Wagner ProSpray 3.31 Connect Handleiding


Pagina's 136 Niet gecategoriseerd

Bekijk de handleiding van Wagner ProSpray 3.31 Connect gratis online of download de PDF. 20 mensen vonden deze handleiding nuttig. Vraag over dit model? Stel een vraag

PROSPRAY 3.31CONNECT
INSTRUCCIONES DE USO • GEBRUIKSAANWIZING •
DRIFTSVEJLEDNING • BRUKSANVISNING •
MANUAL DEL PROPRIETÁRIO
0518 • Form No. 0558905L
wagner-group.com
DANLEN
PT
SV

Beoordeel deze handleiding


Product specificaties

Merk: Wagner
Categorie: Niet gecategoriseerd
Model: ProSpray 3.31 Connect

Handleiding Wagner ProSpray 3.31 Connect – volledige tekst

* Android a partir de la versión 7, iOS a partir de la versión 13ES WAGNER SprayManager app*Met de gratis “SprayManager” app van WAGNER kunt u een Bluetooth-verbinding maken met uw apparaat en proteren van de volgende comfortfuncties:• Scan het te verwerken materiaal (“Scan the Can”) en u krijgt aanbevelingen voor verdunning en spuittip. • Het spuitapparaat past zich automatisch aan de druk aan die wordt aanbevolen door de fabrikant van het materiaal. • Live informatie over materiaaldruk, werktijd en hoeveelheid verwerkt materiaal tijdens het werk. • Instellen van de druk met afstandsbediening. • Actuele informatie over slijtage van spuittips en de noodzakelijke service-intervallen. • Planning van nieuwe projecten en een overzicht van gestarte en voltooide projecten. * Android vanaf versie 7, iOS vanaf versie 13NLhttps://spraymanager.

28 PS 3. 31INHOUD1 ALGEMENE VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN __ 292 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR HET AIRLESSSPUITEN_______________________ 303 OVERZICHT VAN DE TOEPASSINGEN / BESCHRIJVING VAN HET APPARAAT ______ 333. 1 Toepassingsgebieden _________________________333. 2 Bedekkingsmaterialen _________________________333. 3 Technische gegevens _________________________343. 4 Legenda bij de schematische tekening PS 3. 31 _____353. 5 Schematische tekening PS 3. 31 __________________353. 6 Transport ___________________________________363. 7 Transport in een voertuig ______________________364 INBEDRIJFSTELLING ____________________ 364. 1 Hogedrukslang, spuitpistool en afscheidingsolie ___364. 2 Indicatielampen controlepaneel _________________ 374. 3 Drukregelknop – instellingen ___________________374. 4 Aansluiting op het lichtnet _____________________384.

5 Reiniging van conserveringsmiddelen bij eerste inbedrijfstelling ______________________384. 6 Het apparaat met bedekkingsmateriaal in gebruik nemen _______________________________384. 7 Digital Electronic Spray Control (DESC) ___________395 SPUITTECHNIEK ________________________ 416 HANTERING VAN DE HOGEDRUKSLANG ___ 417 ONDERBREKING VAN DE WERKZAAMHEDEN _____________________ 428 REINIGING VAN HET APPARAAT (BUITEN WERKING STELLEN) _____________ 428. 1 Reiniging van de buitenkant van het apparaat _____428. 2 Aanzuiglter _________________________________ 438. 3 Hogedruklter reinigen ________________________438. 4 Reiniging van het Airless-spuitpistool ____________439 HULP BIJ STORINGEN ___________________ 4510 ONDERHOUD __________________________ 4610. 1 Algemeen onderhoud _________________________4610.

29PS 3. 31 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN1 ALGEMENE VEILIGHEIDSAANWIJZINGENWaarschuwing. Lees alle veiligheidsinstructies, aanwijzingen, illustraties en technische gegevens die bij dit elektrisch gereedschap zijn meegeleverd. Het niet naleven van de onderstaande aanwijzingen kan elektrische schokken, brand en/of ernstig letsel tot gevolg hebben. Bewaar alle veiligheidsrichtlijnen en aanwijzingen voor de toekomst. De term “elektrisch gereedschap” die in de veiligheidsrichtlijnen wordt gebruikt, verwijst naar elektrische gereedschappen met netvoeding (met netsnoer) en naar elektrisch gereedschap op een accu (zonder netsnoer). 1. Veiligheid op de werkpleka) Houd de werkplek schoon en goed verlicht. Wanorde en niet verlichte werkplekken kunnen tot ongevallen leiden.

b) Werk niet met het elektrisch gereedschap in een omgeving met explosiegevaar waar ontvlambare vloeistoen, gassen of stof aanwezig zijn. Elektrisch gereedschap wekt vonken op die stof of dampen kunnen ontsteken. c) Houd kinderen en andere personen tijdens het gebruik van elektrisch gereedschap op afstand. Bij aeiding kunt u de controle over het elektrische gereedschap verliezen. 2. Elektrische veiligheida) De stekker van het elektrisch gereedschap moet in het stopcontact passen. De stekker mag op geen enkele manier worden gewijzigd. Gebruik geen adapterstekkers in combinatie met elektrisch geaarde elektrische gereedschappen. Ongewijzigde stekkers en passende wandcontactdozen verminderen het risico van elektrische schokken. b) Voorkom contact van uw lichaam met geaarde oppervlakken van b. v. buizen, radiatoren, fornuizen en koelkasten.

