Brink HRE 28/24 Handleiding

Brink CV Ketel HRE 28/24

Bekijk gratis de handleiding van Brink HRE 28/24 (68 pagina’s), behorend tot de categorie CV Ketel. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 27 mensen en kreeg gemiddeld 4.9 sterren uit 9 reviews. Heb je een vraag over Brink HRE 28/24 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/68
Brink Climate Systems BV
1
Kombi Kompakt
HRE 24/18
HRE 28/24
HRE 36/30
Installatievoorschrift
Lees voor het installeren en gebruiken van het toestel dit installatievoorschrift zorgvuldig
door. Bewaar dit installatievoorschrift bij het toestel.
Handel altijd volgens de aangegeven voorschriften.

Beoordeel deze handleiding

4.9/5 (9 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Brink
Categorie: CV Ketel
Model: HRE 28/24

Handleiding Brink HRE 28/24 – volledige tekst

Brink Climate systems BV kan derhalve niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele schade voortvloeiend uit de van de standaard uitvoering afwijkende specificaties van het product.

De beschikbare informatie is met alle mogelijke zorg samengesteld, maar Brink Climate systems BV kan niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele fouten in de informatie of voor de gevolgen daarvan. Brink Climate systems BV kan niet aansprakelijk gesteld worden voor schade voortvloeiend uit werkzaamheden die door derden zijn uitgevoerd. Wijzigingen voorbehouden.

Brink Climate Systems BV 3 Dit installatievoorschrift Met dit installatievoorschrift kunt u het toestel op veilige wijze monteren, installeren en onderhouden. Volg de instructies nauwkeurig op. Neem bij twijfel contact op met de fabrikant. Bewaar dit installatievoorschrift bij het toestel. Gebruikte afkortingen en benamingen Omschrijving Te noemen als Hoog Rendement HR Kombi Kompakt HRE 24/18, HRE 28/24, of HRE 36/30 gaswandketel Toestel Toestel met leidingwerk voor centrale verwarming CV-installatie Toestel met leidingwerk voor warm tapwater WW-installatie Pictogrammen In deze handleiding is het volgende pictogram gebruikt: VOORZICHTIG Procedures die –als ze niet met de nodige voorzichtigheid uitgevoerd worden– schade aan het product, de omgeving, het milieu of lichamelijk letsel tot gevolg kunnen hebben.

BELANGRIJK Procedures en/of voorschriften welke, bij niet opvolgen de werking van het toestel in negatieve zin kunnen beïnvloeden. Service en technische ondersteuning ten behoeve van de installateur Voor informatie over specifieke afstellingen, installatie-, onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, kunt u als installateur contact opnemen met: Brink Climate Systems BV Wethouder Wassebaliestraat 8, 7951 SN Staphorst Postbus 11 7950 AA Staphorst tel. 0522-469944, fax. 0522-469400 info@brinkclimatesystems. nl www. brinkclimatesystems. nl Identificatie van het product De toestelgegevens vindt u op het typeplaatje op de onderzijde van het toestel en bevat, naast de leveranciersgegevens en het toesteltype de volgende gegevens: ******-jjmm****** Product code - Serie Nr. JJ= productiejaar, mm = productiemaand PIN Product Identificatie Nummer Data met betrekking tot warm tapwater.

Brink Climate Systems BV 4 1 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN De fabrikant Brink Climate Systems BV aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade of letsel veroorzaakt door het niet (strikt) naleven van de veiligheidsvoorschriften en -instructies, dan wel door onachtzaamheid tijdens het installeren van de Kombi Kompakt Hoog Rendement gaswandketel en de eventueel bijbehorende accessoires. Dit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door personen (inclusief kinderen) met verminderde lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke vermogens, of gebrek aan ervaring en kennis, tenzij zij toezicht of instructie over het gebruik van het apparaat door een persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid is gegeven. Voor de verschillende disciplines zijn de voorschriften gescheiden vermeld. 1.

1 Algemeen De gehele installatie moet voldoen aan de geldende (veiligheids-) voorschriften, zoals vermeld in: • Deze installatievoorschriften. • NEN 1087: Ventilatie van woongebouwen. • NEN 3215: Binnenriolering in woningen en woongebouwen. • Het bouwbesluit. • Plaatselijke voorschriften van gemeente, brandweer en nutsbedrijven. • NPR 1088: Toelichting op NEN 1087. 1. 2 CV-installatie De gehele installatie moet voldoen aan de geldende (veiligheids-) voorschriften, zoals vermeld in: • NEN 3028: Veiligheidseisen voor CV-installaties. 1. 3 Gasinstallatie De gehele installatie moet voldoen aan de geldende (veiligheids-) voorschriften, zoals vermeld in: • NEN 8078: 2004 NL: Prestatie eisen gas. • NEN 1078: 2004 NL: Voorschriften voor aardgasinstallaties. • NPR 3378: Toelichting op NEN 1078. 1.

Brink Climate Systems BV 5 2 TOESTELOMSCHRIJVING 2. 1 Algemeen De Kombi Kompakt HRE gaswandketel is een gesloten toestel. Het toestel is bedoeld om warmte te leveren aan het water van een CV-installatie en de WW-installatie. De luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer kunnen door middel van twee aparte leidingen op het toestel aangesloten worden. Een concentrische aansluiting kan op bestelling geleverd worden. Het toestel is in combinatie met de combidoorvoer gekeurd, maar het toestel kan ook aangesloten worden op combidoorvoeren die voldoen aan de universele keuringseisen voor combidoorvoeren. Het toestel kan naar keuze aangesloten worden op een montagebeugel, een frame met bovenaansluiting en diverse aansluitsets. Deze worden separaat geleverd. De Kombi Kompakt HRE gaswandketels zijn voorzien van het CE keurmerk en electrische beschermingsklasse IP44. 2.

2 Werking De Kombi Kompakt HRE gaswandketel is een modulerende hoog rendement ketel. Dit houdt in dat het vermogen wordt aangepast aan de gewenste warmtebehoefte. In de aluminium warmtewisselaar zijn twee van elkaar gescheiden koperen circuits geïntegreerd. Door de gescheiden uitgevoerde circuits voor CV- en warmwater kunnen de verwarming en warmwatervoorziening onafhankelijk van elkaar werken. De warmwatervoorziening heeft voorrang ten opzichte van de verwarming. Beide kunnen niet gelijktijdig werken. Het toestel is voorzien van een elektronische branderautomaat die bij iedere warmtevraag van de verwarming of de warmwatervoorziening de ventilator aanstuurt, de gasklep opent, de brander ontsteekt en de vlam continue bewaakt en regelt, afhankelijk van het gevraagde vermogen. 2.

3 Bedrijfstoestanden Op het servicedisplay van het bedieningspaneel wordt door een code de bedrijfstoestand van het toestel aangegeven. - UitHet toestel is buiten bedrijf, maar staat wel onder elektrische spanning. Op vragen voor warm tapwater of CV-water wordt niet gereageerd. De toestelvorstbeveiliging is wel actief.

Dit houdt in dat de pomp gaat draaien en de wisselaar wordt opgewarmd indien de temperatuur van het daarin aanwezige water te ver daalt. Als de vorstbeveiliging ingrijpt dan is code 7 zichtbaar (opwarmen wisselaar). Tevens kan in deze bedrijfstoestand de druk in de CV-installatie (in Bar) afgelezen worden op het temperatuurdisplay. WachtstandDe LED bij de toets brandt en eventueel één van de LED’s van de tapcomfort functie. Het toestel is gereed voor het beantwoorden van een vraag naar CV- of tapwater. 0 Nadraaien CV Na het einde van CV-bedrijf draait de pomp na. De nadraaitijd staat van fabriekswege ingesteld op de waarde volgens § 7. 2. Deze instelling kan gewijzigd worden. Bovendien gaat de pomp automatisch 1 keer per 24 uur gedurende 10 seconden draaien om vastzitten te voorkomen. Deze automatische inschakeling van de pomp vindt plaats op het tijdstip van de laatste warmtevraag.

Om het tijdstip te wijzigen dient op het gewenste tijdstip de kamerthermostaat even omhoog gezet te worden. 1 Gewenste temperatuur bereiktDe branderautomaat kan de warmtevraag tijdelijk blokkeren. De brander wordt dan gestopt. De blokkering vindt plaats omdat de gevraagde temperatuur is bereikt. Als de temperatuur voldoende is gezakt wordt de blokkering opgeheven. 2 ZelftestEenmaal per 24 uur wordt door de branderautomaat de aangesloten sensoren gecontroleerd. Tijdens de controle voert de automaat geen andere taken uit.

Brink Climate Systems BV 6 3 VentilerenBij het starten van het toestel wordt allereerst de ventilator naar het starttoerental gebracht. Als het starttoerental is bereikt wordt de brander ontstoken. Code 3 is eveneens zichtbaar als er na het stoppen van de brander wordt nageventileerd. 4 Ontsteken Als de ventilator het starttoerental heeft bereikt vindt de ontsteking van de brander middels elektrische vonken plaats. Tijdens het ontsteken is code 4 zichtbaar. Indien de brander niet ontsteekt dan vindt na ongeveer 15 seconden een nieuwe ontsteekpoging plaats. Als na 4 ontsteekpogingen de brander nog niet brandt dan valt de automaat in storing. 5 CV-bedrijfOp de automaat kan een aan/uit thermostaat, een OpenTherm thermostaat, een buitenvoeler of een combinatie met de laatste aangesloten worden (zie § 10.

3) Bij een warmtevraag afkomstig van een thermostaat volgt na het aanlopen van de ventilator (code 3 ) het ontsteken (code 4 ) en de CV-bedrijfstoestand (code 5 ). Tijdens CV-bedrijf wordt het toerental van de ventilator en daarmee het vermogen van het toestel aangepast zodanig dat de temperatuur van het CV-water naar de gewenste CV-aanvoertemperatuur toe geregeld wordt. Wanneer een aan/uit thermostaat is aangesloten, is dit de op het display ingestelde CV-aanvoertemperatuur. In het geval van een OpenTherm thermostaat wordt de gewenste CV-aanvoertemperatuur door de thermostaat bepaald. Bij een buitenvoeler wordt de gewenste CV-aanvoertemperatuur bepaald door de in de branderautomaat geprogrammeerde stooklijn. Voor de laatste twee situaties geldt echter als maximum de op het display ingestelde temperatuur.

Tijdens CV-bedrijf wordt de gevraagde CV-aanvoertemperatuur op het bedieningspaneel weergegeven. De CV-aanvoertemperatuur kan ingesteld worden tussen 30 en 90°C (zie § 7. 1). Let op: voor een laagtemperatuursysteem kan een lagere maximale instelling vereist zijn dan de standaardinstelling van 80°C.

Door de servicetoets in te drukken tijdens CV-bedrijf kan de werkelijke CV-aanvoertemperatuur afgelezen worden. Als de tapcomfortfunctie is ingeschakeld (zie code 7 ), dan wordt een OpenTherm warmtevraag van minder dan 40 graden genegeerd. 6 Tapwaterbedrijf De warmwatervoorziening heeft voorrang op de verwarming. Als door de stromingssensor een behoefte van meer dan 1,5 l/min aan warm tapwater wordt gedetecteerd, zal een eventuele CV-vraag onderbroken worden. Na het aanlopen van de ventilator (code 3 ) en het ontsteken (code 4 ) komt de automaat in tapwaterbedrijf (code 6 ). Tijdens tapwaterbedrijf wordt het toerental van de ventilator, en daarmee het vermogen van het toestel, geregeld door de automaat op basis van de ingestelde tapwatertemperatuur. De regeling draagt zorg voor de juiste tapwatertemperatuur. De water temperatuur kan worden ingesteld tussen 40°C en 65°C (zie § 7. 1).

De ingestelde tapwatertemperatuur wordt op het bedieningspaneel getoond. De standaardinstelling bedraagt 60°C. Door de servicetoets in te drukken tijdens tapwaterbedrijf, kan de werkelijke tapwatertemperatuur afgelezen worden. 7 Opwarmen toestel Ten behoeve van een snelle levering van warm tapwater is een zogenaamde tapcomfortfunctie in de automaat aangebracht. Door deze functie wordt de warmtewisselaar op temperatuur gehouden (deze is instelbaar, zie § 7. 1). De tapcomfortfunctie kent de volgende instellingen: • Aan: ( LED aan) De tapcomfortfunctie van het toestel is continue ingeschakeld. Het toestel levert altijd direct warm water. • Eco: ( LED aan) De tapcomfortfunctie van het toestel is zelflerend. Het toestel zal zich aanpassen aan het gebruikspatroon van het warm tapwater.

Hierdoor zal de warmtewisselaar gedurende de nacht, of bij lange afwezigheid, niet op temperatuur gehouden worden. Het is tevens mogelijk de tapcomfortfunctie door een open therm kamerthermostaat te laten in- en uitschakelen (zie § 7.

Brink Climate Systems BV 7 2. 4 PC Interface De automaat is voorzien van een interface voor een PC. Door middel van een speciale kabel en bijbehorende software kan een PC aangesloten worden. Met deze voorziening is het mogelijk om het gedrag van de automaat, het toestel en de verwarmingsinstallatie over een lange periode te volgen. 2. 5 Testprogramma’s In de branderautomaat is een voorziening aangebracht om het toestel in een test status te brengen. Door het activeren van een testprogramma zal het toestel in bedrijf komen met een vast ventilator toerental, zonder dat de regelfuncties zullen ingrijpen. De veiligheidsfuncties blijven wel actief. Het testprogramma wordt beëindigd door de en gelijktijdig in te drukken. Testprogramma's Omschrijving programma Toets combinaties Display uitlezing Brander aan met minimaal WW vermogen (zie parameter d § 7.

2) en “L” Brander aan met ingesteld maximaal CV-vermogen (zie parameter 3 § 7. 2) en (1x) “h” Brander aan met maximaal WW vermogen (zie parameter 3 § 7. 2) en (2x) "H" Uitschakelen testprogramma en Actuele bedrijfssituatie Uitleesmogelijkheden Als het toestel in test bedrijf is kunnen de volgende gegevens via het display worden uitgelezen: • Door de toets blijvend in te drukken wordt op het display de CV-druk getoond. • Door de toets blijvend in te drukken wordt op het display de gemeten ionisatiestroom getoond. 2. 5. 1 Vorstbeveiliging • Om bevriezing van het toestel te voorkomen is het toestel voorzien van een vorstbeveiliging. Als de temperatuur van de warmtewisselaar te laag wordt, gaat de pomp draaien tot de temperatuur van de warmtewisselaar voldoende is. Als de vorstbeveiliging ingrijpt dan is code zichtbaar (opwarmen wisselaar).

• Als de installatie (of een deel daarvan) kan bevriezen, moet er op de koudste plaats een (externe) vorstthermostaat op de retourleiding aangebracht worden. Deze moet volgens het elektrisch schema aangesloten worden (zie § 10. 3).

Brink Climate Systems BV 12 4.2 Opstellingsruimte Het toestel dient aan een wand gemonteerd te worden die voldoende draagkracht heeft. Bij lichte wandconstructies bestaat de mogelijkheid dat er resonantiegeluiden optreden. Binnen een afstand van 1 meter van het toestel dient een wandcontactdoos met randaarde voorhanden te zijn. Om bevriezing van de condensafvoer leiding te voorkomen, moet het toestel in een vorstvrije ruimte geïnstalleerd worden. Zorg bij voorkeur voor een minimaal vrij te houden ruimte naast de ketel van 2 cm. In verband met schroeigevaar is geen vrije ruimte vereist. 4.2.1 In een keukenkastje plaatsen Het toestel kan tussen twee keukenkastjes of in een kastje geplaatst worden. Zorg voor voldoende ventilatie aan de onder- en bovenzijde. Als het toestel in een kastje geplaatst wordt, moeten er ventilatieopeningen van tenminste 50 cm2 gemaakt worden.

4.2.2 Schermplaat en frontpaneel afnemen Voor diverse werkzaamheden aan het toestel dienen de eventueel aangebrachte schermplaat en frontpaneel van het toestel verwijderd te worden. Ga hierbij als volgt te werk: • Neem de schermplaat (A), indien gebruikt, naar voren toe weg. • Draai de beide schroeven (1) achter het displayvenster van het toestel los. • Trek de onderzijde van het frontpaneel (2) naar voren toe.

Brink Climate Systems BV 13 4.3 Montage Voor de montage van het toestel wordt, afhankelijk van de aansluitsituatie, gebruik gemaakt van een montagebeugel, een onderaansluitset of een bovenaansluitset. Op de montagebeugel kan de installatie aangesloten worden, voordat het toestel geplaatst wordt. 4.3.1 Ophangstrip en montagebeugel monteren Bevestig de ophangstrip en de montagebeugel, met de bijgeleverde bevestigingsmaterialen, horizontaal aan de wand, overeenkomstig het boorpatroon (zie § 4.1). 4.3.2 Onderaansluitset monteren Bevestig de ophangstrip en de montagebeugel, met de bijgeleverde bevestigingsmaterialen, horizontaal aan de wand, overeenkomstig het boorpatroon (zie § 4.1). 4.3.3 Bovenaansluitset monteren • Bevestig het frame, met de bijgeleverde bevestigingsmaterialen, verticaal aan de wand.

• Bevestig de montagebeugel in het frame, door deze met de omgezette kant naar boven door de uitsparingen in het frame te monteren. • Schuif de aansluitleidingen in het frame (alleen bij aansluitset boven compleet). • Sluit de aansluitleidingen aan op de koppelingen. Let op: Het toestel is breder dan het frame. Houdt hier bij de montage rekening mee. Zie voor de afmetingen pagina 11. Monteer nu het toestel, of sluit de installatie aan.

Brink Climate Systems BV 14 4.3.4 Toestel monteren 1. Pak het toestel uit. 2. Controleer de inhoud van de verpakking, deze bestaat uit: • Toestel (A) • Ophangstrip (B) • Sifon (C) • Installatievoorschrift • Bedieningsvoorschrift • Garantiekaart 3. Controleer het toestel op eventuele beschadigingen: meldt beschadigingen direct aan de leverancier. 4. Monteer de ophangstrip. 5. Controleer of de knelringen recht in de koppelingen van de montagebeugel zijn geplaatst. 6. Plaats het toestel: schuif deze van boven naar beneden over de ophangstrip (B). Zorg dat de leidingen tegelijkertijd in de knelfittingen schuiven. 7. Draai de knelfittingen op de montagebeugel vast. De nippels en leidingen mogen niet meedraaien! 8. Open de displayklep en draai de twee schroeven links en rechts naast de display los en demonteer het frontpaneel. 9. Monteer de flexibele buis (D) op de uitloop van de sifon. 10.

Vul de sifon met water en schuif deze zo ver mogelijk naar boven op de condensafvoer aansluiting (E) onder het toestel. 11. Sluit flexibele buis (D) van de sifon, eventueel samen met de overstortleiding van de inlaatcombinatie en het overstortventiel, aan op het riool via een open aansluiting (F). 12. Monteer de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer (zie § 5.5). 13. Monteer de mantel en draai de twee schroeven links en rechts naast de display vast, sluit de displayklep. 4.3.5 Schermplaat aanbrengen (optioneel) Hang de omgezette bovenrand van de schermplaat aan de sluitringen onder de bodem van het toestel en schuif de schermplaat zo ver mogelijk naar achteren.

Brink Climate Systems BV 15 5 AANSLUITEN 5. 1 CV-installatie aansluiten 1. Spoel de CV-installatie goed schoon. 2. Monteer de aanvoerleiding (B) en retourleiding (A) aan de montagebeugel. 3. Alle leidingen moeten spanningsvrij gemonteerd worden om tikken van de leidingen te voorkomen. 4. Bestaande verbindingen mogen niet verdraaid worden om lekkages te voorkomen. De CV-installatie dient voorzien te zijn van: • Een vul/aftapkraan (A) in de retourleiding direct onder het toestel. • Een aftapkraan op het laagste punt van de installatie. • Een overstortventiel (B) van 3 bar in de aanvoerleiding op een afstand van maximaal 500 mm van het toestel. Tussen het toestel en het overstortventiel mag zich geen afsluiter of vernauwing bevinden. • Een expansievat in de retourleiding. • Een terugslagklep, als er op korte afstand van het toestel leidingen naar boven lopen.

Hiermee wordt voorkomen dat er tijdens tapwaterbedrijf van het toestel thermosifonwerking optreedt (een niet veerbediende terugslagklep, dient verticaal gemonteerd te worden). 5. 1. 1 Thermostatische radiatorkranen Als alle radiatoren zijn uitgevoerd met thermostatische of afsluitbare radiatorkranen, dient een minimale watercirculatie te worden gewaarborgd. Zie § 7. 5. 5. 1. 2 Vloerverwarming Vloerverwarmingsverdeler met pomp Indien een vloerverwarmingssysteem niet hydraulisch neutraal is, kan de vloerverwarmingspomp ongewenste circulatie over de ketel genereren. Voor een goede werking van de warmtapwatervoorziening dient ongewenste circulatie over de ketel te worden voorkomen. Sluit een vloerverwarmingssysteem indirect hydraulisch neutraal aan of voorzie de cv-installatie van een tweewegklepset 230 V ~ (E).

Indien de vloerverwarmingspompvia de retour van de ketel warmte onttrekt is het mogelijk om met een terugslagklep (D) ongewenste circulatie tegen te gaan. Zorg voor een minimale watercirculatie. Zie § 7. 5. Aansluitschema vloerverwarming A. Ketel B. Pomp C. Thermostatische regelafsluiter D.

Brink Climate Systems BV 16 Vloerverwarmingsverdeler zonder pomp Sluit het vloerverwarmingssysteem (D) aan en stel de maximale cv-aanvoertemperatuur van de ketel in op de ontwerpconditie. Monteer op de aanvoerbuis onder de ketel een klemthermostaat (A). De klemthermostaat met blinde kap dient ingesteld te worden op een maximale aanvoertemperatuur van 55°C. Monteer de aan/uit kamerthermostaat (B) en sluit deze in serie met de klemthermostaat aan op connector X4 - 6/7 in het toestel. Zie § 10. 3. De pomp in de ketel wordt in deze situatie benut om het drukverlies van het vloerverwarmingssysteem te overbruggen. Met behulp van de drukverliesgrafiek § 7. 5 is het maximale drukverlies van het vloerverwarmingssysteem te bepalen. Zorg voor een minimale watercirculatie. Zie § 7. 5. Plaats eventueel een by-pass ventiel (C).

Het is bij een vloerverwarmingssysteem zonder pomp aan te bevelen om onderstaande parameter instellingen te wijzigen: par. o van 0 naar 3. par. P van 5 naar 2. Tevens dient parameter 3 te worden ingesteld op minimaal niveau of het transmissieverlies van de woning. 5. 1. 3 Toestel met MIT regeling Het toestel kan ook toegepast worden in combinatie met een indirect gestookte luchtverwarmer (b. v. Brink type Elan) en warmteterugwin-unit (b. v. Brink type Renovent HR). Het toestel is geschikt om verse ventilatielucht van buiten enkele graden na te verwarmen: dit garandeert een minimale inblaas temperatuur. Deze regeling (MIT regeling) kan met een externe schakelaar in- en uitgeschakeld worden. Om energie te besparen dient de pompstand zo laag mogelijk ingesteld te worden. Aansluitschema MIT regeling A. Kombi Kompakt B. Overstortventiel C. Expansievat D.

Indirect gestookte hete luchtverwarming en warmte-terugwin-unit E. Ventilator F. Instelbare flowbegrenzer (Taco 23. 1202) H. Afsluiter Minimale Inblaas Temperatuur Werkingsprincipe Als de MIT regeling wordt ingeschakeld, worden de pomp en de tapcomfortfunctie van het toestel ook ingeschakeld.

Via de instelbare flowbegrenzer wordt er een kleine warmteflow (maximaal 500 W) naar de luchtverwarmer toegelaten. Hierdoor wordt de in te blazen lucht enkele graden opgewarmd. De afsluiter wordt geopend wanneer er een CV warmtevraag is. Installatievoorschrift 1. Sluit het toestel aan op de luchtverwarmer. 2. Voer het systeem in koper uit om vervuiling van de kleine doorstroomopening van de flowbegrenzer te voorkomen. 3. Plaats de afsluiter altijd parallel aan de instelbare flowbegrenzer. 4. Isoleer de aanvoerleiding naar de luchtverwarmer. 5. Sluit de elektrisch bediende afsluiter, (connector X2) en de MIT schakelaar (connector X4) aan. Zie § 5. 3. 1 en § 10. 3. 6. Wijzig parameter 2 van de servicecode (zie Parameter instellingen via de servicecode § 7. 2). Let op: De MIT regeling functioneert alleen als op de display van het “tap comfort”toestel op “aan” ingesteld is.

Raadpleeg de handleiding van de thermostaat bij de toepassing van een “Open Therm” kamerthermostaat. Flowbegrenzer instellen Stel de flowbegrenzer (F) zodanig in, dat het temperatuurverschil van de lucht over de luchtverwarmer, met minimale luchthoeveelheid, 5°C bedraagt. De flow zal dan ongeveer 0,2 liter per minuut bedragen. Dit is beneden het minimale meetbereik van de flowbegrenzer.

Brink Climate Systems BV 17 5.1.4 Opdeling CV-installatie in groepen bij aanwezigheid extra warmtebron Werkingsprincipe Indien de kamerthermostaat de ketel uitschakelt doordat een andere verwarmingsbron (houtkachel, open haard, etc) de ruimte opwarmt, is het mogelijk dat de overige ruimten afkoelen. Dit kan worden opgelost door de CV-installatie op te delen in twee zones. De zone met de externe warmtebron (Z2) kan middels een elektrische afsluiter worden afgesloten van het hoofdcircuit. Beide zones worden voorzien van een eigen kamerthermostaat. N.B. Deze regeling “externe warmtebron” kan alleen worden toegepast indien geen externe boiler hoeft te worden opgewarmd (installatietype 1). Installatievoorschrift 1. Plaats de afsluiter volgens het aansluitschema. 2. Sluit de kamerthermostaat van zone 1 aan op X4 – 6/7. 3. Sluit de kamerthermostaat van zone 2 aan X4 – 11/12. 4.

Wijzig parameter A (zie Parameter instellingen via de servicecode § 7.2). Let op: De kamerthermostaat in zone 1 MOET een aan/uit thermostaat zijn, de kamerthermostaat in zone 2 mag zowel een OpenTherm thermostaat als ook een aan/uit thermostaat zijn. Aansluitschema regeling “externe warmtebron” A. Ketel B. Elektrische afsluiter 230 V ~ C. Radiatoren T1. Kamerthermostaat zone 1 T2. Kamerthermostaat zone 2 Z1. Zone 1 Z2. Zone 2

Brink Climate Systems BV 18 5. 2 Warmwaterinstallatie aansluiten 1. Spoel de installatie goed schoon. 2. Monteer indien voorgeschreven een inlaatcombinatie. 3. Monteer de koud- en warmwaterleiding (A en B) aan de montagebeugel. Opmerkingen • Als het toestel alleen voor de warmwatervoorziening wordt gebruikt, kan de verwarmingsfunctie met de servicecode op het bedieningspaneel uitgeschakeld worden. De CV-installatie behoeft dan niet aangesloten of gevuld te worden. • Als het toestel tijdens de winter buiten bedrijf wordt gesteld en van het lichtnet afgesloten wordt, moet het sanitairwater afgetapt worden om bevriezing te voorkomen. Neem hiervoor de tapwateraansluitingen onder het toestel los. • In de Kombi Kompakt HRE 24/18 en Kombi Kompakt HRE 28/24 zit een doseerventiel met een nominale waarde van respectievelijk 6 en 7,5 liter/min.

De Kombi Kompakt HRE 36/30 is voorzien van een doseerschijf-vervangingsring. Bij de Kombi Kompakt HRE 36/30 zijn bij hoge waterdrukken grotere volumestromen mogelijk. Om bij de Kombi Kompakt HRE 36/30 een uitstroomtemperatuur van 60°C te garanderen dient de warmwaterinstallatie op 9 liter/min ingesteld te worden. • Het doseerventiel dient verwijderd te worden indien de waterdruk voor het doseerventiel lager is dan 0,8 bar. De doorstroming dienst daarna met behulp van een reduceerventiel ingesteld te worden. • Het doseerventiel dient te worden gereinigd of te worden vervangen indien de waterdruk voor het doseerventiel hoger is dan 0,8 bar en de volumestroom lager is dan de nominale waarde. Weerstandgrafiek tapcircuit toestel A. Kombi Kompakt HRE 24/18 B. Kombi Kompakt HRE 28/24 C. Kombi Kompakt HRE 36/30 X. Waterleidingdruk (Bar) Y. Debiet (L/min, tolerantie ± 10 %) 5. 2.

1 Toestel met Naverwarming Zonneboiler Het toestel is voorzien van het NZ-label: geschikt voor ”Naverwarming Zonneboiler”. Hiervoor is op bestelling een aansluitset en een thermostatisch mengventiel beschikbaar. Aansluitschema Naverwarming Zonneboiler A.

Toestel B. Zonneboiler C. Koud water D. Inlaatcombinatie E. T max 85°C F. Warm water G. Thermostatisch mengventiel 35° - 65°C (instellen op ca. 62,5°C) H. Warm water gemengd K. Koudwatersensor S4 Opmerking In combinatie met een zonne-energiesysteem moet er na het toestel altijd een thermostatisch mengventiel geplaatst worden, ingesteld op ca. 62,5°C.

Brink Climate Systems BV 19 5. 2. 2 Toestel met warmtepompboiler Indien de uitstroomtemperatuur van de warmtepompboiler lager is dan 55°C, zorgt de Kombi Kompakt HRE ervoor dat het tapwater uit de warmtepompboiler onder Hoog Rendement condities wordt naverwarmd. Werkingsprincipe De warmwateraansluiting van de warmtepompboiler is aangesloten op de mix ingang van het thermostaatisch omschakelventiel (zie het principeschema). Indien de uitstroomtemperatuur van de boiler hoger is dan de ingestelde temperatuur van het omschakelventiel, zal uit de warmtepompboiler worden getapt. Doordat het omschakelventiel niet geheel afsluitend is, zal tevens een kleine hoeveelheid hoeveelheid door de Kombi Kompakt HRE lopen (ongeveer 10% van de totale flow).

Zodra de uitstroomtemperatuur van de warmtepompboiler lager wordt dan de ingestelde temperatuur van het omschakelventiel zal de flow door de Kombi Kompakt HRE toenemen. Indien de flow groter wordt dan de tapwaterdrempel van de Kombi Kompakt HRE, zal de ketel in tapwaterbedrijf gaan. Wanneer de uitstroomtemperatuur van de warmtepompboiler lager is geworden dan de ingestelde temperatuur van het omschakelventiel min 12K, gaat bijna de volledige tapflow door de Kombi Kompakt HRE. De kleine lekflow wordt nu uit de warmtepompboiler gehaald. Na het volledig omschakelen van het omschakelventiel wordt de tapflow begrensd door de Kombi Kompakt HRE. Aansluitschema toestel met warmtepompboiler A. Warmtepomp D. Koud water inlaat B. CV-ketel E. Uitstroomtemperatuur warmtepomp C. Omschakelventiel F.

Uitstroomtemperatuur warm water Installatie De combinatie dient aangesloten te worden volgens het installatieschema. Om een goede werking van de combinatie te kunnen garanderen, zijn de volgende punten belangrijk. Thermostatisch omschakelventiel: Het toegepaste thermostatische omschakelventiel is een gemodificeerd ventiel welke aan de specifieke eisen, die aan de combinatie warmtepompboiler en Kombi Kompakt HRE worden gesteld, voldoet.

Voor de juiste werking van de combinatie is het omschakelventiel voorzien van een vaste temperatuurinstelling. Tapwatervoordruk: Voor een doorstroomhoeveelheid van 20 liter per minuut zal de voordruk minimaal 2,3 bar moeten bedragen. De maximaal toegestane warmtapwater bedrijfsdruk voor de combinatie mag 6 bar bedragen. Hiervoor dient een inlaatcombinatie (6 bar) gemonteerd te worden. Maximale doorstroomhoeveelheid: Indien de tapflow groter is dan 20 liter per minuut zal de Kombi Kompakt HRE in tapwaterbedrijf gaan, ongeacht de uitstroomtemperatuur van de warmtepompboiler. Maximale temperatuurinstelling warmtepompboiler: De temperatuur van de warmtepompboiler mag niet hoger dan 60°C worden ingesteld.

Positie thermostatisch omschakelventiel: Om te voorkomen dat het thermostatisch omschakelventiel teveel door de omgevingslucht wordt beïnvloed, dient deze zo dicht mogelijk op de warmwater aansluiting van de boiler en verticaal te worden geplaatst (maximale afstand 100mm). Hierdoor wordt voorkomen dat het toestel bij iedere tapvraag in bedrijf komt. Beïnvloeding waterstromen: Om te voorkomen dat de flow door de Kombi Kompakt HRE tijdens het omschakelen van het ventiel wordt beïnvloed, dient de warmwater-uit leiding van de combinatie rechtdoor te lopen (zie installatieschema). A B C E F D.

Brink Climate Systems BV 20 5.3 Elektrisch aansluiten VOORZICHTIG Een wandcontactdoos met randaarde mag maximaal 1 meter van het toestel verwijderd zijn. De wandcontactdoos moet gemakkelijk bereikbaar zijn. Voor opstelling in vochtige ruimten is een vaste aansluiting verplicht middels een all-polige hoofdschakelaar met een minimale contactopening van 3 mm. Indien het netsnoer is beschadigd of om een andere reden moet worden vervangen, moet het vervangende netsnoer bij de fabrikant of diens vertegenwoordiger worden besteld. Neem bij twijfel contact op met de fabrikant of diens vertegenwoordiger. 1. Neem bij werkzaamheden aan het elektrisch circuit de steker uit de wandcontactdoos. 2. Neem de schermplaat (A) (indien aanwezig) naar voren toe weg. 3. Draai de beide schroeven (1) achter het displayvenster van het toestel los. 4.

Schuif de onderzijde van het frontpaneel (2) naar voren toe en neem deze vervolgens weg. 5. Trek de branderautomaat unit naar voren, de branderautomaat unit zal daarbij naar beneden kantelen. 6. Raadpleeg § 10.3 voor het maken van de aansluitingen. 7. Schuif nadat de gewenste aansluitingen zijn aangebracht de branderautomaat terug in het toestel en breng de schermplaat (indien aanwezig) weer aan. 8. Sluit na het maken van de gewenste aansluitingen het toestel aan op een wandcontactdoos met randaarde. 5.3.1 Elektrische aansluitingen Temperatuurregeling Connector X4 Opmerkingen Kamerthermostaat aan/uit 6 - 7 - Modulerende thermostaat 11 - 12 6-7 open Buitentemperatuurvoeler 8 - 9 - Externe spaar- of MIT schakelaar 4 - 5 Instellen parameter op 0 c. Zie ook § 7.2 Vorstthermostaat 6 - 7 Parallel over kamerthermostaat

Brink Climate Systems BV 21 5. 3. 2 Kamerthermostaat aan/uit 1. Sluit de kamerthermostaat aan (zie § 10. 3). 2. Stel, indien nodig de terugkoppelweerstand van de kamerthermostaat in op 0,1 A. Meet bij twijfel de stroom en stel deze overeenkomstig in. De maximale weerstand van de thermostaatleiding en de kamerthermostaat bedraagt totaal 15 Ohm. 5. 3. 3 Modulerende thermostaat, Open Therm Het toestel is geschikt voor het aansluiten van een modulerende kamerthermostaat, volgens het OpenTherm communicatie protocol. De belangrijkste functie van de modulerende kamerthermostaat is het berekenen van de aanvoertemperatuur bij een gewenste kamertemperatuur, om een optimaal gebruik te maken van het moduleren. Bij elke warmtevraag wordt op het display van het toestel de gewenste aanvoer temperatuur aangegeven. Sluit de modulerende thermostaat aan (zie §0).

Indien men gebruik wil maken van de tapwater aan/uit schakel functie van de OpenTherm thermostaat dient de tapwatercomfort functie op eco of aan ingesteld te worden. Raadpleeg voor meer informatie de handleiding van de kamerthermostaat. 5. 3. 4 Modulerende kamerthermostaat, draadloos De HRE CV-ketel is geschikt om zonder zend-/ontvangstmodule draadloos te communiceren met de Honeywell kamerthermostaten T87RF1003 Round RF, DTS92 en CMS927. De CV-ketel en kamerthermostaat dienen aan elkaar te worden toegewezen: • Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in het RF- kamerthermostaat menu te komen. • Eén van de volgende codes zal op het display van het toestel worden weergegeven: 1. en rF L / - : het display boven de toets laat wisselend een en een L– zien rode led : knipperend De CV-ketel is niet toegewezen.

Een toestel in deze bedrijfstoestand, kan worden gekoppeld d. m. v. de methode van de desbetreffende kamerthermostaat. De methode van toewijzing is afhankelijk van het soort kamerthermostaat en wordt beschreven in de installatie- en bedieningsvoorschriften van de draadloze kamerthermostaat.

2. en : het display boven de toets laat wisselend een en een zien rF L / 1 L 1 : uit rode led De CV-ketel is reeds toegewezen. Er is reeds een bestaande koppeling met een RF-kamerthermostaat aanwezig. Om een nieuwe koppeling mogelijk te maken, zal de bestaande koppeling verwijderd moeten worden. Zie: De toewijzing van een RF-kamerthermostaat aan de CV-ketel ongedaan maken. • Druk op de reset toets om het RF-kamerthermostaat menu te verlaten of wacht 1 minuut. De verbinding tussen het toestel en de RF-kamerthermostaat testen 1. Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in het RF-kamerthermostaat menu van de branderautomaat te komen. 2. Druk de service toets in. Op het display boven de toets wordt 1xeen t getoond. 3. Zet de kamerthermostaat in testmode (zie de installatie en bedienings- voorschriften van de kamerthermostaat). 4.

De boven de reset toets gaat knipperen indien de toewijzing rode led correct is uitgevoerd. 5. Druk op de reset toets van het toestel om het RF-kamerthermostaat menu van de branderautomaat te verlaten. De testmode wordt, 1 minuut nadat het laatste testbericht van de RF-kamerthermostaat is ontvangen, automatisch verlaten.

Brink Climate Systems BV 22 De toewijzing van een RF-kamerthermostaat aan de CV-ketel ongedaan maken • Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in het RF-kamerthermostaat menu van de CV-ketel te komen. • Druk de service toets in. Op het display boven de toets wordt 2xeen C getoond. • Druk nogmaals op de reset toets van het toestel om de bestaande toewijzingen te verwijderen. Op het display van het toestel wordt weer rFgetoond met een knipperende L / - . Indien gewenst kan opnieuw een RF-kamerthermostaat aan het toestel worden toegewezen. • Druk op de reset toets van het toestel om het RF-kamerthermostaat menu te verlaten of wacht 1 minuut. 5.3.5 Buitentemperatuurvoeler Het toestel is voorzien van een aansluiting voor een buitentemperatuurvoeler. De buitentemperatuurvoeler dient in combinatie met een aan/uit kamerthermostaat toegepast te worden.

In principe kan elke willekeurige aan/uit kamerthermostaat gecombineerd worden met een buitenvoeler. Bij vraag van de kamerthermostaat levert de ketel warmte tot de maximaal ingestelde temperatuur in de ketel bereikt is. Deze maximaal ingestelde temperatuur wordt automatisch geregeld via de buitenvoeler, volgens de ingestelde stooklijn in de ketel. Sluit de buitentemperatuurvoeler aan (zie § 10.3). Voor de stooklijninstelling, zie Weersafhankelijke regeling (zie § 7.6). 5.4 Gas aansluiten 1. Breng een gaskraan (A) aan tussen de gasleiding en het toestel. 2. Monteer de koppeling van de gaskraan bij voorkeur direct in de 1/2" aansluiting van de montagebeugel. 3. Plaats een gaszeef in de aansluiting voor het toestel als het gas vervuild kan zijn. 4. Sluit het toestel aan op de gasleiding. 5. Controleer de gasvoerende delen op lekkage op een druk van maximaal 50 mbar. 6.

Brink Climate Systems BV 23 5. 5 Rookgasafvoer en luchttoevoer Zorg ervoor dat de mofverbindingen van de rookgasafvoer en luchttoevoermaterialen goed afsluiten en niet kunnen losraken. Het niet goed bevestigen van de rookgasafvoer en de luchttoevoer kan tot gevaarlijke situaties leiden of lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Controleer alle rookgas- en luchtvoerende delen op dichtheid. • De leidingen voor verbrandingsgassen en luchttoevoer hebben een diameter van Ø80 mm. Neem voor andere diameters contact op met de fabrikant. • Voor een concentrische aansluiting zijn diameters beschikbaar van Ø80x125 mm of Ø60x100mm. 5. 5. 1 Doortocht, materialen en isolatie Leiding Diameter Materiaal Luchttoevoer Ø80 mm Volgens de plaatselijke voorschriften van brandweer. Spiralobuis, enkelwandig aluminium, verzinkt plaatstaal, roestvast staal of kunststof.

Eventueel geïsoleerd met 10 mm dampdicht isolatie materiaal of kunststof bij kans op condensatie aan de buitenzijde door een lage wandtemperatuur en een hoge ruimtetemperatuur met een hoge relatieve vochtigheid. Verbrandings-gasafvoer Ø80 mm 5. 5. 2 Toestel aansluiten Tweepijps aansluiting 1. Monteer de pijpen voor de luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer in de toevoer- en afvoer van het toestel. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting. Concentrische aansluiting Met de concentrische adapterset kan de standaard tweepijps aansluiting gewijzigd worden in een concentrische aansluiting (Ø80/125 of Ø60/100). 2. Sluit de open luchttoevoeraansluiting in het toestel af met de bij de set geleverde afsluitdop. 3. Verwijder de rookgasafvoer adapter uit de bovenkant van het toestel door hem linksom te draaien. 4.

Brink Climate Systems BV 24 5.6 Leidinglengten Naarmate de weerstand van de rookgasafvoer- en luchttoevoerleidingen toeneemt zal het vermogen van het toestel afnemen. De maximale toegestane vermogensafname bedraagt 5%. De weerstand van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer is afhankelijk van de lengte, de diameter en alle componenten van het leidingsysteem. Per toestelcategorie is de totale toegestane leidinglengte aangegeven van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer. Bij de opgave van de leidinglengte in meters, wordt uitgegaan van Ø80 mm.

Brink Climate Systems BV 25 5.7 Afvoer systemen Montage algemeen: Voor alle uitmondingen geldt de onderstaande montage: 1. Schuif de verbrandingsgasafvoerleiding in de afvoer van het toestel. 2. Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar. Vanaf het toestel moet iedere pijp in de voorgaande geschoven worden. 3. Monteer een niet verticale verbrandingsgasafvoerleiding op afschot naar het toestel (min. 5mm/m). Voor alle luchttoevoerleidingen geldt de onderstaande montage: 1. Schuif de luchttoevoerleiding in de toevoer van het toestel. 2. Monteer een niet verticale luchttoevoerleiding op afschot naar buiten (min. 5mm/m). 3. Breng isolatie aan, indien noodzakelijk. Toe te passen materialen per toestelcategorie: Categorie C13 Omschrijving Brink artikel nummer MUURDOORVOER 80-125 122025 HR MUURDOORV.

Brink Climate Systems BV 28 5.7.1 Geveluitmonding dubbelpijpsdoorvoer horizontaal Toestelcategorie: C13 VOORZICHTIG • Leidingen voor de verbinding van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer tussen het toestel en de dubbelpijpsdoorvoer, moeten een diameter hebben van Ø 80 mm. • Bij toepassing van een geveldoorvoer moet het toestel voorzien worden van een rookgas terugslagklep (art.nr. 090417) • Zie voor beugelen § 5.7.10 Toelaatbare leidinglengte Luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding inclusief de lengte van de dubbelpijpsdoorvoer. Kombi Kompakt HRE 24/18 100 m Kombi Kompakt HRE 28/24 85 m Kombi Kompakt HRE 36/30 80 m Verbrandingsgasafvoer- en luchttoevoerleiding Voor de montage, zie § 5.7 Montage algemeen. Montage dubbelpijpsdoorvoer 1. Maak twee sparingen van Ø90 mm op de plaats van uitmonding. 2. Kort de dubbelpijpsdoorvoer in op de juiste lengte. 3.

Brink Climate Systems BV 29 Montage dubbelpijps verlengpijp(en) t.b.v. balkongalerij uitmonding Als de vrije uitmonding wordt gehinderd door een dakoverstek, balkon, galerij of anders, moeten de luchttoevoerleiding en verbrandingsgasafvoerleiding verlengd worden tot minimaal de voorzijde van het overstekende deel. Als de luchttoevoer niet verstoord kan worden door obstakels, zoals een console of scheidingsmuurtje en als de uitmonding zich niet aan de rand van een gebouw bevindt, behoeft de luchttoevoerleiding niet verlengd te worden. 1. Verleng de verbrandingsgasafvoerleiding, en eventueel ook de luchttoevoerleiding, van de dubbelpijpsdoorvoer met een standaard verbrandingsgasafvoer- en luchttoevoerleiding op de juiste lengte volgens de aangegeven maten. 2. Schuif de verbrandingsgasafvoer- en eventueel ook de luchttoevoerleiding in de afvoer- en toevoerpijp van de dubbelpijpsdoorvoer. 3.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Brink HRE 28/24 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden