Telwin ALASKA 200 START Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Telwin ALASKA 200 START (72 pagina’s), behorend tot de categorie Acculader. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 44 mensen en kreeg gemiddeld 4.9 sterren uit 8 reviews. Heb je een vraag over Telwin ALASKA 200 START of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Telwin |
| Categorie: | Acculader |
| Model: | ALASKA 200 START |
Handleiding Telwin ALASKA 200 START – volledige tekst
PTΟΔΗΓΙΕΣΧΡΗΣΗΣΚΑΙΣΥΝΤΗΡΗΣΗΣ. σελ. 24ΠΡΟΣΟΧΗ:ΔΙΑΒΑΣΤΕΠΡΟΣΕΚΤΙΚΑΠΡΙΝΧΡΗΣΙΜΟΠΟΙΗΣΕΤΕΤΟΦΟΡΤΙΣΤΗΜΠΑΤΑΡΙΏΝ. ELINSTRUCTIES VOOR HET GEBRUIK EN HET ONDERHOUD. pag. 27OPGELET: AANDACHTIG LEZEN VOORDAT MEN DE BATTERIJLADER GEBRUIKT. NLHASZNÁLATI UTASÍTÁSOK ÉS KARBANTARTÁSISZABÁLYOK. oldal30FIGYELEM:FIGYELMESENOLVASSAELAZAKKUMULÁTORTÖLTŐHASZNÁLATAELŐTT. HUINSTRUCŢIUNIDEFOLOSIREŞIÎNTREŢINERE. pag. 33ATENŢIE:CITIŢICUATENŢIEÎNAINTEDEFOLOSIREAÎNCĂRCĂTORULUIDEBATERII. ROINSTRUKTIONER FÖR ANVÄNDNING OCH UNDERHÅLL. sid. 36VIKTIGT: LÄS NOGGRANNT INNAN NI ANVÄNDER BATTERILADDAREN SVBRUGS-OGVEDLIGEHOLDELSESVEJLEDNING. sd. 38GIVAGT:LÆSNEDENSTÅENDEOMHYGGELIGTIGENNEM,FØRBATTERILADENTAGESIBRUG. DAINSTRUKSER FOR BRUK OG VEDLIKEHOLD. s. 40ADVARSEL:FØRDUBRUKERBATTERILADERENSKALDULESEDETTENØYE. NOKÄYTTÖ-JAHUOLTO-OHJEET. s.
29INHOUDNEDERLANDS1. ALGEMENEVEILIGHEIDVOORHETGEBRUIK- Tijdens het opladen laten de batterijen explosief gas vrij, vermijd dat er zich vlammen en vonken vormen. NIET ROKEN. - De op te laden batterijen op een verluchte plaats zetten. - De niet ervaren personen moeten op een adequatemanier opgeleid worden voordat ze het toestelgebruiken. - Depersonen(kindereninbegrepen)waarvandelichamelijke,zintuiglijke en mentale capaciteiten onvoldoende zijn vooreencorrectgebruikvanhettoestelmoetenonderhettoezichtstaan van een persoon die verantwoordelijk is voor hunveiligheidtijdenshetgebruikervan. - Dekinderenmoetenondertoezichtstaanomerzekervantezijndatzenietmethettoestelspelen. - De batterijlader uitsluitend binnen gebruiken en werken in goed verluchte ruimten: NIET BLOOTSTELLEN AAN REGEN OF SNEEUW.
- De voedingskabel loskoppelen van het net voordat de kabels voor het opladen worden aangesloten op of losgekoppeld van de batterij. - De tangen niet aansluiten op of loskoppelen van de batterij met de batterijlader in werking. - De batterijlader geenszins gebruiken binnen in de auto of in de motorkap. - De voedingskabel alleen vervangen met een originele kabel. - De batterijlader niet gebruiken om niet heroplaadbare batterijen terug op te laden. - Veriëren of de beschikbare voedingsspanning overeenstemt met diegene die aangeduid staat op de plaat met de gegevens van de batterijlader. - Om de elektronica van de voertuigen niet te beschadigen, de waarschuwingen geleverd door de fabrikanten van de voertuigen of van de gebruikte batterij strikt opvolgen.
- Deze batterijlader bevat componenten, zoals schakelaars of relais, die bogen of vonken kunnen veroorzaken; bijgevolg, indien de batterijlader in een garage of in een soortgelijke ruimte wordt gebruikt, moet men hem in een lokaal of in een omgeving plaatsen die speciaal voor dit doel bestemd is. - Ingrepen van herstellingen of onderhoud aan de binnenkant van de batterijlader mogen alleen uitgevoerd worden door personeel met ervaring. - OPGELET: DE VOEDINGSKABEL ALTIJD LOSKOPPELEN VAN HET NET VOORDAT MEN GELIJK WELKE INGREEP VAN GEWOONONDERHOUDVANDEBATTERIJLADERUITVOERT,GEVAAR. - De batterijlader is beschermd tegen indirecte contacten middels een aardegeleider zoals wordt voorgeschreven voor de toestellen van klasse I. Controleren of het contact voorzien is van een beschermende aardeaansluiting.
- In de modellen die er niet van voorzien zijn, een stekker verbinden met een vermogen geschikt voor de waarde van de zekering aangeduid op de plaat; in de modellen voorzien van een kabel met stekker en met een vermogen ”P. MAX START” groter dan 9kW, raadt men voor het gebruik in start de vervanging aan van de stekker met één met een vermogen geschikt voor de zekering aangeduid op de plaat. 2.
ALGEMENEBESCHRIJVING2. 1AUTOMATISCHEACCULADERS(TRONIC)Automatische acculaders (elektronische besturing van het laadproces, onderbreking en automatisch hervatten) voor het laden van gesloten accu’s (GEL, AGM) in de TRONIC-modus en van niet-gesloten loodaccu’s met elektrolyt (WET) in de handmatige modus CHARGE bij motorvoertuigen (benzine en diesel), motoren, boten, enz. Er kunnen accu’s van 12V, 24V worden opgeladen. 3. BESTURINGS-,REGEL-ENSIGNALERINGSSYSTEMEN3. 1INDICATORLAMPJELAADNIVEAU(AMPÈREMETERAFB. A)Tijdens de oplaadfase gaat de indicator van het laadniveau van rechts naar links om aan te geven dat de stroomvraag van de accu minder wordt tot zeer lage waarden die bij de nul liggen (accu opgeladen). Bedenk wel dat de exacte laadstatus van accu’s alleen kan worden bepaald met een dichtheidsmeter, waarmee de specieke dichtheid van het elektrolyt kan worden gemeten.
Voor acculaders in de handmatige modus CHARGE moet de ampèremeter in de gaten worden gehouden om te bepalen wanneer de accu is opgeladen; de accu moet dan van de acculader worden losgekoppeld om oververhitting of beschadiging te voorkomen. In de startmodus START gaat de indicator helemaal naar rechts tijdens de startfase om aan te geven dat de maximale stroom wordt afgegeven. 3. 2DELAADMODUSENDELAADSTROOM INSTELLEN (AFB. B)De instelling van de laadmodus TRONIC of CHARGE wordt geselecteerd met de schakelaar van afbeelding B-1. De instelling van de laadstroom en de laadspanning (indien aanwezig) gebeurt in toenemende mate door de cursor van de knop van afbeelding B-2 van links naar rechts te brengen, binnen het veld CHARGE/TRONIC. Als de cursor van afbeelding B-2 helemaal naar rechts wordt gebracht, staat de acculader in de positie START, voor starthulp voor het voertuig. 3.
Hoewel de acculader wordt beschermd door een zelfherstellende zekering, moet u altijd voorkomen dat er vonken ontstaan doordat de klemmen met omgekeerde polariteit worden aangesloten. Verwijder de klemmen onmiddellijk van de accu en sluit ze op de juiste manier aan. De tweekleurige led van afbeelding C-2 is altijd rood in de CHARGE-modus en geeft aan dat de accu wordt opgeladen. In de TRONIC-modus wordt de led groen wanneer het opladen is voltooid. 4. INSTALLATIE4. 1PLAATSINGVANDEBATTERIJLADERTijdens de werking de batterijlader op een stabiele manier installeren en ervoor zorgen dat de luchtdoorgang niet verstopt wordt middels speciaal daartoe bestemde openingen zodanig dat een voldoende ventilatie gegarandeerd is. 4. 2AANSLUITINGOPHETNET- De batterijlader mag uitsluitend aangesloten worden op een voedingssysteem met een neutraalgeleider verbonden met de.
- 28 -aarde. - Controleren of de netspanning overeenstemt met de spanning van werking. - De voedingslijn moet uitgerust zijn met beschermingssystemen zoals zekeringen of automatische schakelaars, voldoende om de maximum absorptie van het toestel te verdragen. - De aansluiting op het net è moet uitgevoerd worden met een speciale kabel. - Eventuele verlengsnoeren van de voedingskabel moeten een adequate doorsnede hebben die nooit kleiner mag zijn dan diegene van de geleverde kabel. - Het is altijd verplicht het toestel met de aarde te verbinden, gebruik makend van de geel-groene geleider van de voedingskabel, gemarkeerd met het etiket ( W ), terwijl de andere twee geleiders verbonden moeten worden met de fase en de neutraal5.
WERKINGTIJDENSOPLADENNB:Voordatmenovergaattothetopladen,moetmenveriërenof de capaciteit van de batterijen (Ah) die men wenst teonderwerpenaanhetopladennietkleinerisdandiegenedieaangeduidstaatopdeplaatvandebatterijlader(Cmin). Bij het uitvoeren van de instructies nauwkeurig dehiernaaangegevenvolgordevolgen. 5. 1VOORBEREIDINGBATTERIJIndien de op te laden batterij van het type WET is, moet men als volgt tewerk gaan:- De eventueel aanwezige deksels van de batterij wegnemen, ì zodanig dat de gassen die zich ontwikkelen tijdens het opladen naar buiten kunnen komen. Controleren of het niveau van de elektrolyt de platen van de batterijen dekt; indien deze bloot blijken te liggen, gedistilleerd water toevoegen tot ze 5 -10 mm bedekt zijn.
- Voor de modellen met meerdere laadspanningen, de omsteller of de stroomwisselaar plaatsen in overeenstemming met de gekozen laadspanning. Bij afwezigheid van een omsteller of een stroomwisselaar, de kabel met de rode laadtang (symbool +) op een juiste manier verbinden met de specieke klem van de batterijlader in overeenstemming met de gekozen laadspanning. - De rode tang voor het opladen verbinden met de positieve klem van de batterij (symbool +). Indien de symbolen zich niet onderscheiden moet men zich herinneren dat de positieve klem diegene is die niet verbonden is met het chassis van de auto. - De zwarte tang voor het opladen verbinden met het chassis van de auto, uit de buurt van de batterij en van de buis van de brandstof. OPMERKING: indien de batterij niet in de auto geïnstalleerd is, zich rechtstreeks verbinden met de negatieve klem van de batterij (symbool -). 5.
3HANDMATIGLADENENAUTOMATISCHLADEN5. 3. 1HANDMATIGLADEN(CHARGE)Aanbevolen modus voor niet-gesloten loodaccu’s met elektrolyt (WET). - Voer de instructies van paragraaf 5. 1 en 5. 2 op de juiste manier uit. - Plaats de schakelaar van afbeelding B-1 in de positie CHARGE en stel het laadniveau in naar wens met de knop van afbeelding B-2. - Voed de acculader door de voedingskabel in het stopcontact te steken en de schakelaar (indien aanwezig) op ON te zetten. - Let op de laadindicator zoals staat beschreven in paragraaf 3. 1. LET OP: Als de WET-accu opgeladen is, merkt u ook dat de vloeistof in de accu begint te “koken”. We raden aan om het laden meteen aan het begin van dit fenomeen te stoppen om schade aan de accu te voorkomen. 5. 3. 2AUTOMATISCHLADEN(TRONIC)De modellen met TRONIC-modus worden aanbevolen voor het laden van gesloten accu’s (GEL, AGM).
- Voed de acculader door de voedingskabel in het stopcontact te steken. De acculader controleert de spanning aan de polen van de accu en stopt automatisch de afgifte van stroom als de accu opgeladen is (laad-led groen) om weer stroom af te geven wanneer de accu begint te ontladen. De functie TRONIC is ideaal om de accu (AGM en WET) door de tijd heen opgeladen te houden zonder het gevaar dat de accu wordt beschadigd. 5. 4GELIJKTIJDIGMEERDEREACCU’SLADENOPGELET: laad geen accu’s op met verschillende vermogens, ladingen en van verschillende types. Als u tegelijkertijd meerdere accu’s moet opladen, kunt u deze in “serie” of “parallel” verbinden (AFB. D). Om de accu’s “parallel” te verbinden, moeten ze dezelfde nominale spanning (Volt) hebben, die overeenkomt met de uitgangsspanning uit de acculader en moet de som van de Ah’s binnen het laadbereik van de acculader liggen.
Om de accu’s in “serie” te schakelen, moeten ze hetzelfde vermogen (Ah) hebben en moet de som van de nominale spanningen van alle accu’s overeenkomen met de uitgangsspanning uit de acculader. 5. 5. EINDELADEN- Verwijder de voeding van de acculader door de schakelaar (indien aanwezig) op OFF te zetten en de voedingskabel uit het stopcontact te halen. - De zwarte laadklem loskoppelen van het chassis van de auto of van de negatieve klem van de accu (symbool -). - De rode laadklem loskoppelen van de positieve klem van de accu (symbool +). - De acculader op een droge plaats neerzetten. - De accucellen sluiten met de speciale doppen (indien aanwezig). 6. WERKINGBIJHETSTARTENOPGELET: Neem voordat u begint nauwkeurig dewaarschuwingenvandeconstructeurvandevoertuigeninacht.
- Zorg ervoor dat de voedingsleiding wordt beschermd met zekeringen of automatische onderbrekers met de waarde die overeenkomt met de waarde die op het serieplaatje staat aangegeven met het symbool ( ).
- Om het starten te vergemakkelijken, laadt u de accu eerst 10-15 minuten op met de hoogste laadspanning die beschikbaar is op de acculader. - Om oververhitting van de acculader te voorkomen moet u het starten STRIKT volgens de cycli bedrijf/pauze uitvoeren die op het apparaat staan aangegeven (voorbeeld: START 3s ON 120s OFF-5 CYCLES). Niet doorgaan als de motor van het voertuig niet start: als u dat wel doet, kan de accu of zelfs de elektronica van het voertuig ernstig beschadigd raken. Als het voertuig niet start, wacht dan enkele minuten en herhaal de snelle laadprocedure. 6. 1AANSLUITINGACCULADER/ACCU- Sluit met de stekker van de voedingskabel uit het stopcontact de klemmen van de acculader aan zoals staat beschreven in paragraaf 5. 2. - Controleer of de accu goed op de klemmen (+ en -) is aangesloten en of de accu in goede staat is (niet gesulfateerd en niet defect).
Laat absoluut geen voertuigen starten waarvan de accu’s niet op de klemmen zijn aangesloten; de aanwezigheid van de accu is bepalend voor het opheffen van eventuele overspanning. 6. 2STARTENMETSTART- Steek met de acculader op de positie OFF de voedingskabel in het stopcontact. - Zet de schakelaar, indien aanwezig, op ON. - Zet de schakelaar/knop op de positie START en draai aan de sleutel van het voertuig om te starten. 6. 3EINDESTART- De voeding naar de batterijlader onderbreken door de schakelaar of de stroomwisselaar (indien aanwezig) op OFF te zetten en de voedingskabel wegnemen uit de contactdoos van het net. - De zwarte laadtang loskoppelen van de negatieve klem van de batterij (symbool -) en de rode tang loskoppelen van de positieve klem van de batterij (symbool +). - De batterijlader op een droge plaats opbergen.
De operatie van de vervanging van de zekering moet altijd uitgevoerd worden met de voedingskabel LOSGEKOPPELD van het net.8.NUTTIGERAADGEVNGEN- De positieve en negatieve klemmen schoonmaken van mogelijke incrustaties van oxide teneinde een goed contact van de tangen te garanderen. - Absoluut vermijden de twee tangen in contact te brengen wanneer de batterijlader in het net is ingeschakeld. In dit geval heeft men de verbranding van de zekering.- Indien de batterij waarmee men deze batterijlader wenst te gebruiken permanent ingeschakeld is op een voertuig, ook de instructie- en/of onderhoudshandleiding van het voertuig raadplegen in het gedeelte ”ELEKTRISCHE INSTALLATIE” of ”ONDERHOUD”.
(NL) GARANTIEDe fabrikant is garant voor de goede werking van de machines en verplicht er zich toe gratis de vervanging uit te voeren van de stukken die afslijten omwille van de slechte kwaliteit van het materiaal en omwille van fabricagefouten, binnen de 12 maanden vanaf de datum van in bedrijfstelling van de machine, bevestigd op het certicaat. De geretourneerde machines, ook al zijn ze in garantie, moeten PORTVRIJ verzonden worden en zullen op KOSTEN BESTEMMELING teruggestuurd worden. Hierop maken een uitzondering de machines die vallen onder de verbruiksartikelen overeenkomstig de Europese richtlijn, 1999/44/EG, alleen indien ze verkocht zijn in de lidstaten van de EU. Het garantiecerticaat is alleen geldig indien het vergezeld is van de scale reçu of van het ontvangstbewijs.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Telwin ALASKA 200 START stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Acculader Telwin
Handleiding Acculader
Nieuwste handleidingen voor Acculader