Er bestaat een verhoogd risico op elektrische schokken wanneer uw lichaam is geaard. c) Houd elektrisch gereedschap uit de buurt van regen of vocht. Het binnendringen van water in elektrisch gereedschap verhoogt het risico van een elektrische schok.

d) Gebruik het netsnoer niet om het elektrisch gereedschap te dragen, op te hangen of de stekker uit het stopcontact te trekken. Houd het netsnoer uit de buurt van hitte, olie, scherpe randen of bewegende delen. Een beschadigd of verward netsnoer verhoogt het risico van een elektrische schok. e) Indien het gebruik van het elektrisch gereedschap in een vochtige omgeving onvermijdelijk is, gebruik dan een aardlekschakelaar. Het gebruik van een aardlekschakelaar voorkomt het risico van een elektrische schok. 3. Veiligheid van personena) Wees alert, let op wat u doet en gebruik uw gezond verstand bij het werken met elektrisch gereedschap. Gebruik het elektrisch gereedschap niet als u moe bent of onder invloed van drugs, alcohol of medicijnen bent. Een moment van onachtzaamheid bij het gebruik van het elektrisch gereedschap kan ernstig letsel veroorzaken.

b) Gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen en draag altijd een veiligheidsbril. Het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals stofmasker, antislip veiligheidsschoenen, veiligheidshelm of gehoorbescherming, afhankelijk van type en gebruik van het elektrisch gereedschap, vermindert het risico van letsel. c) Zorg ervoor dat het elektrische gereedschap is uitgeschakeld voordat u het op het lichtnet en/of de accu aansluit, het optilt of draagt. Wanneer u bij het dragen van het elektrische gereedschap uw vinger op de schakelaar houdt of het apparaat ingeschakeld op het lichtnet aansluit, kan dit tot ongelukken leiden. d) Verwijder afstelgereedschap of moersleutels voordat u het apparaat inschakelt. Een gereedschap of sleutel in een draaiend deel van het elektrisch gereedschap kan letsel veroorzaken. e) Vermijd een abnormale lichaamshouding.

Zorg voor een goede houding en bewaar op elk moment uw evenwicht. Hiermee kunt u het elektrische gereedschap onder onverwachte omstandigheden beter controleren. f) Draag geschikte kleding. Draag geen loszittende kleding of sierraden.

Houd haren, kleding en handschoenen verwijderd van bewegende delen. Loszittende kleding, sierraden of lange haren kunnen door bewegende delen worden gegrepen. g) Pas op voor een vals gevoel van veiligheid en neem de veiligheidsvoorschriften voor elektrisch gereedschap in acht, ook wanneer u na veelvuldig gebruik vertrouwd met het elektrisch gereedschap bent. Onoplettendheid kan binnen een fractie van een seconde tot ernstig letsel leiden. 4. Gebruik en behandeling van het elektrische gereedschapa) Overbelast het elektrische gereedschap niet. Gebruik voor uw werkzaamheden het daarvoor bedoelde elektrische gereedschap. Met het juiste elektrische gereedschap werkt u beter en veiliger binnen het aangegeven vermogensbereik. b) Gebruik geen elektrisch gereedschap waarvan de schakelaar defect is. Elektrisch gereedschap dat niet meer.

30 PS 3. 31VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTENkan worden in- of uitgeschakeld, is gevaarlijk en moet worden gerepareerd. c) Trek de stekker uit het stopcontact en/of verwijder de afneembare accu voordat u instellingen aan het apparaat uitvoert, accessoires wisselt of het elektrische gereedschap opbergt. Deze voorzorgsmaatregel voorkomt onbedoeld inschakelen van het elektrische gereedschap. d) Bewaar elektrisch gereedschap, wanneer het niet wordt gebruikt, buiten bereik van kinderen. Laat geen personen met het apparaat werken die daar niet mee vertrouwd zijn of die deze aanwijzingen niet hebben gelezen. Elektrisch gereedschap is gevaarlijk wanneer dit door onervaren personen wordt gebruikt. e) Onderhoud het elektrische gereedschap zorgvuldig.

Controleer of bewegende delen van het apparaat correct werken en niet klemmen, en of onderdelen zodanig zijn gebroken of beschadigd dat de werking van het elektrisch gereedschap wordt beïnvloed. Laat beschadigde onderdelen repareren voordat u het elektrisch gereedschap gebruikt. Veel ongevallen worden veroorzaakt door slecht onderhouden elektrisch gereedschap. f) Gebruik elektrisch gereedschap, accessoires, hulpmiddelen enz. in overeenstemming met deze aanwijzingen en zoals voor dit specifieke type apparaat is voorgeschreven. Houd daarbij rekening met de werkomstandigheden en de uit te voeren werkzaamheden. Het gebruik van elektrisch gereedschap voor ander dan het bedoelde gebruik kan leiden tot gevaarlijke situaties. g) Zorg ervoor dat de grepen en greepvlakken schoon en vrij van olie en vet blijven.

Gladde grepen en greepvlakken maken een veilig gebruik en controle over het elektrisch gereedschap in onverwachte situaties onmogelijk. 5. Servicea) Laat uw elektrisch gereedschap alleen repareren door gekwaliceerd vakpersoneel en uitsluitend met originele reserveonderdelen. Daarmee blijft de veiligheid van het apparaat gewaarborgd.

b) Wanneer het netsnoer van dit apparaat is beschadigd, moet dit door de fabrikant, zijn klantenservice of een gelijkwaardig gekwaliceerd persoon worden vervangen om gevaren te voorkomen. 2 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR HET AIRLESSSPUITENLet op de plaatselijk geldende voorschriften. Veiligheidstechnische eisen voor het Airless-spuiten zijn on-der andere geregeld in:Voor een veilige omgang met Airless hogedruk-spuitappa-raten moeten de volgende veiligheidsvoorschriften in acht worden genomen. 2. 1 VLAMPUNTVerspuit uitsluitend bedekkingsmaterialen met een vlampunt van 21 °C of hoger. Het vlampunt is de laagste temperatuur waarbij het bedekkingsmateriaal dampen vormt. Deze dampen zijn voldoende om met de lucht die zich boven het bedekkings-materiaal bevindt een ontvlambaar meng-sel te vormen. 2.

2 EXPLOSIEVEILIGHEIDGebruik het apparaat niet op plaatsen die zijn gezoneerd als plaatsen waar ontplof-ngsgevaar kan heersen. Het apparaat is niet explosieveilig uitge-voerd. Gebruik het toestel niet in explosieve bereiken (zone 0,1 en 2). Voorbeelden van explosieve bereiken zijn de opslaglocatie van lak en de directe omgeving van het spuitobject. Stel het toestel minimaal 3 m verwijderd van het spuitobject op. 2. 3 EXPLOSIE EN BRANDGEVAAR TIJDENS HET SPUITEN DOOR ONTSTEKINGSBRONNENIn de directe omgeving mogen zich geen ontstekingsbronnen bevinden, zoals b. v. open vuur, brandende sigaretten, sigaren en pijpen, vonken, gloeidraden, hete opper-vlakken, enz.

31PS 3. 31 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN2. 8 VOORKOMEN VAN BEROEPSZIEKTESDraag een veiligheidsbril. Draag gehoorbescherming. Ter bescherming van de huid zijn beschermende kleding, handschoenen en eventueel huidbeschermende crème ver-eist. Neem de voorschriften in acht van de fabrikanten van de bedekkingsmaterialen, oplosmiddelen en reinigingsmidde-len bij de voorbereidingen, verwerking en reiniging van het apparaat. 2. 4 GEVAAR VOOR LETSEL DOOR DE SPUITSTRAALLet op, gevaar voor letsel door injectie. Richt nooit het spuitpistool op uzelf, perso-nen of dieren. Spuitpistool alleen met contactbescher-ming tegen spuitstaal gebruikenDe spuitstraal mag niet in contact komen met lichaamsdelen. De bij Airless-spuitpistolen optredende spuitdrukken kunnen zeer ernstig letsel veroorzaken. Bij contact met de spuitstraal kan bedekkingsmateriaal in de huid wor-den geïnjecteerd.

Behandel spuitletsel niet als een onschuldige snijwond. Raadpleeg bij huidletsel door bedekkingsmateriaal of oplosmiddel direct een arts voor een snelle, vakkundige behandeling. Informeer de arts over het gebruikte bedekkingsmateriaal of oplosmiddel. 2. 5 SPUITPISTOOL BORGEN TEGEN ONBEDOELDE BEDIENINGBorg het spuitpistool altijd bij montage of demontage van de spuitkop en bij werkonderbrekingen. 2. 6 TERUGSTOOT VAN HET SPUITPISTOOLBij een hoge werkdruk wekt het overhalen van de trekker een terugstootkracht op tot 15 N. Wanneer u daar niet op bent voorbereid, kan uw hand achteruit worden gestoten of kunt u het evenwicht verliezen. Dat kan let-sel veroorzaken. 2. 7 ADEMBESCHERMING TEGEN OPLOSMIDDELDAMPENDraag tijdens spuitwerkzaamheden adembescherming. 2. 9 MAX.

Door slijtage, knikken en niet-doelmatig gebruik kun-nen lekplaatsen in de hogedrukslang ontstaan. Door een lekplaats kan vloeistof in de huid ge-injecteerd worden.  Hogedrukslang vóór elk gebruik grondig controleren.  Vervang een beschadigde hogedrukslang onmiddellijk.  Probeer nooit een defecte hogedrukslang zelf te repareren.  Vermijd scherpe bochten en knikken. De kleinste buigstraal mag ongeveer 20 cm bedragen.  Rijd niet over de hogedrukslang en bescherm deze tegen scherpe voorwerpen en kanten.  Nooit aan de hogedrukslang trekken om het toestel te be-wegen.  Hogedrukslang niet verdraaien.  Hogedrukslang niet in oplosmiddel leggen. Buitenkant al-leen met een doordrenkte doek afvegen.  Hogedrukslang zo leggen, dat er geen struikelgevaar be-staat. Gebruik voor een goede en veilige werking en een lange levensduur uitsluitend originele ho-gedrukslangen van WAGNER. 2.

11 ELEKTROSTATISCHE OPLADING (OPTREDEN VAN VONKEN OF BRAND)Ten gevolge van de stroomsnelheid van het bedekkingsmateriaal tijdens het spuiten kan er elektrostatische oplading optreden. Dit kan bij ontlading leiden tot vonken of brand. Daarom is het noodzakelijk dat het apparaat altijd via de elektrische installatie is geaard. Dit mag uitsluitend via een volgens de voorschriften geaard stopcontact. Elektrostatische oplading van spuitpistool en hogedrukslang wordt via de hogedrukslang afgevoerd. Daarom moet de elektri-sche weerstand tussen de aansluitingen van de hogedrukslang één megaohm of minder bedragen. 2. 12 GEBRUIK VAN HET APPARAAT OP BOUWTERREINEN EN IN WERKPLAATSENAansluiting op het lichtnet mag uitsluitend via een speciaal voe-dingspunt met een aardlekbeveiliging van ≤ 30 mA. Een voor-geschakelde installatieautomaat (zekering) met 16 A (B- of C-ka-rakteristiek) is vereist.

32 PS 3. 31VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN2. 13 VENTILATIE TIJDENS SPUITWERKZAAMHEDEN BINNENEr moet worden gezorgd voor voldoende ventilatie om op-losmiddeldampen af te voeren. 2. 14 AFZUIGINSTALLATIESDeze dienen door de gebruiker van het apparaat overeen-komstig de plaatselijke voorschriften te worden gereali-seerd. 2. 15 AARDING VAN HET SPUITOBJECTHet te coaten spuitobject moet zijn geaard(de wanden van gebouwen zijn doorgaans natuurlijk ge-aard). 2. 17 REINIGING VAN HET APPARAATSpoel het pistool tijdens het reinigen alleen met een verwij-derde spuittip en een lage druk. Bij reiniging van het apparaat met oplos-middel mag niet in een reservoir met kleine opening (spongat) worden gespoten of gepompt. Gevaar door vorming van een explosief gas/luchtmengsel. Het reservoir moet zijn geaard. Gebruik alleen geaarde metalen reservoirs.

Houd het pistool voor aarding stevig tegen de rand van het reser-voir. Gevaar voor kortsluiting door binnendrin-gend water. Spuit het apparaat nooit af met een hoge-druk- of stoomreiniger. 2. 18 WERKZAAMHEDEN OF REPARATIES AAN DE ELEKTRISCHE UITRUSTINGLaat deze uitsluitend uitvoeren door een elektrotechnisch vakbekwaam persoon. Wij aanvaarden geen aansprakelijk-heid voor een ondeskundige installatie. Verwijder voor alle werkzaamheden netstekker uit de wandcontactdoos. 2. 19 ONDERHOUDSWERKZAAMHEDEN EN WERKONDERBREKINGENVoordat u werkzaamheden aan het apparaat uitvoert en bij elke werkonderbreking dient u de druk op het spuitpistool en de hogedrukslang te ontlasten. Beveilig de handbeugel van het spuitpistool en schakel het apparaat uit. 2.

16 BEDEKKINGSMATERIAALHoud rekening met gevaren die het gevolg kunnen zijn van het verspoten materiaal en neem tevens de aanwijzingen op de verpakking of van de fabrikant van het materiaal in acht. Verspuit geen materialen waarvan u de eventuele gevaren niet kent. 2. 20 PLAATSING OP EEN ONEFFEN ONDERGRONDDe voorzijde moet omlaag wijzen om wegglijden te voor-komen.

Het apparaat mag niet op schuine ondergronden worden gebruikt, omdat het door de trillingen de neiging heeft te verplaatsen. 2. 21 TRILLINGSNIVEAUSHet aangegeven trillingsniveau is volgens een genormali-seerde testprocedure gemeten en kan ter vergelijking van elektrisch gereedschap worden gebruikt. Het trillingsniveau dient ook voor een inleidende inschat-ting van de trillingsbelasting. Pas op. De trillingsemissiewaarde kan tijdens het feitelijke gebruik van het elektrische gereedschap van de aangege-ven waarde afwijken, afhankelijk van de wijze waarop het elektrische gereedschap wordt gebruikt.

Het is noodzakeli-jk om veiligheidsmaatregelen ter bescherming van de be-dienende persoon vast te leggen, die op een schatting van de blootstelling tijdens de feitelijke gebruiksvoorwaarden berusten (hierbij dienen alle delen van de bedrijfscyclus in acht genomen te worden, bijvoorbeeld tijden, waarin het elektrische gereedschap is uitgeschakeld, en zulke, waarin het weliswaar is ingeschakeld maar zonder belasting draait).

FILTRATIEOndanks het gebruik van een aanzuiglter en een insteeklter in het spuitpistool is het in het algemeen aan te bevelen het bedekkingsmateriaal te ltreren. Roer het bedekkingsmateriaal voor het begin van de werkzaamheden goed door. iAttentie: let er bij het doorroeren met een roerwerk met motoraandrijving op, dat geen luchtbellen ontstaan. Lichtbellen storen bij het spuiten en kunnen zelfs tot een onderbreking leiden. VISCOSITEITMet het apparaat kan hoogviskeus bedekkingsmateriaal tot ca. 25. 000 mPa·s worden verwerkt. Indien het hoogviskeuze bedekkingsmateriaal niet kan worden aangezogen, moet het volgens de voorschriften van de fabrikant worden verdund. TWEECOMPONENTENBEDEKKINGSMATERIALENHoudt u exact aan de voorgeschreven verwerkingstijd. Binnen deze tijd moet het apparaat zorgvuldig met een geschikt reinigingsmiddel worden doorgespoeld en ge reinigd.

34 PS 3.31BESCHRIJVING VAN HET APPARAAT3.3 TECHNISCHE GEGEVENSPS 3.31Spanning220~240 VAC, 50/60 HzMax. stroomverbruik8,0 AApparaatsnoer3 x 1.5 mm – 6 mOpgenomen vermogen1840 WattZendfrequentie BT (Bluetooth)2,4 GHzZendvermogen BT (Bluetooth)+8 dBmMax. werkdruk221 bar (22,1 MPa)Volumestroom bij 120 bar (12 MPa) met water3,8 l/minMax. afmeting spuitkop0,032 inch (duim) – 0,81 mmMax. temperatuur van het bedekkingsmateriaal43°CMax. viscositeit25.000 mPa·sGewicht43,5 kgSpeciale hogedrukslangDN 6 mm, 15 m, koppelingdraad M 16 x 1,5Afmetingen (L x B x H)590 x 529 x 726 mmHoogte Dit apparaat zal correct functioneren tot maximaal 2000 m boven de gemiddelde zeespiegelTrillingenSpuitpistool overschrijdt 2,5m/s2 nietMax. geluidsdrukniveau:80 dB* * Meetlocatie: op 1 m afstand naast het apparaat en 1,60 m boven de grond, 12 MPa (120 bar) werkdruk, akoestisch harde ondergrond

36 PS 3.31INBEDRIJFSTELLING4 INBEDRIJFSTELLING4.1 HOGEDRUKSLANG, SPUITPISTOOL EN AFSCHEIDINGSOLIE1. De hogedrukslang (afb. 3, pos. 2) op de uitgang voor het bedekkingsmateriaal (1) vastdraaien.2. Het spuitpistool (3) met de gewenste spuitkop op de hogedrukslang vastdraaien.3. Haal de wartelmoeren van de hogedrukslang stevig aan, om lekkage van bedekkingsmateriaal te voorkomen.3214. Verwijder de kap van de smeerpot met een platte schroevendraaier.5. Vul de smeerpot met EasyGlide (afb. 4) tot de oliemeter (4) aangeeft dat deze vol is.Let opEasyGlide voorkomt verhoogde slijtage van de pakkingen.6. Vervang de kap van de smeerport.7. Druk 2 tot 5 keer op de olieknop om de smeerport te primen. Druk hier één keer op om de acht uren gebruik om het vloeistofgedeelte te smeren.3.6 TRANSPORTApparaat duwen of trekken.Handgreep (afb. 2, pos. 1) tot de aanslag omhoogtrekken.

37PS 3. 31 INBEDRIJFSTELLING44. 2 INDICATIELAMPEN CONTROLEPANEELHierna volgt een beschrijving van de indicatielampen op het controlepaneel. Indicatielampvoor de drukIndicatielampmotor aanINDICATIELAMP MOTOR AANDe indicatielamp Motor Aan is aan wanneer de motor is ingeschakeld. Deze indicatielamp wordt door de onderhoudsdienst gebruikt om problemen met de motor op te lossen. Indicatielamp voor de DrukDe indicatielamp voor de druk geeft de huidige bedrijfsdruk van de spuitinstallatie weer. Er zijn drie verschillende aanduidingen: knipperend geel, geel vast en groen vast. Knipperend geelWanneer de indicatielamp voor de druk geel knippert, is de bedrijfsdruk van de spuitinstallatie tussen 0 en 1,4 MPa (14 bar).

Dit betekent:• De spuitinstallatie is aangesloten op het lichtnet en de schakelaar staat op “AAN”;• De spuitinstallatie is ingesteld op de druk geschikt voor doorspuiten (weinig of geen druk);• Het is veilig om de PRIME/SPRAY (doorspuiten/spuiten) selectiehendel in de andere stand te zetten;• Het is veilig om de spuitmond te verwisselen of te vervangen. Geel vastWanneer de indicatielamp voor de druk geel vast is, is de bedrijfsdruk van de spuitinstallatie tussen 1,4 MPa (14 bar) en 12 MPa (120 bar). Dit betekent: • De spuitinstallatie staat ingesteld op de juiste druk om beits, vernis, lak en meerdere kleuren te spuitenGroen vastWanneer de indicatielamp voor de druk groen vast is, is de bedrijfsdruk van de spuitinstallatie tussen 12 MPa (120 bar) en 23 MPa (230 bar).

Dit betekent: • De spuitinstallatie staat ingesteld op de juiste druk om latex huisverven en huisverven op oliebasis te spuiten. • De spuitinstallatie wordt op maximaal vermogen en bij hoge druk gebruikt. • Wanneer de indicatielamp voor de druk zo is ingesteld, dat het met groen vast begint en vervolgens naar geel vast verandert, doet zich een van de volgende situaties voor: a.

Indicatielamp Slijtage van de Spuitmond – wanneer u met latex of met een hoge druk spuit en het lampje wordt geel vast: de spuitmond is versleten en moet worden vervangen. b. Spuitmond te groot – wanneer een spuitmond die te groot is voor de spuitinstallatie, in het pistool wordt gezet, zal de indicatielamp voor de druk van groen vast naar geel vast veranderen. c. Slijtage Vloeistofreservoir – indien de indicatielamp geel vast wordt wanneer een nieuwe spuitmond gebruikt wordt en de druk op maximaal is ingesteld, kan het nodig zijn een onderhoudsbeurt uit te voeren (versleten pakkingen, versleten zuiger, verstopt ventiel, enz. ). 4. 3 DRUKREGELKNOPINSTELLINGENiDe druk kan zowel met de drukregelaar als met de SprayManager app worden aangepast.

Als de druk is gewijzigd terwijl de drukregelaar op de aanslag staat, moet de drukregelaar eerst naar het midden worden verplaatst zodat de druk hiermee weer correct kan worden ingesteld. 1. Minimale drukinstelling2. Zwart zone – geen druk3. Blauwe zone – pulserende druk voor reiniging123.

38 PS 3. 31INBEDRIJFSTELLING4. 4 AANSLUITING OP HET LICHTNETLet opAansluiten mag uitsluitend op een volgens de voorschriften geaard stopcontact. Controleer voor aansluiting op het lichtnet, dat de netspanning overeenkomt met de gegevens op het typeplaatje op het apparaat. Bij aansluiting op het openbare laagspanningsnet is er mogelijk een licentie van de netwerkbeheerder vereist. Controleer de geldende regelgeving in uw land en neem contact op met uw netwerkbeheerder. De aansluiting moet met een foutstroombeschermingsinrichting INF ≤ 30 mA zijn uitgerust. iIn het Wagner accessoireprogramma vindt u mobiele elektrische persoons-beschermingsvoorzieningen, die u ook met andere elektrische apparaten kunt gebruiken. 4. 5 REINIGING VAN CONSERVERINGSMIDDELEN BIJ EERSTE INBEDRIJFSTELLING1. Aanzuigslang (afb. 7, pos. 2) en retourslang (1) in een reservoir met geschikt reinigingsmiddel dompelen. 2.

Drukregelknop (3) in de gele zone op minimale druk draaien. 3. Ontlastingsventiel (4) openen, ventielstand PRIME (circulatie). 4. Apparaat inschakelen (5) ON (AAN)5. Wachten, tot er reinigingsmiddel uit de retourslang komt. 6. Ontlastingsventiel sluiten, ventielstand SPRAY ( spuiten). 7. Haal de trekker van het spuitpistool over. 8. Spuit het reinigingsmiddel uit het apparaat in een open verzamelreservoir. 351244. 6 HET APPARAAT MET BEDEKKINGSMATERIAAL IN GEBRUIK NEMEN1. Aanzuigslang (afb. 7, pos. 2) en retourslang (1) in het reservoir met bedekkingsmateriaal dompelen. 2. Drukregelknop (3) in de gele zone op minimale druk draaien. 3. Ontlastingsventiel (4) openen, ventielstand PRIME (circulatie). 4. Apparaat inschakelen (5) ON (AAN)5. Wachten tot er bedekkingsmateriaal uit de retourslang komt. 6. Ontlastingsventiel sluiten, ventielstand SPRAY (spuiten). 7.

39PS 3. 31 INBEDRIJFSTELLING4. 7 DIGITAL ELECTRONIC SPRAY CONTROL (DESC)iHet Digital Electronic Spray Control (DESC) verbetert de functionaliteit van de spuitinstallatie. Het is direct onder de drukregelaar op het controlepaneel geïnstalleerd. Het bestaat uit een display en vier functietoetsen. Bij gebruik van de functietoetsen verschijnen er op het display verschillende menuschermen waardoor de gebruiker de werking van de spuitinstallatie naar wens kan instellen en bewaken. STEL MPa in 23. 0MPa is 22. 5DisplayFunctietoetseniDe drukregelaar kan de instellingen van het Digital Electronic Spray Control (DESC) systeem tijdelijk opheen. Iedere keer wanneer aan de drukregelaar wordt gedraaid, zal de spuitdruk overeenkomstig wijzigen. FUNCTIETOETSENDe functietoetsen hebben de nummers 1–4. Op elke toets staat bovendien een extra functie vermeld. Nr.

1/MenutoetsDoor op toets nummer 1 te drukken, bladert u door de beschikbare menuschermen of voert u een functie uit die op het geopende menuscherm wordt beschreven. Nr. 2/ toetsDoor op toets nummer 2 te drukken, voert u een functie uit die op het geopende menuscherm wordt beschreven of kunt u optellen. Nr. 3/ toetsDoor op toets nummer 3 te drukken, voert u een functie uit die op het geopende menuscherm wordt beschreven of kunt u aftrekken. Nr. 4/KeuzetoetsDoor op toets nummer 4 te drukken, maakt u een keuze voor het geopende menuscherm of voert u een functie uit die op het geopende menuscherm wordt beschreven.

5Het Hoofdscherm is het standaard scherm van het controlesysteem bij het opstarten van de spuitinstallatie. Door op toets nummer 2 te drukken, wijzigt u de meeteenheid van PSI/gallons, BAR, naar MPa/liter. U kunt met toets nummer 1 door de overige menuschermen bladeren. iVoor sproeiers, uitgerust met een negen-talen Digital Electronic Spray Control (DESC):Met een druk op de toets #2 key op het hoofdscherm schakelt u de meeteenheid over tussen PSI, Bar en MPa. Met een druk op de toets #3 op het hoofdscherm verandert u de taal van de tekst op het display. Er zijn in het totaal negen talen beschikbaar. Telkens er op de toets #1 wordt gedrukt, wordt een andere taal zichtbaar. De talen, in volgorde van hun verschijning, zijn: Engels, Spaans, Nederlands, Deens, Zweeds, Duits, Frans, Italiaans, en Portugees.

SCHERM VOLUME PUMPED (VERPOMPT VOLUME)VERPOMPT VOLUMEKIES-4MENU-1Het scherm Verpompte Volume toont het totaal aantal liters dat de spuitinstallatie heeft verbruikt. GALLONS XMENU-1 LITER-2LITER XMENU-1 GALLONS-2Ga met toets nummer 4 naar het scherm Verpompte Volume. SCHERM JOB VOLUME (VOLUME PER OPDRACHT)VOLUME/OPDRACHTKIES-4MENU-1In het scherm Volume per Opdracht kan de gebruiker de literteller resetten, zodat het verbruik per opdracht kan worden bijgehouden. GALLONS XXXXRESET-3MENU-1Ga met toets nummer 4 naar het scherm Volume per Opdracht. SCHERM UNIT SERIAL # (SERIENUMMER VAN DE INSTALLATIE)SERIENR INSTALLKIES-4MENU-1In dit scherm wordt het serienummer van de spuitinstallatie getoond. SERNR XXXXXXXXXXMENU-1Ga met toets nummer 4 naar het scherm met het serienummer.

SCHERM TIMERS (TIMERS)TIMERSKIES-4MENU-1Het scherm Timers geeft niet alleen de totale tijd weer dat de spuitinstallatie is gebruikt, maar ook de totale tijd dat de spuitinstallatie in bedrijf is geweest (heeft gewerkt). AANTIJDWERKTIJDXXXXXXXXGa met toets nummer 4 naar het scherm Timers.

40 PS 3. 31INBEDRIJFSTELLINGSCHERM JOB TIMERS (OPDRACHTTIMERS)OPDRACHTTIMERSKIES-4MENU-1In het scherm met opdrachttimers kan de gebruiker de “ON TIME” (aan-tijd) en de “RUN TIME” (werktijd) resetten en zo bijhouden hoeveel tijd aan opdrachten is besteed. AANTIJD XRESET-3MENU-1WERKTIJD XRESET-3MENU-1Ga met toets nummer 4 naar het scherm met Opdrachttimers. Het scherm “JOB ON” (AANTIJD) verschijnt. Druk op 3 om te resetten. Druk op 1 om verder te gaan naar het scherm “JOB RUN” (WERKTIJD). Druk op 3 om te resetten. Druk op 1 om doorheen de resterende menuschermen te scrollen. SCHERM SERVICE TIME (SERVICEINTERVAL)SERVICE-INTERVALKIES-4MENU-1In het scherm Service-interval kan de gebruiker een interval (in uren) voor een onderhoudsbeurt instellen. Ga met toets nummer 4 naar het scherm Service-interval. SERV.

na XXGELOPEN UREN XXDruk op 2 (omhoog) om de bedieningstijd in te stellen en/op op 3 (neerwaarts) om de gewenste tijd (de bedrijfsduur wordt verhoogd/verlaagd met stappen van 25 voor elke keer dat u op een knop drukt). Wanneer de sprayer het geselecteerde tijdstip voor ONDERHOUD@ bereikt, wordt op het scherm het bericht “ONDERHOUD VEREIST” weergegeven. Om de timer te resetten, drukt u op #3 wanneer de pomp opnieuw is ingeschakeld. Hierdoor zal het bericht “ONDERHOUD VEREIST” worden gereset en wordt ook het “ONDERHOUDSTIJDSTIP” opnieuw ingesteld. SCHERM SECURITY CODE (BEVEILIGINGSCODE)BEVVEILIGINSCODEWIJZIG-2MENU-1In het scherm Beveiligingscode kan de gebruiker een viercijferige beveiligingscode instellen om onbevoegd gebruik van de spuitinstallatie te voorkomen.

Indien een beveiligingscode is ingesteld, zal bij het opstarten van de installatie op het display van het controlesysteem om deze code worden gevraagd. Indien de juiste beveiligingscode is ingevoerd, zal op het display het hoofdscherm getoond worden en zal de spuitinstallatie bediend kunnen worden.

Indien de onjuiste code is ingevoerd, zal het display blijven vragen om de juiste code en zal de spuitinstallatie niet bediend kunnen worden. Door op toets nummer 2 te drukken, kunt u de beveiligingscode instellen of wijzigen. iWanneer de spuitinstallatie nieuw is, is de beveiligingscode niet ingesteld en zal bij het opstarten van de installatie het hoofdscherm verschijnen. iBij het aanvankelijk instellen van een veiligheidscode, verschijnt het scherm “Enter Old Code Number” (oude codenummer invoeren) en moet u “1111” invoeren. VOER OUDE BEVEI-LIGINGSCODE INVoer de oude beveiligingscode in om toegang te krijgen tot het scherm dat u in staat zal stellen om de code te wijzigen. Indien de onjuiste code is ingevoerd, zal het display blijven vragen om de juiste code en kan de beveiligingscode niet veranderd worden.

VOER NIEUWE BEVCODE IN XXXXVOER NIEUWE BEV CODE OPNIEUW IN NIEUWE BEV CODE GEACCEPTEERD Voer de nieuwe beveiligingscode in. Zodra de nieuwe code is ingevoerd, zal op het display automatisch gevraagd worden de nieuwe code ter controle opnieuw in te voeren. Indien dezelfde nieuwe code opnieuw is ingevoerd, zal op het display bevestigd worden dat de nieuwe code geaccepteerd is en zal het hoofdscherm getoond worden. Indien de nieuwe code foutief opnieuw is ingevoerd, zal op het display het scherm “Enter New Code Number” [voer de nieuwe beveiligingscode in] getoond worden en het proces zal zich herhalen. Indien u uw veiligheidscode vergeet of verkeerd plaatst, kunt u contact opnemen met de Wagner klantendienst voor assistentie.

iIndien u de beveiligingsfunctie buiten werking wenst te stellen, voer dan “1111” in op het scherm “Enter New Code Number” [voer de nieuwe beveiligingscode in] (dit is de standaardcode die de spuitinstallatie van het slot af laat). Als gevolg hiervan zal het hoofdscherm verschijnen bij het opstarten van de spuitinstallatie.

SCHERM PRIME (RETOUR)RETOURHet scherm Prime verschijnt wanneer de drukregelaar is ingesteld bij de stand “Min” in de gele zone. SCHERM RAPID CLEAN (REINIGEN)REINIGENHet scherm Rapid Clean (reinigen) verschijnt wanneer de drukregelknop is ingesteld op de positie RAPID CLEAN (snel reinigen) en de PRIME/SPRAY (vullen/spuiten) klep in de PRIME (vullen) positie staat. iIndien er op enig menuscherm binnen 30 seconden geen handelingen worden verricht, zal op het display het hoofdscherm getoond worden.

41PS 3. 31 SPUITTECHNIEK / HANTERING VAN DE HOGEDRUKSLANG5 SPUITTECHNIEKSpuitgevaar. Spuit nooit zonder de bescherming van de spuitkop. Haal NOOIT de trekker van het pistool over wanneer de sproeikop zich niet in de spuit- of ontstoppingsstand bevindt. Activeer ALTIJD de grendel van de trekker van het pistool voordat u de spuitkop verwijdert, vervangt of reinigt. A) Voor een goede verfbeurt is een gelijke coating over het hele oppervlak uiterst belangrijk. Beweeg uw arm tegen een constant snelheid en houd het spuitpistool op een constante afstand van het oppervlak. De beste spuitafstand is 10 tot 25 cm tussen de spuitkop en het oppervlak. 10- 25 cmA B) Houd het spuitpistool in een rechte hoek ten opzichte van het oppervlak. Dit betekent dat u uw hele arm naar achteren en naar voren moet bewegen in plaats van uw pols te buigen.

Houd het spuitpistool loodrecht op het oppervlak, anders wordt een uiteinde van het patroon dikker dan het andere. B C) Haal de trekker van het pistool over nadat u de werkslag bent gestart. Laat de trekker los voordat u de werkslag stopt. Het spuitpistool zou moeten bewegen wanneer de trekker wordt overgehaald en losgelaten. Overlap elke werkslag voor ongeveer 30%. Dit zorgt voor een een coating. 10 - 25 cm10 - 25 cmCiBij zeer scherpe randzones en strepen in de spuitstraal moet de spuitdruk worden verhoogd, of het materiaal worden verdund. 6 HANTERING VAN DE HOGEDRUKSLANGiHet apparaat is met een speciaal voor zuigerpompen geschikte hogedrukslang uitgerust. Gevaar voor verwonding door lekke hogedrukslang. Vervang een beschadigde hogedrukslang onmiddellijk. Probeer een defecte hogedrukslang nooit zelf te repareren. De hogedrukslang moet zorgvuldig worden behandeld.

Vermijd scherpe bochten en knikken. De kleinste buigstraal mag ongeveer 20 cm bedragen. Rijd niet over de hogedrukslang en bescherm deze tegen scherpe voorwerpen en kanten. Nooit aan de hogedrukslang trekken om het toestel te bewegen.

Let erop dat de hogedrukslang niet verdraaid wordt. Dit kan verhinderd worden door een Wagner-spuitpistool met draaigeleiding en een slangtrommel te gebruiken. iBij gebruik van de hogedrukslang bij werkzaam-heden op een steiger blijkt dat dit het beste gaat, wanneer de slang steeds langs de buitenzijde van de steiger wordt geleid. iBij oude hogedrukslangen stijgt het risico op beschadigingen. Wagner raadt aan, de hogedruk-slang na 6 jaar te vervangen. iGebruik uitsluitend originele hogedrukslangen van Wagner voor een goede en veilige werking en een lange levensduur.

42 PS 3. 31ONDERBREKING VAN DE WERKZAAMHEDEN / REINIGING VAN HET APPARAAT (BUITEN WERKING STELLEN)7 ONDERBREKING VAN DE WERKZAAMHEDEN1. Ontlastingsventiel openen, ventielstand PRIME (circulatie). 2. Apparaat uitschakelen OFF (UIT). 3. Drukregelknop in de gele zone op minimale druk draaien. 4. Trekker van het spuitpistool overhalen, om de druk van de hogedrukslang en het spuitpistool af te laten. 5. Spuitpistool borgen, zie gebruikshandleiding van het spuitpistool. 6. Voor het reinigen van een standaard spuitkop, zie, punt 12. 2. Wanneer een ander type spuitkop is gemonteerd, volg dan de betreende gebruikshandleiding. 7. Anzuigslang en retourslang in het bedekkingsmateriaal laten zitten of in een geschikt reinigingsmiddel dompelen.

Let opBij het gebruik van sneldrogend - of tweecomponentenmateriaal moet het apparaat binnen de verwerkingstijd met een geschikt reinigingsmiddel worden doorgespoeld. 8 REINIGING VAN HET APPARAAT (BUITEN WERKING STELLEN)iSchoon werken is een absolute vereiste voor een storingsvrije werking. Reinig het apparaat na beëindiging van de werkzaamheden. Resten bedekkingsmateriaal mogen in het apparaat in geen geval droog worden en vast gaan koeken. iHet gebruikte reinigingsmiddel (alleen met een vlampunt boven 21 °C) moet geschikt zijn voor het bedekkingsmateriaal. i• Borg het spuitpistool, zie gebruiksaanwijzing van het spuitpistool. • Reinig en demonteer de spuitdop. • In het geval van een standaard spuitdop, zie punt 12. 2. • Ga, wanneer een andere spuitdopuitvoering gemonteerd is, te werk volgens de betreende gebruikshandleiding. 1. Aanzuigslang uit het bedekkingsmateriaal halen. 2.

Ontlastingsventiel sluiten, ventielstand SPRAY (spuiten). 3. Apparaat inschakelen ON (AAN). Let opBij oplosmiddelhoudende bedekkingsmaterialen moet het reservoir worden geaard. Voorzichtig. Spuit of pomp niet in reservoirs met een kleine opening (spongat). Zie veiligheidsvoorschriften4.

Haal de trekker van het spuitpistool over om resterend bedekkingsmateriaal uit de aanzuigslang, de hogedrukslang en het spuitpistool in een open reservoir te pompen. 5. Aanzuigslang met retourslang in een reservoir met geschikt reinigingsmiddel dompelen. 6. Drukregelknop in de gele zone op minimale druk draaien. 7. Ontlastingsventiel openen, ventielstand PRIME (circulatie). 8. Geschikt reinigingsmiddel enkele minuten in het circuit rondpompen. 9. Ontlastingsventiel sluiten, ventielstand SPRAY ( spuiten). 10. Trekker van het spuitpistool overhalen. 11. Resterend reinigingsmiddel in een open reservoir pompen, tot het apparaat leeg is. 12. Apparaat uitschakelen OFF (UIT). 8. 1 REINIGING VAN DE BUITENKANT VAN HET APPARAATTrek eerst de stekker uit het stopcontact. Let opGevaar voor kortsluiting door binnendringend water.

Spuit het apparaat nooit af met een hogedruk- of een stoomhogedrukreiniger. Hogedrukslang niet in oplosmiddel leggen. Buitenkant alleen met een doordrenkte doek afvegen. Veeg de buitenkant van het apparaat met een in geschikt reinigingsmiddel gedrenkte doek.

43PS 3. 31 REINIGING VAN HET APPARAAT (BUITEN WERKING STELLEN)9. Filterbehuizing (1) indraaien en met een bandsleutel tot de aanslag vastdraaien. 123548. 4 REINIGING VAN HET AIRLESSSPUITPISTOOLiReinig het spuitpistool na elk gebruik. 1. Spoel het spuitpistool bij een lage werkdruk met een geschikt reinigingsmiddel door. 2. Reinig de spuitdop grondig met een geschikt reinigingsmiddel, zodat er geen resten van het bedekkingsmateriaal achterblijven. 3. Reinig de buitenkant van het Airless-spuitpistool grondig. INSTEEKFILTER IN HET AIRLESSSPUITPISTOOL (AFB. 10)1. Maak de bovenkant van de trekkergeleiding (1) los uit de pistoolkop. 2. Maak de hendel van de pistoolkop los en erwijder hem door gebruik (2) te maken van de onderkant van de trekkergeleiding als moersleutel. 3. Haal het oude lter (3) uit de pistoolkop. Reinigen of vervangen. 4.

Schuif het nieuwe lter met de taps toelopende kant naar voren in de pistoolkop. 5. Schroef de hendelconstructie op de pistoolkop totdat deze goed vast zit. Aandraaien met de trekkersleutel. 6. Klik de trekkergeleiding terug op de pistoolkop. 8. 2 AANZUIGFILTERiEen schoon aanzuiglter garandeert continu de maximale transporthoeveelheid, een constante spuitdruk en een goede werking van het apparaat. 1. Schroef het lter (afb. 8) van de aanzuigbuis af. 2. Reinig of vervang het lter. Reinig het lter met een harde kwast en een geschikt reinigingsmiddel. 8. 3 HOGEDRUKFILTER REINIGENiFilterpatroon regelmatig reinigen. Een verontreinigd of verstopt hogedruklter leidt tot een slecht spuitresultaat of een verstopte spuitkop. 1. Drukregelknop in de gele zone op minimale druk draaien. 2. Ontlastingsventiel openen, ventielstand PRIME (circulatie). 3. Apparaat uitschakelen OFF (UIT).

45PS 3. 31 HULP BIJ STORINGENSoort storing A. Apparaat start niet B. Apparaat zuigt niet aan C. Apparaat zuigt wel aan, maar er wordt geen druk opgebouwd D. Bedekkingsmateriaal komt boven uit de materiaaltransportpomp E. Verhoogde pulsatie bij het spuitpistool F. Slecht spuitresultaat G. Vermogen van het apparaat loopt terug H. De druk in de pomp wordt te hoog en de pomp wordt derhalve niet uitgeschakeld. Mogelijke oorzaak 1. Geen spanning. 2. Drukinstelling te laag. 3. ON/OFF (AAN/UIT) schakelaar defect. 1. Ontlastingsventiel staat op SPRAY ( spuiten) ingesteld. 2. Filter komt boven het vloeistofniveau uit en zuigt lucht aan. 3. Filter verstopt. 4. Aanzuigslang niet dicht, d. w. z. het apparaat zuigt valse lucht aan. 1. Grote slijtage van spuitkop. 2. Spuitkop te groot. 3. Drukinstelling te laag. 4. Filter verstopt. 5.

Bedekkingsmateriaal loopt via de retourslang, wanneer het ontlastingsventiel in de stand SPRAY ( spuiten) staat. 6. Pakkingen verkleefd of versleten. 7. Ventielkogels versleten. 8. Ventielzittingen versleten. 1. Bovenste pakking is versleten. 2. Zuiger is versleten. 1. Verkeerd type hogedrukslang. 2. Spuitkop versleten of te groot. 3. Te hoge druk. 1. Te grote spuitkop voor het te verwerken bedekkingsmateriaal. 2. Drukinstelling niet correct. 3. Te lage aanvoer. 4. Bedekkingsmateriaal heeft een te hoge viscositeit. 1. Drukinstelling is te laag. 1. Drukschakelaar is defect. 2. Transducer is defect. Maatregelen om de storing te verhelpen 1. Voedingsspanning controleren. 2. Drukregelknop hoger draaien. 3. Vervangen 1. Ontlastingsventiel op PRIME ( circulatie) zetten. 2. Bedekkingsmateriaal bijvullen. 3. Filter reinigen of vervangen. 4. Aansluitpunten reinigen, zonodig O-ringen vervangen.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Wagner ProSpray 3.31 Connect stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden