Fiat Ducato (2006) Handleiding
Pagina's 242 Nederlands Auto
Bekijk de handleiding van Fiat Ducato (2006) gratis online of download de PDF. 113 mensen vonden deze handleiding nuttig. Vraag over dit model? Stel een vraag
Product specificaties
| Merk: | Fiat |
| Categorie: | Auto |
| Model: | Ducato (2006) |
Handleiding Fiat Ducato (2006) – volledige tekst
9VEILIGHEIDSTARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTERDASHBOARD EN BEDIENING Knop Ædient voor het ontgrendelenvan de voorportieren.Knop Ødient voor het vergrendelen vanalle portieren/deuren.Knop ∞dient voor het ontgrendelenvan de deuren van de laadruimte.Als de portieren worden ontgrendeld,wordt de interieurverlichting een bepaal-de tijd ingeschakeld.Druk het knopje B alleen inals de sleutel ver genoegvan het lichaam (speciaal de ogen)en van voorwerpen die snel bescha-digen (bijvoorbeeld kledingstukken)is verwijderd. Laat de sleutel nooitonbeheerd achter. Hiermee voor-komt u dat iemand (dit geldt in hetbijzonder voor kinderen) per onge-luk op de knop drukt.ATTENTIEfig. 5 F0N0145mEnkele uitvoeringen zijn voorzien van eensleutel met afstandsbediening met 2 toet-sen Áen Ëfig.
10VEILIGHEIDSTARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTERDASHBOARD EN BEDIENING Batterij van de sleutel metafstandsbediening vervangen fig. 7Ga voor het vervangen van de batterijals volgt te werk:❒druk op het knopje Aen klap demetalen baard Buit;❒draai de schroef in stand C:meteen kleine schroevendraaier;❒trek de batterijhouder D naar buitenen vervang de batterij ; let daarbijEgoed op de polariteit;❒plaats de batterijhouder Din desleutel en draai de schroef Cinstand Á.fig. 7 F0N0005mExtra afstandsbedieningen bestel-lenHet systeem kan maximaal 8 afstandsbe-dieningen herkennen. Als u in de loopder tijd een nieuwe afstandsbedieningnodig hebt, kunt u zich tot een Fiat-dealer wenden.
Neem dan de CODE-card, een identiteitsbewijs en het kente-kenbewijs mee.Informatie van het lampje op hetdashboardAls de portieren/deuren worden ver-grendeld, gaat het bewakingslampje A-fig. 6 ongeveer 3 seconden branden endaarna knipperen (bewakingsfunctie).Als u de portieren/deuren vergrendelten een of meer portieren/deuren zijnniet goed gesloten, dan gaan het lampjeen de richtingaanwijzers snel knipperen.fig. 6 F0N0114m
12VEILIGHEIDSTARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTERDASHBOARD EN BEDIENING Hieronder worden alle met de sleutel in te schakelen functies samengevat (met en zonder afstandsbediening):Type sleutelMechanische sleutel Sleutel met afstandsbedieningKnipperen richtingaanwijzers(alleen met sleutel met afstandsbediening)BewakingslampjeOntgrendelen slotenSleutel linksom draaien(bestuurderszijde)Sleutel linksom draaien(bestuurderszijde)Knop Ækort indrukken2 x knipperenDovenSloten van buitenafvergrendelenSleutel rechtsom draaien (bestuurderszijde)Sleutel rechtsom draaien (bestuurderszijde)Knop Økort indrukken1 x knipperen3 seconden conti-nu branden en ver-volgens knipperen bewakingslampjeDead lock inschakelen(indien aanwezig)––Knop Øtwee keer indrukken3 x knipperen2 x knipperen en vervolgens knipperen bewakingslampjeOntgrendelen achterdeurslot––Knop ∞kort indrukken2 x knipperenKnipperen bewakingslampjeBELANGRIJK Het openen van de ruiten is gekoppeld aan het commando voor portierontgrendeling; het sluiten van de ruiten is gekoppeld aan het commando voorportiervergrendeling.Ruiten sluiten(indien vantoepassing)––Knop Ølanger dan 2seconden indruk-ken1 x knipperenKnipperen bewakingslampjeRuiten openen(indien van toe-passing)––Knop Ælanger dan 2seconden indruk-ken2 x knipperenDoven
13VEILIGHEIDSTARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTERDASHBOARD EN BEDIENING START-/CONTACTSLOTDe sleutel kan in 4 standen wordengedraaid fig. 9:❒STOP: motor uit, sleutel uitneem-baar, stuurslot ingeschakeld. Enkeleelektrische installaties kunnen wer-ken (bijv. autoradio, centrale portier-vergrendeling). ❒MAR: contact aan. Alle elektrischeinstallaties werken. ❒AVV: motor starten (stand zondervergrendeling). ❒PARK: motor uit, parkeerverlich-ting aan, stuur geblokkeerd. Drukom de sleutel in stand PARK tekunnen draaien, op de knop A. Het contactslot is voorzien van een her-startbeveiliging. Als de motor bij de eer-ste poging niet aanslaat, moet u de sleu-tel terugdraaien in stand en nog-STOP maals starten.
STUURSLOTInschakelenZet de sleutel in stand STOP, trek desleutel uit het start-/contactslot en draaihet stuur totdat het vergrendelt. UitschakelenDraai het stuur iets heen en weer, ter-wijl u de sleutel in stand MAR draait. Als het start-/contactslot isgeforceerd (bijv. bij eenpoging tot diefstal) moet u, voordatu weer met de auto gaat rijden, dewerking van het slot laten controle-ren bij de Fiat-dealer. ATTENTIENeem altijd de sleutel uithet contactslot als de autowordt verlaten, om onvoorzichtiggebruik van de bedieningsknoppente voorkomen. Vergeet niet dehandrem aan te trekken. Schakel deeerste versnelling in als de auto opeen helling omhoog staat en de ach-teruit bij een helling omlaag (gezienvanuit de rijrichting). Laat kinderennooit alleen achter in de auto. ATTENTIEfig. 9 F0N0007mVerwijder de sleutel nooituit het contactslot als deauto nog in beweging is.
Bij de eer-ste stuuruitslag blokkeert het stuurautomatisch. Dit geldt in alle geval-len, ook als de auto gesleept wordt. ATTENTIEHet is streng verboden ommontagewerkzaamhedenuit te voeren, waarvoor wijzigingenin de stuurinrichting of destuurkolom vereist zijn (bijv. bijmontage van een diefstalbe-veiliging).
99STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDControleer na het afstellenaltijd of de beugel in éénvan de vaste posities is geblokkeerd.Laat hiervoor de knop los en trek degordel omlaag, zodat het bevesti-gingspunt blokkeert, als dit nog nietheeft plaatsgevonden.ATTENTIEVeiligheidsgordel met rolautomaatvoor middelste zitplaats voorDe middelste zitplaats van de tweezits-bank is voorzien van een geïntegreerdedriepunts-veiligheidsgordel (rolauto-maat op stoel).fig. 3 F0N0156mSBR-SYSTEEMDe auto is uitgerust met het SBR-sys-teem (Seat Belt Reminder), dat bestaatuit een akoestisch waarschuwingssys-teem dat, samen met het knipperendelampje
100STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDGORDELSPANNERSVoor een nog effectievere beschermingzijn de veiligheidsgordels voor van de autovoorzien van gordelspanners. Dit systeemtrekt bij een heftige botsing de gordelenige centimeters aan. Op deze wijze wor-den de inzittenden veel beter op hunplaats gehouden en wordt de voorwaartsebeweging beperkt. Als de gordelspanners hebben gewerkt,dan is dit herkenbaar aan een gordelslui-ting die naar beneden is teruggetrokken;de gordel wordt niet meer opgerold, ookniet als hij wordt begeleid. BELANGRIJK Voor een maximalebescherming door de gordelspanner moetde veiligheidsgordel zo worden omgelegddat hij goed aansluit op borst en bekken. Tijdens de werking van de gordelspannerkan er een beetje rook ontsnappen.
Dezerook is niet schadelijk en duidt niet opbrand. De gordelspanner behoeft geen enkelonderhoud of smering. Elke verandering van de oorspronkelijkestaat zal de doelmatigheid verminderen. Als de gordelspanner door extremenatuurlijke omstandigheden (overstromin-gen, zeestormen) met water en modder incontact is geweest, dan moet de spannerworden vervangen. TREKKRACHTBEGRENZERSOm de bescherming van de inzittendenbij een ongeval te vergroten, zijn deoprolautomaten van de gordels voorvoorzien van trekkrachtbegrenzers dietijdens een frontale aanrijding de piekbe-lasting op de borst en schouders beper-ken. De gordelspanner werktslechts eenmaal. Als de gor-delspanners hebben gewerkt, moetu zich tot de Fiat-dealer wenden omze te laten vervangen.
De geldigheidvan het systeem staat vermeld opeen plaatje dat zich in het dash-boardkastje bevindt: laat voor hetverstrijken van deze termijn het sys-teem door de Fiat-dealer vervangen.
ATTENTIEWerkzaamheden in de buurtvan de gordelspanners,waarbij stoten, sterke trillin-gen of verhitting optreden(maximaal 100°C gedurende tenhoogste 6 uur), kunnen de gordel-spanners beschadigen of activeren:bij die omstandigheden horen niettrillingen die voortgebracht wordendoor een slecht wegdek of door con-tacten met kleine obstakels zoalstrottoirs. Als er iets aan de gordel-spanners moet gebeuren, dient u zichtot een Fiat-dealer te wenden.
101STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDALGEMENE OPMERKINGENOVER HET GEBRUIK VAN VEI-LIGHEIDSGORDELSDe bestuurder is verplicht zich te hou-den aan de wettelijke voorschriften metbetrekking tot het verplichte gebruik vande veiligheidsgordels (en de inzittendenerop attent te maken). Leg de veilig-heidsgordel altijd om voordat u vertrekt.Ook vrouwen die in verwachting zijnmoeten een gordel dragen: ook voorhen (zowel voor de aanstaande moederals het kind) is de kans op letsel bij eenernstig ongeval kleiner als ze een gordeldragen.Uiteraard moeten zwangere vrouwenhet onderste deel van de gordel meernaar beneden omleggen, zodat de gordelonder de buik langs loopt fig. 4.fig. 4 F0N0120m fig. 5 F0N0121m fig. 6 F0N0122mDe gordelband mag nooitgedraaid zijn.
Het diagona-le gordelgedeelte moet via het mid-den van de schouder schuin over deborst liggen. Het horizontale gordel-gedeelte moet over het bekken fig. 5en niet over de buik liggen. Gebruikgeen voorwerpen (wasknijpers,klemmen enz.) die een goed aanslui-ten van de gordel op het lichaamverhinderen.ATTENTIE
102STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDVoor een maximalebescherming door de gor-delspanners moet de veiligheidsgor-del zo worden omgelegd dat hijgoed aansluit op borst en bekken.Draag altijd veiligheidsgordels zowelvoor als achter in de auto! Rijdenzonder veiligheidsgordels vergroothet risico op ernstig letsel of dodelij-ke afloop bij een ongeval.ATTENTIEHet is streng verbodenonderdelen van de veilig-heidsgordels of gordelspanners tedemonteren of open te maken.Werkzaamheden aan de veiligheids-gordels en gordelspanners moetenworden uitgevoerd door gekwalifi-ceerd personeel. Wendt u altijd totde Fiat-dealer.
ATTENTIEAls de gordel aan een zwarebelasting wordt blootge-steld (bijvoorbeeld tijdens een onge-val), dan moet de gordel samen metde verankeringen, bevestigingspun-ten en de gordelspanners wordenvervangen. Ook als de schade nietzichtbaar is, dan kan de gordel tochverzwakt zijn.ATTENTIEIedere gordel dient slechtster bescherming van eenenkel persoon: gebruik de gordelniet voor een kind dat bij een vol-wassene op schoot zit, waarbij degordel beiden zou moeten bescher-men. Plaats bovendien geen enkelvoorwerp tussen de gordel en hetlichaam van een inzittende. ATTENTIE
103STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDHOE U DE VEILIGHEIDSGOR-DELS IN OPTIMALE STAATHOUDTVoor het juiste onderhoud van de veilig-heidsgordels moeten de volgende aan-wijzingen zorgvuldig worden opgevolgd:❒zorg dat de gordel goed uitgetrok-ken en niet gedraaid is; controleerook of de oprolautomaat zonderhaperingen werkt;❒vervang de gordels na een ongeval,ook al zijn ze ogenschijnlijk nietbeschadigd. Vervang de gordels ookals de gordelspanners in werking zijngeweest;❒u kunt de gordels met de hand was-sen met water en een neutrale zeep. Spoel ze uit en laat ze in de schaduwdrogen. Gebruik geen bijtende, ble-kende of kleurende middelen.
Vermijd het gebruik van alle chemi-sche producten die het weefsel vande gordel kunnen aantasten;❒voorkom dat vocht in de oprolauto-maat komt: de werking van de oprol-automaten is alleen gegarandeerd, alsze niet nat zijn geweest;❒vervang de gordels bij tekenen vanslijtage of beschadigingen. Voor optimale bescherming bij eenongeval moeten alle inzittenden zittendreizen en beschermd worden doorgoedgekeurde veiligheidssystemen. Dit geldt met name voor kinderen. Dit is een wettelijk voorschrift volgensrichtlijn 2003/20/EU in alle lidstaten vande Europese Unie. Het hoofd van kleine kinderen is in ver-houding met de rest van het lichaam gro-ter en zwaarder dan dat van volwassenen,terwijl spieren en botstructuur nog nietvolledig zijn ontwikkeld. Daarom moetenkleine kinderen door andere systemenbeschermd worden dan door de veilig-heidsgordels.
De systemen zijnonderverdeeld in vijf groepen:Groep 0 gewicht tot aan 10 kgGroep 0+ gewicht tot aan 13 kgGroep 1 gewicht: 9-18 kgGroep 2 gewicht: 15-25 kgGroep 3 gewicht: 22-36 kgZoals u ziet is er een gedeeltelijke over-lapping tussen de groepen; daarom zijnin de handel systemen verkrijgbaar diegeschikt zijn voor verschillendegewichtsgroepen. Alle systemen moeten zijn voorzien vande typegoedkeuring en van een goedvastgehecht plaatje met het controle-merk, dat absoluut niet mag worden ver-wijderd. KINDEREN VEILIG VERVOEREN.
Wijraden u aan kinderen altijd in eenkinderzitje op de zitplaatsen achterte vervoeren, omdat die plaatsen bijeen ongeval de meeste beschermingbieden.ATTENTIEZEER GEVAARLIJK Als hetabsoluut noodzakelijk iseen kind op de passagiers-stoel voor te vervoeren, ineen kinderzitje dat achter-stevoren is geplaatst, moe-ten de airbags voor aan passagiers-zijde worden uitgeschakeld (front-airbag en zij-airbag voor de bescher-ming van borstkas/bekken (sidebag),indien aanwezig) in het setup-menu.Controleer direct of de airbagsdaadwerkelijk zijn uitgeschakeld:het waarschuwingslampje F ophet instrumentenpaneel moet conti-nu branden.
Bovendien moet destoel zo ver mogelijk naar achterenzijn geschoven om te voorkomendat het kinderzitje eventueel in aan-raking komt met het dashboard.ATTENTIEKinderen met een lengte van meer dan1,50 m worden, met betrekking tot deveiligheidssystemen, gelijkgesteld metvolwassenen en moeten dan ook nor-maal de veiligheidsgordels omleggen.
105STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDGROEP 0 en 0+Kinderen tot 13 kg moeten in zitjes wor-den vervoerd die achterstevoren zijngeplaatst, waardoor het achterhoofdwordt gesteund en bij plotseling remmende nek niet wordt belast.Het wiegje moet op zijn plaats wordengehouden door de veiligheidsgordel van deauto fig. 7 en het kind moet op zijn beurtworden beschermd door de gordel van hetwiegje zelf.fig. 7 F0N0123mDe afbeeldingen dienen alleen ter illustratie van de bevestiging.Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. Defabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. ATTENTIEEr bestaan kinderzitjes die geschikt zijn voor de gewichtsgroepen 0 en1.
