Buderus Logatop BE 2.3 ECO Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Buderus Logatop BE 2.3 ECO (48 pagina’s), behorend tot de categorie Klimaatbeheersing. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 57 mensen. Heb je een vraag over Buderus Logatop BE 2.3 ECO of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Buderus |
| Categorie: | Klimaatbeheersing |
| Model: | Logatop BE 2.3 ECO |
Handleiding Buderus Logatop BE 2.3 ECO – volledige tekst
Algemeen1 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden.41 AlgemeenAANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERNeem voor de montage en de werking van de installatie goed nota van de landspecifieke normen en richtlijnen!Land Alle landenBrandstoffen Stookolie EL conform DIN51603-1(viscositeit max. 6,0 mm²/s bij 20 °C)Opmerkingen De brander mag enkel met de aangegeven brandstof branden. De reiniging en het onderhoud dienen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd! Daarbij moet de hele installatie gecontroleerd worden op correct functioneren. Verhelp onmiddellijk vastgestelde gebreken.Dit product voldoet qua constructie en werking aan de Europese richtlijnen evenals aan de bijkomende nationale vereisten.
De conformiteit wordt met de CE-markering aangetoond.U kunt de conformiteitverklaring van het product vinden op het internet bij www.buderus.de/konfo of deze opvragen bij uw filiaal van Buderus.
Veiligheid 2Blauwevlambrander Logatop BE 1. 3 en 2. 3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 52 Veiligheid2. 1 Met betrekking tot deze handleidingDit inbedrijfstellings- en onderhoudsvoorschrift bevat belangrijke informatie betreffende een veilige en vakkundige montage, inbedrijfstelling en dito onderhoud en ontstoring van de blauwevlambrander Logatop BE1. 3 ECO resp. 2. 3 ECO. Het inbedrijfstellings- en onderhoudsvoorschrift richt zich tot de vakman, die – op basis van zijn opleiding en ervaring – beschikt over de nodige kennis wat betreft verwarmings- evenals stookolie-installaties. De blauwevlambranders Logatop BE 1. 3 ECO en 2. 3 ECO worden in dit voorschrift "brander" genoemd. Neem de onderstaande aanwijzingen voor uw eigen veiligheid in acht. 2.
2 Reglementair gebruikDe brander mag enkel gecombineerd worden met de onderstaande ketels van het type Logano en hun opvolgers:–Logano G125 ECO–Logano S125 ECODe volautomatisch werkende brander voldoet aan de eisen van de normen DIN EN 230 en DIN EN 267. De brander werd in de fabriek warm getest en vooringesteld op het betreffende nominale ketelvermogen (zie etiket aan de brander), opdat u bij de eerste inbedrijfstelling de branderinstellingen enkel nog hoeft te controleren en eventueel aan de plaatselijke voorwaarden aan te passen. 2. 3 Opbouw van de aanwijzingenEr bestaan twee soorten aanwijzingen die door verschillende signaalwoorden worden aangeduid:Verdere symbolen voor het markeren van gevaren en aanwijzingen voor de gebruiker:WAARSCHUWING.
LEVENSGEVAARWijst op een gevaar dat eventueel van het product uitgaat en dat kan leiden tot zwaar lichamelijk letsel, zelfs met de dood tot gevolg, wanneer onvoldoende voorzorgsmaatregelen genomen worden. OPGELET. GEVAAR VOOR VERWONDINGEN/ SCHADE AAN DE INSTALLATIEWijst op een situatie die mogelijk gevaarlijk is en die zou kunnen leiden tot matig of licht lichamelijk letsel of materiële schade. WAARSCHUWING.
Veiligheid2 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden.62.4 Neem deze aanwijzingen in achtWAARSCHUWING!LEVENSGEVAARdoor vergiftiging.Een ontoereikende luchttoevoer naar de CV-installatie kan leiden tot het ontsnappen van gevaarlijke rookgassen.zWanneer u de CV-installatie in gebruik neemt, mogen de luchttoevoer- en afvoeropeningen niet afgesloten zijn.
De diameters van de luchttoevoer- en afvoeropeningen moeten overeenstemmen met de berekende waarden.zWanneer de luchttoevoer- en afvoeropeningen niet voldoen aan de eisen, mag de verwarmingsinstallatie niet in werking gesteld worden.WAARSCHUWING!BRANDGEVAARdoor ontbrandbare materialen of vloeistoffen.zZorg ervoor, dat er zich voor het begin van de werkzaamheden geen ontvlambare materialen of vloeistoffen in de plaatsingsruimte bevinden.OPGELET!SCHADE AAN DE BRANDERdoor verontreinigde verbrandingslucht.zVermijd sterke stofvorming.OPGELET!SCHADE AAN DE INSTALLATIEdoor verstopte filters.Filters die direct na het vullen van de tank verstopt raken, kunnen erop wijzen dat het door het vullen opgewervelde slib aangezogen werd.zDeel uw klant mee de verwarmingsinstallatie tijdens het vullen van de tank uit te schakelen en ook na het vullen minimaal 6 uur te wachten voordat deze weer wordt ingeschakeld.WAARSCHUWING!LEVENSGEVAARdoor elektrische stroom.zSchakel de verwarmingsinstallatie stroomloos vooraleer u werkzaamheden uitvoert aan de installatie!OPGELET!SCHADE AAN HET TOESTELdoor onvakkundige reparaties.zVoer geen reparatiewerkzaamheden uit aan onderdelen met veiligheidstechnische functies.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERzGebruik uitsluitend originele reserveonderdelen van Buderus.Voor beschadigingen die veroorzaakt werden door reserveonderdelen die niet door Buderus geleverd werden, kan Buderus niet aansprakelijk gesteld worden.
Productbeschrijving 3Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 73 ProductbeschrijvingDe hoofdcomponenten van de brander zijn:–Oliepomp met magneetventiel met aansluitslangen voor stookolie (afb. 1, pos. 1)–Brandermotor (afb. 1, pos. 2)–Branderbuis (afb. 1, pos. 3)–Branderautomaat met resettoets (afb. )1, pos. 5–Fotocel (afb. )1, pos. 6– 7Ventilator (afb. 1, pos. )De brander (afb. 1) is reeds verbonden met het regeltoestel via een stekkerverbinding (7-polige branderstekker).De sturing en de controle van de brander worden overgenomen door de geaggregeerde branderautomaat.–Nadat de elektronische ketelregeling een warmtevraag doorgestuurd heeft, wordt de brander ingeschakeld en wordt de olie voor en in de verstuiver opgewarmd tot ongeveer 65 °C.
Bij een koude start kan dit maximaal drie minuten duren.–Na afloop van de voorontstekingstijd wordt voor olievrijgave de magneetklep aangestuurd en wordt het brandstof-luchtmengsel ontstoken.–Onmiddellijk na de ontsteking vormt zich een blauw brandende vlam.–De olie die door de sproeier wordt verstoven, wordt bij dit verbrandingssysteem door middel van teruggeleide stookgassen verdampt (gasvormig), homogeen met de verbrandingslucht gemengd en daarna binnenin de branderbuis verbrand.–Voor de veiligheidstijd verstreken is, moet de fotocel een vlamsignaal melden, want anders zal de brander op storing gaan.Pos. 1: Oliepomp met magneetventiel en olieaansluitslangenPos. 2: BrandermotorPos. 3: BranderbuisPos. 4: Branderaansluiting voor 7-polige branderstekkerPos. 5: Branderautomaat met resettoets Pos. 6: FotocelPos. 7: Ventilator1236754
Servicewerkzaamheden aan de branderautomaat LMO uitvoeren5 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden.125 Servicewerkzaamheden aan de branderautomaat LMO uitvoerenDe branderautomaat regelt de inbedrijfstelling en de controle van de brander. De vlambeveiliging gebeurt bij dit soort branders door middel van een blauwefotocel (fotocel). De branderautomaat wordt enkel via het regeltoestel van de ketel aangestuurd. Bij een storing kunt u de resettoets (afb. 6, pos. 1) op de branderautomaat indrukken (zie hoofdstuk 5.3 "Storingen aan de branderautomaat verhelpen", pagina .14)5.1 ProgrammaverloopPos. 1: Resettoets Pos.
2: Lipje12WAARSCHUWING!LEVENSGEVAARdoor elektrische stroom.zOpen de branderautomaat niet en voer geen ingrepen of wijzigingen aan de branderautomaat uit.zWanneer het toestel gevallen is, mag het niet meer in bedrijf gesteld worden, aangezien de veiligheidsfuncties ook zonder uiterlijk zichtbare beschadiging verstoord kunnen zijn.geelgeelknipperend groen/groen knipperendLegende:R: temperatuur- resp. drukregelaarW: temperatuur- resp.
Servicewerkzaamheden aan de branderautomaat LMO uitvoeren5 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden.145.3 Storingen aan de branderautomaat verhelpenNa een uitschakeling door een storing licht de LED op de branderautomaat "rood" op. Aan de hand van een "knippercode" kunnen de storingen weergegeven worden. Ga daarbij als volgt tewerk:zDruk de resetknop ca. vijf seconden in, tot de LED kort "geel" knippert.zDe oorzaak van de storing wordt aan de hand van de "knippercode" achterhaald; verhelp de storing (tab. 8).zDruk de resettoets ca.
vervangen.LED "flikkert" Interfacemodus is actief Door het indrukken van de resettoets (> vijf seconden) kunt u de interfacediagnose activeren.Wanneer u de interfacediagnose per ongeluk geactiveerd heeft (LED "flikkert" zwak rood), kunt u die weer uitschakelen door opnieuw op de resettoets te drukken (> vijf seconden). Het juiste omschakeltijdstip wordt door de LED met een gele lichtimpuls aangegeven.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERTijdens de diagnose van de storing zijn de besturingsuitgangen spanningsloos, de brander blijft uitgeschakeld.
Brander in bedrijf stellen 6Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 156 Brander in bedrijf stellenIn dit hoofdstuk wordt beschreven, hoe u de brander in gebruik kunt nemen.Aangezien de brander in de fabriek "warm getest" en vooringesteld werd, hoeft u enkel de instelwaarden te controleren en aan de installatie aan te passen.zVul vervolgens het inbedrijfstellingsprotocol in (zie hoofdstuk 6.8 "Inbedrijfstellingsprotocol", pagina 23).6.1 Elektrische stekkerverbindingen controlerenzControleer of alle elektrische stekkerverbindingen correct geplaatst zijn. 6.2 Installatie voor olietoevoer controleren en aansluiten Vooraleer u de olietoevoer aan de brander aansluit, moet u controleren of alle olievoerende leidingen en de oliefilter schoon en afgedicht zijn.
zVoer een visuele controle van de olieleiding uit en reinig of vervang ze eventueel. zControleer de oliefilter, vervang hem eventueel.zControleer de installatie voor olietoevoer (zie hoofdstuk 9 "Installatie voor olietoevoer ontwerpen", pagina 36).zSluit de olieslang van de brander aan op een oliefilter. Legenda voor afb. 8 en afb. 9:Pos. 1: Olieaanzuigleiding (rode band)Pos. 2: Retourleiding (blauwe band)2 12 1AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERDe brander wordt om veiligheidsredenen geleverd in "storingstoestand".AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERLet erop, dat de olieaanzuig- en retourleiding (afb. 8 en afb. 9) niet verwisseld worden.
Brander in bedrijf stellen6 Blauwevlambrander Logatop BE 1. 3 en 2. 3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 166. 3 Olieleiding ontluchtenOm de werking van de brander te garanderen, moet u de installatie voor olietoevoer controleren (zie hoofdstuk 9 "Installatie voor olietoevoer ontwerpen", pagina 36). Met name bij oudere installaties moeten de zuigweerstand en de dichtheid gecontroleerd worden. Er bestaan twee manieren om de olieleiding te ontluchten:–olieaanzuigpomp – zo vermijd u dat de oliepomp zonder olie draait en zo beschadigd zou worden. –brandertestapparaat (afb. 11, pos. 1; toebehoren) – wanneer de olieaanzuig gebeurt door de op de brander gebouwde oliepomp. Hieronder wordt de ontluchting van de olieleiding met het brandertestapparaat (afb. 11, pos. 1) beschreven. zMonteer de vacuümmeter (afb. 10, pos. 3) met transparante slang (afb. 10, pos.
4; toebehoren), zoals te zien is in afbeelding 10, tussen de oliefilter (afb. 10, pos. 5) en de olieaanzuigleiding (afb. 10, pos. 1). zSchakel de CV-installatie stroomloos. zNeem de branderautomaat (afb. 10, pos. 2) van de sokkel. zPlaats het brandertestapparaat (afb. 11, pos. 1) op de vrijliggende sokkel. zSchakel de CV-installatie in. zSchakel de bedrijfsschakelaar van het regeltoestel in. De LED (rood) licht op (afb. 11, pos. 2). zSchakel het brandertestapparaat via de bedrijfsschakelaar (afb. 11, pos. 5) in. De beide LED’s (rood en groen) lichten op (afb. 11, pos. 2 en 3). zSchakel de schakelaar voor overbrugging van de olievoorverwarmer (afb. 11, pos. 4) in. zControleer aan de transparante slang of de aangezogen olie geen luchtbellen bevat (afb. 10, pos. 4). Pos. 1: OlieaanzuigleidingPos. 2: BranderautomaatPos. 3: VacuümmeterPos. 4: Transparante slangPos. 5: Oliefilter12345Pos.
7, "Aanduiding van de operationele toestand van de brander via de meerkleurige LED", pagina 13).zOlieverbindingen op dichtheid controleren.Pos. 1: Resettoets Pos. 2: Branderautomaat12OPGELET!SCHADE AAN DE INSTALLATIEdoor het te vaak indrukken van de resetknop.Wanneer de brander niet start en u de resetknop meer dan drie maal vlak achter elkaar indrukt (binnen een tijdspanne van drie minuten), kan de ontstekingstrafo van de brander beschadigd worden.zOntlucht het systeem met behulp van de ingebouwde oliepomp en niet door de resettoets meermaals in te drukken (afb. 12, pos. 1).AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERDe brander bevindt zich bij de levering in de storingsstand (de LED van de resettoets licht permanent "rood" op). U moet de brander resetten.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERVoor elke start (inschakelen) doorloopt de branderautomaat een zelftest (ca. vijf seconden).
Brander in bedrijf stellen6 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden.18Wanneer de brander niet start:zdruk de resettoets in (afb. 12, pos. 1).Als de brander ook na het veelvuldig indrukken van de resettoets niet in bedrijf gaat, moet u de oorzaak van het probleem bepalen aan de hand van het functiestroomdiagram (zie hoofdstuk 10.1 "Functiestroomdiagram", pagina 42).6.5 Bevestigingsschroeven van de branderdeur vaster aandraaienOpdat er geen valse lucht in de vuurhaard zou binnendringen, moet u de bevestigingsschroeven van de branderdeur in warme toestand handvast aandraaien met behulp van gereedschap (ca. 10 Nm).zBevestigingsschroeven van de branderdeur vaster aandraaien.6.6 Meetwaarden opnemen of corrigeren De metingen geschieden hoofdzakelijk in de rookgasleiding (afb. 13). De meetopening (mof; afb. 13, pos.
2) moet op een afstand "A" (ca. 2 × diameter rookgasleiding "D") van de rookgasaansluitstomp aangebracht worden (afb. 13). Wanneer de rookgasinstallatie direct na de verwarmingsketel met een bocht is aangesloten, moet voor de bocht gemeten worden. zLet erop, dat de rookgasleiding tussen de rookgasaansluitstomp en het meetpunt afgedicht is, want valse lucht beïnvloedt de meetresultaten.Pos. 1: Afdichtmanchet voor de rookgasleidingPos. 2: Meetopening (mof)Pos. 3: Meetsonde321AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERWe raden u aan om een afdichtmanchet te gebruiken voor de rookgasleiding (afb. 13, pos. 1).
Brander in bedrijf stellen 6Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 196.6.1 Meetwaarden opnemenDe ketelwatertemperatuur heeft een aanzienlijke invloed op de rookgastemperatuur. Meet daarom indien mogelijk bij een ketelwatertemperatuur van ca. 60 °C en een branderlooptijd van meer dan vijf minuten.zPlaats de meetsonde (afb. 13, pos.
3, pagina 18) tot in de kernstroom (midden van de rookgasleiding) van de rookgassen (hoogste rookgastemperatuur).zNeem de meetwaarden op en noteer deze in het inbedrijfstellingsprotocol (zie hoofdstuk 6.8 "Inbedrijfstellingsprotocol", pagina 23).zNadat de metingen werden uitgevoerd, moet u de verschillende meetopeningen sluiten.6.6.2 Rookgasverlies (qA) berekenenHet rookgasverlies mag de voorgeschreven waarde van de Duitse norm BImSchV niet overschrijden.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERWij raden u aan om de voorinstellingen die in de fabriek gedaan werden, te controleren en deze niet te wijzigen, wanneer deze overeenstemmen met de technische gegevens.qA = (tA – tL) xxxxx (0,5/CO2 + 0,007) in %tA = rookgastemperatuur bruto in °CtL = luchttemperatuur in °CCO 2 = koolstofdioxide in %
1), wijzigt u de druk van de oliepomp en bijgevolg het CO2-gehalte.zSchroef de oliedruk-manometer in de betreffende aansluiting van de oliepomp (merkteken "P").Wanneer het voorziene CO2-gehalte binnen de grenzen van de oliedruk niet bereikt wordt, moet u de dichtheid aan stookgaszijde eerst controleren (zie hoofdstuk 8.2 "Dichtheid aan stookgaszijde controleren", pagina 34).CO-gehalte (koolstofmonoxide) metenHet CO-gehalte (koolstofmonoxidegehalte) moet lager liggen dan 50 ppm (CO < 50 ppm).zBij afwijkingen ten opzichte van de aangegeven waarde – storingen verhelpen (zie hoofdstuk 10 "Branderstoringen verhelpen", pagina 42).11Druk verhogen:Naar rechts draaien = CO2-gehalte verhogenDruk verlagen:Naar links draaien = CO2-gehalte verlagenAANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERWanneer u bij de eerste inbedrijfstelling een te hoge CO-waarde meet, kan dat te wijten zijn aan het ontgassen van een organische bindstof (b.v.
Brander in bedrijf stellen 6Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 21Aanzuigluchtgeleiding instellenIndien het CO2-gehalte niet enkel door een aanpassing van de oliedruk (oliedruk buiten het instelbereik) ingesteld kan worden, moet bovendien het luchtvolume via de aanzuigluchtgeleiding gewijzigd worden.zMaak de aanzuigluchtgeleiding (ALF) los (afb. 16, pos. 1).zPas de statische ventilatordruk aan door de aanzuigluchtgeleiding te verdraaien.Let erop, dat bij een hogere ventilatordruk een verschuiving van de regelaar resulteert in kleinere waarden op de schaal. Dat stemt overeen met de richting van de pijl in afb. 16.zStel de oliedruk bij (zie hoofdstuk "CO2- gehalte bijstellen", pagina 20), zodat het CO2-gehalte binnen het waardenbereik ligt (zie hoofdstuk 4.3 "Instelwaarden en sproeieruitrusting", pagina 10).
Vervang eventueel de sproeiers.Trek van de schoorsteen meten Als de opvoerdruk te hoog ligt, moet u een bijkomende trekregelaar inbouwen.Indien voor de instelling van de schoorsteentrek de inbouw van een bijkomende trekregelaar noodzakelijk is, moet u die inbouwen in de schoorsteen en niet in de rookgasleiding. Zo vermijd u een geluidsoverdracht in de opstellingsruimte.Roettest uitvoerenHet roetgetal moet "0" bedragen (RZ = 0).zBij afwijkingen ten opzichte van de aangegeven waarde – storing verhelpen (zie hoofdstuk 10 "Branderstoringen verhelpen", pagina 42).Pos. 1: BoutPos. 2: SchaalPos. 3: Pijl op de schaal van de aanzuigluchtgeleidingPos.
Brander in bedrijf stellen6 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden.226.7 Veiligheidstest uitvoeren zTrek de fotocel, wanneer de brander draait, aan de voorziene plaats uit de houder (afb. 17, pos. 3).zHoud de fotocel tegen het licht (afb. 17, pos. 1). Bij de herstart moet er een uitschakeling door storing plaatsvinden.zSteek de fotocel na de uitschakeling door storing weer op haar plaats.zOntgrendel na een wachttijd van ca. 30 seconden de branderautomaat door de resetknop (afb. 17, pos. 2) in te drukken.zVoer een werkingstest (zie hoofdstuk 6.4 "Brander starten", pagina 17) uit.Pos. 1: FotocelPos. 2: Resettoets Pos. 3: Greep op de fotocel312
Brander inspecteren en onderhouden7 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden.247 Brander inspecteren en onderhoudenIn dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u de brander moet inspecteren en onderhouden.zInspectie- en onderhoudsprotocol invullen (zie hoofdstuk 7.11 "Inspectie- en onderhoudsprotocol", pagina .32)Bij het begin van de inspectie en het onderhoud moet u de meetwaarden opnemen wanneer de brander draait. Voor de daaropvolgende inspectie- of onderhoudswerkzaamheden moet u de verwarmingsinstallatie buiten werking stellen.
7.1 Meetwaarden opnemen, eventueel corrigerenzNeem de meetwaarden conform punt 1 van het onderhoudsprotocol op (zie hoofdstuk 6.6 "Meetwaarden opnemen of corrigeren", pagina .18)zNoteer de meetwaarden (zie hoofdstuk 7.11 "Inspectie- en onderhoudsprotocol", pagina .32)7.2 Branderkap en brander controlerenzControleer of er geen uitwendige vervuiling of beschadiging is bij branderkap en brander.zLet met name op stof, corrosie, defecte olieleidingen of stroomkabels en een beschadigde behuizing of mantel.7.3 Brandermotor op werking testen, eventueel vervangenzTest de werking van de brandermotor en controleer de bedrijfsgeluiden. Wanneer er werkingsgeluiden hoorbaar zijn, duidt dit op een beschadiging van de lagers.zVervang de brandermotor.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERWisselstukken kan u steeds bij het filiaal van Buderus verkrijgen.
Brander inspecteren en onderhouden 7Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 257.4 Brander buiten bedrijf stellenzSluit de afsluitkraan van de olie voor de oliefilter.zSchakel de CV-installatie stroomloos.zNeem de branderkap weg.zTrek de branderstekker eraf.7.5 Filter van de oliepomp reinigen, eventueel vervangen7.5.1 Bij Danfoss-oliepompenzDraai de inbusschroef aan de bovenzijde (afb. 18, pos. 2) los.zTrek de oliepompfilter (afb. 18, pos. 1) naar boven toe eruit.zControleer of de afdichting niet beschadigd is en vervang deze eventueel. zReinig de filter van de oliepomp (afb. 18, pos. 1) met wasbenzine, vervang hem eventueel en bouw hem weer in de oliepomp in.7.5.2 Bij Suntec-oliepompenzDraai de vier inbusschroeven (afb. 19, pos. 1) los.zNeem het deksel van de behuizing (afb. 19, pos.
Brander inspecteren en onderhouden7 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden.267.6 Ventilatorwiel op vervuiling en beschadiging controlerenAls u het ventilatorrad wil controleren, moet u als volgt tewerk gaan:Geluiddemper aanzuig demonterenz Draai de bevestigingsschroeven (afb. 20 , pijlen) los en neem de geluiddemper van de aanzuig (afb. 20, pos. 1) af.Afdekking van de ventilator wegnemenz Draai de zes bevestigingsschroeven (afb. 21, pijl) los en neem de afdekking van de ventilator weg.7.6.1 Bij geringe vervuilingz Reinig het ventilatorwiel met een borsteltje.7.6.2 Bij sterke vervuilingz Schroef het ventilatorwiel (afb. 22, pos. 1) met een sleutel voor cylinderkopschroeven (afb. 22, pos. 2) los en trek het van de as.z Voer de reiniging uit met een gewoon reinigingsmiddel.z Monteer het ventilatorwiel (afb. 22, pos.
1) weer.z Bevestig de afdekking van de ventilator (afb. 21) en de geluiddemper van de aanzuig (afb. 20, pos. 1) weer.Afb. 20 Geluiddemper aanzuig demonterenAfb. 21 Afdekking van het ventilatorrad demonterenAfb. 22 Ventilatorrad controleren, eventueel reinigen112AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERLet er bij de montage op, dat de schroef van het ventilatorrad zich op de afvlakking van het rad bevindt. Controleer of het rad vrij draaien kan! De afstand tussen de achterwand van het ventilatorrad en de motorflens moet 0,5 mm bedragen.OPGELET!GEVAAR VOOR VERWONDINGENz Laat de brander enkel draaien wanneer de geluiddemper zich op de aanzuigzijde bevindt.
4) los.z Ontstekingselektrode (afb. 25, pos. 5) demonteren.7.7.2 Mengsysteem controleren, eventueel vervangenHet is normaal dat er zich een dunne zwarte laag op het mengsysteem bevindt; deze heeft geen invloed op de werking. Bij sterke vervuiling moet u het mengsysteem reinigen of vervangen. Houd daarbij rekening met de markering van het mengsysteem (zie hoofdstuk 4 "Technische gegevens en leveringsomvang", pagina 8)z Maak de draadstift (afb. 25, pos. 3 , pagina 27) los en trek het mengsysteem (afb. 25, pos. 2, pagina 27) naar boven los.Afb. 23 Schroeven van de bajonetbevestiging losdraaienAANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERU kunt de demontage van de brander vereenvoudigen, wanneer u de schroeven van de bajonetbevestiging vijf tot zes slagen losdraait.Afb. 24 Brander in servicepositie plaatsenAfb.
zU kunt het correcte type sproeier in de technische gegevens (zie hoofdstuk 4 "Technische gegevens en leveringsomvang", pagina 8) vinden.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERWanneer u vaststelt, dat de afsluitklep defect is, moet u deze vervangen (zie hoofdstuk 7.7.4 "Afsluitklep in de olievoorverwarmer controleren, eventueel vervangen", pagina .29)Pos. 1: HouderleidingPos. 2: KijkbuisPos. 3: MengsysteemPos. 4: Ontstekingsleidingen44123AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERzDraai het mengsysteem voor het vastschroeven zo, dat de kijkbuis en de houderleiding op één lijn liggen.
Brander inspecteren en onderhouden 7Blauwevlambrander Logatop BE 1. 3 en 2. 3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 297. 7. 4 Afsluitklep in de olievoorverwarmer controleren, eventueel vervangenDe afsluitklep (afb. 28, pos. 3) in de olievoorverwarmer functioneert als een terugslagklep. Wanneer de oliepomp in werking is, drukt deze de stookolie door de afsluitklep. Als de pomp uitschakelt, sluit de afsluitklep af met een veer (afb. 28, pos. 1). Wanneer er zich aan de afsluitplaat van de brander olie bevindt, kan dat wijzen op een defect aan het afsluitventiel. Vervang in dat geval de afsluitklep. zDemonteer de sproeier (afb. 26, pagina 28). zSchroef de schroef M5 × 50 (afb. 28, pos. 2) vast en trek het afsluitventiel (afb. 28, pos. 3) eruit. zDraai de schroef eruit en draai ze in het nieuwe afsluitventiel.
Brander inspecteren en onderhouden7 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden.307.7.6 Brander monteren en afdichting controlerenzControleer, vooraleer u de brander inbouwt, de dichting (afb. 29) tussen het mengsysteem en de branderbuis.zPlaats de dichting (afb. 29, pagina 29) in de branderbuis.zPlaats de brander op de beide schroeven in de branderflens (afb. 29, pagina 29).zSchuif het mengsysteem in de branderbuis.zDraai naar links tot aan de aanslag en draai de bevestigingsschroeven (afb. 29, pagina 29) weer aan.Wanneer de brander is bevestigd, moet u controleren of het mengsysteem correct geplaatst is.zTrek de toevoerleiding voor olie (afb. 30, pos. 1) er ca. 5 mm uit.zControleer, als de branderdeur is geopend (afb. 31, pos. 1) of de dichting (afb. 31, pos.
2) correct gepositioneerd is.7.8 Bevestigingsschroeven van de branderdeur vastdraaienzSluit de branderdeur (afb. 31, pos. 1) en draai de bevestigingsschroeven van de branderdeur vast (ca. 10 Nm).AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERVervang de beschadigde afdichtingen, om een correcte werking te garanderen en om de rookgaswaarden te respecteren.1AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERHet mengsysteem moet vanzelf in zijn uitgangspositie terugveren. Indien dat niet het geval is, kan het mengsysteem valse lucht krijgen, wat een nadelige invloed heeft op de verbranding.21AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERAls de brander weer in werking is, moet u de bevestigingschroeven in warme toestand nog eens vaster aandraaien.
Brander inspecteren en onderhouden 7Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 317.9 Controleren of elektrische verbindingen goed vast zittenzElektrische aansluitingen weer tot stand brengen.zControleer of alle elektrische aansluitingen vastzitten.7.10 Veiligheidstest uitvoerenzBrander in werking stellen (zie hoofdstuk 6.4 "Brander starten", pagina .17)zTrek de fotocel, wanneer de brander draait, aan de voorziene plaats uit de houder (afb. 32, pos. 3).zHoud de fotocel tegen het licht (afb. ). 32, pos. 1Bij de herstart moet er een uitschakeling door storing plaatsvinden.zReinig de fotocel met een zachte doek.zSteek de fotocel na de uitschakeling door storing weer op haar plaats.zOngrendel, na een wachttijd van ongeveer 30 seconden de branderautomaat door de ontstoringstoets (afb. 32, pos.
Brander inspecteren en onderhouden7 Blauwevlambrander Logatop BE 1. 3 en 2. 3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 327. 11 Inspectie- en onderhoudsprotocolDankzij het inspectie- en onderhoudsprotocol krijgt u een overzicht van de uit te voeren inspectie- en onderhoudswerkzaamheden. Vul het protocol bij de inspectie en het onderhoud in. zDuid de uitgevoerde inspectie- en onderhoudswerkzaamheden aan, onderteken het protocol en vul de datum in. Inspectie- en onderhoudswerkzaamheden voordien nadien voordiennadien1. 24Meetwaarden opnemen, eventueel corrigeren pagina a) rookgastemperatuur bruto pagina 24 _____ °C _____ °C _____ °C_____ °Cb) luchttemperatuur meten pagina 24 _____ °C _____ °C _____ °C_____ °Cc) rookgastemperatuur netto (rookgastemp. bruto – luchttemp.
Aanvullende werkzaamheden uitvoeren8 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden.348 Aanvullende werkzaamheden uitvoerenIn dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u de stroom van de fotocel moet meten en de rookgaszijdige dichtheid kan controleren.8.1 Voelerstroom metenDe voelerstroom kan gecontroleerd worden met een adapter voor UV-stroommeting (afb. 33, pos. 2) evenals een gelijkstroom-meetapparaat (afb. 33, pos. 1) met maximaal 5 kΩ interne weerstand. Een onstabiel vlamsignaal (voelerstroom < 45 µA) is ook te zien aan de LED van de LMO (groen knipperend) (zie tab. 7, pagina 13).
De voelerstroom moeten tijdens werking ten minste 80 µA (zonder vlam < 5 µA) bedragen.Wanneer de voelerstroom kleiner is dan 80 µA, moet u de fotocel reinigen en de opening naar de verbrandingsruimte controleren.zTrek de fotocel bij draaiende brander aan de daarvoor bestemde greep uit de houder.zControleer bij de opening of de vlam zichtbaar is.zReinig de fotocel met een zachte doek.zSteek de fotocel weer op haar plaats.8.2 Dichtheid aan stookgaszijde controlerenLekkages van het ketelblok of van de rookgasinstallatie kunnen tot foutieve metingen van het CO2-gehalte leiden. In de rookgasleiding wordt een lager CO2-gehalte gemeten dan effectief aanwezig is, doordat er een bijkomende hoeveelheid lucht bijgemengd wordt. Bij bedrijfsstoringen of onbevredigende verbrandingsresultaten moet u de CO2-meting aan de hand van het volgende procédé controleren.12Branderautomaat
Aanvullende werkzaamheden uitvoeren 8Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 358.2.1 Knikpunt bepalenDe brander werkt doorgaans met luchtoverschot.Wanneer de hoeveelheid olie de maximum hoeveelheid die nog net compleet verbrand kan worden benadert, is er een duidelijke toename van de CO-uitstoot.Bij de brander kan deze toename vanaf een CO2-gehalte van 14,8 % worden geobserveerd.
Dat wordt ook wel het knikpunt genoemd.Ga als volgt tewerk:zVerhoog de oliedruk, tot er CO-waarden van 100 ppm – 200 ppm gemeten worden.zLees de CO2-concentratie (knikpunt met invloed van valse lucht) af.Wanneer het zo berekende knikpunt met invloed van valse lucht onder 14,3 % (afwijking > 0,5 %) ligt, dan bevindt er zich een lek tussen de brander en het meetpunt.zDicht het lek af.8.2.2 Voer de meting in de verbrandingsruimte uitDe meting gebeurt in principe in de rookgasleiding (zie hoofdstuk 6.6 "Meetwaarden opnemen of corrigeren", pagina 18).
Een directe meting in de verbrandingsruimte kan echter ook via de inspectie-opening van de ketel uitgevoerd worden.Wijkt de meting in de verbrandingsruimte meer dan 0,5 % af van de meting in de rookgasleiding, dan bevindt er zich een lek in het rookgaskanaal.zDicht het lek af.Nadat u de dichtheid aan stookgaszijde heeft gewaarborgd, moet de brander nog geoptimaliseerd worden met betrekking tot de rookgaswaarden (zie hoofdstuk 6 "Brander in bedrijf stellen", pagina .15)
Installatie voor olietoevoer ontwerpen9 Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden.369 Installatie voor olietoevoer ontwerpen Bereken de installatie voor de olietoevoer, bestaande uit de tank en het leidingsysteem, zodanig dat een minimum olietemperatuur van +5 °C bij de brander niet wordt onderschreden.9.1 Oliefilter installerenzInstalleer een oliefilter voor de brander.
Om verstoppingen van de sproeier te vermijden, raden wij u aan om filters van sinterkunststof (SiKu) te gebruiken.Parameters van de installatie voor de olietoevoerGegevensAanbevolen binnendiameter van de olieleidingendi 4...10Maximum aanzuighoogte H = m3,50Maximum aanvoerdruk 0,5 barMaximum retourdruk 1 barMaximum aanzuigweerstand (vacuüm) 0,4 barAANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERHet gebruik van stookolieadditieven met verbrandingskatalysatoren wordt niet aanbevolen, aangezien dat voor deze brander geen betere verbrandingsresultaten tot gevolg heeft.Sproeiergrootte gph Filterfijnheid in µm0,40 0,60 – maximaal 40> 0,6 maximaal 75OPGELET!SCHADE AAN DE INSTALLATIEdoor verstopte sproeier.zLet erop, dat bij sproeiergroottes van kleiner dan 0,6 gph in principe geen vilten filters gebruikt worden.AANWIJZING VOOR DE GEBRUIKERGeschikte oliefilters zijn bij Buderus als toebehoren beschikbaar.
Installatie voor olietoevoer ontwerpen 9Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 379.2 Olietoevoerleidingen dimensioneren De brander kan zowel in een eenpijp- als in een tweepijpsysteem aangesloten worden. Bij toepassing van een eenpijpsysteem worden de aanzuigleiding en de retourleiding aangesloten op een stookoliefilter met een retourtoevoer. Er wordt dan één pijp van de stookoliefilter met retourtoevoer naar de olietank geleid.Tot de lengte van de olieleiding worden alle horizontale en verticale leidingen evenals de bochten en koppelstukken gerekend.De in de tab. 12 tot tab. 15, pagina 38 tot pagina 39 aangegeven maximum lengte van de aanzuigleiding in meter wordt bepaald in functie van de aanzuighoogte en de kleine leidingdiameter.
Voor de berekening wordt er rekening gehouden met alle afzonderlijke weerstanden van terugslagklep, afsluitkraan en vier bochten bij een olieviscositeit van ca. 6 cSt.Bij extra weerstanden, b.v. door koppelstukken en bochten, moet de leidinglengte dienovereenkomstig worden gereduceerd. Bij het leggen van de olieleiding moet u uiterst zorgvuldig tewerk gaan. De noodzakelijke leidingdiameter is afhankelijk van de statische hoogte en van de leidinglengte (zie tabellen op de volgende pagina’s).De leiding voor de olietoevoer moet zo dicht bij de brander gebracht worden, dat de flexibele aansluitslangen zonder mechanische spanning aangesloten kunnen worden.Maak gebruik van de geschikte materialen voor de olieleidingen.
Installatie voor olietoevoer ontwerpen9 Blauwevlambrander Logatop BE 1. 3 en 2. 3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 409. 3 Vacuüm controlerenHet maximale vacuüm (onderdruk) van –0,4 bar (gemeten bij de aanzuigaansluitstomp van de oliepomp resp. in de aanzuigleiding vlak voor de pomp) mag niet overschreden worden, ongeacht het niveau van de olietank. Het maximaal toegestane vacuüm is afhankelijk van de opbouw van de installatie voor olietoevoer en het niveau van de olietank. Lees de toegestane waarden voor de actuele toestand van de verwarmingsinstallatie af in de tab. 16 tot 19. Bepaal daarvoor de enkelvoudige lengte van de olieleiding en het hoogteverschil "h" tussen de oliepomp en het niveau van de tank (zie afb. 37 38 34 tot , pagina en 39pagina ).
Als het vacuüm wordt overschreden, moet u de volgende mogelijke oorzaken controleren:–De olieaansluitslangen zijn geknikt of defect. –De oliefilter is te vuil. –De afsluitklep van de oliefilter is onvoldoende geopend of vuil. –Een of meerdere componenten van de installatie (b. v. afdichtingsplaatsen, snijringkoppelingen, olieleidingen, aansluitkoppelstuk voor de oliefilter, olietank) zijn door eventuele montagefouten (te hoog draaimoment) samengedrukt. –De snelsluitende klep van het tankkoppelstuk is vuil of defect. –De aanzuigslang in de tank is poreus, de kunststof leiding heeft zich samengetrokken door veroudering. –De zuigklep in de tank is vuil of "kleeft" aan elkaar door een te hoog aanzuigvacuüm. Di in mm 8 10 Max. lengte olieleidingin m10 20 40 10 20 40h in m Max.
Installatie voor olietoevoer ontwerpen 9Blauwevlambrander Logatop BE 1.3 en 2.3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 419.4 Dichtheid van de aanzuigleiding controlerenDe dichtheid van de aanzuigleiding kan met een vacuümmeter en een 1 m lange transparante slang da = 12 mm (toebehoren) worden gemeten. zMonteer de transparante slang (afb. 38, pos. 1) in de aanzuigleiding achter de oliefilter (afb. 38, pos. 2).zBind een lus van de transparante slang omhoog, zoals op de tekening (afb. 38).zBrander starten en ten minste drie minuten laten draaien.zSchakel de brander uit.zVoer een visuele controle van het verzamelde luchtvolume (afb. 38 , loep A en B) uit.Wanneer zich slechts een gering luchtvolume op het hoogste punt van de lus (afb. 38, loep A) verzamelt, is de olieleiding voldoende afgedicht.Bij grotere luchtbellen (afb.
38, loep B) is er een lekkage in de aanzuigleiding en/of bij de aansluitingen.9.5 AntihevelklepBij gebruik van een vacuümgestuurde antihevelklep (b.v. membraanklep of zuigerklep) wordt de onderdruk aan de aanzuigzijde bij de oliebranderpomp verhoogd. Daarom kan de grens van 0,4 bar vaak niet aangehouden worden.Om die reden raden wij u aan elektromagnetische antihevelkleppen (stroomloos gesloten) te gebruiken.Voor de elektrische aansluiting is een gepaste adapter verkrijgbaar als toebehoren.Pos. 1: Transparante slangPos. 2: Oliefilter12AB
Branderstoringen verhelpen10 Blauwevlambrander Logatop BE 1. 3 en 2. 3 ECO - Wijzigingen op grond van technische verbeteringen voorbehouden. 44Brander start; oliedruk is aanwezig, ontstekingsvlam blijft uit, uitschakeling door storing. Ontstekingstrafo resp. ontstekingsleiding niet in orde. Ontstekingstrafo resp. ontstekingskabel vervangen. Voedingsspanning ontstekingstrafo controleren. Sterk versleten ontstekingselektroden of beschadigde isolatie-elementen. Ontstekingselektroden vervangen. Verkeerde instelling van de ontstekingselektroden. Instelling van de ontstekingselektroden conform instelwaarden corrigeren. Melding secundair licht. Fotocel controleren evt. vervangen. Magneetventiel en oliepomp controleren en eventueel vervangen. Branderautomaat defect. Branderautomaat vervangen. Brander is correct ontstoken, vlambewaking wordt niet geactiveerd. Fotocel vuil of defect.
Fotocel controleren, reinigen, evt. vervangen. Voelerstroom meten. Branderautomaat defect. Branderautomaat vervangen. Brander draait, ontstekingsvonk is aanwezig, vlam wordt niet ontstoken of brander schakelt vanuit werking uit. Oliemagneetklep opent niet. Oliemagneetklep spoel vervangen. Elektrische aansluitleiding controleren. Doorgang olieleiding, olievoorverwarmer en sproeier niet in orde. Olieleiding, olievoorverwarmer en sproeier op doorgang controleren, eventueel vervangen. Oliepomp transporteert geen olie, olietank leeg. Oliepomp en peil olietank controleren, eventueel vervangen. Olietank vullen. Filter in de sproeier vuil. Sproeier vervangen. Aanzuigleidingen lek. Aanzuigleidingen controleren, schroefverbindingen vaster aandraaien. Aanzuigleidingen niet ontlucht. Aanzuigleidingen bij de manometeraansluiting van de oliepomp ontluchten. Oliefilter vuil.
Filter van de oliepomp controleren, reinigen eventueel vervangen. Mengsysteem vuil. Menginstallatie controleren, eventueel reinigen. Branderinstelling niet in orde. Controleer de branderinstelling, corrigeer ze eventueel. Afsluitklep in de olievoorverwarmer defect. Afsluitklep vervangen (zie hoofdstuk 7. 7. 4 "Afsluitklep in de olievoorverwarmer controleren, eventueel vervangen", pagina. 29)Storingslampje op de branderautomaat licht "rood" op. Aanduiding van een storing bij de branderautomaat. Knippercode uitlezen (zie hoofdstuk 5. 3 "Storingen aan de branderautomaat verhelpen", pagina. 14)Ploffende verbranding of brander start "hard". Verkeerde rangschikking van de ontstekingselektroden. Ontstekingselektroden controleren, eventueel vervangenOpgelet: door herhaaldelijke startpogingen kunnen oliedampen ontstaan die tot een explosieve verbranding kunnen leiden. Oliedruk te laag.
Oliedruk corrigeren. Sproeier defect. Sproeier vervangen. Lekkage tussen oliepomp, olieleiding, olievoorverwarmer en sproeier. Op dichtheid controleren. Nadruppelende sproeier, daardoor ongecontroleerde oliedampen. Magneetklep sluit niet. Magneetventiel, eventueel oliepomp vervangen. Afsluitventiel in de voorverwarmer defect. Ventiel vervangen. Lucht in de sproeierlijn. punten in het olAlle afdichtings ieleidingsysteem controleren. Trekbegrenzer klemt als hij open staat, zodoende ongunstige trekverhoudingen. Trekbegrenzer controleren. Magneetklep opent niet zoals het moet. Spoel controleren, eventueel vervangen. Storing Oorzaak Verhelpen.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Buderus Logatop BE 2.3 ECO stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Klimaatbeheersing Buderus
Handleiding Klimaatbeheersing
Nieuwste handleidingen voor Klimaatbeheersing