Bulex T-box 2 zones Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Bulex T-box 2 zones (38 pagina’s), behorend tot de categorie Klimaatbeheersing. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 31 mensen en kreeg gemiddeld 4.3 sterren uit 8 reviews. Heb je een vraag over Bulex T-box 2 zones of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Bulex |
| Categorie: | Klimaatbeheersing |
| Model: | T-box 2 zones |
Handleiding Bulex T-box 2 zones – volledige tekst
3Algemene veiligheidsinstructies Alle elektrische aansluitingen, bescherm-maatregelen en beveiligingen moetendoor een vakman rekening houdend metde telkens geldende normen en VDE-richtlijnen en met de plaatselijke voor-schriften worden uitgevoerd. De elektrische aansluiting moet als vasteaansluiting volgens VDE 0100 voorzienworden. De elektrische aansluiting gebeurt volgenshet schakelschema van het betreffendeschakelveld. Opgelet. Installatie vóór het openen van het schakelveld stroomloos schakelen. Ondeskundige steekpogingen onder spanning kunnen de regelaar onher-stelbaar beschadigen en gevaarlijke elektrische schokken veroorzaken. Veiligheidsmaatregelen voor de montage volgens de EMC-richtlijn 1. Netvoedingskabels en voeler- resp. databuskabels moeten in principegescheiden gelegd worden. Hierbij moeteen minimumafstand van 2 cm tussen deleidingen aangehouden worden.
Kabelkruisingen zijn toegelaten. 2. Bij regelapparaten met eigennetaansluiting moet er absoluut opworden gelet dat net- en voeler- resp. busleidingen gescheiden wordengelegd. Bij het gebruik vankabelkanalen moeten deze vanscheidingsbruggen voorzien worden. 3. Bij de montage van regelapparaten ofruimtestations moet tot andere elek-trische inrichtingen met elektromag-netische emissie zoals contactgevers,motoren, transformators, dimmers, mi-crogolf- en televisietoestellen, luidspre-kers, computers, radiotelefoons enz. een minimumafstand van 40 cmworden aangehouden. 4. Tussen ruimteapparaten en centraleapparaten moet een minimumafstandvan 40 cm worden aangehouden. Meerdere centrale apparaten in dedatabusverbinding kunnen direct naastelkaar gemonteerd worden. 5. De netaansluiting van de verwar-mingsinstallatie (d. w. z.
46. Als databusleidingen moetenafgeschermde kabels gebruikt worden.Aanbevolen uitvoeringen:J-Y(St)Y 2 x 2 x 0.67. De aarding van de kabelafscherming moeteenzijdig aan de aardleidingaansluitinggebeuren, b.v. aan de bekledingsplaat vande warmteopwekker, de aardleidingklemenz. Meervoudige aarding van een kabel isniet toegelaten (bromlus)Bij stervormige databusnetten mag ergeen dubbele aarding gebeuren. Deaarding moet eenzijdig wordenuitgevoerd in het sterpunt!8.
De buitenvoeler mag niet in de buurtvan zend- en ontvangstinrichtingengemonteerd worden (op garagemurenin de buurt van ontvangstinrichtingenvoor garagepoortopeners, amateur-radioantennes, alarmradioinstallatiesen in de onmiddellijke nabijheid vangrote zendinstallaties enz.).Aanbevolen leidingdiameters en maximaal toegelaten leidinglengtes: Alle netspanninggeleidende leidingen(netaansluiting, branders, pompen, servo-motoren): 1,5 mm2Maximaal toegelaten lengte:Geen begrenzing in het kader van dehuisinterne installatie.Alle leidingen die veiligheidskleinspanninggeleiden (voelers, externe schakelaars bijopvraging via schakelcontact, modem-aansluitleidingen, analoge signaalleidin-gen enz.): 0,5 mm2Maximaal toegelaten lengte: 50 mLangere verbindingsleidingen moetenvermeden worden om het gevaar vanstoringen te voorkomen.Databusleidingen: 0,6 mm2Aanbevolen uitvoeringen:J-Y(St)Y 2 x 2 x 0.6 mm2Maximaal toegelaten lengte: 50 mLangere verbindingsleidingen moetenvermeden worden om het gevaar vanstoringen te voorkomen.afscherming2-aderigeDatabusleidingAfb.
5Centraal apparaat Montage Alle centrale apparaten zijn geconcipieerdals inbouwapparaten en worden nadat deelektrische aansluitingen zijn gerealiseerdvan voor in het betreffende ketelschakel-veld gezet.De bevestiging gebeurt met de klok meemet de beide zijdelingse snelkleminrichtin-gen (1).De demontage gebeurt in omgekeerdevolgorde.Elektrische installatie De elektrische aansluiting en de verderebekabeling naar de regelinrichtingengebeurt aan de achterkant van hetapparaat met de vier aansluitcontactstripsX1, X2, X3 en X4 in het schakelveld (ofmeegeleverd) conform de kenmerking inde gekleurd gemarkeerde aansluitvelden. Alle aansluitklemmen binnen het blauw gemarkeerde veld (X1) staan onder veiligheidskleinspanning en mogen in geen geval in contact komen met de netspanning!
Gebeurt dit wel, dan wordt het apparaat onvermijdelijk onherstelbaar beschadigd en verliest u elk recht op garantie!Aansluitklemmen in de rood gemarkeerdevelden (X2...X4) geleiden al naargelangde versie van het apparaat en debedrijfstoestand in principe netspanning.Meer informatie moet worden afgeleid uitde documenten van de fabrikant van dewarmteopwekker.Aansluitbezetting zie volgende bladzijde.Aanwijzing: Bij de bedrading van het apparaat moet erabsoluut op worden gelet dat voeler- resp.databusleidingen en netspanninggeleiden-de kabels gescheiden worden gelegd.Het samen leiden van leidingen binnen een kabel is niet toegelaten. Voeler- endatabusleidingen mogen niet samen metnetleidingen gelegd worden dieelektrische apparaten voeden die niet zijnontstoord volgens EN 60555-2.230 V~11MA.
9Wandsokkel MS-K Toepassing: De wandsokkel MS-K dient om hetcentraal apparaat te dragen en wordtgebruikt bij de wandmontage. UitvoeringDe wandaansluitsokkel is uitsluitendvoorbereid om het centraal apparaat tedragen. Het centraal apparaat is operationeelnadat het op de basisprintplaat gestokenen de uitgaande elektrische bedradinggerealiseerd is. Montage en elektrische installatie 1- Kabeldoorvoeren volgens aantal engrootte overeenkomstig de ligging vanhet kabelkanaal op de gemarkeerdeplaatsen boven resp. onder uitbreken. Aanwijzing:Indien er geen kabelkanaal wordtgebruikt moet op de plaats vaninstallatie voor een adequatetrekontlasting van de kabels gezorgdworden. 2- Arrêteringsschroeven (1) horizontaalzetten en klemafdekkingen zijdelingseraf trekken. 3- Wandsokkel met de meegeleverdeschroeven en pluggen op een vlakkeondergrond niet-trekkend monteren. Meegeleverde boorsjabloon gebruiken.
4- Elektrische bedrading uitvoerenconform installatie-uitvoering enaansluitschema op ommezijde. De aansluitklemmen van de klem-blokken X5 en X6 in het linker aansluit- bereik geleiden veiligheidsklein-spanning en mogen in geen geval in contact komen met de netspanning. Gebeurt dit wel, dan wordt het apparaat onvermijdelijk onherstelbaar beschadigd en verliest u elk recht op garantie. De aansluitklemmen van deklemblokken X7 tot X10 in het rechteraansluitbereik geleiden al naargelangde uitvoering van het apparaat en debedrijfstoestand netspanning. Bij de aansluiting moet vóór hetinbrengen van de leiding deactiveringshefboom van deschroefloze klemmen omlaag gedruktworden. 5- Zijdelingse klemafdekkingen eropsteken en arrêteren. 6- Centraal apparaat erin zetten en inlaten klikken onder gelijkmatigverdeelde druk. De elektrischeverbinding wordt gemaakt via debusstrip op de grondplaat.
Centraalapparaat met beide zijdelingsesnelkleminrichtingen met de klok meearrêteren. Aanwijzing: Bij de bedrading van het apparaat moet erabsoluut op worden gelet dat voeler- resp.
11Ruimtestation Montageplaats a – bij gebruik zonder ruimtevoelerVoorzover de interne ruimtevoeler nietgeactiveerd hoeft te worden kan hetapparaat op elke willekeurige plaatsbinnen gemonteerd worden.b – bij gebruik met ruimtevoelerBij geactiveerde ruimtevoeler moet hetapparaat op een hoogte van ca. 1,20–1,50 m op een neutrale, d.w.z. vooralle ruimtes representatieve meet-plaats aangebracht worden. Het ispraktisch om hiervoor een tussenmuurvan de koelste dagverblijfruimte tekiezen.
Om een toereikendeluchtcirculatie aan het ruimtestation tekunnen garanderen moet dit vrijhangend aan de muur gemonteerdworden.Het apparaat mag niet gemonteerdworden:– op plaatsen met rechtstreeks invallendzonlicht (rekening houden met dezonnestand in de winter).– in de buurt van apparaten die externewarmte opwekken, zoals televisie-toestellen, koelkasten, wandlampen,radiators enz.– aan muren waarachter verwarmings-resp.
warmwaterbuizen of verwarmdeschoorstenen lopen.– aan ongeïsoleerde buitenmuren.– in hoeken of nissen, rekken of achtergordijnen (onvoldoende luchtcircula-tie).– in de buurt van deuren naaronverwarmde ruimtes (invloed vanexterne koude).– op niet afgedichte ingelatencontactdozen (invloed van externekoude door schoorsteeneffect in deinstallatiebuizen).– in ruimtes waar de radiators geregeldworden met thermostaatkleppen(wederzijdse beïnvloeding).Montage Na het losmaken van het bovendeel doorop de vergrendeling te drukken kan demontageplaat eraf genomen en op deplaats van montage met de meegeleverdeschroeven en pluggen bevestigd worden.De databusleiding moet hierbij door deonderste opening geleid worden.Aanbevolen aansluitkabel:J-Y(ST)Y 2 x 2x 0.6mm2 (2 aders vrij) Max.
12Elektrische aansluiting De 2-aderige databusleiding wordtaangesloten aan de klemmen A en B vande 2-polige aansluiting op demontageplaat. De aansluitingen kunnenniet verwisseld worden en moetenovereenkomstig de kenmerking A/B in desokkel geïnstalleerd worden. Als de beideaansluitingen verwisseld worden, danverschijnt er evt. niets in het display. Aansluitsokkel (bovendeel verwijderd)Na gerealiseerde elektrische aansluitingwordt het ruimtestation zoals getoond inde vorige afbeelding vlak ingehangen ennaar beneden geklapt tot hij hoorbaarinklikt in de wandaansluitsokkel. Elektrische aansluiting aan de regelaar Zie montagehandleiding van het centraalapparaat. Databusadressering De aansluiting van een of meerdereruimteapparaten aan het centraalapparaat gebeurt via een 2-aderigedatabusleiding.
Aangezien dezeaansluiting altijd parallel op dezelfdeleiding gebeurt, moet degegevensoverdracht door dienovereen-komstig toegekende busadressen gese-lecteerd worden. Op dezelfde manier moet bij meerderecentrale apparaten in dedatabusverbinding (b. v. bij uitbreidingenvan het verwarmingscircuit) een selectievegegevensuitwisseling van de centraleapparaten onderling plaats kunnenvinden, die op dezelfde databusleidingwordt afgewikkeld. Om deze redenen krijgen de centraleapparaten en de ruimteapparatenzogenaamde busadressen. Busadres in centraal apparaatVoorzover er slechts één centraalapparaat voorhanden is, krijgt deze altijdhet busadres 10. Bij meerdere centraleapparaten in verbinding (max. vijf) krijgt deleidingsregelaar die de warmteopwekkerstuurt, het adres 10, de andere regelaarskrijgen na elkaar de busadressen 20, 30,40 en 50 toegewezen.
Instelling van het busadres in de regeleenheid De instelling van het busadres gebeurt nainvoer van de bijhorende installateurcodein het databusniveau van het betreffendecentrale apparaat (zie Ingebruiknamecentraal apparaat).
13Regeleenheid Ruimteapparaat Functie Bus-adresVerwarmings-groepBus-adresBasisapparaat 10Directe groepMenggroep 1Menggroep 21112131. Uitbreiding 20Directe groepMenggroep 1Menggroep 22122232. Uitbreiding 30Directe groepMenggroep 1Menggroep 23132333. Uitbreiding 40Directe groepMenggroep 1Menggroep 24142434. Uitbreiding 50Directe groepMenggroep 1Menggroep 2515253Instelling van het busadres in hetruimteapparaatA - Eerste ingebruiknameNa realisatie van de elektrische installatieen de ingebruikname van de installatieverschijnen in het basisstation allebeschikbare segmenten in het display:Aansluitend kan de gewenste taalovereenkomstig de landencode (D, GB, F,I resp.
NL) geselecteerd en geactiveerdworden.Daarna verschijnt de uitvoering van hetapparaat met de actuele softwarenummeren springt naar de adresseninstelling.Na het instellen van het busadres met dedraaiknop en bevestiging door diezelfde tedrukken verschijnt de uit het adresvastgestelde toewijzing automatisch: Opgelet: Dubbele bezettingen van busadressen zijnniet toegelaten en leiden onvermijdelijk totstoringen in de gegevensoverdracht enzodoende tot verkeerd regelgedrag van deverwarmingsinstallatie.B - Wijzigen van busadressenAls een busadres achteraf moet wordengewijzigd, dan moet als volgt te werkworden gegaan:1 - Ruimtestation isoleren van de data-busleiding (aan het onderste uiteindelosmaken van de steekverbinding).2 - Ruimtestation weer erop steken;daarbij de draaiknop ingedrukt houdentot de adresinstelling verschijnt.3 - Nieuw busadres instellen enbevestigen.
14Toebehoren Buitenvoeler AF Montageplaats De buitenvoeler moet op ongeveer eenderde van de hoogte van het gebouw(minimumafstand tot de grond 2 m) aan dekoudste kant van het gebouw (noord resp. noord-oost) worden aangebracht. Uitzondering: Als de geprefereerdeverblijfruimte in een andererichting ligt, dan moet debuitenvoeler aan dedesbetreffende zijde van hetgebouw worden gemonteerd. Bij de montage moet rekening wordengehouden met externe warmtebronnen,die de meetwaarde aanzienlijk kunnenvervalsen (verwarmde schoorstenen,warme lucht uit luchtkokers, montage opzwarte oppervlakken, koudebruggen in hetmetselwerk enz. ). De kabeluitvoer moetaltijd naar beneden gericht zijn om tevermijden dat er vocht binnendringt. Montage en elektrische aansluiting 1– Voelerkabel installeren tot aan deplaats van montage. 2– Dekselschroeven van de voeler-behuizing losdraaien en het dekselverwijderen.
3– Onderste deel van de voeler monterenmet de meegeleverde centrale beves-tigingsschroef. Afdichting gebruiken. Kabelinvoer moet naar benedengericht zijn. 4– Voelerkabel zo invoeren dat dekabelmantel is omsloten door deafdichting. 5– Elektrische aansluiting maken. Daarvoor moet bij voorkeur een 2-aderige kabel met een minimum-diameter van 1mm2worden gebruikt. De aansluiting gebeurt aan de beideschroefklemmen in de voelerbehuizingen is verwisselbaar. 6– Deksel aanbrengen en stevigvastschroeven op het onderste deel. Letop een juiste zitting van de dichtingsring. Dompelvoeler KVT Uitvoeringen:KVT 20/2/6 Kabellengte 2 mToepassing: Warmteopwekkervoeler,warmwatervoeler (bijgeïntegreerde WW-reser-voirs), terugloopvoeler enz. KVT 20/5/6 Kabellengte 5 mToepassing: Warmwatervoeler (voor se-cundaire waterverwarmers,bufferreservoirs), collector-terugloopvoeler enz.
15Toevoercontactvoeler VF Contactvoeler VF...Uitvoeringen:VF 202 Kabellengte 2 mToepassing: Als contactvoeler bijmengergestuurde verwar-mingscircuits in de verwar-mingstoevoer of terugloopVF 204 Kabellengte 4 mToepassing: zie VF 202Montageplaats: Na de menggroeppomp met eenminimumafstand van minstens 50 cm.Bij gebruik als terugloopvoeler:Geregelde toevoerbijmengingmet menger of mengklepBypassschakeling met terugloop-BypasspompMontage: Toevoerbuis blank maken en warmte-geleidende pasta aanbrengen.Voeler met spanband op de contactplaatsvlak tegen het buisoppervlak aanaanbrengen.Voor een stevige bevestiging zorgen!Elektrische aansluiting Voeler aansluiten aan de bijhorende aan-sluitklemmen van de betreffende regel-eenheid (zie bijhorend aansluitdiagram).
17 Ingebruikname van de thermo-staat TaalkeuzeBij ingebruikname resp. bij iederespanningsterugkeer na een netuitvalverschijnen tijdelijk alle in het displaybeschikbare segmenten. Aansluitend kan de gewenste taal (D, GB,F, I) worden gekozen. Ff TaalkeuzeDaarna verschijnt de uitvoering van hetapparaat met de actuele software-versienummerVoorzover er geen sprake is van eenfoutmelding verschijnt daarna debasisindicatie met datum, tijd en huidigetemperatuur van de warmteopwekker. Een actieve zomer ECO temperatuurwordt aangegeven door eenzonneschermsymbool (À). Bij actieve vorstbeschermingsfunctie ver-schijnt er een vorstsymbool (Á). Code-invoer Installateurcode Na invoer van de installateurcode wordende voor de installateur bedoeldeparameters vrijgeschakeld en kunnen zeovereenkomstig de uitvoering van dethermostaat bewerkt worden.
Voor de invoer van de installateurcodemoeten de toetsen ¥en §ca. drieseconden lang tegelijk ingedrukt wordentot de code-invoer verschijnt in het display. ¥ §+Het telkens knipperende cijfer kan met dedruk-draaiknop aan de hand van de codeingesteld en door drukken bevestigdworden. De overige cijfers worden opdezelfde manier bewerkt. Bij correcte code-invoer verschijnt bij hetbevestigen van het laatste cijfer debevestiging INSTALLATEUR OK, bijverkeerde invoer de mededeling CODE ERROR. De vanuit de fabriek ingesteldeinstallateurcode luidt:Aanwijzing: Indien de ingevoerde codeniet wordt geaccepteerdmoet de fabrikantgecontacteerd worden. Opgelet: Vrijgeschakelde installateur-parameters worden weergeblokkeerd als er gedurende tienminuten geen verdere bedieningvolgt. In dit geval moet deinstallateurcode opnieuw wordeningevoerd.
18Automatische set-functie Met deze functie kunnen regelgroepen uitbedrijf genomen worden die niet resp. paslater nodig zijn. De regelgroepen worden automatischgeregistreerd als hun bijhorende voelersaangesloten zijn en toegelaten meet-waarden leveren. Regelgroepen zondervoelerbedrading worden automatisch zonderfoutmelding uit bedrijf genomen. De AUTO-SET-functie wordt actief na elkinschakelen van het net. Automatische activering Voorzover de AUTO-SET-functie door deParameter 14 in het niveau SYSTEEMingeschakeld en de datum van de eersteingebruikname nog niet opgeslagen werd,worden aangesloten resp. geïsoleerdevoelers bij elk inschakelen van deregeleenheid automatisch geregistreerd. Indeze tijd worden foutmeldingen door voelers(kortsluitingonderbreking) onderdrukt.
Als de datum van de eerste ingebruiknamewerd opgeslagen, dan kan een gewijzigdevoelerconfiguratie alleen worden bevestigdvia de manuele activering. Manuele activering AUTO-SET-functie kan op elk momentmanueel geactiveerd worden door bij hetinschakelen van de regeleenheid tijdens deversieweergave de draaiknop zo lang in tedrukken tot de Auto-Set-functie in het displaybevestigd wordt.
De AUTO-SET-functie bevat de volgendevoeleringangen:– buitenvoeler– toevoervoeler 1– toevoervoeler 2– boilersensor– ketelvoelerVerder wordt de AUTO-SET-functie alleenuitgevoerd als de aan de voelers toegewezengroepen in de hierna opgesomdehoofdstukken dienovereenkomstiggeparametreerd werden:Voor de warmwatervoeler: Hoofdstuk HYDRAULISCH Parameter 2 - functie WW-laadpompinstelwaarde UIT of 1 (wwv-laadpomp)Voor de toevoervoeler 1: Hoofdstuk HYDRAULISCH Parameter 3 - functie menggroep 1instelwaarde UIT of 3 (menggroep)Voor de toevoervoeler 2: Hoofdstuk HYDRAULISCH Parameter 4 - functie menggroep 2instelwaarde UIT of 3 (menggroep)Voor de ketelvoeler: Niveau TOESTEL Parameter 1 - uitvoering warmteopwekkerinstelwaarde UIT of 1 (eentraps bedrijf)Opdat een uitgevoerde parametrering doorde AUTO-SET-functie niet weer versteldwordt, worden de huidige instelwaarden eerstgecontroleerd.
Een wijziging gebeurt alleenals er sprake is van een van de bovengenoemde instellingen. Daarmee kan deAUTO-SET-functie bijvoorbeeld nooit eenterugloopverhoging aan de MG2 afmelden ofomvormen tot een menggroep. N 233B 15 V2. 3 AUTO SET Standaard weergave.
19Storingsmeldingen Om in geval van storing een zo nauwkeurigmogelijke diagnose te kunnen stellen is hetregelsysteem uitgerust met een uitgebreidstoringsmeldsysteem. Al naargelang het soortstoring verschijnt een bijhorendestoringsmelding in het display van hetcentraal apparaat. Er zijn vijf verschillende categorieën stoor-meldingen:1 - Voelerstoormeldingen Voelermeetwaarden die niet in hetmeetbereik liggen, worden als foutenbeoordeeld. Ze verschijnenovereenkomstig hun gebruik met foutcode. 2 - Warmteopwekkerstoormeldingen Deze stoormeldingen beoordelen debetreffende schakeltoestand. Zeverschijnen al naargelang uitvoering entoewijzing met bijhorende foutcode. 3 - Logische stoormeldingen Deze stoormeldingen beoordelen het teverwachten regelresultaat. Ze verschijnenal naargelang uitvoering en toewijzing metbijhorende foutcode.
4 - Busstoormeldingen Deze stoormeldingen hebben betrekkingop adresfouten zoals dubbel toewijzen ofhet niet-herkennen van adresinstellingenbinnen de databus. Ze verschijnen alnaargelang uitvoering en toewijzing metbijhorende foutcode. 5 - Storingsmeldingen via de stuurautomaat (Uitvoering CT)Deze stoormeldingen komen van destookautomaat en worden onderverdeeldin permanente storingen (permanentevergendeling) met foutcode E-XX oftijdelijke storingen (zelfopheffendevergrendeling) met foutcode B-XX. De weergave en verdere verwerking vanstoringsmeldingen kan door eenparameterinstelling vrijgeschakeld resp. onderdrukt worden (zie niveau SYSTEEM –Parameter 13 (Logische foutmelding). Verdere verwerking van fouten: – Fouten verschijnen in de standaardweergave van de regelaar– Systeemfouten verschijnen in het Info-niveau bij de bijhorende infowaarde. – Evt.
20Aanduiding Soort fout CodeToevoervoeler 2 Onderbreking 18-0Toevoervoeler 2 Kortsluiting 18-1Collect. /toevoervoel. Onderbreking 19-0Collect. /toevoervoel. Kortsluiting 19-1Warmteopwekker: Brander 1 Niet UIT 30-2Brander 1 Niet AAN 30-3Brander 2 Niet UIT 31-2Brander 2 Niet AAN 31-3GJ-teller Geen impuls 32-3Rookgastemp. Overschreden 33-5Rookgastemp.
RGAB geactiveerd 33-8Temperaturen: Warmteopwekker Niet bereikt 50-4Warmteopwekker Overschreden 50-5Warmwater Niet bereikt 51-4Aanvoer MG1 Niet bereikt 52-4Aanvoer MG2 Niet bereikt 53-4Ruimte DG Niet bereikt 54-4Ruimte MG1 Niet bereikt 55-4Ruimte MG2 Niet bereikt 56-4Databusfout Adres Adresconflict 70-0Activiteit Geen T2B-signaal 70-1EEPROM 71-0EEPROM defect 71-1Storingsmelding via de stuurautomaat (CT) Storing Vergrendeling EnXStoring Blokkering BnXStoringshoofdstuk De regeleenheid beschikt over eenstoormeldingsregister, waarin maximaal vijfstoormeldingen kunnen worden opgeslagen. De storingsmeldingen worden weergegevenmet datum, tijd en soort storing (foutnummer),de opvraging gebeurt in de volgorde van debinnengekomen storingsmeldingen in hethoofdstuk FOUT MELDING.
De het laatst binnengekomen (= meestactuele) storingsmelding staat met prioriteit opde eerste plaats, de voorafgeganestoringsmeldingen worden bij elke nieuwestoringsmelding een plaats lager gezet. Devijfde storingsmelding wordt verwijderd als ereen nieuwe storingsmelding binnenkomt. Een bijzonderheid vormen de stoormeldingenvan de stookautomaat. Aangezien het hierbijom externe foutmeldingen gaat worden dezeopgeslagen in het storingshoofdstuk van dethermostaat zolang het CV-toestel nietgereset wordt. Installatie-informatie Installatie- en systeemtemperaturen Na opvraging van het informatieniveau metde Info-toets ¤kunnen alle voorhandeninstallatie- en systeemtemperaturen met dedraaiknop met de klok mee na elkaar wordenopgevraagd.
Voorzover in de volgende tabel onder derubriek Indicatiewaarde Gewenste waarde isaangegeven, verschijnt deze bij het indrukkenvan de draaiknop. De volgende indicaties verschijnen alleenonder de vermelde indicatievoorwaarden. Sommige indicaties zijn al naargelang debetreffende uitvoering van het apparaat nietbeschikbaar en worden derhalveovergeslagen.
21INFORMATION INDICATIEWAARDE INDICATIEVOORWAARDE ToepassingBuiten (1) gemiddelde waarde/actuele waarde Buitenvoeler aangeslotenBuiten (1) Min. /Max. -waarde(0. 00 tot 24. 00 uur) Buitenvoeler aangeslotenBuiten 2 gemiddelde waarde/actuele waardeBuitenvoeler 2 aan een variabeleingang aangeslotenBuiten 2 Min. /Max. -waarde(0. 00 tot 24. 00 uur)Buitenvoeler 2 aan een variabeleingang aangeslotenWarmteopwekker(1)gewenste waarde/werkelijke waardeWarmteopwekkergeprogrammeerd (. 2. )Warmteopwekker2gewenste waarde/werkelijke waardeTSTA 2 aan een variabeleingang aangesloten (. 2. )Terugloop SA Werkelijke waarde Terugloopvoeler op stook-automaat aangesloten (C)Afvoergas SA Werkelijke waarde Afvoergasvoeler op stook-automaat aangesloten (C)Terugloop gewenste waarde/werkelijke waardeTerugloopvoeler aan variabeleingang aangesloten en RLA actiefExterne blokkeringGeblokkeerdetoestandAAN/UITExt.
35Hoofdstuk RELAISTEST In dit hoofdstuk kunnen de relais in het centrale apparaat met de druk-draaiknopgeselecteerd worden om de werking ervan te controleren.PARAMETER Aanduiding Instelbereik / Instelwaarden Fabrieks-instelling Instelling 01 Test warmteopwekkerVerschillende relais-schakelvolgorde alnaargelang het ingestelde TST (een- of twee-traps)UIT 02 Test Pomp directe groep UIT-AAN-UIT-... UIT 03 Test Menggroeppomp 1 UIT-AAN-UIT-... UIT 04 Test Instelorgaanmenggroep 1 STOP-OPEN-STOP-SLUIT-STOP-... STOP 05 Test Menggroeppomp 2 UIT-AAN-UIT-... UIT 06 Test Instelorgaanmenggroep 2 STOP-OPEN-STOP-SLUIT-STOP-... STOP 07 Test Warmwater-laadpomp UIT-AAN-UIT-... UIT 08 Test variabele uitgang1 UIT-AAN-UIT-... UIT 09 Test variabele uitgang 2 UIT-AAN-UIT-...
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Bulex T-box 2 zones stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Klimaatbeheersing Bulex
Handleiding Klimaatbeheersing
Nieuwste handleidingen voor Klimaatbeheersing