Deze kinderzitjes kunnen worden bevestigd aan de veiligheidsgordelsachter en hebben zelf gordels om het kind te beschermen. Vanwege het gewichtkan het gevaarlijk zijn als ze verkeerd worden gemonteerd (bijvoorbeeld als eenkussen tussen het kinderzitje en de veiligheidsgordels van de auto wordtgeplaatst). Houdt u voor de montage strikt aan de bijgeleverde instructies.ATTENTIEfig. 8 F0N0124m fig. 9 F0N0125mGROEP 2Kinderen met een gewicht tussen 15 en25 kg kunnen direct door de veiligheids-gordels van de auto worden beschermdfig. 9. Kinderen moeten zo in de kinder-zitjes worden geplaatst, dat het diagona-le gordelgedeelte schuin over de borsten niet langs de nek ligt. Het horizonta-le gordelgedeelte moet over het bekkenen niet over de buik van het kind liggen.
GROEP 1Kinderen met een gewicht tussen 9 en18 kg moeten worden vervoerd in kin-derzitjes met een kussen die naar vorenzijn gekeerd, waarbij de veiligheidsgordelvan de auto zowel het kinderzitje als hetkind op zijn plaats moet houden fig. 8.De afbeelding dient alleenter illustratie van de beves-tiging. Houdt u voor de montagevan het kinderzitje aan de instruc-ties. De fabrikant is verplicht dezeinstructies bij te leveren.ATTENTIE
106STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDGROEP 3Bij kinderen met een gewicht tussen 22en 36 kg is de borstomvang van dienaard dat de kinderen gewoon tegen derugleuning kunnen steunen en niet meerin een kinderzitje hoeven te worden ver-voerd.In fig. 10 wordt een voorbeeld gegevenvan de juiste positie van het kind op de achterbank. Kinderen die langer zijndan 1,50 m kunnen net zoals volwasse-nen de veiligheidsgordels omleggen.GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATSEN VOOR HET GEBRUIK VANDE KINDERZITJESDe auto voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EU-richtlijnen voor de montage vankinderzitjes op de verschillende plaatsen in de auto. Zie de volgende tabel: fig. 10 F0M0126mDe afbeelding dient alleenter illustratie van de beves-tiging. Houdt u voor de montagevan het kinderzitje aan de instruc-ties.
De fabrikant is verplicht dezeinstructies bij te leveren.ATTENTIECABINEZitplaatsen voorGroep Gewicht Afzonderlijke stoel Tweezitsbankpassagier (2 passagiers)Groep 0, 0+ tot 13 kg U (*) UGroep 1 9-18 kg U (*) UGroep 2 15-25 kg U (*) UGroep 3 22-36 kg U (*) ULegenda:U = geschikt voor “Universele” kinderzitjes overeenkomstig de Europese ECE/R44-voorschriften voor de aangegeven “groepen”.(*) Bij auto’s met een passagiersstoel op een draaivoet, moet de stoel in de hoogstestand worden gezet.
107STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDHieronder zijn de richtlijnen vooreen veilig vervoer van kinderenaangegeven. U dient zichhieraan te houden.1) Plaats het kinderzitje bij voorkeur opeen van de zitplaatsen achter omdatdeze plaatsen bij een ongeval de meestebescherming bieden.2) Als de airbag aan passagierszijde bui-ten werking wordt gesteld, moet altijdgecontroleerd worden of het betreffen-de gele lampje op het instrumentenpa-neel continu brandt.3) Houdt u bij de montage van het kin-derzitje strikt aan de instructies. Defabrikant is verplicht deze instructies bijte leveren.
Bewaar de instructies samenmet het instructieboekje in de auto.Monteer geen gebruikte kinderzitjeswaarvan de gebruiksaanwijzingen ont-breken.4) Controleer of de gordels goed zijnvastgemaakt door aan de gordelband tetrekken.5) Ieder veiligheidssysteem is bedoeldvoor slechts één kind: vervoer nooittwee kinderen in een systeem.6) Controleer altijd of de gordel nietlangs de nek van het kind loopt.7) Zorg er tijdens de rit voor dat hetkind geen afwijkende houding aanneemtof de gordels losmaakt.8) Vervoer kinderen nooit in uwarmen, ook geen pasgeboren kinderen.Niemand is sterk genoeg om ze bij eenongeval vast te houden.9) Na een ongeval moet het zitje dooreen nieuw exemplaar worden vervan-gen. Monteer absoluut geen kin-derzitje achterstevoren opde passagiersstoel voor als de front-airbag aan passagierszijde is inge-schakeld.
Als bij een ongeval de air-bag in werking treedt (opblaast),kan dit ernstig letsel en zelfs dedood tot gevolg hebben, ongeachtde zwaarte van het ongeluk. Wijraden u aan kinderen altijd in eengeschikt kinderzitje op de zitplaat-sen achter te vervoeren, omdat dieplaatsen bij een ongeval de meestebescherming bieden.ATTENTIE
108STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDFRONTAIRBAGSDe auto is voorzien van frontairbagsvoor de bestuurder en de passagier. De frontairbags (bestuurder / passagier)beschermen de inzittenden voor bij eenmiddelzware en zware frontale botsing,door het opblazen van een luchtkussentussen de inzittende en het stuurwiel ofhet dashboard. Als de airbags niet worden geactiveerdbij andere soorten botsingen (zijdelings,van achter, over de kop slaan enz), bete-kent dit niet dat het systeem niet goedfunctioneert. Bij een frontale botsing zorgt een regel-eenheid ervoor, indien nodig, dat hetkussen wordt opgeblazen. Het kussenblaast onmiddellijk op, waardoor hetlichaam van de inzittenden voor wordtopgevangen en de kans op letsel beperktwordt. Direct daarna loopt het kussenweer leeg.
De frontairbags (bestuurder / passagier)zijn geen vervanging voor de veiligheids-gordels, maar een aanvulling. Draag dusaltijd veiligheidsgordels. Bovendien is hetdragen van veiligheidsgordels wettelijkverplicht in Europa (en in de meeste lan-den daarbuiten). Als de frontairbags volledig opgeblazenzijn, vullen zij het grootste deel van deruimte tussen het stuurwiel en debestuurder en het dashboard en devoorpassagier. Bij een ongeval kan een inzittende diegeen veiligheidsgordel heeft omgelegd, incontact komen met een airbag die nogniet volledig opgeblazen is. Hierdoorwordt de inzittende minder door de air-bag beschermd. De frontairbags kunnen in de volgendegevallen niet worden ingeschakeld:❒bij frontale botsingen, met een anderdeel van de auto dan het front, tegenmakkelijk vervormbare objecten(bijv.
109STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDFRONTAIRBAG AAN PASSA-GIERSZIJDE (indien aanwezig) fig. 12Deze bestaat uit een opblaasbaar kussenmet een groter volume dan dat aanbestuurderszijde. Het kussen is in eendaarvoor bestemde ruimte in het dash-board geplaatst. fig. 11 F0N0071m fig. 12 F0N0072mFRONTAIRBAG AAN BESTUUR-DERSZIJDE fig. 11Deze bestaat uit een opblaasbaar kussendat in een daarvoor bestemde ruimte inhet midden van het stuurwiel isgeplaatst.Plaats geen stickers ofandere objecten op hetstuurwiel, op het deksel van de air-bagmodule aan de passagierszijdeof de zijkant van de hemelbekle-ding. Plaats geen voorwerpen ophet dashboard aan de passagierszij-de (bijv.
een mobiele telefoon),omdat deze het correct openen vande airbag aan passagierszijde kun-nen hinderen en de inzittenden ern-stig kunnen verwonden.ATTENTIEBij lichte frontale aanrijdingen (waarbijde werking van de veiligheidsgordel vol-doende is) worden de airbags niet geac-tiveerd. Daarom is het gebruik van deveiligheidsgordels absoluut noodzakelijk,want de gordel houdt de inzittende bijeen zijdelingse botsing in de juiste posi-tie en voorkomt dat de inzittende uit deauto wordt geslingerd bij zware botsin-gen.
110STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDFRONTAIRBAG EN ZIJ-AIRBAG(sidebag) (indien aanwezig) AANPASSAGIERSZIJDE HANDMATIGUITSCHAKELENAls het absoluut noodzakelijk is een kindop de passagiersstoel voor te vervoeren,moeten de frontairbag en zij-airbag(sidebag) (indien aanwezig) aan passa-gierszijde worden uitgeschakeld. Het waarschuwingslampje Fop hetdashboard blijft continu branden totdat defrontairbag en de zij-airbag (sidebag) (in-dien aanwezig) aan passagierszijde op-nieuw worden ingeschakeld. ZEER GEVAARLIJK:Monteer absoluut geen kin-derzitje achterstevoren opde passagiersstoel voor alsde frontairbag aan passa-gierszijde is ingeschakeld(ON). Als bij een ongeval de airbagin werking treedt (opblaast), kan diternstig letsel en zelfs de dood totgevolg hebben.
Als er geen anderemogelijkheid is, moet in ieder gevalde airbag aan passagierszijde uitge-schakeld worden als het kinderzitjeop de passagiersstoel voor wordtgeplaatst. Bovendien moet de stoelzo ver mogelijk naar achteren zijngeschoven om te voorkomen dat hetkinderzitje eventueel in aanrakingkomt met het dashboard. Ook alshet niet wettelijk verplicht is, radenwij u aan, voor een optimalebescherming van de volwassenen, deairbag onmiddellijk weer in te scha-kelen zodra er geen kinderen meervervoerd worden. ATTENTIERaadpleeg voor het hand-matig uitschakelen van defrontairbag en zij-airbag (sidebag)(indien aanwezig) aan passagierszij-de, de paragrafen “Digitaal display”en “Multifunctioneel display” in hethoofdstuk “Dashboard en bedie-ning”.
De zij-airbags (indien aanwezig) bescher-men de inzittenden bij een middelzwareen zware zijdelingse aanrijding, door hetopblazen van een luchtkussen tussen deinzittende en de interieurdelen aan de zij-kant van de auto. Als de zij-airbags niet worden geacti-veerd bij andere soorten botsingen(frontaal, van achter, over de kop slaanenz. ), betekent dit niet dat het systeemniet goed functioneert. Bij een zijdelingse aanrijding zorgt eenregeleenheid ervoor, indien nodig, dat dekussens worden opgeblazen. De kussensblazen onmiddellijk op, waardoor hetlichaam van de inzittenden wordt opge-vangen en de kans op letsel beperktwordt. Direct daarna lopen de kussensweer leeg. De zij-airbags (indien aanwezig) zijn geenvervanging voor de veiligheidsgordels,maar een aanvulling. Draag dus altijd vei-ligheidsgordels.
111STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDZIJ-AIRBAGS VOOR (SIDEBAGS) fig. 13 (indien aanwezig)Deze sidebags zijn kussens die zich snelopblazen en bevinden zich in de rugleu-ning van de voorstoelen, en hebben totdoel de borstkas van de inzittenden tebeschermen bij middelzware en zwarezijdelingse aanrijdingen. HEADBAGS (WINDOWBAGS)fig. 14 (indien aanwezig)De headbag is een “gordijn”-systeem enbevindt zich aan de rechter- en aan delinkerzijde in de hemelbekleding aan dezijkant en is afgedekt met een afwerklijst. De headbags bieden bescherming aanhet hoofd van de inzittenden voor tij-dens een zijdelingse aanrijding, dankzijhet grote effectieve oppervlak van dekussens.
BELANGRIJK De inzittende wordt bijeen zijdelingse botsing optimaal door hetsysteem beschermd als hij/zij in de juistepositie in de stoel zit. Hierdoor kunnende zij-airbags op de juiste wijze wordenopgeblazen. fig. 13 F0N0140m fig. 14 F0N0133mBELANGRIJK De frontairbags en/of zij-airbags kunnen ook worden geactiveerdbij krachtige stoten aan de onderzijdevan de carrosserie, bijvoorbeeld bijzware botsingen tegen drempels ofstoepranden of obstakels op het wegdekof als de auto terecht komt in grotegaten of verzakkingen in het wegdek. BELANGRIJK Als de airbags in werkingtreden, ontsnapt een beetje rook. Dezerook is niet schadelijk en duidt niet opbrand; bovendien kan het oppervlak vanhet opgeblazen kussen en het interieurvan de auto bedekt zijn met een laagjepoeder: dit poeder kan de huid en deogen irriteren. Als u hiermee in aanra-king bent gekomen, moet u zich metneutrale zeep en water wassen.
De geldigheidsduur van de pyrotechni-sche lading en van het spiraalmechanis-me zijn vermeld op het betreffendeplaatje in het dashboardkastje. Na dezeperiode moeten ze door de Fiat-dealerworden vervangen.
112STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDAan het einde van de lange levensduurvan uw auto, moet u contact opnemenmet de Fiat-dealer om het systeem bui-ten werking te laten stellen, bovendienmoet bij verkoop van de auto de nieuweeigenaar op de hoogte gesteld wordenvan het gebruik en de instructies, enmoet hij het instructieboekje ontvangen.BELANGRIJK Het in werking treden vande gordelspanners, de frontairbags en dezij-airbags voor wordt door de elektro-nische regeleenheid bepaald, afhankelijkvan het type ongeval.
Als een van dezeonderdelen niet in werking treedt, danduidt dat niet op een storing in het sys-teem.Steun niet met het hoofd,de armen of de ellebogentegen het portier, de ruiten of in hetgebied van de headbag (WindowBag) om verwondingen tijdens hetopblazen te voorkomen.ATTENTIESteek nooit het hoofd, dearmen of de ellebogen uithet raam.ATTENTIEALGEMENE OPMERKINGENAls u de contactsleutel instand MAR draait en hetlampje ¬gaat niet branden of blijftbranden tijdens het rijden (op hetmultifunctionele display verschijntook een bericht - indien aanwezig),dan is er mogelijk een storing in deveiligheidssystemen; in dat geval kun-nen de airbags of gordelspanners nietgeactiveerd worden bij een ongevalof, in een zeer beperkt aantal geval-len, niet op de juiste wijze geactiveerdworden.
Voordat u verder rijdt, dientu contact op te nemen met de Fiat-dealer om het systeem direct te latencontroleren.ATTENTIEBedek de rugleuning van destoelen voor en achter nietmet hoezen of kleden die niet zijnvoorbereid op het gebruik met side-bags.ATTENTIE
113STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDReis niet met voorwerpen opschoot of voor de borst enhoud vooral geen pijp, potlood enz.in de mond. Bij een ongeval waarbijde airbag in werking treedt, kan diternstig letsel veroorzaken.ATTENTIERijd altijd met beide handenop de stuurwielrand, zodatbij het in werking treden van de air-bag, het systeem niet wordt gehinderddoor obstakels. Rijd niet met voor-over gebogen lichaam, maar ga goedrechtop zitten en steun tegen de rug-leuning.ATTENTIEAls de contactsleutel in standMAR staat, kunnen, ook bijuitgezette motor, de airbags inscha-kelen als de auto stilstaat en de au-to frontaal wordt aangereden dooreen andere auto. Daarom mogen,ook als de auto stilstaat, absoluutgeen kinderen op de passagiersstoelvoor worden geplaatst.
Als de con-tactsleutel echter in stand STOPstaat, wordt bij een ongeval geen en-kel beveiligingssysteem (airbag of gor-delspanners) geactiveerd; als een sys-teem niet in werking treedt, betekentdit niet dat het systeem niet goedwerkt.ATTENTIELaat bij diefstal of een po-ging tot diefstal, bij bescha-diging of als de auto bij een overstro-ming onder water is geweest, het air-bagsysteem door een Fiat-dealer con-troleren.ATTENTIEAls u de contactsleutel instand MAR draait, gaat hetlampje F(met de frontairbag aanpassagierszijde ingeschakeld) enkele se-conden knipperen, om u eraan te her-inneren dat de airbag aan passagiers-zijde bij een botsing wordt geactiveerd.Hierna moet het lampje doven.ATTENTIE
114STARTEN EN RIJDENLAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDDe stoelen mogen niet metwater worden afgenomen ofmet stoom worden gereinigd (met dehand of in een automatisch wasap-paraat).ATTENTIEDe frontairbag treedt in wer-king als de botsing zwaarderis dan een botsing waarbij alleen degordelspanners worden geactiveerd.Bij aanrijdingen die tussen die tweedrempelwaarden in liggen, treden al-leen de gordelspanners in werking.ATTENTIEHaak geen harde voorwer-pen aan de kledinghaakjesen aan de steunhandgrepen.ATTENTIEDe airbag is geen vervangingvoor de veiligheidsgordels,maar een aanvulling.
Omdat de frontairbags niet worden geactiveerdbij frontale botsingen bij lage snel-heid, bij zijdelingse aanrijdingen en alsde auto van achter wordt aangeredenof over de kop slaat, worden in dezegevallen de inzittenden uitsluitenddoor de veiligheidsgordels beschermd.De gordels moeten dus altijd gedra-gen worden.ATTENTIE
MOTOR STARTENDe auto is uitgerust met een elektroni-sche startblokkering: zie bij startproble-men de paragraaf “Fiat CODE” in hethoofdstuk “Dashboard en bediening”.116LAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDSTARTEN EN RIJDENHet verdient aanbevelingom gedurende de eerstekilometers niet de maximaleprestaties van uw auto teeisen (snel accelereren, langdurig rij-den met hoge toerentallen, krachtigremmen enz.).Laat de contactsleutel nietin het contactslot zitten alsde motor stilstaat, zodat deaccu niet onnodig wordtontladen.Het is zeer gevaarlijk om demotor in afgesloten ruim-ten te laten draaien.
De motor ver-bruikt zuurstof en produceert kool-monoxide en andere giftige stoffen.ATTENTIEHoud er rekening mee datde rem- en de stuurbe-krachtiging niet werken zolang demotor niet is aangeslagen, waar-door meer kracht nodig is voor debediening van het rempedaal en hetstuur.ATTENTIEMOTOR STARTENGa als volgt te werk:❒trek de handrem aan;❒zet de versnellingspook in de vrij-stand;❒draai de contactsleutel in standMAR: op het instrumentenpaneelgaan de controlelampjes men Ybranden;❒wacht tot de lampjes Yen mgedoofd zijn. Hoe warmer de motor,hoe sneller het lampje dooft;❒trap het koppelingspedaal geheel in,zonder het gaspedaal in te trappen;❒draai de contactsleutel in stand AVVdirect nadat het lampje mgedoofdis. Als u te lang wacht, zijn de voor-gloeibougies weer afgekoeld. Laat desleutel los zodra de motor is aange-slagen.
117LAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDSTARTEN EN RIJDENAls de motor bij de eerste poging nietaanslaat, moet u de sleutel terugdraaienin stand STOP voordat u opnieuw start. Als met de contactsleutel in stand MARhet controlelampje Ysamen met hetwaarschuwingslampje mblijft branden,raden wij u aan de sleutel in standSTOP te draaien en vervolgens weer instand MAR; als het lampje nog steedsblijft branden, probeer het dan met deandere geleverde sleutels. BELANGRIJK Als het lampje Yop hetinstrumentenpaneel constant blijftbranden, wendt u dan onmiddellijk totde Fiat-dealer. BELANGRIJK Laat de start-/contactsleu-tel niet in stand staan als de motorMARis uitgezet.
Als het lampje mgeduren-de 60 seconden gaat knippe-ren na het starten of tijdenseen langdurige startpoging,dan duidt dat op een storing in hetvoorgloeisysteem. Als de motor aan-slaat, kunt u de auto op de gewonemanier gebruiken, maar wendt u zosnel mogelijk tot de Fiat-dealer. MOTOR OPWARMEN NA HETSTARTENGa als volgt te werk:❒rijd rustig weg, laat de motor nietmet hoge toerentallen draaien entrap het gaspedaal niet bruusk in;❒verlang de eerste kilometers geenmaximale prestaties. Wij raden u aante wachten tot de wijzernaald van dekoelvloeistoftemperatuurmeterbegint te bewegen. Houd er rekening mee datde rem- en de stuurbekrach-tiging niet werken zolang demotor niet is aangeslagen,waardoor meer kracht nodig is voorde bediening van het rempedaal enhet stuur. Probeer auto’s nooit te star-ten door ze aan te duwen, teslepen of van een helling afte laten rijden.
Op die wijzekan er onverbrande benzine in dekatalysator terechtkomen, waardoordeze onherstelbaar zal beschadigen. MOTOR UITZETTENDraai de contactsleutel in stand STOPterwijl de motor stationair draait. BELANGRIJK Het is beter om de motorna een zware rit even “op adem” telaten komen. Zet de motor niet onmid-dellijk uit, maar laat hem even stationairdraaien.
118LAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDSTARTEN EN RIJDENAls de handrem is aangetrokken en decontactsleutel in stand MAR staat, gaat ophet instrumentenpaneel het waarschu-wingslampje xbranden. Handrem uitschakelen:❒trek de hendel iets omhoog en drukop de ontgrendelknop A;❒houd de knop ingedrukt en laat deA hendel zakken. Het lampje xop hetinstrumentenpaneel dooft. Om onverwachtse bewegingen van de au-to te voorkomen, moet bij het bedienenvan de handrem het rempedaal worden in-getrapt. BELANGRIJK Trek de handrem alleen aanals de auto stilstaat. Als de auto in bewe-ging is, mag de handrem alleen wordenaangetrokken bij een storing in het hy-draulische systeem.
Als de handrem in hetuitzonderlijke geval bij een rijdende automoet worden aangetrokken, is het raad-zaam de handrem voorzichtig aan te trek-ken om te voorkomen dat de achterwie-len blokkeren en de auto gaat slippen. PARKERENGa als volgt te werk:❒zet de motor uit en trek de handremaan;❒schakel een versnelling in (de 1e alsde weg omhoog loopt, de achteruitals de weg omlaag loopt) en zet devoorwielen iets uitgestuurd. Als de auto op een steile helling staat,blokkeer de wielen dan met stenen ofwiggen. Laat de contactsleutel nooit inhet contactslot zitten omdat hierdoorde accu ontlaadt. Neem bovendien desleutel altijd uit het contactslot als u deauto verlaat. HANDREM fig. 1De handrem is aan de linkerzijde van debestuurdersstoel geplaatst. Om de hand-rem in te schakelen, moet u de hendelomhoog trekken zodat de auto blokkeert.
Op een vlakke ondergrond hoort de autogeblokkeerd te zijn als de handrem vier ofvijf tanden is aangetrokken. Op sterke hel-lingen en bij een beladen auto moet dehandrem negen of tien tanden worden aan-getrokken. BELANGRIJK Als dit niet het geval is, laatdan de Fiat-dealer de handrem afstellen. Laat kinderen nooit alleenachter in de auto.
Neem desleutel altijd uit het contactslot als ude auto verlaat en neem de sleutelmee. ATTENTIEfig. 1 F0N0073mGEBRUIK VAN DEHANDGESCHAKELDEVERSNELLINGSBAKOm de versnellingen in te schakelen,moet u het koppelingspedaal geheelintrappen en vervolgens de versnellings-pook in de gewenste stand plaatsen (hetschakelschema staat op de knop van depook fig. 2). Voor het inschakelen van de 6 eversnel-ling (indien aanwezig) moet de pooknaar rechts worden gedrukt om te voor-komen dat per ongeluk de 4 eversnellingwordt ingeschakeld. Dit geldt ook voorhet schakelen van de 6enaar de 5ever-snelling. BELANGRIJK De achteruit kan alleen bijeen stilstaande auto worden ingescha-keld. Wacht bij een draaiende motor eneen geheel ingetrapt koppelingspedaalminstens 2 seconden, voordat u de ach-teruit inschakelt. Hiermee wordt voor-komen dat de tandwielen beschadigen.
119LAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDSTARTEN EN RIJDENfig. 2 F0N0074mOm op de juiste wijze teschakelen, moet u het kop-pelingspedaal geheel intrappen. Daarom mag er niets onder hetpedaal liggen dat dit kan verhinde-ren: let erop dat de vloermattenniet zijn dubbelgevouwen, waardoorde slag van de pedalen kan wordenbeperkt. ATTENTIELaat uw hand tijdens het rij-den niet op de pookknop rus-ten omdat door de uitgeoe-fende druk, ook als deze lichtis, de interne onderdelen van de ver-snellingsbak na verloop van tijd kunnenslijten. Ga als volgt te werk om de achteruit Rvanuit de vrijstand in te schakelen: trekde schuifring A onder de knop omhoogen verplaats de pook naar links en ver-volgens naar voren.
AANWIJZINGENVOOR HET LADENDe door u gebruikte Ducato-uitvoeringis ontworpen en goedgekeurd op basisvan vastgestelde maximum gewichten(zie de tabellen “Gewichten” in hethoofdstuk “Technische gegevens”): leeg-gewicht, nuttig laadvermogen, totaalge-wicht, maximum voorasbelasting, maxi-mum achterasbelasting, aanhangerge-wicht. De opgegeven maximumgewichten MOGEN NOOITWORDEN OVERSCHREDEN. Let inhet bijzonder op het maximum toe-gestane gewicht op de voor- en ach-teras bij het laden van de auto (inhet bijzonder bij speciale opbouw-constructies). Bij onregelmatigheden inhet wegdek of bij bruuskremmen, kan de lading verschuivenen gevaar opleveren voor debestuurder en de passagiers: zorg erdaarom voor dat de lading goedvastzit voordat u vertrekt. Hiervoorkunnen de haken op de laadvloergebruikt worden.
Gebruik voor hetvastzetten van de lading metalenkabels, touwen of riemen, die steviggenoeg zijn om de lading op zijnplaats te houden. ATTENTIEATTENTIEOok als de auto schuinstaat of op een helling,kunnen bij het openen van de ach-terdeuren of van de zijdeur lossevoorwerpen onverwachts naar bui-ten schuiven.
120LAMPJES ENBERICHTENNOOD-GEVALLENONDERHOUD EN ZORGTECHNISCHEGEGEVENSALFABETISCHREGISTER DASHBOARD EN BEDIENING VEILIGHEIDSTARTEN EN RIJDENBRANDSTOFBESPARINGHierna volgen enkele nuttige tips, waar-door het brandstofverbruik zo laagmogelijk blijft en de uitstoot van schade-lijke uitlaatgassen zoveel mogelijkbeperkt wordt. ALGEMENE OPMERKINGENOnderhoud van de autoZorg voor een goed onderhoud van deauto door de controles en registratiesdie in het “Geprogrammeerd Onder-houdsschema“ staan vermeld, te latenuitvoeren. BandenControleer regelmatig, ten minste eenkeer per maand, de spanning van de ban-den: als de spanning te laag is, wordt deweerstand groter en neemt het verbruiktoe. Overbodige bagageRijd niet met een overbeladen bagage-ruimte. Het gewicht van de auto (vooralin stadsverkeer) en de wieluitlijning heb-ben grote invloed op het brandstofver-bruik en de stabiliteit.
Imperiaal/skidragerVerwijder de imperiaal of skidrager als udeze niet meer gebruikt. Ze verminde-ren de aerodynamica van de auto, waar-door het brandstofverbruik toeneemt. Gebruik voor het vervoer van volumi-neuze voorwerpen bij voorkeur eenaanhanger. StroomverbruikersGebruik de elektrische installaties alleenals u ze nodig hebt. De achterruitver-warming, extra koplampen, de ruiten-wissers en de aanjager van het ventilatie/verwarmingssysteem vragen veelstroom, waardoor het brandstofver-bruik toeneemt (tot aan 25% in stads-verkeer). AirconditioningDe airconditioning gebruikt zeer veelenergie, waardoor het brandstofver-bruik sterk toeneemt (tot gemiddeld20%): gebruik wanneer de buitentempe-ratuur het toelaat, bij voorkeur de func-ties van het ventilatiesysteem.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Fiat Ducato (2006) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden