar zijn oorspronkelijk formaat, druk [ 2nd ] [ Zoom Org ]. Zie Voorbeeld 37. Over elkaar leggen van grafieken • Een grafiek kan gesuperposeerd worden over één of meerdere andere grafieken. Dit maakt het mogelijk snijpunten te bepalen alsook oplossing waaraan alle overeenkomstige vergelijkingen voldoen. Zie Voorbeeld 38.
• Men dient er zich van te vergewissen dat de variabele X gebruikt wordt in de uitdrukking voor de grafiek die men wil superponeren over een ingebouwde grafische functie. Indien dat niet het geval is, zal de eerste grafiek gewist worden alvorens de tweede gegenereerd wordt. Zie voorbeeld 39. Trace Functie Druk de [RANGE] toets om toegang tehebben tot de bereikparameters voor elke as: minimumwaarde, maximumwaarde en schaal (= de afstand tussen twee opeenvolgende asmarkeringen). (Tekst display)(Grafischedisplay)(Grafischedisplay)
D-20Deze functie maakte het mogelijk een pointer over een grafiek te laten lopen met behulp van [ ] en [ ]. De x- en y-coordinaten van de pointerlocatie worden dan op het scherm weergegeven. Deze functie is nuttig voor het bepalen van snijpunten van gesuperposeerde grafieken (met behulp van [ 2nd ] [ X Y ]). Zie Voorbeeld 40. Let op: Vanwege de beperkte resolutie van het weergavenscherm, kan de positie van de pointer benaderd worden weergegeven. Grafieken laten rollen Nadat een grafiek gegenereerd werd, kan deze over het scherm gerold worden. Druk hiervoor [ ] [ ] [ ] [ ] om de grafiek naar boven, onder, links en rechts te bewegen. Zie Voorbeeld 41. Plot en Lijnfunctie De plotfunctie wordt gebruikt om een punt aan te duiden op een op het scherm weergegeven grafiek. Dit punt kan naar links, rechts, boven, beneden bewogen worden met behulp van de cursortoetsen.
De coördinaten van het punt worden weergegeven. Wanneer de pointer op de gewenste locatie staat, druk [ 2nd ] [ PLOT ] om het punt aan te duiden. Het punt knippert dan op de aangegeven positie. Twee punten kunnen verbonden worden met behulp van een rechte lijn door [ 2nd ] [ LINE ] te gebruiken. Zie Voorbeeld 42. Hoofdstuk 6 : Statistische Bewerkingen Het statistiekmenu heeft vier opties: 1-VAR (om data te analyseren in een enkele dataset), 2-VAR (om gekoppelde gegevens te analyseren afkomstig uit twee verschillende datasets), REG (om een regressieanalyse uit te voeren), en D-CL (om alle datasets te wissen). Een-variabele en twee-variabele Statistische bewerkingen 1. Uit het statistiekmenu, kies 1-VAR of 2-VAR en druk [ ]. 2. Druk [ DATA ], selecteer DATA-INPUT uit het menu en druk [ ]. 3. Voer een waarde x in en druk [ ]. 4.
D-21Xmin of Ymin Minimum van de x- of y-waarden. Sx of Sy Steekproef standaard afwijking van de x- of y-waarden. σx of σy Populatie standaard afwijking van de x- of y-waarden. Σx of Σy Som van de x- of y-waarden. Σx 2 of Σy 2 Som van de x 2- of y 2-waarden. Σx y Som van (x × y) voor de x–y koppels. CV x of CV y Variatiecoëfficiënt voor alle x- of y-waarden. R x of R y Bereik van de x- of y-waarden. 8. Om een 1-VAR statistische grafiek te tekenen, gebruik [ Graph ] uit het STATVAR menu. Er zijn 3 types grafieken in 1-VAR modus: N-DIST (Normaalverdeling), HIST (Histogram), SPC (Statistisch Proces Controle). Selecteer de gewenste grafiek en druk [ ]. Wanner er geen bereiken worden opgegeven, zal de grafiek automatisch met optimale bereiken gegenereerd worden. Om een spreidingsgrafiek te tekenen op basis van een 2-VAR datasets, gebruik [ Graph ] uit het STATVAR menu. 9.
Om terug te keren naar het STATVAR menu, druk [ 2nd ] [ STATVAR ]. Procescapaciteit (Zie Voorbeelden 43 and 44.) 1. Druk [ DATA ], selecteer LIMIT uit het menu en druk [ ]. 2. Voer een onderlimietwaarde in ( X LSL of Y LSL ), en druk vervolgens [ ]. 3. Voer een bovenlimietwaarde in ( X USL of Y USL), en druk vervolgens [ ] . 4. Selecteer de DATA-INPUT modus en voer de datasets in. 5. Druk [ 2nd ] [ STATVAR ] en vervolgens [ ] [ ] [ ] [ ] om door de statistische resultaten te rollen tot de proces capaciteit gevonden wordt waar men is in geïnteresseerd (zie onderstaande tabel). Variabele Betekenis Cax of Cay Capaciteitsnauwkeurigheid van de x- of y-waarden , Cpx of Cpy Potentiële capaciteitsprecisie van de x- of y-waarden, , Cpkx of Cpky Minimum (CPU, CPL) van de x- of y-waarden, met CPU de bovenlimietwaarde van de capaciteitsprecisie en CPL de onderlimietwaarde van capaciteitsprecisie.
D-22Let op: Wanneer men een procescapaciteit berekent in 2-VAR modus, worden de x n en y n waarden onafhankelijk van elkaar gesteld. Herstellen van Statistische gegevens Zie Voorbeeld 45. 1. Druk [ DATA ]. 2. Om gegevens te veranderen, selecteer DATA-INPUT. Om de onderlimietwaarde of bovenlimietwaarde te wijzigen, kies LIMIT. Om ax, te wijzigen, kies DISTR. 3. Druk [ ] om door de data te rollen tot de te wijzigen gegevens bereikt zijn. 4. Voer de nieuwe gegevens in. De nieuwe gegevens worden over de oude weggeschreven. 5. Druk [ ] of [ ] om de wijziging op te slaan. Let op: De ingevoerde statistische gegevens worden bewaard als men de statistiekmodus verlaat. Om de gegevens te wissen, kies de D-CL modus. Waarschijnlijkheidsverdeling (1-Var Data) Zie Voorbeeld 46. 1. Druk [ DATA ] , kies DISTR en druk [ ]. 2. Voer een a x waarde in en druk [ ]. 3. Druk [ 2nd ] [ STATVAR ]. 4.
D-23Zie Voorbeelden 47~48. 1. Kies de regressie optie in het REG menu en druk [ ]. 2. Druk [ DATA ], kies DATA-INPUT uit het menu en druk [ ]. 3. Voer een x waarde in en druk [ ]. 4. Voer de overeenkomstige y waarde in en druk [ ]. 5. Om meer gegevens in te voeren, herhaal vanaf stap 3. 6. Druk [ 2nd ] [ STATVAR ]. 7. Druk [ ] [ ] om door de resultaten heen te rollen tot de regressievariabele gevonden wordt waarin men is geïnteresseerd (zie onderstaande tabel). 8. Om een voorspelling te maken voor een x-waarde (of y), gegeven een waarde voor y (of x), kies de x ’ (of y ’) variabele, druk [ ] , voer de gegeven waarde in, en druk nogmaals [ ]. Variabele Betekenis a Y-intersectie van de regressievergelijking. b Helling van de regressievergelijking. r Correlatiecoëfficiënt. c Kwadratische regressiecoëfficiënt. x ’ Voorspelde x waarde, met gegeven a, b, en y-waarden.
y ’ Voorspelde y waarde, met gegeven a, b, en x-waarden. 9. Om de regressiegrafiek te tekenen, kies [ Graph ] uit het STATVAR menu. Om terug te keren naar het STATVAR menu, druk [ 2nd ] [ STATVAR ]. Hoofdstuk 7 : Basis-N Bewerkingen Men kan getallen invoeren in basis 2, basis 8, basis 10 of basis 16. Om de gewenste getalbasis in te stellen, druk [ 2nd ] [ dhbo ], kies een optie uit het menu en druk []. Een indicatorsymbool geeft aan in welke basis gewerkt wordt: d, h, b , of o. (De default instelling is d: decimale basis). Zie Voorbeeld 49.
De toegestane cijfertekens in elke basis zijn: Binair (b): 0, 1 Octaal (o): 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 Decimaal (d): 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 Hexadecimaal (h): 0, 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, IA, IB, IC, ID, IE, IF Let op: Om een getal in een andere dan de ingestelde basis in te voeren, dient men het corresponderende basissymbool (d, h, b, o) vast te hangen aan het in te voeren getal (zoals in h3). Druk [ ] om de blokfunctie te gebruiken en het resultaat te tonen in octaal- of binairvorm indien het meer dan 8 cijfertekens bevat.
D-24Negatieve Uitdrukkingen In binair, octaal, en hexadecimaal worden negatieve getallen uitgedrukt als complementen. Het complement van een getal n, is het resultaat van de bewerking 10000000000-n in de basis waarin n wordt weergegeven. Dit verkrijgt men door [ NEG ] in te toetsen in een niet-decimale basis. Zie Voorbeeld 51. Basis algebraïsche bewerkingen voor verschillende Bases Men kan optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen in binaire, octale, en hexadecimale vorm. Zie Voorbeeld 52. Logische Operatoren De volgende logische operatoren zijn beschikbaar: logisch product (AND), negatief logisch (NAND), logische som (OR), exclusief logische som (XOR), negatie (NOT), en negatie van exclusief logische sommen (XNOR). Zie Voorbeeld 53.
Hoofdstuk 8 : Programmeren De beschikbare optie op het programmamenu zijn: NEW (voor het creëren van een nieuw programma), RUN (voor het uitvoeren van een programma), EDIT (voor het wijzigen van een programma), DEL (voor het wissen van een programma, TRACE (voor het volgen van de uitvoering van een programma), en EXIT (om de programmamodus te verlaten). Alvorens het Programmagedeelte te gebruiken Resterende programmastappen : de programmacapaciteit is 400 stappen. Het aantal stappen geeft de beschikbare opslagruimte weer voor programma’s, en dit zal afnemen wanneer men programma’s invoert. Het aantal resterende stappen zal eveneens afnemen wanneer stappen omgezet worden in geheugenruimte. Zie Reeksvariabelen. Programmatype: Voor elk programma dient de rekenmodus te worden gespecificeerd waarin de machine moet gezet worden tijdens de uitvoering van het programma.
D-25Programmagedeelte: Er zijn 10 programmagedeelten voor het opslaan van programma’s (P0–P9 ). Indien een deel een programma bevat, zal het nummer ervan als subscript worden weergegeven (zoals in P1). Programma Controle-instructies De programmeertaal van de rekenmachine is vergelijkbaar met verschillende programmeertalen zoals BASIC en C. De meeste programmeercommando’s kunnen aangeroepen worden vanuit de programma controle-instructies. Deze kunnen zichtbaar gemaakt worden door [ 2nd ] [ INST ]. Clear screen commando CLS ⇒ Wis het scherm Invoer en uitvoer commandos INPUT memory variable ⇒ Laat het programma pauzeren voor het invoeren van gegevens. memory variable = _ verschijnt in het scherm. Voer een waarde in en druk []. De waarde wordt toegekend aan de gespecificeerde variabele, en het programma hervat de uitvoering.
Om meer dan één variabele in te voeren, dienen deze gescheiden te worden door een puntkomma(;). PRINT ” tekst ” , memory variable ⇒ Print “tekst” en de waarde van de vermelde variabele. Voorwaardelijk vertakken IF ( voorwaarde ) THEN { uitdrukking } ⇒ Indien de voorwaarde waar is, Dan wordt de uitdrukking uitgevoerd. IF ( voorwaarde ) THEN { uitdrukking 1 }; ELSE { uitdrukking 2 } ⇒ Indien de voorwaarde waar is, Dan wordt uitdrukking 1 uitgevoerd, anders wordt uitdrukking 2 uitgevoerd. Sprongcommando’s Lbl n ⇒ Een Lbl n commando geeft een bestemmingspunt aan voor een GOTO n sprongcommando. Elke labelnaam (Lbl) dient uniek te zijn (dat betekent
D-26dat deze niet herhaald mag worden in hetzelfde programma). De labelsuffix n moet een geheel getal zijn van 0 tot 9. GOTO n ⇒ Wanneer tijdens de uitvoering van een programma een GOTO n uitdrukking wordt ontmoet, gaat de uitvoering verder ter hoogte van Lbl n (met n dezelfde waarde als de n in het GOTO n commando). Mainroutine en Subroutine GOSUB PROG n ; ⇒ Het is mogelijk om te springen van het éne naar het andere programmagedeelte, zodat het feitelijk uitgevoerde programma een samenvoeging is van materiaal uit verschillende programmagedeelten. Het programma van waaruit naar andere programma’s gesprongen wordt, heet de mainroutine, en een gedeelte waar naartoe wordt gesprongen is een subroutine. Om naar een subroutine te kunnen springen, voer PROG n in met n het nummer van het bestemmingsprogramma.
Let op: Het GOTO n commando staat geen sprongen toe tussen verschillende programmagedeelten. Een GOTO n commando springt slechts naar het corresponderende label (Lbl) en dit binnen hetzelfde programmagedeelte. End ⇒ Elk programma heeft een END commando nodig om het einde van het programma aan te duiden. Dit wordt automatisch weergegeven wanneer men een nieuw programma creëert. Incrementeren en decrementeren Post-fixed: Memory variable + + of Memory variable – – Pre-fixed: + + Memory variable of – – Memory variable ⇒ Een geheugenvariabele wordt verhoogd of verlaagt met 1 éénheid. Voor standaard geheugenvariabelen kunnen de operatoren + + ( Incrementeren ) en – – ( Decrementeren ) zowel als prefix of als postfix gebruikt worden. Voor reeksvariabelen moeten zij als prefix gebruikt worden.
D-27⇒ Een FOR lus is handig voor het herhalen van een verzameling gelijkaardige acties terwijl een specifieke teller tussen twee gedefinieerde waarden zit. Bijvoorbeeld: FOR ( A = 1 ; A ≤ 4 ; A + + ) { C = 3 × A ; PRINT ” ANS = ” , C } END ⇒ Resultaat : ANS = 3, ANS = 6, ANS = 9, ANS = 12 Het verwerken in dit voorbeeld gaat als volgt: 1. FOR A = 1: Dit initialiseert de waarde van A op 1. Vermits A = 1 consistent is met A ≤ 4, zullen de uitdrukkingen uitgevoerd worden en A wordt met 1 verhoogd. 2. Nu geldt: A = 2. Dit is consistent met de voorwaarde A ≤ 4, en de uitdrukkingen worden uitgeoefend en A wordt nogmaals met 1 verhoogd. Zo verder. 3. Wanneer A = 5, is het niet langer waar dat A ≤ 4, en de uitdrukkingen worden dan ook niet meer uitgeoefende. Het programma gaat daarna verder met het volgend blok programmacode.
Slaap Commando SLEEP ( tijd ) ⇒ Een SLEEP commando doet het programma wachten gedurende een welbepaalde tijd (tot maximaal 105 seconden). Dit is handig voor het tonen van intermediaire resultaten alvorens verder te gaan met het uitvoeren van het programma. Swap commando SWAP ( geheugenvariabele A,geheugenvariabele B ) ⇒ Het SWAP commando verwisselt de inhoud van beide geheugens. Relationele Operatoren De relationele operatoren die kunnen gebruikt worden in FOR lussen en in voorwaardelijke vertakkingen, zijn: = (gelijk aan), < (kleiner dan), > (groter dan), ≠ (niet gelijk aan), ≤ (kleiner of gelijk aan), ≥ (groter of gelijk aan). Een Nieuw Programma schrijven 1. Kies NEW uit het programma menu en druk [ ]. 2. Kies de rekenmodus waarin het programma dient te werken en druk [ ]. 3. Kies een programmagedeelte (P0123456789) en druk [ ]. 4. Voer de programmacode in.
D-28• Om een programma controle-instructie in te voeren, druk [ 2nd ] [ INST ] en maak een keuze. • Om een spatie in te voeren, druk [ ALPHA ] [ SPC ]. 5. Een puntkomma (;) geeft het einde van een commando aan. Om meer dan één commando op één commandolijn in te voeren, kunnen deze gescheiden worden van elkaar door een puntkomma. Bijvoorbeeld: Lijn 1: INPUT A ; C = 0. 5 × A ; PRINT ” C = ” , C ; END Elk commando of commandogroep kan ook op een afzonderlijke lijn geplaatst worden, als volgt. In dat geval kan de puntkomma aan het einde telkens worden weggelaten. Lijn 1: INPUT A ; C = 0. 5 × A [ ] Lijn 2: PRINT ” C = ” , C ; END Een programma uitvoeren 1. Wanneer men klaar is met het invoeren of wijzigen van een programma, druk [ CL/ESC ] om terug te keren naar het programma menu, kies RUN en druk [ ]. (Hetzelfde resultaat bekomt men door [ PROG ] te kiezen in MAIN modus. ) 2.
Kies het gewenste programmagedeelte en druk [ ] om het programma uit te voeren. 3. Om het programma opnieuw uit te voeren terwijl het eindresultaat nog wordt weergegeven, druk [ ]. 4. Om de uitvoering van het programma af te breken, druk [ CL/ESC ]. Een boodschap verschijnt dan met de vraag om te bevestigen. STOP : N Y 5. Druk [ ] om de cursor naar Y te verplaatsen en druk [ ]. Een programma Debuggen Een programma kan mogelijkerwijs resulteren in een foutmelding of onverwachte resultaten geven bij de uitvoering. Dit kan betekenen dat er een fout aanwezig is in het programma welke dient verbeterd te worden. • Foutmeldingen verschijnen ongeveer gedurende 5 seconden, waarna de cursor knippert ter hoogte van de fout. • Om een fout te corrigeren, kies EDIT uit het programma menu. • Men kan eveneens TRACE gebruiken uit het programma menu.
De Grafische functie gebruiken in Programma’s De grafische functie gebruiken in een programma, maakt het mogelijk om lange of complexe vergelijkingen grafisch te illustreren en ook om grafieken herhaaldelijk te overschrijven. Alle grafische commando’s (behalve trace en zoom) kunnen in programma’s aangeroepen worden. Bereikintervals kunnen eveneens in een programma opgegeven worden. Merk op dat in sommige grafische commando’s de waarden dienen gescheiden te worden door komma’s (,) en wel als volgt: • Range ( Xmin, Xmax, Xscl, Ymin, Ymax, Yscl ) • Factor ( Xfact, Yfact ).
D-29• Plot ( X point, Y point ) Resultaat commando’s weergeven Men kan in een programma opnemen wanneer men het mogelijk wil maken om de waarde van een bepaalde variabele op een bepaald moment in de uitvoering van het programma zichtbaar te maken. Bijvoorbeeld: Lijn 1: INPUT A ; B = ln ( A + 100 ) Lijn 2: C = 13 × A ; -------Stop hier Lijn 3: D = 51 / ( A × B ) Lijn 4: PRINT ” D = ”, D ; END 1. De uitvoering wordt onderbroken ter hoogte van . 2. Vervolgens kan men [ 2nd ] [ RCL ] kiezen om de waarde van de overeenkomstige variabele zichtbaar te maken (C in bovenstaand geval). 3. Om de uitvoering te hervatten, druk [ ]. Een programma wissen 1. Kies DEL uit het programma menu en druk [ ]. 2. Om een enkel programma te wissen, kies ONE, vervolgens het programmagedeelte dat men wenst te wissen, en vervolgens [ ] 3. Om alle programma’s te wissen, kies ALL. 4.
Een boodschap verschijnt om bevestiging te vragen voor het wiscommando. Druk [ ] om de cursor naar Y te bewegen en druk [ ]. 5. Om de DEL modus te verlaten, kies EXIT uit het programma menu. Programma Voorbeelden Zie Voorbeelden 54 tot 63. Voorbeeld 1 Verander 123 × 45 in 123 × 475 123 [ × ] 45 [ ] [ ] [ ] [ ] [ DEL ]
D-67 RUN Wanneer de boodschap “1 : + ”, “ 2 : – ”, “ 3 : × ”, “ 4 : / ” op het scherm verschijnt, kan een waarde voor “ O ” worden ingevoerd overeenstemmend met de bewerking die men wil uitvoeren, en wel als volgt: 1 voor Z 1 + Z 2 2 voor Z 1 – Z 2 3 voor Z 1 × Z 2 4 voor Z 1 Z 2 (1) [ ] ( 5 Seconds )
D-72[ ] [ ] [ ] [ ] [ ] [ ] [ ] [ ] [ ] [ ] [ ] [ ] [ ] [ ] [ ] [ ] [ ] [ ] Voorbeeld 56 Schrijf een programma om een gemeenschappelijke verschilreeks te creeren( A : Eerste element, D : gemeenschappelijk verschil, N : getal ) Som : S ( N ) = A+(A+D)+(A+2D)+(A+3D)+... = Ne element: A ( N ) = A + ( N – 1 ) D RUN Wanneer de boodschap “ 1: A(N), 2 :S(N) ” op het beeldscherm verschijnt, kan een waarde voor “ P ” worden ingevoerd om aan te geven welke operatie dient te worden uitgevoerd: 1 voor A(N) 2 voor S(N) 32 (1) A = 3 , D = 2, N = 4 A(N) = A (4) = 9 [ ] ( 5 Seconds )
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met HP 9g stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Rekenmachine HP
Handleiding Rekenmachine
Nieuwste handleidingen voor Rekenmachine