Grundfos MTHE 3-4/4 Handleiding

Grundfos Pomp MTHE 3-4/4

Bekijk gratis de handleiding van Grundfos MTHE 3-4/4 (81 pagina’s), behorend tot de categorie Pomp. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 17 mensen en kreeg gemiddeld 4.2 sterren uit 9 reviews. Heb je een vraag over Grundfos MTHE 3-4/4 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/81
CRE, CRIE, CRNE, SPKE, MTRE,
MTHE, CME
Installatie- en bedieningsinstructies
GRUNDFOS INSTRUCTIONS
Other languages
http://net.grundfos.com/qr/i/98358864

Beoordeel deze handleiding

4.2/5 (9 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Grundfos
Categorie: Pomp
Model: MTHE 3-4/4

Handleiding Grundfos MTHE 3-4/4 – volledige tekst

De installatie en bediening moeten voldoen aan de lokale regelgeving en gangbare gedragscodes.GEVAARGeeft een gevaarlijke situatie aan die, als deze niet wordt vermeden, zal resulteren in de dood of in ernstig persoonlijk letsel.WAARSCHUWINGGeeft een gevaarlijke situatie aan die, als deze niet wordt vermeden, zou kunnen resulteren in de dood of in ernstig per-soonlijk letsel.LET OPGeeft een gevaarlijke situatie aan die, als deze niet wordt vermeden, zou kunnen resulteren in licht of middelzwaar persoon-lijk letsel.Tips en advies om het werk gemakkelijker te maken.Als deze instructies niet in acht worden genomen, kan dit resulteren in technische fouten en schade aan de installatie.Een blauwe of grijze cirkel met een wit gra-fisch symbool geeft aan dat een actie moet worden uitgevoerd.Een rode of grijze cirkel met een diagonale balk, mogelijk met een zwart grafisch sym-bool, geeft aan dat een actie niet moet worden uitgevoerd of moet worden gestopt.

1 Pompen zonder af fabriek aangebrachte sensorDe pompen beschikken over een ingebouwde PI regelaar en kunnen worden ingesteld voor een externe sensor waardoor de volgende parameters kunnen worden geregeld:• constante druk• constant drukverschil• constante temperatuur• constant temperatuurverschil• constant debiet• constant niveau• constante curve• constante andere waarde. De pompen zijn af fabriek ingesteld op de regelmo-dus met constante curve. U kunt de regelmodus wij-zigen met de R100 of de Grundfos GO Remote. 4. 2 Pompen met af fabriek aangebrachte druksensorDe pompen beschikken over een ingebouwde PI regelaar en kunnen worden ingesteld voor een druk-sensor waardoor de persdruk kan worden geregeld. De pompen zijn af fabriek ingesteld op de regelmo-dus met constante druk. De pompen worden door-gaans gebruikt om een constante druk te behouden in systemen met een variabele vraag.

AI Analoge ingang. ALAlarm, buiten bereik bij onderste limiet. AO Analoge uitgang. AUAlarm, buiten bereik bij bovenste limiet. CIM Communicatie-interfacemodule. 'Current sink'-modusDe mogelijkheid om stroom op te nemen en naar de aarde (GND) in het interne circuit te leiden. 'Current source'-modusDe mogelijkheid om stroom te leve-ren en naar een externe belasting te leiden die deze naar de aarde (GND) moet terugvoeren. DI Digitale ingang. DO Digitale uitgang. ELCB Aardlekschakelaar. FM Functionele module.

GDSGrundfos Digitale Sensor. In de fabriek aangebrachte sensor in sommige Grundfos pompen. GENIbus Eigen busstandaard van Grundfos. GFCIAardlekschakelaar. (VS en Canada). GND Aarde. Grundfos Eye Signaallampje voor status. LIVELage spanning met risico op elektri-sche schok als de klemmen worden aangeraakt. OCOpen collector:Configureerbare open-collector-uit-gang. PE Aarding. PELVBeschermende extra lage spanning (PELV). Een spanning die niet hoger kan zijn dan de extra lage spanning (ELV) onder normale omstandighe-den en onder omstandigheden met een enkele storing, behalve aard-lekken in andere circuits. RCD AardlekschakelaarSELVExtra lage veiligheidsspanning (SELV). Een spanning die niet hoger kan zijn dan de extra lage spanning (ELV) onder normale omstandighe-den en onder omstandigheden met een enkele storing, inclusief aard-lekken in andere circuits.

Nederlands (NL)10874. 3 InstellingenDe beschrijving van de instellingen is zowel van toe-passing op pompen zonder af fabriek aangebrachte sensor als op pompen met af fabriek aangebrachte druksensor. SetpointU kunt het gewenste setpoint op drie manieren instellen:• op het bedieningspaneel van de pomp• via een ingang voor extern setpointsignaal• met de draadloze Grundfos R100 afstandsbedie-ning of de Grundfos GO Remote. Overige instellingenVoer alle andere instellingen uit met de R100 of de Grundfos GO Remote. U kunt belangrijke parameters zoals de actuele waarde van de regelparameter en het energiever-bruik aflezen met met de R100 of de Grundfos GO Remote. Als speciale of op maat gemaakte instellingen nodig zijn, gebruik dan de Grundfos PC Tool. Neem contact op met Grundfos voor meer informatie. 4. 4 Draadloze communicatieDit product bevat een radiomodule voor bediening op afstand.

Dit is een apparaat van klasse 1 dat overal in de EU zonder beperkingen kan worden gebruikt. Voor gebruik in de VS en Canada, zie pagina 2162. Sommige uitvoeringen van dit product en producten die verkocht worden in China en Korea hebben geen radiomodule. Dit product kan communiceren met de Grundfos GO Remote en andere producten van hetzelfde type via de ingebouwde radiomodule. In sommige gevallen kan een externe antenne nodig zijn. Alleen een door Grundfos GO Remoteedge-keurde externe antenne mag op dit product worden aangesloten, en alleen door een installateur die daarvoor door Grundfos is geautoriseerd. 4. 5 BatterijEen Li-ionaccu is aangebracht in de CRE, CRIE, CRNE, SPKE en MTRE pompen. De Li-ionbatterij voldoet aan de batterijrichtlijn (2006/66/EC). De bat-terij bevat geen kwik, lood en cadmium. 5. Het product ontvangen5.

1 Het product transporteren• Motoren van 2,2 tot 5,5 kW: Stapel niet meer dan twee motoren in hun oorspronkelijke verpakking op elkaar. • Motoren van 5,5 tot 11 kW: Stapel de motoren niet op elkaar. 5.

2 Het product inspecterenDoe het volgende voordat u het product installeert. 1. Controleer of het product overeenkomt met de bestelling. 2. Controleer of er geen zichtbare onderdelen beschadigd zijn. 3. Als onderdelen beschadigd zijn of ontbreken, neemt u contact op met uw lokale Grundfos vesti-ging. 6. Mechanische installatie6. 1 Het product hanterenNeem de lokale regelgeving in acht met betrekking tot beperkingen voor handmatig optillen of hanteren. Het gewicht van de motor staat vermeld op het type-plaatje. WAARSCHUWINGVallende voorwerpenDood of ernstig persoonlijk letsel- Zet het product goed vast tijdens het transport om te voorkomen dat het kan-telt of omvalt. LET OPVerplettering van de voetenLicht of middelzwaar persoonlijk letsel- Draag veiligheidsschoenen bij het ver-plaatsen van het product. LET OPRugletselLicht of middelzwaar persoonlijk letsel- Gebruik hijsapparatuur.

LET OPVerplettering van de voetenLicht of middelzwaar persoonlijk letsel- Draag veiligheidsschoenen en bevestig hijsapparatuur aan de hijsogen van de motor bij het hanteren van het product. Hijs het product niet op aan de klemmen-kast.

Nederlands (NL)10886. 2 Montage6. 3 KabeldoorvoerenZie het formaat van de kabeldoorvoeren in paragraaf 29. Overige technische gegevens. 6. 4 KabelwartelsHet aantal en het formaat van de kabelwartels die bij de pomp worden geleverd is afhankelijk van het motorvermogen. Zie paragraaf 29. Overige techni-sche gegevens. 6. 5 MotorkoelingLaat ten minste 50 mm vrije ruimte tussen het einde van het ventilatordeksel en een muur of ander vast voorwerp. Zie afb. 1. Afb. 1 Minimale afstand (D) tussen de motor en een wand of andere vaste voorwerpen. 6. 6 BuitenopstellingAls u de motor buiten opstelt, rust u de motor uit met een geschikte beschermkap en opent u de aftapope-ningen ter voorkoming van condensatie op de elek-tronische componenten. Zie afbeeldingen 2 en 3. De beschermkap moet voldoende groot zijn om de motor niet direct bloot te stellen aan direct zonlicht, regen of sneeuw.

Grundfos levert geen bescherm-kappen. We adviseren daarom dat u een bescherm-kap laat maken voor de specifieke toepassing. In gebieden met hoge luchtvochtigheid adviseren we u om de motor permanent op de netvoeding aan te sluiten en de ingebouwde stilstandverwarmingsfunc-tie in te schakelen. Zie paragraaf 13. 24 Stilstandverwarming, pagina 1131. Afb. 2 Voorbeelden van beschermkappen (niet geleverd door Grundfos)6. 7 AftapopeningenWanneer de motor staat opgesteld in een vochtige omgeving of in een gebied met hoge vochtigheid, dient de onderste aftapopening open te zijn. De beschermingsklasse van de motor zal dan lager zijn. Dit helpt om condensatie in de motor te voorkomen omdat hierdoor de motor zichzelf ventileert en water en vochtige lucht kunnen ontsnappen. De motor heeft een aftapopening met plug aan de aandrijfzijde. U kunt de flens 90 ° naar beide zijden of 180 ° draaien. Afb.

Om het UL-keurmerk te behouden, volgt u de aanvullende procedures voor de appa-ratuur. Zie pagina 2162. TM05 5236 3512DDenk bij het aanbrengen van een beschermkap op de motor aan de richtlijn in paragraaf 6. 5 Motorkoeling. TM05 3496 3512Om het UL-keurmerk te behouden, volgt u de aanvullende procedures voor de appa-ratuur. Zie pagina 2162. TM02 9037 1604B3 B14 B5.

Nederlands (NL)10897. Elektrische installatieAls de voedingskabel beschadigd is, dient deze door de fabrikant, haar servicepartner of door andere gekwalificeerde persoon vervangen te worden. De gebruiker of de installateur is verantwoordelijk voor het installeren van een correcte aarding en bescherming in overeenstemming met de lokale richtlijnen. Alle handelingen moeten worden uitge-voerd door een bevoegd elektricien. 7. 1 Bescherming tegen elektrische schok, indirect contactBeschermende aardgeleiders dienen geel/groen (PE) of geel/groen/blauw (PEN) gekleurd te zijn. 7. 1. 1 OverspanningsbeveiligingDe motor is beveiligd tegen netspanningspieken in overeenstemming met EN 61800-3. 7. 1. 2 MotorbeveiligingDe motor heeft geen externe motorbeveiliging nodig. De motor beschikt over thermische beveiliging tegen langzame overbelasting en blokkering. 7. 2 Kabelvereisten7. 2.

1 Dwarsdoorsnede kabel1 x 200-230 V3 x 380-500 V3 x 200-240 V7. 2. 2 AdersTypeGetwijnde of massief koperen aders. Maximale temperatuurMaximale temperatuur voor isolatie geleider: 60 °C (140 °F). Maximale temperatuur voor buitenmantel kabel: 75 °C (167 °F). GEVAARElektrische schok- Dood of ernstig persoonlijk letsel- Schakel de voedingsspanning naar de motor en de signaalrelais uit. Wacht ten minste 5 minuten voordat u enige ver-bindingen tot stand brengt in de klem-menkast. U dient er zeker van te zijn dat de voedingsspanning niet per ongeluk kan worden ingeschakeld. GEVAARElektrische schok- Dood of ernstig persoonlijk letsel- Controleer of de voedingsspanning en -frequentie overeenkomen met de waar-den die op het typeplaatje vermeld staan.

Nederlands (NL)10907. 3 Netvoeding7. 3. 1 Eénfase voedingsspanning• 1 x 200-240 V - 10 %/+ 10 %, 50/60 Hz, PE. Controleer of de voedingsspanning en -frequentie overeenkomen met de waarden die op het type-plaatje vermeld staan. De aansluitdraden in de klemmenkast van de motor moeten zo kort mogelijk zijn. Uitzondering hierop is de afzonderlijke beschermende aarddraad, die zo lang dient te zijn dat deze als laatste de verbinding verbreekt als de kabel onopzettelijk uit de kabeldoor-voer wordt getrokken. Voor maximale reservezekering, zie paragraaf 26. 1 Voedingsspanning. Afb. 4 Voorbeeld van een motor op netvoeding met netschakelaar, reservezekering en aanvullende beveiligingAfb. 5 Netaansluiting, eenfase motoren7. 3. 2 Driefasen voedingsspanningDriefasen motoren zijn leverbaar voor de onder-staande spanningen.

• 3 x 380-500 V - 10 %/+ 10 %, 50/60 Hz, PE• 3 x 200-240 V - 10 %/+ 10 %, 50/60 Hz, PE. Controleer of de voedingsspanning en -frequentie overeenkomen met de waarden die op het type-plaatje vermeld staan. De aansluitdraden in de klemmenkast van de motor moeten zo kort mogelijk zijn. Uitzondering hierop is de afzonderlijke beschermende aarddraad, die zo lang dient te zijn dat deze als laatste de verbinding verbreekt als de kabel onopzettelijk uit de kabeldoor-voer wordt getrokken. Om losse verbindingen te vermijden dient u ervoor te zorgen dat het klemmenblok voor L1, L2 en L3 in de bijbehorende connector wordt gedrukt bij het aan-sluiten van de voedingskabel. Voor maximale reservezekering, zie paragraaf 27. 1 Voedingsspanning.

Alleen de volgende motoren kunnen via een IT-net-werk van voeding worden voorzien:• Motoren met toerental van 1450-2000/2200 tpm en tot 1,5 kW• Motoren met toerental van 2900-4000 of 4000-5900 tpm en tot 2,2 kW. Afb. 6 Voorbeeld van een motor op netvoeding met netschakelaar, reservezekeringen en aanvullende beveiligingAfb.

7 Netaansluiting, driefasen motorenGEVAARElektrische schok- Dood of ernstig persoonlijk letsel- Gebruik de aanbevolen zekerings-waarde. Zie paragraaf 26. 1 Voedingsspanning. Als u de motor via een IT-netwerk van voe-ding wilt voorzien, moet u ervoor zorgen dat u over een geschikte motoruitvoering beschikt. Neem bij twijfel contact op met Grundfos. TM05 4034 1912TM05 3494 1512RCD, type BAls u de motor via een IT-netwerk van voe-ding wilt voorzien, moet u ervoor zorgen dat u over een geschikte motoruitvoering beschikt. Neem bij twijfel contact op met Grundfos. Aarden aan een driehoek is niet toege-staan voor voedingsspanningen van meer dan 3 x 240 V en 3 x 480 V, 50/60 Hz. TM05 3942 1812TM05 3495 1512L1L2L3L2L1L3PERCD, type B.

Nederlands (NL)10917. 4 Aanvullende beschermingDe aardlekschakelaar moet gemarkeerd zijn met het volgende symbool:Er moet rekening gehouden worden met de totale lekstroom van alle elektrische apparatuur in de installatie. De lekstroom van de motor kunt u vinden in paragrafen 26. 2 Lekstroom en 27. 2 Lekstroom (AC-voeding). Dit product kan een directe stroom in de aarddraad veroorzaken. Over- en onderspanningsbeveiligingOver- en onderspanning kunnen optreden bij een instabiele (net)voedingsspanning of een onjuiste installatie. De motor wordt uitgeschakeld als de spanning buiten het toelaatbare spanningsbereik valt. De motor wordt automatisch opnieuw ingescha-keld wanneer de spanning wederom binnen het toe-laatbare spanningsbereik ligt. Daarom is er geen extra beveiligingsrelais nodig.

Bescherming tegen overbelastingAls de bovenste belastingslimiet is overschreden, compenseert de motor hier automatisch voor door het toerental te verlagen. Bovendien wordt de motor uitgeschakeld als de overbelasting voortduurt. De motor blijft gedurende een vooraf ingestelde peri-ode uitgeschakeld. Hierna zal de motor automatisch proberen om in te schakelen. De beveiliging tegen overbelasting voorkomt schade aan de motor. Daarom is er geen extra motorbeveiliging nodig. Beveiliging tegen te hoge temperatuurDe elektronische unit heeft een ingebouwde tempe-ratuursensor als extra beveiliging. Wanneer de tem-peratuur boven een bepaalde waarde stijgt, dan zal de motor hier automatisch voor compenseren door het toerental te verlagen, en zal de motor uitschake-len als de temperatuur blijft stijgen. De motor blijft gedurende een vooraf ingestelde periode uitgescha-keld.

Hierna zal de motor automatisch proberen om in te schakelen. Beveiliging tegen fase-onbalansDriefasen motoren moeten worden aangesloten op een voedingsspanning met een kwaliteit conform IEC 60146-1-1, klasse C, om correct motorbedrijf bij fase-onbalans te garanderen. Dit garandeert ook een lange levensduur van de componenten. 7.

5 AansluitklemmenDe beschrijvingen van de klemmen in deze para-graaf gelden voor zowel één- als driefasen motoren. Voor maximale aandraaimomenten, zie paragraaf Aanhaalmomenten, pagina 1154. 7. 5. 1 Aansluitklemmen, CRE, CRIE, CRNE, SPKE en MTRE pompenCRE, CRIE, CRNE, SPKE en MTRE pompen hebben een aantal ingangen en uitgangen waardoor de pom-pen kunnen worden gebruikt in geavanceerde toe-passingen waarbij veel ingangen en uitgangen nodig zijn. De pompen hebben de volgende aansluitingen:• drie analoge ingangen• één analoge uitgang• twee geavanceerde digitale ingangen• twee configureerbare digitale ingangen of open-collector uitgangen• Grundfos Digital Sensor ingang en uitgang• twee Pt100/1000 ingangen• twee LiqTec sensoringangen• twee signaalrelaisuitgangen• GENIbus verbinding. Zie afb. 8.

GEVAARElektrische schok- Dood of ernstig persoonlijk letsel- Gebruik alleen aardlekschakelaars (ELCB, GFCI, RCD) van het type B. De motor is beveiligd tegen pieken in de voedingsspanning conform EN 61800-3. In gebieden met grote kans op onweer advi-seren we om een extra bliksembeveiliging aan te brengen.

Nederlands (NL)1092• Ingangen en uitgangenAlle ingangen en uitgangen zijn intern gescheiden van de delen die de netspanning geleiden d.m.v. dubbele isolatie, en elektrisch gescheiden van ove-rige circuits. Alle regelklemmen worden gevoed door een veilige lage spanning (PELV), waardoor er bescherming tegen elektrische schokken is.• Signaalrelaisuitgangen– Signaalrelais 1:LIVE:U kunt voedingsspanningen tot 250 VAC aan-sluiten.PELV:De uitgang is elektrisch gescheiden van de overige circuits. Daardoor kunt u de voedings-spanning of de extra lage veiligheidsspanning naar wens op de uitgang aansluiten.– Signaalrelais 2:PELV:De uitgang is elektrisch gescheiden van de overige circuits.

Daardoor kunt u de voedings-spanning of de extra lage veiligheidsspanning naar wens op de uitgang aansluiten.• Netvoeding (klemmen N, PE, L of L1, L2, L3, PE).* Als u een externe voedingsbron gebruikt, moet er een aansluiting zijn naar aarde.Afb. 8 Aansluitklemmen, CRE, CRIE, CRNE, SPKE en MTRE pompenDigitale ingang 1 is af fabriek ingesteld als start/stop-ingang waarbij een open kring-loop uitschakeling (stop) tot gevolg heeft. Af fabriek is een doorverbinding aange-bracht tussen klemmen 2 en 6.

Nederlands (NL)10947.5.2 Aansluitklemmen, MTHE, CME pompenDe MTHE, CME pomp heeft de volgende aansluitingen:• twee analoge ingangen• twee digitale ingangen of één digitale ingang enéén open-collector-uitgang• Grundfos Digital Sensor ingang en uitgang• twee signaalrelaisuitgangen• GENIbus verbinding.Zie afb. 9.• Ingangen en uitgangenAlle ingangen en uitgangen zijn intern gescheiden van de delen die de netspanning geleiden d.m.v. dubbele isolatie, en elektrisch gescheiden van ove-rige circuits. Alle regelklemmen worden gevoed door een veilige lage spanning (PELV), waardoor er bescherming tegen elektrische schokken is.• Signaalrelaisuitgangen– Signaalrelais 1:LIVE:U kunt voedingsspanningen tot 250 VAC aan-sluiten op de uitgang.PELV:De uitgang is elektrisch gescheiden van deoverige circuits.

Daardoor kunt u de voedings-spanning of de extra lage veiligheidsspanningnaar wens op de uitgang aansluiten.– Signaalrelais 2:PELV:De uitgang is elektrisch gescheiden van deoverige circuits. Daardoor kunt u de voedings-spanning of de extra lage veiligheidsspanningnaar wens op de uitgang aansluiten.• Netvoeding (klemmen N, PE, L of L1, L2, L3,PE).Digitale ingang 1 is af fabriek ingesteld als start/stop-ingang waarbij een open kring-loop uitschakeling (stop) tot gevolg heeft. Af fabriek is een doorverbinding aange-bracht tussen klemmen 2 en 6. Verwijder de doorverbinding als digitale ingang 1 moet worden gebruikt als externe start/stop of een andere externe functie.GEVAARElektrische schok- Dood of ernstig persoonlijk letsel- Zorg ervoor dat de aders van de onder-staande groepen aansluitingen over hungehele lengte door middel van dubbeleisolatie van elkaar worden gescheiden.

Nederlands (NL)10967.6 Signaalkabels• Gebruik afgeschermde kabels met een aderdoor-snede van min. 0,5 mm2 en max. 1,5 mm2 voor externe aan/uit-schakelaar, digitale ingangen, setpoint en sensorsignalen.• De kabelafscherming dient aan beide uiteinden van de kabel met de behuizing verbonden te wor-den. De afscherming moet zo dicht mogelijk bij de klemmen zitten. Zie afb. 10.Afb. 10 Gestripte kabel met afscherming en draadaansluiting• De schroeven voor het bevestigen van de afscherming op de behuizing dienen altijd te wor-den vastgedraaid ongeacht of er wel of geen kabel aangesloten is.• De aansluitdraden in de klemmenkast van de motor moeten zo kort mogelijk zijn.7.7 Busverbindingskabel7.7.1 Nieuwe installatiesGebruik voor de busverbinding een afgeschermde 3-aderige kabel met een aderdoorsnede van min. 0,5 mm2 en max.

1,5 mm2.Als de motor is aangesloten op een unit met een kabelklem die identiek is aan degene die op de motor is gebruikt, sluit dan de afscherming aan op deze kabelklem.Als de eenheid geen kabelklem heeft, sluit dan het uiteinde van de afscherming niet aan. Zie afb. 11.Afb. 11 Aansluiting met een 3-aderige afge-schermde kabel7.7.2 Een motor vervangen• Als er een 2-aderige afgeschermde kabel is gebruikt in de installatie, sluit deze dan aan zoals getoond in afb. 12.Afb. 12 Aansluiting met een 2-aderige afge-schermde kabel• Als er een afgeschermde 3-aderige kabel is gebruikt in de bestaande installatie, volgt u de instructies uit paragraaf 7.7.1 Nieuwe installaties.TM02 1325 4402TM05 3973 1812TM02 8842 0904AYBAYB123123MotorAYBAYB1212Motor

Nederlands (NL)10978. Bedrijfscondities8.1 Maximaal aantal in- en uitschakelingenHet aantal in- en uitschakelingen via de voeding mag niet meer dan vier per uur bedragen.Wanneer de pomp via de voeding wordt ingescha-keld, zal deze na ca. 5 seconden starten.Als een hoger aantal in- en uitschakelingen gewenst is, dient de externe start/stop-ingang te worden gebruikt bij het in-/uitschakelen van de pomp.Wanneer de pomp via een externe aan/uit-schake-laar wordt ingeschakeld, zal deze meteen starten.8.2 Omgevingstemperatuur8.2.1 Omgevingstemperatuur tijdens opslag en transportMinimum: -30 °CMaximum: 60 °C.8.2.2 Omgevingstemperatuur tijdens bedrijfDe motor kan werken met het nominale uitgangsver-mogen (P2) bij 50 °C, maar continu bedrijf bij hogere temperaturen zal de verwachte levensduur vermin-deren.

Als de motor moet werken bij een omgevings-temperatuur tussen 50 en 60 °C, moet een grotere motor worden gekozen. Neem contact op met Grundfos voor meer informatie.8.3 InstallatiehoogteDe installatiehoogte is de hoogte boven zeeniveau van de plek waar de opstelling staat.Motoren die tot 1000 meter boven zeeniveau opge-steld staan, kunnen 100 % belast worden.De motoren kunnen tot op 3500 meter boven zeeni-veau worden opgesteld.Afb. 13 Motorvermogen in relatie tot hoogte3 x 200-240 V 3 x 380-500 VMinimum -20 °C -20 °CMaximum 40 °C 50 °CMotoren die meer dan 1000 meter boven zeeniveau opgesteld staan mogen niet vol-ledig belast worden vanwege de lagere dichtheid en het daaraan verbonden lagere koeleffect van de lucht.TM05 5243 3717060809070100500 1000 1500 2000 2500 3000 3500Hoogte [m]P2 [%]

Nederlands (NL)1098Teneinde de galvanische isolatie te behouden en correcte scheidingsafstanden te waarborgen con-form EN 60664-1:2007, moet u de voedingsspanning aanpassen aan de hoogte:Afb. 14 Voedingsspanning voor driefasen motor in relatie tot hoogteAfb. 15 Voedingsspanning voor eenfasen motor in relatie tot hoogte8.4 LuchtvochtigheidMaximale luchtvochtigheid: 95 %.Als de luchtvochtigheid voortdurend hoog is en boven 85 % ligt, dienen de aftapopeningen in de flens aan de aandrijfzijde open te zijn. Zie paragraaf 6.7 Aftapopeningen.8.5 MotorkoelingNeem het volgende in acht om een goede koeling van de motor en de elektronica te garanderen:• Installeer de motor op een zodanige wijze dat voldoende koeling wordt gegarandeerd. Zie para-graaf 6.5 Motorkoeling.• De temperatuur van de koellucht mag niet hoger zijn dan 50 °C.• Houd de koelribben en de ventilatorbladen schoon.9.

GebruikersinterfacesU kunt de pompinstellingen uitvoeren door middel van de volgende gebruikersinterfaces:Bedieningspanelen • Standaard bedieningspaneel.Zie paragraaf 10. Standaard bedieningspaneel.• Geavanceerd bedieningspaneel.Zie paragraaf 11. Geavanceerd bedieningspa-neel.Afstandbedieningen• Grundfos GO Remote.Zie paragraaf 12. Grundfos GO Remote.• Grundfos R100 afstandsbediening.Zie paragraaf 13. Beschrijving van functies.Als de voedingsspanning naar de pomp wordt uitge-schakeld, worden de instellingen opgeslagen.TM06 9866 3617TM06 9867 3617500 2500 35001500500480460440420380400YXVoedingsspanning [V]Hoogte [m]0 500 1000 1500 2000 2500 3000 3500 4000200210220230240250Voedingsspanning [V]Hoogte [m]WAARSCHUWINGHeet oppervlakDood of ernstig persoonlijk letsel- Raak alleen de knoppen op het display aan, aangezien het product erg heet kan worden.

Nederlands (NL)109910. Standaard bedieningspaneelDe pompen worden standaard uitgerust met dit bedieningspaneel. Afb. 16 Standaard bedieningspaneel10. 1 Setpoint instellenStel het gewenste setpoint van de pomp in door op of te drukken. De groene lichtbalken op het bedieningspaneel geven het ingestelde setpoint aan. 10. 1. 1 Pomp in regelmodus met constante drukHet volgende voorbeeld geldt voor een pomp in een toepassing waarbij een druksensor een terugkoppe-ling naar de pomp geeft. Als een nieuwe sensor op de pomp wordt aangebracht, dan moet u deze hand-matig instellen aangezien de pomp niet automatisch een aangesloten sensor registreert. Zie paragraaf 13. 7 Analoge ingangen. Afbeelding 17 laat zien dat de lichtbalken 5 en 6 geactiveerd zijn, wat een gewenst setpoint van 3 bar aangeeft met een meetbereik van de sensor van 0 tot 6 bar.

Het instelbereik is gelijk aan het meetbereik van de sensor. Afb. 17 Setpoint ingesteld op 3 bar, regelmodus met constante drukTM05 4848 3512Pos. Symbool Beschrijving1Grundfos EyeToont de bedrijfsstatus van de pomp. Voor meer informatie, zie para-graaf 16. Grundfos Eye. 2-Lichtbalken voor weergave van het setpoint. 3Omhoog en omlaag. Wijzigt het setpoint. 4Maakt radiocommunicatie met Grundfos GO Remote en andere producten van hetzelfde type mogelijk. Wanneer u probeert radiocommu-nicatie tot stand te brengen tus-sen de pomp en Grundfos GO Remote of een andere pomp, knippert het groene lampje in het Grundfos Eye voortdurend. Druk op op het bedieningspaneel van de pomp om radio communi-catie met Grundfos GO Remote en andere producten van het-zelfde type mogelijk te maken. 5Maakt de pomp bedrijfsklaar of schakelt de pomp in en uit.

Wanneer de onderste lichtbalk brandt, houdt u 3 seconden ingedrukt tot de lichtbalk begint te knipperen. • Om weer terug te schakelen, drukt u continu op totdat het gewenste setpoint bereikt is. Voorbeeld: Pomp ingesteld op minimale curve. Afbeelding 20 laat zien dat de onderste lichtbalk knippert, wat minimale curve aangeeft. Afb. 20 Bedrijf met minimale curve10. 1. 3 Pomp in-/uitschakelenSchakel de pomp uit door op te drukken. Wan-neer de pomp wordt uitgeschakeld, licht de tekst "Stop" naast de toets op. U kunt de pomp ook uit-schakelen door continu op te drukken tot geen enkele lichtbalk meer brandt. Schakel de pomp in door op te drukken of door continu op te drukken tot het gewenste setpoint wordt aangegeven. Als u de pomp hebt uitgeschakeld door op te drukken, kan deze alleen worden vrijgegeven voor bedrijf door opnieuw op te drukken.

Als u de pomp hebt uitgeschakeld door op te drukken, kan deze alleen opnieuw worden ingescha-keld door op te drukken. U kunt de pomp ook uitschakelen met Grundfos GO Remote of via een digitale ingang die staat ingesteld op Externe stop. Zie paragraaf 15. Prioriteit van instellingen. 10. 1.

4 Resetten van storingsmeldingenU kunt een storingsmelding op één van de volgende wijzen resetten:• Via de digitale ingang als u deze hebt ingesteld op Alarm resetten. • Druk kortstondig op of op de pomp. Hier-door wordt de instelling van de pomp niet gewij-zigd. U kunt een storingsmelding niet resetten door op of te drukken als de toetsen zijn vergren-deld. • Schakel de voedingsspanning uit tot de signaal-lampjes uit zijn. • Schakel de externe start/stop-ingang uit en daarna weer in. • Met Grundfos GO Remote. TM05 4895 2812TM05 4896 2812HQMax. Min. HQTM05 4897 2812HQ.

Nederlands (NL)110111. Geavanceerd bedieningspaneelDe pompen kunnen als optie worden uitgerust met het geavanceerde bedieningspaneel. Afb. 21 Geavanceerd bedieningspaneel TM05 4849 1013Pos. Symbool Beschrijving1Grundfos EyeToont de bedrijfsstatus van de pomp. Voor meer informatie, zie para-graaf 16. Grundfos Eye. 2 - Grafisch kleurendisplay. 3 Gaat één stap terug. 4Navigeert tussen hoofdmenu's, displays en cijfers. Wanneer u het menu wijzigt, toont het display altijd het boven-ste display van het nieuwe menu. Navigeert tussen submenu's. Wijzigt instellingen voor waarden. Opmerking: Als u de mogelijk-heid om instellingen uit te voeren met de functie Instellingen in-/uit-schakelen hebt uitgeschakeld, kunt u deze mogelijkheid tijdelijk weer inschakelen door tegelijker-tijd gedurende ca. 5 seconden op deze toetsen te drukken. Zie paragraaf 13.

33 "Toetsen op pro-duct" (Instellingen in-/uitschake-len). 1234564Slaat gewijzigde waarden op, reset storingen en vergroot het betreffende veld. Maakt radiocommunicatie met Grundfos GO Remote en andere producten van hetzelfde type mogelijk. Wanneer u probeert radiocommu-nicatie tot stand te brengen tus-sen de pomp en Grundfos GO Remote of een andere pomp, knippert het groene lampje in het Grundfos Eye. Tevens wordt een melding weergegeven in het pompdisplay om aan te geven dat een draadloos apparaat verbin-ding met de pomp wil maken. Druk op op het bedieningspa-neel van de pomp om radio com-municatie met Grundfos GO Remote en andere producten van hetzelfde type mogelijk te maken. 5Maakt de pomp bedrijfs-klaar/schakelt de pomp in en uit. Start:Als u op de toets drukt wanneer de pomp is uitgeschakeld, scha-kelt de pomp alleen in als geen functies met een hogere prioriteit zijn geactiveerd.

Zie paragraaf 15. Prioriteit van instellingen. Stop:Als u op de toets drukt wanneer de pomp draait, wordt de pomp altijd uitgeschakeld. Als u de pomp uitschakelt via deze toets, wordt het pictogram onder in het display weergegeven.

Nederlands (NL)110211.1 BeginschermAfb. 22 Voorbeeld van display van beginscherm Home11.2 OpstartgidsDe pomp beschikt over een opstartgids die wordt gestart wanneer u de eerste keer opstart. Zie para-graaf 13.41 Geef opstartgids weer. Na de opstartgids verschijnen de hoofdmenu's in het display.TM06 4516 2415Pos. Symbool Beschrijving1HomeDit menu toont maximaal vier door de gebruiker gedefinieerde parameters. U kunt parameters selecteren die als snelkoppe-lingspictogram worden weer-gegeven en als u dan op drukt, gaat u rechtstreeks naar het scherm "Instellingen" voor de geselecteerde parameter.2-StatusDit menu toont de status van de pomp en het systeem, en ook waarschuwingen en alarmmeldin-gen.3-InstellingenDit menu geeft toegang tot alle instellingsparameters. U kunt gedetailleerde instellingen voor de pomp uitvoeren in dit menu.Zie paragraaf 13.

Beschrijving van functies.4-AssistDit menu geeft ondersteuning bij de instellingen van de pomp, geeft een korte omschrijving van de regelmodi en geeft advies bij storingen.Zie paragraaf 13.44 Assist.5Geeft aan dat de pomp is uitge-schakeld via de toets .6Geeft aan dat de pomp werkt als hoofdpomp in een multipomp systeem.7Geeft aan dat de pomp werkt als subpomp ('slave') in een multi-pomp systeem.Setpoint5.00 barOperating modeNormalActual controlled value4.90 barControl modeConst. pressureStatus Settings Assist1 2 3 456789Home8Geeft aan dat de pomp werkt in een multipomp systeem. Zie para-graaf 13.48 "Multipompinstelling" (Multipomp instelling).9Geeft aan dat de mogelijkheid om instellingen uit te voeren om vei-ligheidsredenen is uitgeschakeld. Zie paragraaf 13.33 "Toetsen op product" (Instellingen in-/uitscha-kelen).Pos. Symbool Beschrijving

Nederlands (NL)110612. Grundfos GO RemoteDe pomp is ontworpen voor draadloze of infrarood-communicatie met Grundfos GO Remote.Grundfos GO Remote maakt instelling van functies mogelijk en geeft toegang tot statusoverzichten, technische productinformatie en actuele bedrijfspa-rameters.Grundfos GO Remote biedt de volgende mobiele interfaces (MI).Afb. 23 Grundfos GO Remote communiceert via radio of infraroodverbinding (IR) met de pomp12.1 CommunicatieWanneer Grundfos GO Remote met de pomp com-municeert, knippert het signaallampje in het midden van het Grundfos Eye groen. Zie paragraaf 16. Grundfos Eye.Bovendien wordt op pompen die zijn uitgerust met een geavanceerd bedieningspaneel een tekst weer-gegeven in het display om aan te geven dat een draadloos apparaat probeert verbinding te maken.

Druk op op de pomp om een verbinding tot stand te brengen met Grundfos GO Remote of druk op om de verbinding te weigeren.Breng op één van de volgende manieren communi-catie tot stand:• draadloze communicatie• infraroodcommunicatie.12.1.1 Draadloze communicatieDraadloze communicatie kan plaatsvinden over afstanden tot 30 meter. Wanneer Grundfos GO Remote voor het eerst communiceert met de pomp, moet u de communicatie tot stand brengen door op of op het bedieningspaneel van de pomp te drukken. Als later communicatie plaatsvindt, wordt de pomp herkend door Grundfos GO Remote en kunt u de pomp selecteren in het menu "Lijst".12.1.2 InfraroodcommunicatieBij infraroodcommunicatie moet Grundfos GO Remote op het bedieningspaneel van de pomp gericht worden.TM06 6256 0916Pos. Beschrijving1Grundfos MI 301:Afzonderlijke module maakt draadloze of infraroodcommunicatie mogelijk.

Nederlands (NL)111013. Beschrijving van functies13. 1 Gewenste waardeU kunt het setpoint voor alle regelmodi instellen wan-neer u de gewenste regelmodus hebt geselecteerd. Zie paragraaf 13. 5 "Besturingsmodus". FabrieksinstellingZie paragraaf 24. Fabrieksinstellingen. 13. 2 BedrijfswijzeMogelijke bedrijfsmodi:• NormaalDe pomp werkt overeenkomstig de geselec-teerde regelmodus. •StopDe pomp schakelt uit. •Min. U kunt de minimale pompcurve gebruiken in peri-oden waarbij een minimaal debiet nodig is. Bijgebruik van de minimale pompmodus werkt depomp als een ongeregelde pomp. •Max. U kunt de maximale pompcurve gebruiken inperioden waarbij een maximaal debiet nodig is. Bij gebruik van de maximale pompmodus werktde pomp als een ongeregelde pomp. • HandmatigDe pomp werkt op een handmatig ingesteld toe-rental. In Handmatig wordt het setpoint via busgenegeerd. Zie paragraaf 13.

3 Instellen handma-tige snelheid. • "Door gebruiker gedefinieerd toerental"De motor werkt met een toerental dat is ingestelddoor de gebruiker. Zie paragraaf 13. 4 "Doorgebruiker gedefinieerd toerental instellen". Alle bedrijfsmodi worden geïllustreerd in afb. 24. Afb. 24 BedrijfsmodiFabrieksinstellingZie paragraaf 24. Fabrieksinstellingen. 13. 3 Instellen handmatige snelheidDit menu is alleen beschikbaar op het geavanceerde bedieningspaneel. Met de Grundfos GO Remote stelt u het toerental in via het menu Gewenste waarde. U kunt het toerental van de pomp instellen in % van het maximale toerental. Wanneer u de bedrijfsmodus op Handmatig hebt ingesteld, gaat de pomp met het ingestelde toerental draaien. Het toerental kan ver-volgens handmatig worden gewijzigd via Grundfos GO Remote of via het geavanceerde bedieningspa-neel. FabrieksinstellingZie paragraaf 24. Fabrieksinstellingen. 13.

Nederlands (NL)111113. 5 "Besturingsmodus"Mogelijke regelmodi:• "Proportionele druk"• "Constante druk" (Constante druk)• "Constante temperatuur" (Const. temp. )• "Constant drukverschil" (Const. vrsch. drk)• "Constant temperatuurverschil"(Const. vsch. tmp. )• "Constant debiet" (Const. debiet)• "Constant niveau" (Const. niveau)• "Constante andere waarde" (Const. andr. wrd)• "Constante curve" (Constante curve. )* Vereist een gemeten drukverschil en de invoer van pompgegevens in de regelaar. Zie 13. 6. 5 "Pompgegevens"FabrieksinstellingZie paragraaf 24. Fabrieksinstellingen. 13. 5. 1 "Proportionele druk"Wij adviseren deze regelmodus als de pomp is geïn-stalleerd in een circulerend systeem. De opvoerhoogte van de pomp wordt verlaagd bij afnemende waterbehoefte en verhoogd bij een toe-nemende waterbehoefte. Zie Afb. 25. Afb.

25 "Proportionele druk"Deze regelmodus is met name geschikt voor syste-men met relatief grote drukverliezen in de distributie-leidingen. De opvoerhoogte van de pomp neemt pro-portioneel met het debiet van het systeem toe ter compensatie voor de grote drukverliezen in de distri-butieleidingen. Voor de instellingen voor proportionele druk, zie 13. 6 De proportionele druk instellen. 13. 5. 2 "Constante druk"Wij adviseren deze regelmodus als de pomp een constante druk moet leveren, onafhankelijk van het debiet in het systeem. Zie afb. 26. Afb. 26 "Constante druk"Bij deze regelmodus wordt de af fabriek geplaatste druksensor gebruikt, indien beschikbaar, die de persdruk van de pomp meet. Bij pompen waarbij niet af fabriek een sensor is geplaatst moet u een druksensor aansluiten op een van de analoge ingangen van de pomp. U kunt de druksensor instellen in het menu Assist. Zie para-graaf 13.

Nederlands (NL)111213. 5. 3 "Constante temperatuur"Deze regelmodus zorgt voor een constante tempera-tuur. Constante temperatuur is een regelmodus voor comfort die u kunt gebruiken in huishoudelijke warm-watersystemen om het debiet te regelen teneinde een constante temperatuur in het systeem te hou-den. Zie afb. 28. Afb. 28 "Constante temperatuur"Bij deze regelmodus is vereist dat een temperatuur-sensor wordt geplaatst op de locatie waar de tempe-ratuur moet worden geregeld. Zie de onderstaande voorbeelden:Afb. 29 "Constante temperatuur"RegelaarinstellingenVoor aanbevolen instellingen van de regelaar, zie paragraaf 13. 13 "Regelaar" (Regelaarinstellingen). FabrieksinstellingZie paragraaf 24. Fabrieksinstellingen. 13. 5. 4 "Constant drukverschil"De pomp handhaaft een constant drukverschil, onaf-hankelijk van het debiet in het systeem. Zie afb. 30. Afb.

30 "Constant drukverschil"Deze regelmodus vereist een externe drukverschil-sensor of twee externe druksensoren. Zie de onder-staande voorbeelden:Afb. 31 "Constant drukverschil"RegelaarinstellingenVoor aanbevolen instellingen van de regelaar, zie paragraaf 13. 13 "Regelaar" (Regelaarinstellingen). FabrieksinstellingZie paragraaf 24. Fabrieksinstellingen. Pompuitvoering "Constante temperatuur"MTHE, CME●CRE, CRIE, CRNE, SPKE, MTRE●TM05 7900 1613VoorbeeldenHQtttPompuitvoering "Constant drukverschil"MTHE, CME●CRE, CRIE, CRNE, SPKE, MTRE●TM05 7901 1613Voorbeelden• Eén drukverschilsensor. De pomp gebruikt de input vanuit de sensor omhet drukverschil te regelen. U kunt de sensor handmatig instellen of via hetmenu Assist. Zie paragraaf 13. 45 Ondersteundpomp instellen. • Twee druksensoren. Constante regeling van het drukverschil ismogelijk met twee druksensoren.

De pompgebruikt de input van de twee sensoren en bere-kent het drukverschil. Beide sensoren moeten dezelfde eenheid heb-ben en moeten zijn ingesteld als feedbacksen-soren. U kunt de sensor handmatig, sensor voorsensor, instellen of via het menu Assist.

Nederlands (NL)111313.5.5 "Constant temperatuurverschil"De pomp handhaaft een constant temperatuurver-schil in het systeem en de pompcapaciteit wordt hierop afgestemd. Zie afb. 32.Afb. 32 "Constant temperatuurverschil"Deze regelmodus vereist twee temperatuursenso-ren of één temperatuurverschilsensor. Zie de onder-staande voorbeelden. De temperatuursensoren kun-nen analoge sensoren zijn die zijn verbonden met twee van de analoge ingangen of twee Pt100/Pt1000 sensoren die zijn verbonden met de Pt100/1000 ingangen, als deze beschikbaar zijn op de specifieke pomp.Stel de sensor in het menu Assist in onder Onder-steund pomp instellen. Zie paragraaf 13.45 Ondersteund pomp instellen.Afb. 33 Constant temperatuurverschilRegelaarinstellingenVoor aanbevolen instellingen van de regelaar, zie paragraaf 13.13 "Regelaar" (Regelaarinstellingen).FabrieksinstellingZie paragraaf 24.

Fabrieksinstellingen.Pompuitvoering"Constant temperatuur-verschil"MTHE, CME●CRE, CRIE, CRNE, SPKE, MTRE●TM05 7954 1713HQ△tVoorbeelden• Eén termperatuurverschilsensor.De pomp gebruikt de invoer vanuit de sensor omhet temperatuurverschil te regelen.U kunt de sensor handmatig instellen of via hetmenu Assist. Zie paragraaf 13.45 Ondersteundpomp instellen.•Twee temperatuursensoren.Constante regeling van het temperatuurverschilis mogelijk met twee temperatuursensoren. Depomp gebruikt de invoer van de twee sensorenen berekent het temperatuurverschil.Beide sensoren moeten dezelfde eenheid heb-ben en moeten zijn ingesteld als feedbacksen-soren. U kunt dit handmatig doen, sensor voorsensor, of via het menu Assist. Zie paragraaf13.45Ondersteund pomp instellen.tttt

Nederlands (NL)111413.5.6 "Constant debiet"De pomp handhaaft een constant debiet in het systeem, onafhankelijk van de opvoerhoogte. Zie afb. 34.Afb. 34 Constant debietDeze regelmodus vereist een debietsensor zoals hieronder weergegeven:Afb. 35 "Constant debiet"RegelaarinstellingenVoor aanbevolen instellingen van de regelaar, zie paragraaf 13.13 "Regelaar" (Regelaarinstellingen).FabrieksinstellingZie paragraaf 24. Fabrieksinstellingen.13.5.7 "Constant niveau"De pomp handhaaft een constant niveau, onafhan-kelijk van het debiet. Zie afb. 36.Afb. 36 "Constant niveau"Deze regelmodus vereist een niveausensor.De pomp kan op twee manieren het niveau in een tank regelen:• Als leegmaakfunctie waarbij de pomp de vloeistofuit een onderbrekingsreservoir pompt.• Als vulfunctie waarbij de pomp de vloeistof in eenopslagreservoir pompt.Zie afb.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Grundfos MTHE 3-4/4 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden