Brink HReco 36 Handleiding

Brink CV Ketel HReco 36

Bekijk gratis de handleiding van Brink HReco 36 (68 pagina’s), behorend tot de categorie CV Ketel. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 38 mensen en kreeg gemiddeld 4.0 sterren uit 8 reviews. Heb je een vraag over Brink HReco 36 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/68
1
Kombi Kompakt
HReco 36
Installatievoorschrift
Lees voor het installeren en gebruiken van het toestel dit installatievoorschrift zorgvuldig
door. Bewaar dit installatievoorschrift zorgvuldig.
Handel altijd volgens de aangegeven voorschriften.

Beoordeel deze handleiding

4.0/5 (8 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Brink
Categorie: CV Ketel
Model: HReco 36

Handleiding Brink HReco 36 – volledige tekst

De verstrekte informatie geldt voor het product in standaard uitvoering. Brink Climate Systems BV kan derhalve niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele schade voortvloeiend uit de van de standaard uitvoering afwijkende specificaties van het product.

De beschikbare informatie is met alle mogelijke zorg samengesteld, maar Brink Climate Systems BV kan niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele fouten in de informatie of voor de gevolgen daarvan. Brink Climate Systems BV kan niet aansprakelijk gesteld worden voor schade voortvloeiend uit werkzaamheden die door derden zijn uitgevoerd. Wijzigingen voorbehouden.

3 Dit installatievoorschrift Met dit installatievoorschrift kunt u het toestel op veilige wijze monteren, installeren en onderhouden. Volg de instructies nauwkeurig op. Neem bij twijfel contact op met de fabrikant. Bewaar dit installatievoorschrift bij het toestel. Gebruikte afkortingen en benamingen Omschrijving Te noemen als Hoog Rendement HR Kombi Kompakt HReco 36 gaswandketel Toestel Toestel met leidingwerk voor centrale verwarming CV-installatie Toestel met leidingwerk voor warm tapwater WW-installatie Pictogrammen In deze handleiding zijn de volgende pictogrammen gebruikt: VOORZICHTIG Procedures die –als ze niet met de nodige voorzichtigheid uitgevoerd worden– schade aan het product, de omgeving, het milieu of lichamelijk letsel tot gevolg kunnen hebben. BELANGRIJK Procedures en/of voorschriften welke, bij niet opvolgen de werking van het toestel in negatieve zin kunnen beïnvloeden.

Service en technische ondersteuning ten behoeve van de installateur Voor informatie over specifieke afstellingen, installatie-, onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, kunt u als installateur contact opnemen met: Brink Climate Systems BV Wethouder Wassebaliestraat 8, 7951 SN Staphorst Postbus 11 7950 AA Staphorst tel. 0522-469944, fax. 0522-469400 info@brinkclimatesystems. nl www. brinkclimatesystems. nl Identificatie van het product De toestelgegevens vindt u op het typeplaatje op de onderzijde van het toestel en bevat, naast de leveranciersgegevens en het toesteltype de volgende gegevens: ******-jjmm****** Product code - Serie Nr. JJ= productiejaar, mm = productiemaand PIN Product Identificatie Nummer Data met betrekking tot warm tapwater.

Brink Climate Systems BV 4 1 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN De leverancier Brink Climate Systems BV aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade of letsel veroorzaakt door het niet (strikt) naleven van de veiligheidsvoorschriften en -instructies, dan wel door onachtzaamheid tijdens het installeren van de Kombi Kompakt Hoog Rendement gaswandketel en de eventueel bijbehorende accessoires. Dit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door personen (inclusief kinderen) met verminderde lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke vermogens, of gebrek aan ervaring en kennis, tenzij zij toezicht of instructie over het gebruik van het apparaat door een persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid is gegeven. Voor de verschillende disciplines zijn de voorschriften gescheiden vermeld. 1.

1 Algemeen De gehele installatie moet voldoen aan de geldende (veiligheids-) voorschriften, zoals vermeld in: • Deze installatievoorschriften. • NEN 1087: Ventilatie van woongebouwen. • NEN 3215: Binnenriolering in woningen en woongebouwen. • Het bouwbesluit. • Plaatselijke voorschriften van gemeente, brandweer en nutsbedrijven. • NPR 1088: Toelichting op NEN 1087. 1. 2 CV-installatie De gehele installatie moet voldoen aan de geldende (veiligheids-) voorschriften, zoals vermeld in: • NEN 3028: Veiligheidseisen voor CV-installaties. 1. 3 Gasinstallatie De gehele installatie moet voldoen aan de geldende (veiligheids-) voorschriften, zoals vermeld in: • NEN 8078: 2004 NL: Prestatie eisen gas. • NEN 1078: 2004 NL: Voorschriften voor aardgasinstallaties. • NPR 3378: Toelichting op NEN 1078. 1.

5 2 TOESTELOMSCHRIJVING 2. 1 Algemeen De Kombi Kompakt HReco gaswandketel is een gesloten toestel. Het toestel is bedoeld om warmte te leveren aan het water van een CV-installatie en de WW-installatie. De luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer van de Kombi Kompakt HReco kan door middel van twee aparte leidingen op het toestel aangesloten worden of door middel van een concentrische aansluiting. Het toestel is in combinatie met de combidoorvoer gekeurd, maar het toestel kan ook aangesloten worden op combidoorvoeren die voldoen aan de universele keuringseisen voor combidoorvoeren. Het toestel kan naar keuze aangesloten worden op een montagebeugel, een frame met bovenaansluiting en diverse aansluitsets. Deze worden separaat geleverd. De Kombi Kompakt HReco gaswandketels zijn voorzien van het CE keurmerk en electrische beschermingsklasse IP44.

Het is mogelijk om het toestel alleen te gebruiken voor warmwater of alleen voor verwarming. Het niet gebruikte systeem hoeft niet aangesloten te worden (zie § 7. 2). Het toestel wordt standaard geleverd voor aardgas (K-gas G25. 3). Het toestel kan eventueel omgebouwd worden naar een andere gassoort m. b. v. een ombouwset (zie § 7. 7) 2. 2 Werking De Kombi Kompakt HReco gaswandketel is een modulerende hoog rendement ketel. Dit houdt in dat het vermogen wordt aangepast aan de gewenste warmtebehoefte. In de aluminium warmtewisselaar zijn twee van elkaar gescheiden koperen circuits geïntegreerd. Door de gescheiden uitgevoerde circuits voor CV- en warmwater kunnen de verwarming en warmwatervoorziening onafhankelijk van elkaar werken. De warmwatervoorziening heeft voorrang ten opzichte van de verwarming. Beide kunnen niet gelijktijdig werken.

Het toestel is voorzien van een elektronische branderautomaat die bij iedere warmtevraag van de verwarming of de warmwatervoorziening de ventilator en de modulerende pomp aanstuurt, de gasklep opent, de brander ontsteekt en de vlam continue bewaakt en regelt, afhankelijk van het gevraagde vermogen. De pomp wordt alleen tijdens warmtevraag van de verwarming gestuurd, afhankelijk van het gevraagde vermogen. 2. 3 Bedrijfstoestanden Op het servicedisplay van het bedieningspaneel wordt door een code de bedrijfstoestand van het toestel aangegeven. Uit Het toestel is buiten bedrijf, maar staat wel onder elektrische spanning. Op vragen voor warm tapwater of CV-water wordt niet gereageerd. De toestelvorstbeveiliging is wel actief. Dit houdt in dat de pomp gaat draaien en de wisselaar wordt opgewarmd indien de temperatuur van het daarin aanwezige water te ver daalt.

Als de vorstbeveiliging ingrijpt dan is code zichtbaar (opwarmen wisselaar). Tevens kan in deze bedrijfstoestand de druk in de CV-installatie (in Bar) afgelezen worden op het temperatuurdisplay. Wachtstand De LED bij de toets brandt en eventueel één van de LED’s van de tapcomfort functie. Het toestel is gereed voor het beantwoorden van een vraag naar CV- of tapwater. Nadraaien CV Na het einde van CV-bedrijf draait de pomp na. De nadraaitijd staat van fabriekswege ingesteld op de waarde volgens § 7. 2.

Brink Climate Systems BV 6 Deze instelling kan gewijzigd worden. Bovendien gaat de pomp automatisch 1 keer per 24 uur gedurende 10 seconden draaien om vastzitten te voorkomen. Deze automatische inschakeling van de pomp vindt plaats op het tijdstip van de laatste warmtevraag. Om het tijdstip te wijzigen dient op het gewenste tijdstip de kamerthermostaat even omhoog gezet te worden. Gewenste temperatuur bereikt De branderautomaat kan de warmtevraag tijdelijk blokkeren. De brander wordt dan gestopt. De blokkering vindt plaats omdat de gevraagde temperatuur is bereikt. Als de temperatuur voldoende is gezakt wordt de blokkering opgeheven. Zelftest Eenmaal per 24 uur wordt door de branderautomaat de aangesloten sensoren gecontroleerd. Tijdens de controle voert de automaat geen andere taken uit.

Ventileren Bij het starten van het toestel wordt allereerst de ventilator naar het starttoerental gebracht. Als het starttoerental is bereikt wordt de brander ontstoken. Code is eveneens zichtbaar als er na het stoppen van de brander wordt nageventileerd. Ontsteken Als de ventilator het starttoerental heeft bereikt vindt de ontsteking van de brander middels elektrische vonken plaats. Tijdens het ontsteken is code zichtbaar. Indien de brander niet ontsteekt dan vindt na ongeveer 15 seconden een nieuwe ontsteekpoging plaats. Als na 4 ontsteekpogingen de brander nog niet brandt dan valt de automaat in storing. CV-bedrijf Op de automaat kan een aan/uit thermostaat, een OpenTherm thermostaat, een buitenvoeler of een combinatie met de laatste aangesloten worden (zie § 10.

3) Bij een warmtevraag afkomstig van een thermostaat volgt na het aanlopen van de ventilator (code ) het ontsteken (code ) en de CV-bedrijfstoestand (code ). Tijdens CV-bedrijf wordt het toerental van de ventilator en daarmee het vermogen van het toestel aangepast zodanig dat de temperatuur van het CV-water naar de gewenste CV-aanvoertemperatuur toe geregeld wordt.

Wanneer een aan/uit thermostaat is aangesloten, is dit de op het display ingestelde CV-aanvoertemperatuur. In het geval van een OpenTherm- of draadloze thermostaat wordt de gewenste CV-aanvoertemperatuur door de thermostaat bepaald. Bij een buitenvoeler wordt de gewenste CV-aanvoertemperatuur bepaald door de in de branderautomaat geprogrammeerde stooklijn. Voor de laatste twee situaties geldt echter als maximum de op het display ingestelde temperatuur. Tijdens CV-bedrijf wordt de gevraagde CV-aanvoertemperatuur op het bedieningspaneel weergegeven. De CV-aanvoertemperatuur kan ingesteld worden tussen 30 en 90°C (zie § 7. 1). Let op: voor een laagtemperatuursysteem kan een lagere maximale instelling vereist zijn dan de standaardinstelling van 80°C. Door de servicetoets in te drukken tijdens CV-bedrijf kan de werkelijke CV-aanvoertemperatuur afgelezen worden.

Als de tapcomfortfunctie is ingeschakeld (zie code ), dan wordt een OpenTherm warmtevraag van minder dan 40 graden genegeerd. Tapwaterbedrijf De warmwatervoorziening heeft voorrang op de verwarming. Als door de stromingssensor een behoefte van meer dan 1,5 l/min aan warm tapwater wordt gedetecteerd, zal een eventuele CV-vraag onderbroken worden. Na het aanlopen van de ventilator (code ) en het ontsteken (code ) komt de automaat in tapwaterbedrijf (code ). Tijdens tapwaterbedrijf wordt het toerental van de ventilator, en daarmee het vermogen van het toestel, geregeld door de automaat op basis van de ingestelde tapwatertemperatuur. De regeling draagt zorg voor de juiste tapwatertemperatuur. De water temperatuur kan worden ingesteld tussen 40°C en 65°C (zie § 7. 1). De ingestelde tapwatertemperatuur wordt op het bedieningspaneel getoond. De standaardinstelling bedraagt 60°C.

7 Opwarmen toestel Ten behoeve van een snelle levering van warm tapwater is een zogenaamde tapcomfortfunctie in de automaat aangebracht. Door deze functie wordt de warmtewisselaar op temperatuur gehouden (deze is instelbaar, zie § 7. 2). De tapcomfortfunctie kent de volgende instellingen: • Aan: ( LED aan) De tapcomfortfunctie van het toestel is continue ingeschakeld. Het toestel levert altijd direct warm water. • Eco: ( LED aan) De tapcomfortfunctie van het toestel is zelflerend. Het toestel zal zich aanpassen aan het gebruikspatroon van het warm tapwater. Hierdoor zal de warmtewisselaar gedurende de nacht, of bij lange afwezigheid, niet op temperatuur gehouden worden. Het is tevens mogelijk de tapcomfortfunctie door een open therm kamerthermostaat te laten in- en uitschakelen (zie § 7.

3) • Uit: (Beide LED’s uit) De warmtewisselaar wordt niet warm gehouden waardoor de levering van warm tapwater even op zich laat wachten. Als er geen behoefte is aan snelle levering van warm tapwater, kan de tapcomfortfunctie uitgeschakeld worden. 2. 4 PC Interface De automaat is voorzien van een interface voor een PC. Door middel van een speciale kabel en bijbehorende software kan een PC aangesloten worden. Met deze voorziening is het mogelijk om het gedrag van de automaat, het toestel en de verwarmingsinstallatie over een lange periode te volgen. 2. 5 Testprogramma’s In de branderautomaat is een voorziening aangebracht om het toestel in een test status te brengen. Door het activeren van een testprogramma zal het toestel in bedrijf komen met een vast ventilator toerental, zonder dat de regelfuncties zullen ingrijpen. De veiligheidsfuncties blijven wel actief.

2) en (1x) “h” Brander aan met maximaal WW vermogen (zie parameter 3 § 7. 2) en (2x) "H" Uitschakelen testprogramma en Actuele bedrijfssituatie Uitleesmogelijkheden Als het toestel in test bedrijf is kunnen de volgende gegevens via het display worden uitgelezen: • Door de toets blijvend in te drukken wordt op het display de CV-druk getoond. • Door de toets blijvend in te drukken wordt op het display de gemeten ionisatiestroom getoond. 2. 5. 1 Vorstbeveiliging • Om bevriezing van het toestel te voorkomen is het toestel voorzien van een vorstbeveiliging. Als de temperatuur van de warmtewisselaar te laag wordt, gaat de pomp draaien tot de temperatuur van de warmtewisselaar voldoende is. Als de vorstbeveiliging ingrijpt dan is code zichtbaar (opwarmen wisselaar).

• Als de installatie (of een deel daarvan) kan bevriezen, moet er op de koudste plaats een (externe) vorstthermostaat op de retourleiding aangebracht worden. Deze moet volgens het elektrisch schema aangesloten worden (zie § 10. 3). Opmerking Als het toestel buiten bedrijf is ( - op het service display) blijft de toestelvorstbeveiliging actief, op een warmtevraag van een (externe) vorstthermostaat wordt echter niet gereageerd.

Brink Climate Systems BV 12 4.2 Opstellingsruimte Het toestel dient aan een wand gemonteerd te worden die voldoende draagkracht heeft. Bij lichte wandconstructies bestaat de mogelijkheid dat er resonantiegeluiden optreden. Binnen een afstand van 1 meter van het toestel dient een wandcontactdoos met randaarde voorhanden te zijn. Om bevriezing van de condensafvoer leiding te voorkomen, moet het toestel in een vorstvrije ruimte geïnstalleerd worden. Zorg bij voorkeur voor een minimaal vrij te houden ruimte naast de ketel van 2 cm. In verband met schroeigevaar is geen vrije ruimte vereist. 4.2.1 In een keukenkastje plaatsen Het toestel kan tussen twee keukenkastjes of in een kastje geplaatst worden. Zorg voor voldoende ventilatie aan de onder- en bovenzijde. Als het toestel in een kastje geplaatst wordt, moeten er ventilatieopeningen van tenminste 50 cm2 gemaakt worden.

4.2.2 Schermplaat en frontpaneel afnemen Voor diverse werkzaamheden aan het toestel dienen de eventueel aangebrachte schermplaat en frontpaneel van het toestel verwijderd te worden. Ga hierbij als volgt te werk: • Neem de schermplaat (A), indien gebruikt, naar voren toe weg. • Draai de beide schroeven (1) achter het displayvenster van het toestel los. • Trek de onderzijde van het frontpaneel (2) naar voren toe.

13 4.3 Montage Voor de montage van het toestel wordt, afhankelijk van de aansluitsituatie, gebruik gemaakt van een montagebeugel, een onderaansluitset of een bovenaansluitset. Op de montagebeugel kan de installatie aangesloten worden, voordat het toestel geplaatst wordt. 4.3.1 Ophangstrip en montagebeugel monteren Bevestig de ophangstrip en de montagebeugel, met de bijgeleverde bevestigingsmaterialen, horizontaal aan de wand, overeenkomstig het boorpatroon (zie § 4.1). 4.3.2 Onderaansluitset monteren Bevestig de ophangstrip en de montagebeugel, met de bijgeleverde bevestigingsmaterialen, horizontaal aan de wand, overeenkomstig het boorpatroon (zie § 4.1). 4.3.3 Bovenaansluitset monteren • Bevestig het frame, met de bijgeleverde bevestigingsmaterialen, verticaal aan de wand.

• Bevestig de montagebeugel in het frame, door deze met de omgezette kant naar boven door de uitsparingen in het frame te monteren. • Schuif de aansluitleidingen in het frame (alleen bij aansluitset boven compleet). • Sluit de aansluitleidingen aan op de koppelingen. Let op: Het toestel is breder dan het frame. Houdt hier bij de montage rekening mee. Zie voor de afmetingen pagina 11. Monteer nu het toestel, of sluit de installatie aan.

Brink Climate Systems BV 14 4.3.4 Toestel monteren 1. Pak het toestel uit. 2. Controleer de inhoud van de verpakking, deze bestaat uit: • Toestel (A) • Ophangstrip (B) • Sifon (C) • Flexibele buis (D) • Installatievoorschrift • Bedieningsvoorschrift • Garantiekaart 3. Controleer het toestel op eventuele beschadigingen: meldt beschadigingen direct aan de leverancier. 4. Monteer de ophangstrip. 5. Controleer of de knelringen recht in de koppelingen van de montagebeugel zijn geplaatst. 6. Plaats het toestel: schuif deze van boven naar beneden over de ophangstrip (B). Zorg dat de leidingen tegelijkertijd in de knelfittingen schuiven. 7. Draai de knelfittingen op de montagebeugel vast. De nippels en leidingen mogen niet meedraaien! 8. Open de displayklep en draai de twee schroeven links en rechts naast de display los en demonteer het frontpaneel. 9.

Monteer de flexibele buis (D) op de uitloop van de sifon. 10. Vul de sifon met water en schuif deze zo ver mogelijk naar boven op de condensafvoer aansluiting (E) onder het toestel. 11. Sluit de flexibele buis (D) van de sifon, eventueel samen met de overstortleiding van de inlaatcombinatie en het overstortventiel, aan op het riool via een open aansluiting (F). 12. Monteer de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer (zie § 5.6). 13. Monteer de mantel en draai de twee schroeven links en rechts naast de display vast, sluit de displayklep. 4.3.5 Schermplaat aanbrengen (optioneel) Hang de omgezette bovenrand van de schermplaat aan de sluitringen onder de bodem van het toestel en schuif de schermplaat zo ver mogelijk naar achteren.

15 5 AANSLUITEN 5. 1 CV-installatie aansluiten 1. Spoel de CV-installatie goed schoon. 2. Monteer de aanvoerleiding (B) en retourleiding (A) aan de montagebeugel. 3. Alle leidingen moeten spanningsvrij gemonteerd worden om tikken van de leidingen te voorkomen. 4. Bestaande verbindingen mogen niet verdraaid worden om lekkages te voorkomen. De CV-installatie dient voorzien te zijn van: • Een vul/aftapkraan (A) in de retourleiding direct onder het toestel. • Een aftapkraan op het laagste punt van de installatie. • Een overstortventiel (B) van 3 bar in de aanvoerleiding op een afstand van maximaal 500 mm van het toestel. Tussen het toestel en het overstortventiel mag zich geen afsluiter of vernauwing bevinden. • Een expansievat in de retourleiding. • Een terugslagklep, als er op korte afstand van het toestel leidingen naar boven lopen.

Hiermee wordt voorkomen dat er tijdens tapwaterbedrijf van het toestel thermosifonwerking optreedt (een niet veerbediende terugslagklep, dient verticaal gemonteerd te worden). 5. 1. 1 Thermostatische radiatorkranen Als alle radiatoren zijn uitgevoerd met thermostatische of afsluitbare radiatorkranen, dient een minimale watercirculatie te worden gewaarborgd. Zie § 7. 4. 5. 1. 2 Vloerverwarming Vloerverwarming met pomp Indien een vloerverwarmingssysteem niet hydraulisch neutraal is kan de vloerverwarmingspomp ongewenste circulatie over de CV-ketel genereren. Voor een goede werking van de warmtapwatervoorziening dient ongewenste circulatie over de CV-ketel worden voorkomen. Sluit een vloerverwarmingssysteem indirect hydraulisch neutraal aan of voorzie de CV-installatie van een tweewegklepset 230 V ~ (E).

Brink Climate Systems BV 16 Vloerverwarming zonder pomp Sluit het vloerverwarmingssysteem (D) aan en stel de maximale CV-aanvoertemperatuur van de CV-ketel in op de ontwerpconditie. Monteer op de aanvoerbuis onder de CV-ketel een klemthermostaat (A). De klemthermostaat met blinde kap dient ingesteld te worden op een maximale aanvoertemperatuur van 55°C. Monteer de aan/uit kamerthermostaat (B) en sluit deze in serie met de klemthermostaat aan. De ketel dient aangesloten te worden op X4 - 6/7. De CV-pomp in de ketel wordt in deze situatie benut om het drukverlies van het vloerverwarmingssysteem te overbruggen. Met behulp van de drukverliesgrafiek (§ 7. 5) is het maximale drukverlies van het vloerverwarmingssysteem te bepalen. Zorg voor een minimale watercirculatie. Zie § 7. 4.

Het is bij een vloerverwarmingssysteem zonder pomp aan te bevelen om onderstaande parameter instellingen te wijzigen: par. o van 0 naar 3. par. P van 5 naar 2. Tevens dient parameter 3 te worden ingesteld op minimaal niveau of het transmissieverlies van de woning, zie § 7. 2. 5. 1. 3 Toestel met MIT regeling Het toestel kan ook toegepast worden in combinatie met een indirect gestookte luchtverwarmer (b. v. Brink type Elan) en warmteterugwin-unit (b. v. Brink Renovent Excellent). Het toestel is geschikt om verse ventilatielucht van buiten enkele graden na te verwarmen: dit garandeert een minimale inblaas temperatuur. Deze regeling (MIT regeling) kan met een externe schakelaar in- en uitgeschakeld worden. Om energie te besparen dient de pompstand zo laag mogelijk ingesteld te worden. Aansluitschema MIT regeling A. Kombi Kompakt B. Overstortventiel C. Expansievat D.

Indirect gestookte hete luchtverwarming en warmte-terugwin-unit E. Ventilator F. Instelbare flowbegrenzer (Taco 23. 1202) H. Afsluiter Minimale Inblaas Temperatuur Werkingsprincipe Als de MIT regeling wordt ingeschakeld, wordt de pomp van het toestel ingeschakeld en wordt de wisselaar op temperatuur gebracht.

Deze temperatuur kan worden ingesteld met parameter n. (zie § 7. 2) Via de instelbare flowbegrenzer wordt er een kleine warmteflow (maximaal 500 W) naar de luchtverwarmer toegelaten. Hierdoor wordt de in te blazen lucht enkele graden opgewarmd. De afsluiter wordt geopend wanneer er een CV warmtevraag is. Installatievoorschrift 1. Sluit het toestel aan op de luchtverwarmer. 2. Voer het systeem in koper uit om vervuiling van de kleine doorstroomopening van de flowbegrenzer te voorkomen. 3. Plaats de afsluiter altijd parallel aan de instelbare flowbegrenzer. 4. Isoleer de aanvoerleiding naar de luchtverwarmer. 5. Sluit de elektrisch bediende afsluiter, (connector X2) en de MIT schakelaar (connector X4) aan. Zie § 10. 3. 6. Wijzig parameter 2 van de servicecode en controleer dat parameter c. staat ingesteld op 0. (zie Parameter instellingen via de servicecode § 7.

17 5. 1. 4 Opdeling CV-installatie in groepen bij aanwezigheid extra warmtebron Werkingsprincipe Indien de kamerthermostaat de CV-ketel uitschakelt doordat een andere verwarmingsbron de ruimte opwarmt, is het mogelijk dat de overige ruimten afkoelen. Dit kan worden opgelost door de CV-installatie op te delen in twee groepen. De groep met de externe warmtebron (Z2) kan middels een elektrische afsluiter worden afgesloten van het hoofdcircuit. Beide groepen worden voorzien van een eigen kamerthermostaat. N. B. Deze regeling “externe warmtebron” kan alleen worden toegepast indien geen externe boiler hoeft te worden opgewarmd (installatietype 1). Installatievoorschrift 1. Plaats de afsluiter volgens het aansluitschema. 2. Sluit de kamerthermostaat van groep 1 aan op X4 – 6/7. 3. Sluit de kamerthermostaat van groep 2 aan X4 – 11/12. 4.

Wijzig parameter A (zie Parameter instellingen via de servicecode § 7. 2). Let op: De kamerthermostaat in groep 1 MOET een aan/uit thermostaat zijn, de kamerthermostaat in groep 2 mag zowel een OpenTherm thermostaat als ook een aan/uit thermostaat zijn. Aansluitschema regeling “externe warmtebron” A. CV-ketel B. Elektrische afsluiter 230 V ~ C. Radiatoren T1. Kamerthermostaat groep 1 T2. Kamerthermostaat groep 2 Z1. Groep 1 Z2. Groep 2 5. 2 Warmwaterinstallatie aansluiten 1. Spoel de installatie goed schoon. 2. Monteer indien voorgeschreven een inlaatcombinatie. 3. Monteer de koud- en warmwaterleiding (A en B) aan de montagebeugel. Opmerkingen • Als het toestel alleen voor de warmwatervoorziening wordt gebruikt kan de verwarmingsfunctie met de servicecode op het bedieningspaneel uitgeschakeld worden. De CV-installatie behoeft dan niet aangesloten of gevuld te worden.

• Als het toestel tijdens de winter buiten bedrijf wordt gesteld en van het lichtnet afgesloten wordt, moet het sanitairwater afgetapt worden om bevriezing te voorkomen. Neem hiervoor de tapwateraansluitingen gelijk onder het toestel los.

Brink Climate Systems BV 18 5.2.1 Toestel met Naverwarming Zonneboiler Het toestel is voorzien van het NZ-label: geschikt voor ”Naverwarming Zonneboiler”. Hiervoor is op bestelling een aansluitset en een thermostatisch mengventiel beschikbaar. Aansluitschema Naverwarming Zonneboiler A. Toestel B. Zonneboiler C. Koud water D. Inlaatcombinatie E. T max 85°C F. Warm water G. Thermostatisch mengventiel 35° - 65°C (instellen op ca. 62,5°C) H. Warm water gemengd K. Koudwatersensor S4 Opmerking In combinatie met een zonne-energiesysteem moet er na het toestel altijd een thermostatisch mengventiel geplaatst worden, ingesteld op ca. 62,5°C.

19 5. 2. 2 Toestel met warmtepompboiler Indien de uitstroomtemperatuur van de warmtepompboiler lager is dan 55°C, zorgt de Kombi Kompakt HReco ervoor dat het tapwater uit de warmtepompboiler onder Hoog Rendement condities wordt naverwarmd. Werkingsprincipe De warmwateraansluiting van de warmtepompboiler is aangesloten op de mix ingang van het thermostatisch omschakelventiel (zie het principeschema). Indien de uitstroomtemperatuur van de boiler hoger is dan de ingestelde temperatuur van het omschakelventiel, zal uit de warmtepompboiler worden getapt. Doordat het omschakelventiel niet geheel afsluitend is, zal tevens een kleine hoeveelheid door de Kombi Kompakt HReco lopen (ongeveer 10% van de totale flow). Zodra de uitstroomtemperatuur van de warmtepompboiler lager wordt dan de ingestelde temperatuur van het omschakelventiel zal de flow door de Kombi Kompakt HReco toenemen.

Indien de flow groter wordt dan de tapwaterdrempel van de Kombi Kompakt HReco zal de ketel in tapwaterbedrijf gaan. Wanneer de uitstroomtemperatuur van de warmtepompboiler lager is geworden dan de ingestelde temperatuur van het omschakelventiel min 12K, gaat bijna de volledige tapflow door de Kombi Kompakt HReco. De kleine lekflow wordt nu uit de warmtepompboiler gehaald. Na het volledig omschakelen van het omschakelventiel wordt de tapflow begrensd door de Kombi Kompakt HReco. Aansluitschema toestel met warmtepompboiler A. Warmtepomp D. Koud water inlaat B. CV-ketel E. Uitstroomtemperatuur warmtepomp C. Omschakelventiel F. Uitstroomtemperatuur warm water Installatie De combinatie dient aangesloten te worden volgens het installatieschema. Om een goede werking van de combinatie te kunnen garanderen zijn de volgende punten belangrijk.

Thermostatisch omschakelventiel: Het toegepaste thermostatische omschakelventiel is een gemodificeerd ventiel welke aan de specifieke eisen, die aan de combinatie warmtepompboiler en Kombi Kompakt HReco worden gesteld, voldoet.

Voor de juiste werking van de combinatie is het omschakelventiel voorzien van een vaste temperatuurinstelling. Tapwatervoordruk: Voor een doorstroomhoeveelheid van 20 liter per minuut zal de voordruk minimaal 2,3 bar moeten bedragen. De maximaal toegestane warmtapwater bedrijfsdruk voor de combinatie mag 6 bar bedragen. Hiervoor dient een inlaatcombinatie (6 bar) gemonteerd te worden. Maximale doorstroomhoeveelheid: Indien de tapflow groter is dan 20 liter per minuut zal de Kombi Kompakt HReco in tapwaterbedrijf gaan, ongeacht de uitstroomtemperatuur van de warmtepompboiler. Maximale temperatuurinstelling warmtepompboiler: De temperatuur van de warmtepompboiler mag niet hoger dan 60°C worden ingesteld.

Positie thermostatisch omschakelventiel: Om te voorkomen dat het thermostatisch omschakelventiel teveel door de omgevingslucht wordt beïnvloed, dient deze zo dicht mogelijk op de warmwater aansluiting van de boiler en verticaal te worden geplaatst (maximale afstand 100mm). Hierdoor wordt voorkomen dat het toestel bij iedere tapvraag in bedrijf komt. Beïnvloeding waterstromen: Om te voorkomen dat de flow door de Kombi Kompakt HReco tijdens het omschakelen van het ventiel wordt beïnvloed, dient de warmwater-uit leiding van de combinatie rechtdoor te lopen (zie aansluitschema). A B C E F D.

Brink Climate Systems BV 20 5. 3 Elektrisch aansluiten VOORZICHTIG Een wandcontactdoos met randaarde mag maximaal 1 meter van het toestel verwijderd zijn. De wandcontactdoos moet gemakkelijk bereikbaar zijn. Voor opstelling in vochtige ruimten is een vaste aansluiting verplicht middels een all-polige hoofdschakelaar met een minimale contactopening van 3 mm. Indien het netsnoer is beschadigd of om een andere reden moet worden vervangen, moet het vervangende netsnoer bij de fabrikant of diens vertegenwoordiger worden besteld. Neem bij twijfel contact op met de fabrikant of diens vertegenwoordiger. 1. Neem bij werkzaamheden aan het elektrisch circuit de steker uit de wandcontactdoos. 2. Neem de schermplaat (A) (indien aanwezig) naar voren toe weg. 3. Draai de beide schroeven (1) achter het displayvenster van het toestel los. 4.

Schuif de onderzijde van het frontpaneel (2) naar voren toe en neem deze vervolgens weg. 5. Trek de branderautomaat unit naar voren, de branderautomaat unit zal daarbij naar beneden kantelen. 6. Raadpleeg § 10. 3 voor het maken van de aansluitingen. 7. Schuif nadat de gewenste aansluitingen zijn aangebracht de branderautomaat terug in het toestel en breng de schermplaat (indien aanwezig) weer aan. 8. Sluit na het maken van de gewenste aansluitingen het toestel aan op een wandcontactdoos met randaarde. 5. 3. 1 Elektrische aansluitingen Temperatuurregeling Connector X4 Opmerkingen Kamerthermostaat aan/uit 6 - 7 - Modulerende thermostaat 11 - 12 6-7 open Buitentemperatuurvoeler 8 - 9 - Vorstthermostaat 6 - 7 Parallel over kamerthermostaat 5. 4 Kamerthermostaat aansluiten 5. 4. 1 Kamerthermostaat aan/uit 1. Sluit de kamerthermostaat aan (zie § 10. 3). 2.

2 Modulerende kamerthermostaat, Open Therm Het toestel is geschikt voor het aansluiten van een modulerende kamerthermostaat, volgens het OpenTherm communicatie protocol. De belangrijkste functie van de modulerende kamerthermostaat is het berekenen van de aanvoertemperatuur bij een gewenste kamertemperatuur, om een optimaal gebruik te maken van het moduleren. Bij elke warmtevraag wordt op het display van het toestel de gewenste aanvoer temperatuur aangegeven. Sluit de modulerende thermostaat aan (zie § 10. 3). Indien men gebruik wil maken van de tapwater aan/uit schakel functie van de OpenTherm thermostaat dient de tapwatercomfort functie op eco of aan ingesteld te worden. Raadpleeg voor meer informatie de handleiding van de kamerthermostaat.

21 5. 4. 3 Modulerende kamerthermostaat, draadloos De HReco CV-ketel is geschikt om zonder zend-/ontvangstmodule draadloos te communiceren met de Honeywell kamerthermostaten T87RF1003 Round RF, DTS92 en CMS927. De CV-ketel en kamerthermostaat dienen aan elkaar te worden toegewezen: • Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in het RF- kamerthermostaat menu te komen. • Eén van de volgende codes zal op het display van het toestel worden weergegeven: 1. en rF L / - : het display boven de toets laat wisselend een en een L– zien rode led : knipperend De CV-ketel en de kamerthermostaat zijn niet gekoppeld. Een toestel in deze bedrijfstoestand, kan worden gekoppeld d. m. v. de methode van de desbetreffende kamerthermostaat.

De methode van toewijzing is afhankelijk van het soort kamerthermostaat en wordt beschreven in de installatie- en bedieningsvoorschriften van de draadloze kamerthermostaat. 2. en : het display boven de toets laat wisselend een en een zien rF L / 1 L 1 : uit rode led De CV-ketel is al gekoppeld aan een RF-kamerthermostaat. Om een nieuwe koppeling mogelijk te maken, zal de bestaande koppeling verwijderd moeten worden. Zie: De toewijzing van een RF-kamerthermostaat aan de CV-ketel ongedaan maken. • Druk op de reset toets om het RF-kamerthermostaat menu te verlaten of wacht 1 minuut. De verbinding tussen het toestel en de RF-kamerthermostaat testen 1. Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in het RF-kamerthermostaat menu van de branderautomaat te komen. 2. Druk de service toets in. Op het display boven de toets wordt een 1x t getoond. 3.

De testmode wordt, 1 minuut nadat het laatste testbericht van de RF-kamerthermostaat is ontvangen, automatisch verlaten. De toewijzing van een RF-kamerthermostaat aan de CV-ketel ongedaan maken 1. Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in het RF- kamerthermostaat menu van de CV-ketel te komen. 2. Druk de service toets in. Op het display boven de toets wordt een 2x C getoond. 3. Druk nogmaals op de reset toets van het toestel om de bestaande toewijzingen te verwijderen. Op het display van het toestel wordt weer getoond met een rFknipperende L / -. Indien gewenst kan opnieuw een RF-kamerthermostaat aan het toestel worden toegewezen. 4. Druk op de reset toets van het toestel om het RF-kamerthermostaat menu te verlaten of wacht 1 minuut. 5. 4. 4 Buitentemperatuurvoeler Het toestel is voorzien van een aansluiting voor een buitentemperatuurvoeler.

De buitentemperatuurvoeler dient in combinatie met een aan/uit kamerthermostaat toegepast te worden. In principe kan elke willekeurige aan/uit kamerthermostaat gecombineerd worden met een buitenvoeler. Bij vraag van de kamerthermostaat levert de ketel warmte tot de maximaal ingestelde temperatuur in de ketel bereikt is. Deze maximaal ingestelde temperatuur wordt automatisch geregeld via de buitenvoeler, volgens de ingestelde stooklijn in de ketel. Sluit de buitentemperatuurvoeler aan (zie § 10. 3). Voor de stooklijninstelling, zie Weersafhankelijke regeling (zie § 7. 6).

Brink Climate Systems BV 22 5.5 Gas aansluiten 1. Breng een gaskraan (A) aan tussen de gasleiding en het toestel. 2. Monteer de koppeling van de gaskraan bij voorkeur direct in de 1/2" aansluiting van de montagebeugel. 3. Plaats een gaszeef in de aansluiting voor het toestel als het gas vervuild kan zijn. 4. Sluit het toestel aan op de gasleiding. 5. Controleer de gasvoerende delen op lekkage op een druk van maximaal 50 mbar. 6. De gasleiding dient spanningsvrij te worden gemonteerd. 5.6 Toestel aansluiten op rookgasafvoersysteem De luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer van de Kombi Kompakt HReco kan door middel van twee aparte leidingen op het toestel aangesloten worden of door middel van een concentrische aansluiting. Het is mogelijk om een toestel geschikt voor tweepijps aansluiting om te bouwen naar een concentrische aansluiting.

Brink Climate Systems BV 24 5.6.2 Tweepijps aansluiting Monteer de pijpen voor de luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer in de toevoer- en afvoer van het toestel. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting. De leidingen voor verbrandingsgassen en luchttoevoer hebben een diameter van Ø80 mm. Neem voor andere diameters contact op met de fabrikant. 5.6.3 Ombouw naar concentrische aansluiting Met de concentrische adapterset kan de standaard tweepijps aansluiting gewijzigd worden in een concentrische aansluiting (Ø80/125 of Ø60/100). 1. Sluit de open luchttoevoeraansluiting in het toestel af met de bij de set geleverde afsluitdop. 2. Verwijder de rookgasafvoer adapter uit de bovenkant van het toestel door deze linksom te draaien. 3. Verwijder de o-ring van de flens van de adapter en monteer deze om de flens van de concentrische adapter. 4.

Plaats de concentrische adapter in de bovenkant van het toestel en draai deze rechtsom zodat de meetnippel recht naar voren staat. 5. Monteer de concentrische pijp voor de luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer in de adapter. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting. 5.7 Rookgasafvoer en luchttoevoer Zorg ervoor dat de mofverbindingen van de rookgasafvoer en luchttoevoermaterialen goed afsluiten en niet kunnen losraken. Het niet goed bevestigen van de rookgasafvoer en de luchttoevoer kan tot gevaarlijke situaties leiden of lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Controleer alle rookgas- en luchtvoerende delen op dichtheid. 5.7.1 Doortocht, materialen en isolatie Leiding Diameter Materiaal Luchttoevoer Ø80 mm Volgens de plaatselijke voorschriften van brandweer. Spiralobuis, enkelwandig aluminium, verzinkt plaatstaal, roestvast staal of kunststof.

Eventueel geïsoleerd met 10 mm dampdicht isolatiemateriaal of kunststof bij kans op condensatie aan de buitenzijde door een lage wandtemperatuur en een hoge ruimtetemperatuur met een hoge relatieve vochtigheid. Verbrandings-gasafvoer Ø80 mm

25 5.8 Leidinglengten Naarmate de weerstand van de rookgasafvoer- en luchttoevoerleidingen toeneemt zal het vermogen van het toestel afnemen. De maximale toegestane vermogensafname bedraagt 5%. De weerstand van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer is afhankelijk van de lengte, de diameter en alle componenten van het leidingsysteem. Per toestelcategorie is de totale toegestane leidinglengte aangegeven van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer. Bij de opgave van de leidinglengte in meters, wordt uitgegaan van Ø80 mm.

Brink Climate Systems BV 26 5.9 Afvoer systemen Montage algemeen: Voor alle uitmondingen geldt de onderstaande montage: 1. Schuif de verbrandingsgasafvoerleiding in de afvoer van het toestel. 2. Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar. Vanaf het toestel moet iedere pijp in de voorgaande geschoven worden. 3. Monteer een niet verticale verbrandingsgasafvoerleiding op afschot naar het toestel (min. 5mm/m). Voor alle luchttoevoerleidingen geldt de onderstaande montage: 1. Schuif de luchttoevoerleiding in de toevoer van het toestel. 2. Monteer een niet verticale luchttoevoerleiding op afschot naar buiten (min. 5mm/m). 3. Breng isolatie aan, indien noodzakelijk. Toe te passen materialen per toestelcategorie Categorie C13 Omschrijving Brink artikel nummer MUURDOORVOER 80-125 122025 HR MUURDOORV.

29 5.9.1 Geveluitmonding dubbelpijpsdoorvoer horizontaal Toestelcategorie: C13 VOORZICHTIG • Leidingen voor de verbinding van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer tussen het toestel en de dubbelpijpsdoorvoer, moeten een diameter hebben van Ø80 mm. • Bij toepassing van een geveldoorvoer moet het toestel voorzien worden van een rookgas terugslagklep (art.nr. 090417) • Zie voor beugelen § 5.9.10 Toelaatbare leidinglengte Luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding inclusief de lengte van de dubbelpijpsdoorvoer. Kombi Kompakt HReco 36 80 m Verbrandingsgasafvoer- en luchttoevoerleiding Voor de montage, zie § 5.9 Montage algemeen. Montage dubbelpijpsdoorvoer 1. Maak twee sparingen van Ø90 mm op de plaats van uitmonding. 2. Kort de dubbelpijpsdoorvoer in op de juiste lengte. 3. Schuif de toe- en afvoerpijp in de sparingen. 4. Dek de sparingen af met de muurafdekplaten. 5.

Monteer de uitblaasroosters op de toe- en afvoerpijp. 6. Bevestig deze aan de pijpen. 7. Monteer de dubbelpijpsdoorvoer waarbij de luchttoevoer op afschot naar buiten en de rookgasafvoer op afschot naar het toestel wordt geplaatst.

Brink Climate Systems BV 30 Montage dubbelpijps verlengpijp(en) t.b.v. balkongalerij uitmonding Als de vrije uitmonding wordt gehinderd door een dakoverstek, balkon, galerij of anders, moeten de luchttoevoerleiding en verbrandingsgasafvoerleiding verlengd worden tot minimaal de voorzijde van het overstekende deel. Als de luchttoevoer niet verstoord kan worden door obstakels, zoals een console of scheidingsmuurtje en als de uitmonding zich niet aan de rand van een gebouw bevindt, behoeft de luchttoevoerleiding niet verlengd te worden. 1. Verleng de verbrandingsgasafvoerleiding, en eventueel ook de luchttoevoerleiding, van de dubbelpijpsdoorvoer met een standaard verbrandingsgasafvoer- en luchttoevoerleiding op de juiste lengte volgens de aangegeven maten. 2. Schuif de verbrandingsgasafvoer- en eventueel ook de luchttoevoerleiding in de afvoer- en toevoerpijp van de dubbelpijpsdoorvoer. 3.

31 5.9.2 Gevel combidoorvoer horizontaal Toestelcategorie: C13 VOORZICHTIG • Leidingen voor de verbinding van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer tussen het toestel en de dubbelpijpsdoorvoer, moeten een diameter hebben van Ø80 mm. • Bij toepassing van een geveldoorvoer moet het toestel voorzien worden van een rookgas terugslagklep (art.nr. 090417) • Zie voor beugelen § 5.9.10 • combidoorvoer-horizontaal. Voor gevel- of dakuitmonding horizontaal. • combidoorvoer-horizontaal. Voor verlenging van een balkon-/galerij uitmonding. Toegestane leidinglengten Tweepijps Luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding samen, exclusief de lengte van de combidoorvoer. Kombi Kompakt HReco 36 80 m Concentrisch Luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding exclusief de lengte van de combidoorvoer.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Brink HReco 36 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden