Benning ROFIPOL+ Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Benning ROFIPOL+ (38 pagina’s), behorend tot de categorie Meetapparatuur. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 51 mensen en kreeg gemiddeld 4.9 sterren uit 9 reviews. Heb je een vraag over Benning ROFIPOL+ of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Benning |
| Categorie: | Meetapparatuur |
| Model: | ROFIPOL+ |
Handleiding Benning ROFIPOL+ – volledige tekst
Veiligheidsinstructies- Het apparaat mag bij het gebruik alleen worden vastge nomen aan de geïsoleerde handgrepen 5 en 6 en de teststaven 2 en 3 mogen niet wor-den aangeraakt. - Controleer vlak voor en na het gebruik ter controle van de spanningloosheid van de installatie de spanningszoeker ten aanzien van zijn functiona-liteit. (zie hoofdstuk 3). De spanningstester mag niet worden gebruikt, wanneer de functie van één of meerdere indicators uitvalt of wanneer er geen gebruiksklare toestand kan worden vastgesteld. De controle dient dan met een andere spannings-zoeker te worden herhaald. - De spanningstester kan bij lege batterijen slechts beperkt worden gebruikt. Een tweepolige span-ningscontrole met de LED-niveau-indicator 9 is ook zonder batterijen mogelijk.
- De spanningstester mag alleen binnen het aange-geven nominale spanningsbereik en in elektrische installaties tot AC/DC 690 V worden gebruikt. - De spanningstester mag alleen worden gebruikt in stroom circuits van overspanningscategorie CAT III met maximum 600 V of overspanningscategorie CAT II met maximum 690 V geleider tegen aarde.
- Het apparaat mag niet worden gebruikt met een geopend batterijvak. - De spanningstester is bedoeld voor gebruik door elektriciens en in de elektrotechniek opgeleide personen in combinatie met veilige werkwijzen. - De graduele LED-indicator dient om het span-ningsbereik weer te geven en is niet bestemd voor meetdoeleinden. - Het creëren van een spanningstester voor meer dan 30 seconden spanning (maximaal toegestane inschakelduur ID = 30 seconden)- De spanningstester mag niet worden gedemon-teerd. - De spanningstester moet worden beschermd tegen ver ontreinigingen en beschadigingen van het behuizingop pervlak. - Als bescherming tegen lichamelijke letsels moet na ge bruik van de spanningstester de meegele-verde teststaaf bescherming 1 worden aange-bracht op de teststaven.
- Merk op dat de impedantie (inwendige weerstand) van de spanningstester de weergave van stoor-spanningen (capacitief of inductief gekoppeld) beïnvloedt. Afhankelijk van de inwendige impedantie van de span-ningstester zijn er, in aanwezigheid van stoorspan-ning, verschillende mogelijkheden voor de weergave "bedrijfsspanning aanwezig" of "bedrijfsspanning niet aanwezig". Laagohmige spanningstester (impedantie < 100 kΩ), stoorspanning wordt onderdrukt of verlaagd:Een spanningstester met relatief lage inwendige impe-dantie zal in vergelijking met de referentiewaarde 100 kΩ niet alle stoorspanningen weergeven met een oorsprongwaarde boven ELV (50 V AC/ 120 V DC).
Bij contact met de te testen delen kan de spanningstes-ter de stoorspanningen door ontlading tijdelijk tot een niveau onder ELV verlagen; na het verwijderen van de spanningstester zal de stoorspanning echter weer haar oorspronkelijke waarde aannemen. Wanneer de indicatie "spanning aanwezig" niet ver-schijnt, is het ten stelligste aan te bevelen de aar-dingsinrichting in te leggen voor met de werken wordt begonnen.
Hoogohmige spanningstester (impedantie > 100 kΩ): Stoorspanning wordt niet onderdrukt of verlaagd:Een spanningstester met relatief hoge inwendige impedantie zal in vergelijking met de referentiewaarde 100 kΩ bij aanwezige stoorspanning "bedrijfsspan-ning niet aanwezig" niet eenduidig aangeven. Wan-neer de aanduiding "spanning aanwezig" verschijnt bij een component die als gescheiden van de installatie geldt, is het dringend aan te bevelen met bijkomende maatregelen (bijvoorbeeld: gebruik van een geschikte spanningstester die een onderscheid kan maken tus-sen bedrijfsspanning en stoorspanning, visuele con-trole van het scheidingspunt in het elektrisch net, enz. ) de toestand "bedrijfsspanning niet aanwezig" van het te testen onderdeel aan te tonen en vast te stellen dat de door de spanningstester aangegeven spanning een stoorspanning is.
Spanningstesters die door belastingsbijschakeling een onderscheid kunnen maken tussen bedrijfs-spanning en stoorspanning:Een spanningstester met vermelding van twee waar-den van de inwendige impedantie, is geslaagd in de test van zijn uitvoering/ constructie voor de behande-ling van stoorspanningen en is (binnen de technische grenzen) in staat een onderscheid te maken tussen bedrijfsspanning en stoorspanning en het aanwezige spanningstype direct of indirect weer te geven. Symbolen op het apparaat:Symbool BetekenisBelangrijke documentatie. Het symbool geeft aan dat de gids beschreven in de handleiding, om risico's te vermijdenApparaat of uitrusting voor het werken onder spanningAC wisselspanningDC gelijkspanning.
11/ 2018 PROFIPOL® + 24DC/AC gelijk- en wisselspanningAarde (spanning naar aarde) Dit symbool geeft de juiste plaatsings-richting van de batterijpolen aan2. Apparaatbeschrijving (afbeelding A)1 Teststaafbescherming2 Teststaaf - (negatief)3 Teststaaf + (positief)4 Sensor van de kabelbreukdetector5 Handgreep6 Indicatorgreep7 Batterijvak8 Rode LED voor het testen van de buitengeleider (fase weergave)9 Graduele LED-indicatorJ +/- LED´s van de polariteitsindicatieK Gele LED Ω voor doorgangstest/ kabelbreukde-tector3. Functiecontrole (afbeelding B)- Onmiddellijk voor en na het gebruik moet de spannings tester worden gecontroleerd op zijn werking. - Testpennen 2 en 3 kortsluiten om de werking van de zoemer en de gele LED Ω K op doorgang te controleren. - De batterij moet worden vervangen als de zoemer, de gele LED Ω K voor doorgang of de eenpolige fase-indicator 8 geen functie vertoont.
- De LED-niveau-indicator 9 werkt onafhankelijk van de batterijspanning. - Test de spanningstester op bekende spannings-bronnen bijv. op een 230 V-contactdoos. - Gebruik de spanningszoeker niet, wanneer spanningsin dicator en fase-indicator niet correct functio neren. 4. Controle van de installatie op spanningloos-heid (af beelding C/ D/ E)Tijdens de controle van de installatie controleert u de spanningsvrijheid van de installatie door de span-ningsindicatie en de eenpolige fase-indicatie te con-troleren (fase-indicatie werkt alleen in geaard wissel-spanningsnet). De spanningsvrijheid van de installatie is alleen verzekerd wanneer beide controlekringen spanningsvrijheid aangeven (spanningsindicatie en fase-indicatie) - Leg de beide teststaven 2 en 3 tegen de te tes-ten installatieonderdelen. - De omvang van de aanwezige spanning wordt weergege ven via de graduele LED-indicator 9.
- Gelijkspanningen (DC) worden weergegeven door het oplichten van de + LED of van de - LED. Met de polariteitsindicator J wordt de op de positieve testpen 3 aanwezige polariteit + of - aangege-ven. 5. Buitengeleider testen (faseweergave) (afbeel-ding E)- Neem de beide handgrepen 5 en 6 over het vol-ledige oppervlak vast om een capacitieve koppe-ling tegen aarde te garanderen. - Leg de teststaaf 3 tegen het te testen installatieon derdeel. Zorg er daarbij in ieder geval voor dat bij de eenpo-lige bui tengeleidertest (faseweergave) de teststaaf 2 niet wordt aangeraakt en deze contactvrij blijft. - Wanneer de rode LED 8 in het indicatieveld brandt, dan ligt op dit installatieonderdeel de bui-tengeleider (fase) van een wisselspanning. Opmerking:De eenpolige buitengeleidertest (faseweergave) is mogelijk in het geaarde netwerk vanaf 230 V, 50 Hz/ 60 Hz (fase tegen aarde).
Beschermende kleding en isolerende lokale omstandigheden kunnen de werking negatief beïnvloeden. Let op. Spanningsvrijheid moet bovendien worden vastgesteld door een tweepolige controle. 6. Doorgangstest (afbeelding F)- De doorgangstest moet worden uitgevoerd op spannings vrij geschakelde installatieonderdelen, eventueel moeten condensatoren worden ontla-den. - Leg de beide teststaven 2 en 3 tegen de te tes-ten installatieonderdelen. - Bij doorgang (R < 100 kΩ) weerklinkt er een geluidssig naal en de gele LED Ω K voor door-gang brandt. - Wanneer er op het testpunt een spanning aanwezig is, dan schakelt de spanningstester automatisch om op span ningstest en wordt dit weergegeven. 7. Kabelbreukdetector (afbeelding G)- De kabelbreukdetector lokaliseert contactloos kabelbreu ken aan open liggende en onder span-ning staande leidin gen.
- Neem de indicatiehandgreep 6 over het volledige op pervlak vast en ga met de detector 4 over een leiding die onder spanning staat (bijv. kabeltrom-mel of lichtketting), van het voedingspunt (fase) in de richting van het andere leidinguiteinde.
- Zolang de leiding niet onderbroken is, brandt de gele LED Ω K voor doorgang. - Het kabelbreukpunt is gelokaliseerd, zodra de gele LED Ω K dooft. Opmerking:De kabelbreuk detector kan geaard stopcontact van 230 V, 50 Hz/ 60 Hz (fase naar aarde) worden gebruikt. Isolerende be schermende kleding en de plaatselijke omstandigheden kun nen invloed hebben op de functie. 8. Batterij vervangen (afbeelding H)- Het apparaat mag niet onder spanning worden gezet bij een geopend batterijvak 7. - Het batterijvak 7 bevindt zich in het onderste gedeelte van de indicatiegreep 6. - Draai de schroef van het batterijvak 7 ver genoeg los, zodat het batterijvak 7 over de verbindings-kabel langs onder kan worden afgetrokken. Ver-vang de lege batterijen door twee nieuwe batte-rijen van het type Micro (LR03/AAA). Let op de juiste plaatsingsrichting van de batterijpolen.
11/ 2018 PROFIPOL® + 25EN 60529) 5 - eerste cijfer: Stofdicht 4 - tweede cijfer: Beschermd tegen straalwater- max. toegestane Inschakelduur: 30 s (max. 30 seconden), 240 s uit- Batterij: 2 x micro, LR03/AAA (1,5 V)- Gewicht: ca. 200 g- Lengte van de indicatiegreep incl. testpen: ca. 207 mm- Lengte van de testpennen: ca. 15 mm - Lengte van de verbindingsleiding: ca. 1000 mm- Temperatuurbereik voor werking en opslag: - 15 °C tot + 55 °C (klimaatcategorie N)- Relatieve luchtvochtigheid: 20 % tot 96 % (kli-maatcategorie N)10. Algemeen onderhoudReinig de behuizing aan de buitenkant met een schone, droge doek. Indien er verontreinigingen of afzettingen aanwezig zijn in het gebied van de batterij of van de batterijbehuizing, dan reinigt u ook deze met een droge doek. Verwijder de batterijen uit het apparaat bij een lang-durige op slag. 11.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Benning ROFIPOL+ stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Meetapparatuur Benning
Handleiding Meetapparatuur
Nieuwste handleidingen voor Meetapparatuur