Vespa Sprint 50 4T Handleiding

Vespa Scooter Sprint 50 4T

Bekijk gratis de handleiding van Vespa Sprint 50 4T (90 pagina’s), behorend tot de categorie Scooter. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 383 mensen. Heb je een vraag over Vespa Sprint 50 4T of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/90
Vespa wil u bedanken
omdat u één van haar producten heeft gekozen. Wij hebben deze handleiding opgesteld zodat u de kwaliteiten ervan ten volle kunt waarderen. Wij
raden aan om deze handleiding goed door te lezen voordat u met het voertuig gaat rijden. De handleiding bevat informatie, raadgevingen en
waarschuwingen betreffende het gebruik van uw voertuig; daarnaast zal u eigenschappen, bijzonderheden en handigheidjes ontdekken die u ervan
zullen overtuigen dat u een juiste keuze heeft gemaakt. Wij zijn er zeker van dat indien u hier rekening mee zal houden, u makkelijk zal wennen aan
uw nieuw voertuig, waar u lang naar volle tevredenheid gebruik van zal kunnen maken. Deze uitgave is een integrerend deel van het voertuig en moet
in het geval van verkoop aan de nieuwe eigenaar worden overhandigd.
VESPA SPRINT 50 4T
Ed. 01_11/2016 Cod. 1Q000483 (IT-FR-DE-ES-NL-EN), 1Q000484 (EN-PT-DE-ES-FR-EL)

Beoordeel deze handleiding


Product specificaties

Merk: Vespa
Categorie: Scooter
Model: Sprint 50 4T

Handleiding Vespa Sprint 50 4T – volledige tekst

Vespa wil u bedankenomdat u één van haar producten heeft gekozen. Wij hebben deze handleiding opgesteld zodat u de kwaliteiten ervan ten volle kunt waarderen. Wijraden aan om deze handleiding goed door te lezen voordat u met het voertuig gaat rijden. De handleiding bevat informatie, raadgevingen enwaarschuwingen betreffende het gebruik van uw voertuig; daarnaast zal u eigenschappen, bijzonderheden en handigheidjes ontdekken die u ervanzullen overtuigen dat u een juiste keuze heeft gemaakt. Wij zijn er zeker van dat indien u hier rekening mee zal houden, u makkelijk zal wennen aanuw nieuw voertuig, waar u lang naar volle tevredenheid gebruik van zal kunnen maken. Deze uitgave is een integrerend deel van het voertuig en moetin het geval van verkoop aan de nieuwe eigenaar worden overhandigd.VESPA SPRINT 50 4TEd. 01_11/2016 Cod. 1Q000483 (IT-FR-DE-ES-NL-EN), 1Q000484 (EN-PT-DE-ES-FR-EL)

De instructies in deze handleiding zijn vooral opgesteld met het doel een eenvoudige en duidelijke leidraad te geven voor het gebruik: hierin vindt meneveneens de handelingen van het klein onderhoud en van de periodieke controles die uitgevoerd moeten worden op het voertuig, bij een Dealer ofErkend Service Centrum. De handleiding bevat tevens instructies voor het uitvoeren van een aantal eenvoudige reparaties. De herstellingen die nietuitgebreid in deze uitgave zijn beschreven, vereisen dat over speciale gereedschappen en/of specifieke technische kennis wordt beschikt: voor deuitvoering hiervan, raadt men aan om zich te wenden tot een .Dealer of Erkend Service Centrum2

Persoonlijke veiligheidIndien deze voorschriften niet of niet volledig worden opgevolgd, kan dit ernstig letselaan personen tot gevolg hebben.Behoud van het milieuGeeft aan hoe te handelen om te vermijden dat het voertuig schade aan het milieutoebrengt.Staat van het voertuigIndien deze voorschriften niet of niet volledig worden opgevolgd kan dit ernstige schadeaan het voertuig, en eventueel het vervallen van deze garantie tot gevolg hebben.De tekens die u op deze pagina ziet zijn zeer belangrijk. Ze hebben namelijk tot doelom de delen van het boekje aan te geven die u aandachtig door moet lezen. Zoals uziet, bestaat ieder teken uit een ander grafisch symbool, zodat de bijbehorende onder-werpen meteen duidelijk kunnen worden teruggevonden in de verschillende delen.3

INDEXVOERTUING. 7Dashboard. 8Analoog instrumentenpaneel. 9Digitaal display 11. Instellen van de functie uren/minuten 12. MODE- toets 13. Contactslot 13. Stuurslot vergrendelen 14. Stuurslot ontgrendelen 14. Schakelaar richtingaanwijzers 15. Drukknop claxon 15. Koplampschakelaar 16. Startknop 16. USB-stopcontact 17. Benzinetank 18. Zadel openen 20. Kappen opening 20. Sleutels 21. Identificatie 21. Penen van de koffer voor 23. Tassenhaak 23. GEBRUIK. 25Controles 26. Tanken 26. Bandenspanning 28. Inrijden 30. Starten des motors 30. Moeilijke start 32. Stoppen van de motor 33. Katalysator 33. Standaard 34. Automatische transmissie 35. Veilig rijden 36. ONDERHOUD. 39Peil motorolie 40. Controle van het peil van de motorolie 40. Het bijvullen van motorolie 41. Vervanging van de motorolie 41. Oliepeil naaf 43. Banden 44. Demonteren van de bougie 45. Demonteren van het luchtfilter 47.

Controle van het oliepeil van de remmen 47. Bijvullen van de remvloeistof 48. Accu 50. Inwerkingstelling van een nieuwe accu 51. Länger stillegen 52. Zekeringen 53. Koplampset 56. Afstellen van de koplamp 58. Richtingaanwijzers voor 59. Lampenset achter 60. Richtingaanwijzers achter 61. Achteruitkijkspiegels 62. Schijfrem achter 63. Rommelrem achter 64. Een lekke band 64. Stilstand van het voertuig 65. Reinigen van het voertuig 66. TECHNISCHE GEGEVENS. 73Gegevens 74. ONDERDELEN EN ACCESSOIRES. 79Waarschuwingen 80. GEPLAND ONDERHOUD. 81Tabel gepland onderhoud 82. Tabel periodiek onderhoud 84. 5.

C = Controlelamp van de brandstofreserveD = Digitaal displayE = Controlelamp van de druk van de motorolie (niet actief)F = Controlelamp grote lichten01_03Digitaal display (01_03)G = Indicator van het brandstofpeil met symbool 'benzine'H = Hodogram totaal en partieelI = KlokWanneer de ontstekingssleutel op «ON» wordt gedraaid, lichten alle functies van hetdigitale display enkele seconden op.HODOGRAM TOTAAL EN PARTIEEL «H»Wanneer op de toets MODE wordt gedrukt, kunnen de volgende functies cyclischweergegeven worden:- Hodogram totaal (TOTAL)- Hodogram partieel A (TRIP A)- Hodogram partieel B (TRIP B)De meeteenheid kan gewijzigd worden (van km naar mijl) door de volgende procedurete volgen:111 Voertuing

- plaats de sleutel op « »;OFF- druk op de toets MODE;- houd de toets MODE ingedrukt en plaats de sleutel op « »;ON- laat de toets MODE na ongeveer 2 seconden los.N.B.VOOR DE NAVIGATIE OP HET DISPLAY GELDEN DE VOLGENDE DEFINITIES:- «KORT DRUKKEN»: MINDER DAN EEN HALVE SECONDE OP DE AANGEDUI-DE KNOP DRUKKEN;- «LANG DRUKKEN»: LANGER DAN DRIE SECONDEN OP DE AANGEDUIDEKNOP DRUKKEN;01_04Instellen van de functie uren/minuten (01_04)Om de klok in te stellen of te regelen, moet het voertuig ingeschakeld zijn of moet desleutel op « » geplaatst zijn, en moet als volgt gehandeld worden:ON- druk cyclisch en kort op de toets MODE naar links tot het totale hodogram wordtweergegeven op het display;- met een lange druk worden de uren weergegeven;- regel de waarde van de uren door de toets MODE kort in te drukken;- druk lang om de ingestelde waarde (of de aanwezige waarde indien deze niet werdgewijzigd) te bevestigen, en daarna wordt de weergave van de minuten bereikt.- regel de waarde van de minuten door de toets MODE kort in te drukken;- met een lange druk wordt de ingestelde waarde (of de aanwezige waarde indien nietgewijzigd) bevestigd, en wordt het ingestelde of gewijzigde uur weergegeven.WAARSCHUWINGDE REGELING VAN DE KLOK IS, VOOR VEILIGHEIDSREDENEN, UITSLUITENDMOGELIJK WANNEER HET VOERTUIG STILSTAAT.121 Voertuing

WAARSCHUWINGWANNEER DE ACCUKABELS WORDEN LOSGEKOPPELD, WORDT DE KLOKGERESET, DIE «12:00» ZAL AANDUIDEN TOT EEN NIEUWE REGELING WORDTUITGEVOERD.01_05MODE- toets (01_05)Wanneer het voertuig is ingeschakeld of met de sleutel in positie « », kan door kortONop de toets MODE «I» te drukken de weergave van het hodogram gewijzigd worden(TOTAL, TRIP A, TRIP B).Met een lange druk op de toets MODE is het volgende mogelijk:- in het beeldscherm TOTAL om de klok regelen;- in het beeldscherm TRIP A of TRIP B om de relatieve teller op nul stellen.Contactslot (01_06)De sleutelschakelaar « » bevindt zich op de voorste beschermingsplaat.A01_06POSITIES VAN DE SCHAKELAARON 1 « »: Positie van de predispositie voor het starten, sleutel niet uitneembaar, me-chanisch antidiefstalsysteem uitgeschakeld.OFF 2 « »: Ontsteking geblokkeerd, sleutel uitneembaar, mechanisch antidiefstalsys-teem uitgeschakeld.LOCK 3 « »: Ontsteking geblokkeerd, sleutel uitneembaar, mechanisch antidiefstal-systeem ingeschakeld.131 Voertuing

01_07Stuurslot vergrendelen (01_07)Draai het stuur naar links (helemaal), draai de sleutel op « » en verwijder deLOCKsleutel.LET OPDRAAI DE SLEUTEL TIJDENS HET RIJDEN NOOIT OP «LOCK» OF «OFF».01_08Stuurslot ontgrendelen (01_08)Steek de sleutel weer in het slot en draai hem in de « » positie.OFFLET OPDRAAI DE SLEUTEL TIJDENS HET RIJDEN NOOIT OP «LOCK» OF «OFF».141 Voertuing

01_09Schakelaar richtingaanwijzers (01_09)Wanneer de schakelaar van de knipperlichten « » naar links in positie «C 1» wordtverplaatst, worden de linker knipperlichten geactiveerd.Wanneer de schakelaar « » naar rechts in positie « » wordt verplaatst, worden deC 2rechter knipperlichten geactiveerd.De schakelaar van de knipperlichten « » keert automatisch terug naar de positieC« » door de gevraagde functie te behouden.0Om de vraag te annuleren en de geactiveerde knipperlichten uit te schakelen, moetop de schakelaarknop « » gedrukt worden.C01_10Drukknop claxon (01_10)Druk op de drukknop « » om de claxon te activeren.B151 Voertuing

01_11Koplampschakelaar (01_11)Wanneer de lichtschakelaar « » zich in positie « » bevindt, is het dimlicht aan; wan-E 1neer deze zich in positie « » bevindt, wordt het groot licht geactiveerd.2LET OP LEG EN VERVOER GEEN VOORWERPEN EN/OF KLEDING OP DE VOORSTEOPTISCHE GROEP, EN DIT ZOWEL MET DE KOPLAMP INGESCHAKELD ALSNET UITGESCHAKELD. HET NIET RESPECTEREN VAN DEZE VOORZORGS-MAATREGEL KAN OVERVERHITTING EN DUS HET SMELTEN VAN HET DEK-GLAS VEROORZAKEN.01_12Startknop (01_12)Druk op de knop « » om de motor te starten, nadat één van de twee remhendelsLwerden ingeknepen.161 Voertuing

01_1301_14USB-stopcontact (01_13, 01_14)In het voorste koffertje links is een USB-stopcontact « » aanwezig (op de versiesAwaar voorzien).Verwijder de bescherming om dit stopcontact te gebruiken. Plaats de beschermingopnieuw om te vermijden dat het kan beschadigd worden door water en/of vochtig-heid.LET OPDE USB-AANSLUITING IS COMPATIBEL VOOR DE LADING EN/OF VOEDINGVAN DE MEESTE APPARATEN DIE IN DE HANDEL VERKRIJGBAAR ZIJN.Het USB-stopcontact is actief wanneer de sleutel op « » is geplaatst.ONLET OPWANNEER MEN HET STOPCONTACT GEBRUIKT VOOR LANGE TIJD, KAN DEACCU GEDEELTELIJK ONTLADEN171 Voertuing

USB-STOPCONTACTUSB-stopcontactUitgaande spanning (5,00±0,25) VdcLaadspanning 500mA max01_15Benzinetank (01_15)De dop « » van de benzinetank bevindt zich onder het zadel. Om hem te bereiken,Amoet het zadel vooruit gehoffen worden.LET OP WANNEER BRANDSTOF WORDT GETANKT, MOGEN GEEN ELEKTRONISCHESYSTEMEN EN/OF ZAKTELEFOONS GEBRUIKT WORDEN, DIE ALS GEVOLGVAN DE BENZINEDAMPEN LETSELS AAN PERSONEN EN SCHADE AAN VOOR-WERPEN ZOUDEN KUNNEN VEROORZAKEN.LET OPWAARSCHUWING WANNEER BRANDSTOF WORDT GETANKT, MOET HET PISTOOL IN DE TANKGESTOPT WORDEN. NA DE EERSTE KLIK MAG NIET MEER GEPROBEERDWORDEN OM NOG BIJ TE TANKEN ZODAT HET MORSEN VAN BRANDSTOFWORDT VERMEDEN, OOK NA DE TANKBEURT.181 Voertuing

LET OP ZORG ER VOOR DAT GEEN BENZINE WORDT GEMORST TIJDENS HET TAN-KEN, WAT RISICO'S OP BRAND, LETSELS AAN PERSONEN EN SCHADE AANVOORWERPEN ZOU KUNNEN VEROORZAKEN.LET OPER WORDT AANBEVOLEN OM BENZINE TE GEBRUIKEN MET EEN MAXIMUMBIOETHANOLGEHALTE VAN 10% (E10).GEBRUIK GEEN BENZINE WAARVAN HET BIOETHANOLGEHALTE MEER DAN10% BEDRAAGT; DIT GEBRUIK KAN DE COMPONENTEN VAN DE VOEDINGS-INSTALLATIE BESCHADIGEN EN/OF DE WERKING VAN DE MOTOR SCHADEN.N.B.WANNEER HET VOERTUIG STILSTAAT, BIJ NOG WARME MOTOR, KAN HETZIJN DAT LAWAAI WORDT GEPRODUCEERD MET REGELMATIGE INTERVAL-LEN TOT DE MOTOR IS AFGEKOELD. DIT IS GEEN DEFECT, MAAR BETREFTHET NORMALE GEDRAG VAN DE KLEPPEN VAN HET VOERTUIG.191 Voertuing

01_16Zadel openen (01_16)Plaats de sleutel in het zadelslot, en draai linksom om het zadel te openen.Wanneer het zadel wordt opgeheven, kan het volgende bereikt worden:- dop brandstoftank;- dop oliereservoir mix;- helmruimte.01_17Kappen opening (01_17, 01_18, 01_19)Om de voorste bedekking te verwijderen, moet als volgt gehandeld worden:- verwijder het schildje, maar let op voor de carrosserie van het voertuig.01_18- Draai de bevestigingsbout los.- Draai het stuur helemaal naar één kant.- Verwijder de voorste bedekking langs onder, door ze uit de klemmen te halen.201 Voertuing

01_1901_20Sleutels (01_20)Bij het voertuig wordt een sleutel en een duplicaat ervan bijgeleverd, die dienen voorde aktivatie van de sleutelschakelaar en voor de opening van het zadel. De sleutelsworden geleverd met een plaatje waarop het identificatienummer is gedrukt, dat moetworden gegeven wanneer een duplicaat wordt aangevraagd.WAARSCHUWINGMEN RAADT AAN OM HET DUPLICAAT VAN DE SLEUTEL, SAMEN MET DEBIJBEHORENDE CODE, NIET IN HET VOERTUIG TE BEWAREN.Identificatie (01_21, 01_22)De identificatienummers bestaan uit een voorvoegsel en een nummer die respectie-velijk op het frame en op de motor gedrukt zijn. Deze moeten steeds worden aange-geven bij de aanvraag om reserveonderdelen. Men raadt aan om te controleren of deframeregistratiecode op het voertuig overeenkomt met die in de documenten van hetvoertuig.211 Voertuing

LET OPMEN HERINNERT ERAAN DAT HET WIJZIGEN VAN DE REGISTRATIECODESVOOR IDENTIFICATIE ERNSTIGE STRAFRECHTELIJKE SANCTIES MET ZICHKAN MEEBRENGEN (INBESLAGNEMING VAN HET VOERTUIG, ENZ.).01_21FramenummerHet framenummer « » is nabij de brandstoftank gedrukt.AGa als volgt te werk om hem te lezen:- hef het zadel op;- hef de helmruimte op en verwijder hem.01_22MotornummerHet motornummer «B» is nabij de onderste steun van de achterste linker schokdem-per gedrukt.221 Voertuing

01_23Penen van de koffer voor (01_23)Met de sleutel in positie « » of « », indrukken om het koffertje te openen. MetOFF ONde sleutel op » is het koffertje gesloten.LOCK01_24Tassenhaak (01_24)De lasthaak is op het uiteinde van het zadel voorzien.Om de haak te kunnen gebruiken, moet deze uitgetrokken worden.LET OPToegestane maximum last: 1,5 KgWAARSCHUWINGOM DE VEILIGHEID VAN DE GEBRUIKER TE GARANDEREN, MAG DE LASTNIET BUITEN DE OMTREK VAN HET VOERTUIG KOMEN EN MAG DEZE NIETHINDEREN TIJDENS HET RIJDEN.231 Voertuing

02_01Controles (02_01)Vooraleer men het voertuig start, controleert men:1. Of er benzine aanwezig is in de tank.2. Het oliepeil in de achternaaf.3. Het peil van de motorolie (raadpleeg het deel «Peil van de motorolie»).4. De correcte bandenspanning.5. De werking van de lichten van de koplamp, van het achterlicht en van de richting-aanwijzers.6. De werking van de voor- en achterremmen.02_02Tanken (02_02)Vul de brandstoftank « » met loodvrije benzine (Minimum octaangehalte = 95).AAls het reservepiel van de brandstof wordt bereikt, licht de relatieve controlelamp ophet instrumentenbord op.LET OPVOORALEER MEN BENZINE GAAT TANKEN, ZET MEN DE MOTOR UIT. BENZI-NE IS UITERST ONTVLAMBAAR. ZORG DAT ER GEEN BENZINE STROOMT UITDE TANK EN VOORKOM DAT U TIJDENS HET TANKEN.262 Gebruik

LET OPZICH MET OPEN VUUR OF BRANDENDE SIGARETTEN BEGEEFT IN DE NABIJ-HEID VAN DE BRANDSTOFDOP: BRANDGEVAAR. VERMIJD EVENEENS HETINADEMEN VAN SCHADELIJKE DAMPEN.LET OP WANNEER BRANDSTOF WORDT GETANKT, MOGEN GEEN ELEKTRONISCHESYSTEMEN EN/OF ZAKTELEFOONS GEBRUIKT WORDEN, DIE ALS GEVOLGVAN DE BENZINEDAMPEN LETSELS AAN PERSONEN EN SCHADE AAN VOOR-WERPEN ZOUDEN KUNNEN VEROORZAKEN.LET OPWAARSCHUWING WANNEER BRANDSTOF WORDT GETANKT, MOET HET PISTOOL IN DE TANKGESTOPT WORDEN. NA DE EERSTE KLIK MAG NIET MEER GEPROBEERDWORDEN OM NOG BIJ TE TANKEN ZODAT HET MORSEN VAN BRANDSTOFWORDT VERMEDEN, OOK NA DE TANKBEURT.LET OP ZORG ER VOOR DAT GEEN BENZINE WORDT GEMORST TIJDENS HET TAN-KEN, WAT RISICO'S OP BRAND, LETSELS AAN PERSONEN EN SCHADE AANVOORWERPEN ZOU KUNNEN VEROORZAKEN.272 Gebruik

LET OPER WORDT AANBEVOLEN OM BENZINE TE GEBRUIKEN MET EEN MAXIMUMBIOETHANOLGEHALTE VAN 10% (E10).GEBRUIK GEEN BENZINE WAARVAN HET BIOETHANOLGEHALTE MEER DAN10% BEDRAAGT; DIT GEBRUIK KAN DE COMPONENTEN VAN DE VOEDINGS-INSTALLATIE BESCHADIGEN EN/OF DE WERKING VAN DE MOTOR SCHADEN.Technische kenmerkenCapaciteit van de brandstoftank6,4 ± 0,1 lN.B.WANNEER HET VOERTUIG STILSTAAT, BIJ NOG WARME MOTOR, KAN HETZIJN DAT LAWAAI WORDT GEPRODUCEERD MET REGELMATIGE INTERVAL-LEN TOT DE MOTOR IS AFGEKOELD. DIT IS GEEN DEFECT, MAAR BETREFTHET NORMALE GEDRAG VAN DE KLEPPEN VAN HET VOERTUIG.02_03Bandenspanning (02_03)Controleer de bandenspanning volgens de beschrijvingen in de tabel van het gepro-grammeerd onderhoud.282 Gebruik

LET OPMEET DE BANDENSPANNING OP ALS DE BANDEN KOUD ZIJN.EEN FOUTESPANNING HEEFT EEN ABNORMALE SLIJTAGE VAN DE BANDEN TOT GE-VOLG, EN MAAKT HET RIJDEN GEVAARLIJK.DE BAND MOET WORDEN VERVANGEN WANNEER HET RIJVLAK DE SLIJTA-GELIMIET, VOORZIEN IN DE VAN KRACHT ZIJNDE NORMEN, HEEFT BEREIKT.BANDENSPANNINGSpanning van de voorband 1,8 barSpanning van de achterband 2,0 barBANDENVoorste band 110/70 - 12'' 47P TubelessAchterste band 120/70 - 12'' 58P Tubeless292 Gebruik

NA DE EERSTE1000 KM VOERT MEN DE SNELHEID GELEIDELIJK OP TOT MEN DE MAXIMALESNELHEID BEREIKT.02_05Starten des motors (02_05, 02_06, 02_07, 02_08)Het voertuig is uitgerust met een automatische transmissie met regelaar en centrifu-gekoppeling, daarom start men het voertuig met het handvat van het gashendel opeen minimum toerental; geef geleidelijk aan meer gas om weg te rijden.Het voertuig is voorzien van een benzinekraan en een startermechanisme die auto-matisch in werking treden zodra de motor wordt gestart.Om de start uit te voeren, doet men het volgende:- Plaats het voertuig op de centrale standaard, en zorg dat het achterwiel van de grondis.- Plaats de sleutel in de schakelaar en draai hem in positie « »ON- Druk op de startknop « » nadat men aan de hendel « » van de voorrem of aanA Bhendel «C» van de achterrem heeft getrokken, en draai lichtjes en geleidelijk aan hetgashandvat.LET OPVOER DEZE HANDELINGEN NOOIT UIT IN EEN GESLOTEN RUIMTE AANGE-ZIEN DE UITLAATGASSEN GIFTIG ZIJN.302 Gebruik

02_09Moeilijke start (02_09)Bij moeilijkheden kan men onderstaande voorzorgen nemen:1. Wanneer de motor verzopen is.Zet het voertuig op de centrale standaard met het achterwiel van de grond, geef volgas en druk op de startknop; laat de startmotor voor ongeveer 5 seconden draaien envervolgens 5 seconden rust. Indien de motor na enkele pogingen nog niet is gestart,laat hem deze een aantal minuten rusten, en herhaal de hierboven aangegeven han-deling. In elk geval mag men bij de pogingen om de motor te starten, de startmotorniet voor langer dan 20" onafgebroken laten draaien.2. Bij inefficiëntie van de accu of van de startmotorPlaats het voertuig op de standaard; controleer dat het achterwiel de grond niet raakt,plaats de sleutelschakelaar in positie « » en handel op de kick-starter « ».ON D3.

Wanneer de brandstof op isNadat brandstof werd getankt, moet de motor gestart worden door de startknop teactiveren en de gashendel op het minimum te houden, om aan de kraan (met onder-druk) de maximum onderdruk te geven. Indien het voertuig ook na de bovenstaandehandelingen niet start, wendt men zich tot een Erkend Servicepunt.LET OPHET IS BELANGRIJK DAT MEN DE START MET DE KICKSTARTER UITVOERT,WANNEER HET VOERTUIG OP DE STANDAARD STAAT.WAARSCHUWINGELKE FORCERING KAN ERNSTIGE SCHADE AAN DE MOTOR VEROORZAKEN.322 Gebruik

02_10Stoppen van de motor (02_10)Nadat de motor is stilgelegd, en de gashendel compleet is gesloten, moet de sleutelin positie « » gedraaid worden (sleutel verwijderbaar).OFFLET OP ALS GEVOLG VAN DE HOGE TEMPERATUREN DIE IN DE KATALYSATOR KUN-NEN BEREIKT WORDEN, MOET OPGELET WORDEN VOOR DE UITLAAT WAN-NEER HET VOERTUIG WORDT GEPARKEERD: OM ERNSTIGE BRANDWON-DEN OP HET LICHAAM OF BRAND TE VOORKOMEN, MAG DE UITLAAT NOOITIN AANRAKING KOMEN MET ONTVLAMBARE MATERIALEN.LET OPSCHAKEL DE MOTOR NIET UIT TIJDENS HET RIJDEN. IN DIT GEVAL KAN DEONVERBRANDE BENZINE IN DE KATALYSATOR TERECHTKOMEN EN DAARVERBRANDEN, WAARDOOR DEZE OVERVERHIT RAAKT EN STUK GAAT.02_11Katalysator (02_11)LET OP EENDER WELKE SCHADE AAN DE UITLAAT KAN DE MOTOR SLECHT DOENWERKEN.332 Gebruik

LET OP ALS GEVOLG VAN DE HOGE TEMPERATUREN DIE IN DE KATALYSATOR KUN-NEN BEREIKT WORDEN, MOET OPGELET WORDEN VOOR DE UITLAAT WAN-NEER HET VOERTUIG WORDT GEPARKEERD: OM ERNSTIGE BRANDWON-DEN OP HET LICHAAM OF BRAND TE VOORKOMEN, MAG DE UITLAAT NOOITIN AANRAKING KOMEN MET ONTVLAMBARE MATERIALEN.02_12Standaard (02_12)Centrale standaardMet de voet drukt men op het uitsteeksel van de centrale standaard «A» en tegelij-kertijd heft men het voertuig achteruit op met behulp van de laterale handgrepen.LET OPPLAATS HET VOERTUIG OP EEN VASTE EN VLAKKE ONDERGROND.LET OPOMDAT DE KATALYSATOR HOGE TEMPERATUREN KAN BEREIKEN, LET ERBIJ HET PARKEREN VAN HET VOERTUIG OP DAT DE UITLAAT NIET IN CON-342 Gebruik

TACT KOMT MET ONTVLAMBAAR MATERIAAL, OM ERNSTIGE BRANDWON-DEN VAN LICHAAMSDELEN TE VOORKOMEN.02_13Automatische transmissie (02_13)Om het rijden zo eenvoudig en aangenaam mogelijk te maken, is het voertuig uitgerustmet een automatische transmissie met regelaar en centrifugekoppeling. Het systeemis ontworpen om de beste prestaties te leveren, wat zowel het accelleratievermogenals het verbruik betreft, of men nu op vlakke wegen of op hellingen rijdt, dankzij eenregeling die afhankelijk is van het toerental van de motor en van het overgebrachtekoppel. Wanneer men stilstaat op een helling (verkeerslicht, file etc.), gebruikt menenkel de rem om het voertuig te stoppen, met de motor op het minimum toerental.Wanneer men de motor gebruikt om het voertuig te stoppen, kan de koppeling over-verhit raken. Dit ongemak is te wijten aan de wrijving van de massa's van de koppelingop het blok.

Het is dus beter om te vermijden dat de koppeling te lang slipt en dusoververhit raakt (bijvoorbeeld door de eerder aangeduide oorzaken en het rijden opeen helling met hoge hellingsgraad met volle lading, of het vertrekken op een hellingvan meer dan 25%, enz.):1. Blijf niet lang in deze conditie doorrijden.2. Laat de koppeling enkele minuten afkoelen, met de motor aan het minimum toe-rental.352 Gebruik

02_14Veilig rijden (02_14)Hierna volgen enkele eenvoudige adviezen, die het toelaten om met uw voertuig tij-dens het dagdagelijks gebruik op een rustigere en veiligere wijze te rijden. Uwbekwaamheid en uw mechanische kennis vormen de basis voor een veilig rijgedrag.Men raadt aan om het voertuig in verkeersvrije zones uit te proberen, om het zo beterte leren kennen.1. Denk eraan om voor het vertrek uw helm op te zetten en deze correct vast te maken.2. Op een slecht wegdek moet men snelheid verminderen en voorzichtig rijden.3. Denk eraan dat wanneer men een lange afstand heeft afgelegd op een nat wegdekzonder het gebruik van de remmen, het remeffect eerst minder effectief is. In dezerijcondities raadt men aan om regelmatig de remmen te activeren.4. Niet voluit remmen op een nat of glad wegdek, of op een onverharde weg.5.

Vermijdt om te vertrekken door op het voertuig met uitgeklapte standaard te gaanzitten. Het achterwiel mag in elk geval niet draaien wanneer het in contact komt metde grond, om bruusk wegrijden te voorkomen.6. Wanneer het voertuig wordt gebruikt op wegen met zand, modder, sneeuw ver-mengd met zout enz., raadt men aan om de remschijf regelmatig te reinigen met eenniet agressief reinigingsmiddel, om de vorming van schurende ophopingen in de bo-ringen te voorkomen, waardoor de rempastilles sneller verslijten.LET OPKEN UW GRENZEN TIJDENS HET RIJDEN. HET IS UITERST GEVAARLIJK OMTE RIJDEN ONDER INVLOED VAN ALCOHOL EN ONDER EFFECT VAN VER-DOVENDE MIDDELEN OF BEPAALDE GENEESMIDDELEN.LET OPELKE BEWERKING DIE DE PRESTATIES VAN HET VOERTUIG WIJZIGT, INCLU-SIEF HET WIJZIGEN VAN DE ORIGINELE ONDERDELEN VAN DE STRUCTUUR,362 Gebruik

IS BIJ WET VERBODEN, MAAKT HET VOERTUIG NIET LANGER CONFORM HETGEHOMOLOGEERD TYPE EN IS GEVAARLIJK VOOR DE RIJVEILIGHEID.LET OPREGEL DE SPIEGELS NIET TIJDENS HET RIJDEN. DIT KAN CONTROLEVER-LIES OVER HET VOERTUIG VEROORZAKENWAARSCHUWING OM EVENTUELE ONGEVALLEN TE VOORKOMEN, MOET MEN UITERST VOOR-ZICHTIG ZIJN BIJ HET TOEVOEGEN VAN EN HET RIJDEN MET ACCESSOIRESEN BAGAGE. HET TOEVOEGEN VAN ACCESSOIRES EN BAGAGE KAN DESTABILITEIT, DE PRESTATIES EN DE VEILIGHEIDSLIMIETEN TIJDENS HETGEBRUIK VAN DE SCOOTER VERMINDEREN. (RAADPLEEG HET DEEL «RE-SERVEONDERDELEN EN ACCESSOIRES»)372 Gebruik

Bij alle 4-takt motoren ishet verslechteren van de kenmerken van de olie en een hoger verbruik normaal.Vooral het verbruik kan door de gebruikscondities worden beïnvloed (bijv.: wanneerhet voertuig wordt gebruikt met de gashendel helemaal open, wordt meer olie ver-bruikt).Om eender welk ongemak te voorkomen, raadt men aan om elke keer het oliepeilte controleren wanneer men het voertuig gebruikt.03_01Controle van het peil van de motorolie (03_01, 03_02)Elke keer men het voertuig gebruikt, bij koude motor, moet men het oliepeil controle-ren, (nadat men de dop/staaf vanuit de heeft ver-compleet vastgedraaide positiewijderd) en dat tussen de aanduidingen van het MAX en MIN peil op de staaf «A»moet liggen; tijdens de controle moet het voertuig op het statief worden geplaatst opeen vlakke ondergrond.Het peil zal lager zijn als u het oliepeil na het gebruik van het voertuig en dus met eenwarme motor controleert; om een correcte controle uit te voeren, moet men minstens10 minuten wachten nadat men de motor heeft uitgeschakeld, om het correcte peil tekunnen vaststellen.403 Onderhoud

03_02CAPACITEIT VAN DE MOTOROLIEMotorolie ~ 850 cm³Het bijvullen van motorolieHet eventueel bijvullen van olie moet uitgevoerd worden nadat men het peil heeftgecontroleerd, en dit alleszins te overschrijden. Volgens dezonder het MAX peilaanduidingen in de tabel van het geprogrammeerd onderhoud is het voorzien om bijeen een controle en een eventuele bijvulling van motorolie uitErkend Servicepuntte laten voeren.Vervanging van de motorolieVoor de verversing van de motorolie en de vervanging van de oliefilter, volgens deaanduidingen in de tabel van het geprogrammeerde onderhoud, moet een ErkendServicepunt gecontacteerd worden.413 Onderhoud

LET OPDE BEWEGENDE ONDERDELEN SLIJTEN SNELLER ALS DE MOTOR ONVOL-DOENDE OF MET VERKEERDE MIDDELEN GESMEERD WORDT MET ERNSTI-GE BESCHADIGINGEN VAN DIEN.WANNEER MEN DE MOTOR MET EEN EXCESSIEVE HOEVEELHEID OLIE BIJ-VULT, KAN DIT EEN SLECHTE WERKING EN/OF HET VERMINDEREN VAN DEPRESTATIES VAN HET VOERTUIG VEROORZAKEN.HET GEBRUIK VAN ANDERE OLIE DAN AANBEVOLEN, KAN DE LEVENSDUURVAN DE MOTOR BEPERKEN.LET OPDE GEBRUIKTE OLIE BEVAT STOFFEN DIE SCHADELIJK ZIJN VOOR HET MI-LIEU. VOOR HET VERVERSEN VAN DE OLIE WORDT AANBEVOLEN OM ZICHTE WENDEN TOT EEN ERKENDE SERVICEPUNT DAT IS UITGERUST VOOR DEVERWERKING VAN DE GEBRUIKTE OLIE VOLGENS DE MILIEUBESCHER-MINGSREGELS EN DE WETTELIJKE NORMEN.Aanbeloven productenMotorolie 5W-40Smeermiddel op synthetische basis voor 4-takt motoren.SAE 5W-40; JASO MA, MA2; API SL; ACEA A3Technische kenmerkenMotorolie~ 850 cm³423 Onderhoud

03_0303_0403_05Oliepeil naaf (03_03, 03_04, 03_05)Voor de controle van het oliepeil van de naaf, handelt men als volgt:1. Zet het voertuig op een vlakke ondergrond en op de standaard;2. Draai de oliestaaf « » los, droog hem met een schoon doek, plaats hemAopnieuw, en draai hem helemaal vast3. Draai hem opnieuw los en controleer of het oliepeil zich in de buurt van de2° streep onderaan bevindt;4. Draai de oliepeilstok weer aan en controleer of hij goed vast zit.Bout « » is de afvoerdop voor de olie van de naaf.BLET OPDE SLIJTAGE VAN DE BEWEGENDE ONDERDELEN WORDT VERSNELD ALSU DE MOTOR LAAT FUNCTIONEREN MET ONVOLDOENDE SMERING OF EENVERKEERD SMEERMIDDEL EN KAN ERNSTIGE SCHADE VEROORZAKEN.LET OPDE GEBRUIKTE OLIE BEVAT STOFFEN DIE SCHADELIJK ZIJN VOOR HET MI-LIEU.

VOOR HET VERVERSEN VAN DE OLIE WORDT AANBEVOLEN OM ZICHTE WENDEN TOT EEN ERKENDE SERVICEPUNT DAT IS UITGERUST VOOR DEVERWERKING VAN DE GEBRUIKTE OLIE VOLGENS DE MILIEUBESCHER-MINGSREGELS EN DE WETTELIJKE NORMEN.N.B.DE KERVEN OP DE OLIEPEILSTOK VAN DE ACHTERNAAF HEBBEN, MET UIT-ZONDERING VAN DE MINIMUM- EN MAXIMUMAANDUIDING VAN HET PEIL,BETREKKING OP ANDERE MODELLEN VAN HET HUIS EN HEBBEN GEEN EN-KELE SPECIFIEKE FUNCTIE VOOR DIT MODEL.433 Onderhoud

Aanbeloven productenSmeermiddel voor versnellingsbakken en transmissiesSmeermiddel voor versnellingsbakken en transmissies.SAE 80W/90, API GL-5Technische kenmerkenOlie van de transmissie100 cm³03_06Banden (03_06)Controleer regelmatig de spanning van elke band (koud).De banden zijn voorzien van een slijtage-indicator, dus moet de vervanging wordenuitgevoerd zodra deze indicators zichtbaar zijn op het rijvlak.

Controleer eveneens ofde banden geen sneden op de zijkanten, of een onregelmatige slijtage van het rijvlakvertonen; in dit geval wendt men zich tot geautoriseerde garages, of alleszins uitgerustvoor de demontage en de hermontage.LET OPMEET DE BANDENSPANNING OP ALS DE BANDEN KOUD ZIJN.EEN FOUTESPANNING HEEFT EEN ABNORMALE SLIJTAGE VAN DE BANDEN TOT GE-VOLG, EN MAAKT HET RIJDEN GEVAARLIJK.DE BAND MOET WORDEN VERVANGEN WANNEER HET RIJVLAK DE SLIJTA-GELIMIET, VOORZIEN IN DE VAN KRACHT ZIJNDE NORMEN, HEEFT BEREIKT.443 Onderhoud

BANDENVoorste band 110/70 - 12'' 47P TubelessAchterste band 120/70 - 12'' 58P TubelessBANDENSPANNINGSpanning van de voorband 1,8 barSpanning van de achterband 2,0 bar03_07Demonteren van de bougie (03_07, 03_08, 03_09)VerwijderingDe inspectie van de bougie moet worden uitgevoerd bij koude motor, en op onder-staande wijze:- Verwijder de inspectiebedekking van de bougie « » door de bout « » los te draaien.A B- Verwijder de pipet van de bougie « ».C- Draai de bougie los met behulp van een bougiesleutel.Montage- Bij de hermontage plaatst men de bougie met de juiste hoek op de opening, envervolgens draait men manueel vast. Gebruik de sleutel enkel om de bougie te blok-keren.- Plaats de pipet van de bougie « ».C- Positioneer de inspectiebedekking van de bougie «A» en draai de bout « » helemaalBvast.453 Onderhoud

03_0803_09LET OPVOER DEZE HANDELINGEN UIT MET UITERSTE VOORZICHTIGHEID, OMDATDE STARTINSTALLATIE EEN HOOG VERMOGEN BEZIT, EN DUS ERNSTIGESCHADE KAN AANBRENGEN.LET OPHET VERWIJDEREN VAN DE BOUGIE MOET WORDEN UITGEVOERD BIJ KOU-DE MOTOR.HET GEBRUIK VAN ANDERE ELEKTRONISCHE ONTSTEKINGSCENTRALESEN ANDERE BOUGIES DAN VOORGESCHREVEN (RAADPLEEG HET DEEL«TECHNISCHE GEGEVENS»), KAN DE MOTOR ERNSTIG BESCHADIGEN.LET OPCONTROLEER TIJDENS DE MONTAGE DAT DE BOUGIEKAP IS GEPOSITIO-NEERD ZOALS WORDT AANGEDUID OP DE AFBEELDING.LET OPWEES VOORZICHTIG BIJ HET GEBRUIK.BESCHADIG DE LIPJES EN/OF DE RELATIEVE KLEMZITTEN NIET. HANTEERDE PLASTIC EN GELAKTE DELEN VOORZICHTIG, EN SLEEP OF BESCHADIGZE NIET.Technische kenmerkenBougie463 Onderhoud

NGK CR8EBBougie als alternatiefDENSO U24ESR-NBDemonteren van het luchtfilterVoor de verwijdering en de reiniging van de luchtfilter moeten de aanwijzingen in detabel van het geprogrammeerde onderhoud gerespecteerd worden, en moet u zichwenden tot een .Erkend Service Centrum03_10Controle van het oliepeil van de remmen (03_10)Het reservoir van de remvloeistof is op de rechter kant van het stuur gepositioneerd,onder de stuurbedekking.Handel als volgt om het peil van de remvloeistof te controleren:- plaats het voertuig op de centrale standaard en met het stuur in de centrale positie;- controleer het vloeistofpeil via het inspectievenstertje «A», vooraan rechts op destuurbedekking:•indien het venstertje is, is het peil van de remvloeistof correct.vol•Indien het peil van de remvloeistof zich onder de referentie « » bevindt,MINmoet u zich wenden tot een of moet bijgevuldErkend Service Centrumworden volgens de aanwijzingen.•Indien het peil van de remvloeistof zich onder de referentie « » bevindt,MINmag het voertuig niet gebruikt worden en moet een Erkend Service Cen-trum gecontacteerd worden.473 Onderhoud

03_11Bijvullen van de remvloeistof (03_11, 03_12, 03_13, 03_14)Om het reservoir van de remvloeistof te bereiken, moet de bovenste stuurbedekkingals volgt verwijderd worden:- Verwijder aan beide kanten van het voertuig de bevestigingsbout « » van de omlij-Asting van de optische groep.- Haal de omlijsting van de optische groep uit de bovenste klemverbinding.03_12- Verwijder de twee bouten « ».B03_13- Verwijder de twee bouten « ».C- Verwijder de bovenste stuurbedekking compleet met instrumentenbord van de on-derste stuurbedekking, en leg ze op de tegenbeschermingsplaat. Let op voor deconnector van het instrumentenbord.483 Onderhoud

03_14- Verwijder de bedekking van het reservoir «D» nadat de twee bevestigingsbouten«E» werden losgedraaid.- Herstel het peil door uitsluitend de voorgeschreven vloeistof te gebruiken, en let opdat het toegestane maximum peil niet wordt overschreden dat wordt aangeduid ophet inspectievenstertje.De vervanging van de koelvloeistof moet bij normale weersomstandigheden uitge-voerd worden volgens de aanduidingen in de tabel van het geprogrammeerd onder-houd. Deze handeling, die moet worden uitgevoerd door gespecialiseerd personeel,laat men uitvoeren bij een .Erkend ServicepuntWAARSCHUWINGGEBRUIK UITSLUITEND REMVLOEISTOFFEN MET DOT 4 KLASSERING. DEVLOEISTOF VAN HET REMCIRCUIT HEEFT EEN HOOG CORROSIEF VERMO-GEN: VERMIJDT DAT DE VLOEISTOF IN CONTACT KOMT MET DE GELAKTEDELEN.LET OPVERMIJDT HET CONTACT VAN DE REMVLOEISTOF MET OGEN, HUID EN KLE-DING, EN BIJ TOEVALLIG CONTACT WAST MEN MET WATER.

DE VLOEISTOFVAN HET REMSYSTEEM IS HYGROSCOPISCH, HET NEEMT DUS VOCHT OPUIT DE OMGEVING. INDIEN DE VOCHTIGHEID IN DE VLOEISTOF EEN BEPAAL-DE WAARDE OVERSCHRIJDT, HEEFT DIT EEN INEFFICIËNTE REMWERKINGTOT GEVOLG. GEBRUIK NOOIT REMVLOEISTOF DIE REEDS WERD GE-BRUIKT, OF UIT REEDS GEOPENDE RECIPIËNTEN.Aanbeloven productenRemvloeistof DOT 4Synthetische remvloeistof.493 Onderhoud

SAE J 1703; FMVSS 116; ISO 4925; CUNA NC 956 DOT4MONTAGEOm de onderdelen te monteren die werden verwijderd om het reservoir van de rem-vloeistof te bereiken, moeten de aanwijzingen die worden aangeduid in deze para-graaf in de omgekeerde volgorde uitgevoerd worden03_1503_16Accu (03_15, 03_16)Handel als volgt om de accu te bereiken:- Draai de vier bouten « » los en verwijder de rubberen bedekking in het midden vanAde voetensteun.- Verwijder de bevestigingsbeugel van de accu door de twee bouten « » los te draai-Ben.De accu is een elektrisch mechanisme dat regelmatig moet worden gecontroleerd eneen zeer nauwgezet onderhoud vereist.WAARSCHUWINGLEGE ACCU'S ZIJN SCHADELIJK VOOR HET MILIEU. DE VERZAMELING EN DEVERWERKING MOETEN WORDEN UITGEVOERD VOLGENS DE VAN KRACHTZIJNDE NORMEN.503 Onderhoud

LET OPDE ELEKTROLYT BEVAT ZWAVELZUUR: VERMIJDT IEDER CONTACT METOGEN, HUID EN KLEDING. BIJ TOEVALLIG CONTACT SPOELT MEN OVER-VLOEDIG MET WATER, EN RAADPLEEGT MEN EEN ARTS.LET OPOM BESCHADIGING AAN DE ELEKTRISCHE INSTALLATIE TE VOORKOMEN,MAG MEN DE KABELS NOOIT LOSMAKEN WANNEER DE MOTOR DRAAIT. HELHET VOERTUIG NIET TE VEEL OM GEVAARLIJKE UITSTROMINGEN VAN DEELEKTROLYT ZELF VANUIT DE ACCU TE VOORKOMEN.03_17Inwerkingstelling van een nieuwe accu (03_17)Voor de indienstneming van een nieuwe accu:- Plaats de accu in de zitting.- + - Verbind eerst de positieve pool « » en daarna de negatieve pool « ».- Positioneer de bevestigingsbeugel en de accubedekking, door handelingen die wor-den aangeduid in de paragraaf «Accu» in de omgekeerde volgorde uit te voeren.LET OPKEER DE POLARITEITEN NIET OM: GEVAAR VOOR KORTSLUITING EN SCHA-DE AAN DE ELEKTRISCHE SYSTEMEN.513 Onderhoud

WAARSCHUWINGLEGE ACCU'S ZIJN SCHADELIJK VOOR HET MILIEU. DE VERZAMELING EN DEVERWERKING MOETEN WORDEN UITGEVOERD VOLGENS DE VAN KRACHTZIJNDE NORMEN.Technische kenmerkenAccu12 V / 6 Ah Verzegeld03_18Länger stillegen (03_18)Wanneer het voertuig voor lange tijd niet wordt gebruikt, zal de accu mindere presta-ties leveren. Dit gebeurt omdat de accu zelf natuurlijk ontlaadt en door mogelijkeresterende absorptie van het voertuig, te wijten aan de componenten met constantevoeding. De vermindering van de prestaties van de accu is bovendien afhankelijk vande omgevingscondities en van de reiniging van de polen. Om mogelijke startproble-men en/of onherstelbare schade aan de accu te voorkomen, volgt men één van deonderstaande modaliteiten:- Start de motor en houd hem 10-15 minuten op eenminstens eenmaal per maandtoerental dat net iets hoger ligt dan het minimum toerental.

Hierdoor blijven, naast deaccu, alle componenten van de motor efficiënt.- Stal het voertuig (zoals in het deel «Het voertuig blijft inactief» wordt beschreven) enverwijder de accu. De accu moet worden gereinigd, helemaal worden opgeladen enop een droge en geventileerde plaats worden bewaard. Laad de accu minstens elketwee maanden op.N.B.HET OPLADEN VAN DE ACCU MOET WORDEN UITGEVOERD MET EENSTROOM DIE 1/10 IS VAN DE NOMINALE CAPACITEIT VAN DE ACCU ZELF, ENDIT NIET MEER DAN 10 UUR LANG. ER WORDT AANGERADEN OM ZICH VOOR523 Onderhoud

DEZE HANDELING TE WENDEN TOT EEN ERKEND SERVICE CENTRUM. BIJ DEHERMONTAGE VAN DE ACCU, VERZEKERT MEN ZICH VAN DE CORRECTEVERBINDING VAN DE KLEMMEN AAN DE POLEN.WAARSCHUWINGDE KABELS VAN DE ACCU MOGEN ABSOLUUT NIET WORDEN LOSGEKOP-PELD WANNEER DE MOTOR DRAAIT; DIT KAN DE ELEKTRONISCHE REGEL-EENHEID VAN HET VOERTUIG ONHERSTELBAAR BESCHADIGEN.WAARSCHUWINGLEGE ACCU'S ZIJN SCHADELIJK VOOR HET MILIEU. DE VERZAMELING EN DEVERWERKING MOETEN WORDEN UITGEVOERD VOLGENS DE VAN KRACHTZIJNDE NORMEN.03_19Zekeringen (03_19)De elektrische installatie wordt beschermd door een zekering « » die zich in de ac-Acuruimte bevindt. Vooraleer men een verbrande zekering vervangt, moet men deschade opzoeken en elimineren die het verbranden ervan heeft veroorzaakt. Probeernooit om het circuit te sluiten met ander materiaal dan een zekering.Elektrische kenmerkenZekering10A533 Onderhoud

LET OPVOORALEER DE ZEKERING WORDT VERVANGEN, MOET EERST HET DEFECTOPGEZOCHT EN VERHOLPEN WORDEN DAT DE ONDERBREKING VEROOR-ZAAKT.PROBEER NOOIT OM HET CIRCUIT TE SLUITEN MET ANDER MATERIAAL DANEEN ZEKERING.LET OPOM BESCHADIGING AAN DE ELEKTRISCHE INSTALLATIE TE VOORKOMEN,MAG MEN DE KABELS NOOIT LOSMAKEN WANNEER DE MOTOR DRAAIT. HELHET VOERTUIG NIET TE VEEL OM GEVAARLIJKE UITSTROMINGEN VAN DEELEKTROLYT ZELF VANUIT DE ACCU TE VOORKOMEN.LET OPWIJZIGINGEN OF HERSTELLINGEN VAN DE ELEKTRISCHE INSTALLATIE DIEOP EEN NIET CORRECTE MANIER ZIJN UITGEVOERD EN ZONDER REKENINGTE HOUDEN MET DE TECHNISCHE KENMERKEN VAN DE INSTALLATIE, KUN-NEN ONREGELMATIGHEDEN VEROORZAKEN BIJ DE WERKING, MET BRAND-GEVAAR ALS GEVOLG.LET OPWEES VOORZICHTIG BIJ HET GEBRUIK.543 Onderhoud

03_22- Verwijder de twee bouten « ».C- Verwijder de bovenste stuurbedekking compleet met instrumentenbord van de on-derste stuurbedekking, en leg ze op de tegenbeschermingsplaat. Let op voor deconnector van het instrumentenbord.03_23LAMP GROOT LICHT/DIMLICHT:- Koppel de elektrische connector los.- Verwijder de rubberen bescherming « ».D03_24- Verwijder de moer « » door deze linksom te draaien.E- Verwijder de lamp « » en vervang deze met een nieuwe die dezelfde elektrischeFkenmerken heeft.- Let bij de hermontage op voor de correcte positionering van de rubberen bescher-ming.LET OPOM DE ELEKTRISCHE CONNECTOR VAN DE LAMP TE VERWIJDEREN, MAGNIET AAN DE ELEKTRISCHE KABELS GETROKKEN WORDEN.573 Onderhoud

N.B.INDIEN DE BINNENKANT VAN HET LICHT BESLAGEN IS, MOET GECONTRO-LEERD WORDEN OF DIT VERSCHIJNSEL ENKELE MINUTEN NA DE INSCHA-KELING VAN HET LICHT ZELF VERDWIJNT. DIT VERSCHIJNSEL IS TE WIJTENAAN HET VOCHTIGHEIDSNIVEAU EN/OF AAN DE LAGE TEMPERATUUR; DITIS DUS GEEN DEFECT.DE AANWEZIGHEID VAN DRUPPELS DAARENTEGEN, KAN DUIDEN OP EENBINNENSIJPELING; CONTACTEER EEN Erkend Service Centrum.LET OP LEG EN VERVOER GEEN VOORWERPEN EN/OF KLEDING OP DE VOORSTEOPTISCHE GROEP, EN DIT ZOWEL MET DE KOPLAMP INGESCHAKELD ALSNET UITGESCHAKELD. HET NIET RESPECTEREN VAN DEZE VOORZORGS-MAATREGEL KAN OVERVERHITTING EN DUS HET SMELTEN VAN HET DEK-GLAS VEROORZAKEN.03_25Afstellen van de koplamp (03_25, 03_26)Handel als volgt:- Stel het voertuig in de gebruiksconditie met opgeblazen banden aan de voorge-schreven spanning, op een vlak terrein op 10 m.

afstand van een wit scherm inhalfschaduw, zodanig dat de as van het voertuig loodrecht op het scherm staat;- Schakel de koplamp aan en controleer of de grens van de lichtbundel die op het wittescherm wordt geprojecteerd, niet hoger komt dan 9/10 van de hoogte van het middenvan de koplamp vanop de grond, en niet lager dan 7/10;- in het omgekeerde geval regelt men de koplamp door te handelen op de bout « ».AN.B.DE BESCHREVEN PROCEDURE IS OVEREENKOMSTIG DE "EUROPESENORM" BETREFFENDE DE MAXIMALE EN MINIMALE HOOGTE VAN DE LICHT-583 Onderhoud

03_26BUNDEL. CONTROLEER ALLESZINS DE VOORSCHRIFTEN VAN DE LANDENWAARIN HET VOERTUIG WORDT GEBRUIKT.03_27Richtingaanwijzers voor (03_27, 03_28)Om de lampen te verwijderen:- Open het voorste koffertje en verwijder de rubberen dop « ».A03_28- Verwijder de lamphouder « » uit de zitting, door ze linksom te draaien.B- Druk op de lamp, draai linksom en verwijder deze.Voor de hermontage moet in de omgekeerde volgorde gehandeld worden.593 Onderhoud

03_2903_3003_31Lampenset achter (03_29, 03_30, 03_31)Voor de vervanging van de lamp van het achterlicht:- A Verwijder de bevestigingsbout « » van de achterste optische groep die kan bereiktworden vanaf de wielruimte aan de linker kant van het voertuig.- Verwijder de optische groep langs onder, uit de twee bovenste klemverbindingen.- B Verwijder de lamphouder « » uit de zitting, door ze linksom te draaien.- Druk op de lamp, draai linksom, en verwijder deze.Voor de hermontage moet in de omgekeerde volgorde gehandeld worden.N.B.WASEM IN DE KOPLAMP IS GEEN STORING MAAR IS TE WIJTEN AAN DEVOCHTIGHEIDSGRAAD EN/OF EEN LAGE TEMPERATUUR.DEZE WAAS ZAL VLUG VERDWIJNEN WANNEER MEN DE KOPLAMP AANZET.DE AANWEZIGHEID VAN DRUPPELS DAARENTEGEN, KAN DUIDEN OP EENINSIJPELING; CONTACTEER HET DEALERNETWERK.603 Onderhoud

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Vespa Sprint 50 4T stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden