Ricoh IM C2010A Handleiding

Ricoh Printer IM C2010A

Bekijk gratis de handleiding van Ricoh IM C2010A (576 pagina’s), behorend tot de categorie Printer. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 136 mensen en kreeg gemiddeld 4.6 sterren uit 8 reviews. Heb je een vraag over Ricoh IM C2010A of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/576
Gebruikershandleiding
Voor een veilig en correct gebruik dient u de afzonderlijk meegeleverde
Veiligheidsinformatie te lezen voordat u het apparaat gaat gebruiken.

Beoordeel deze handleiding

4.6/5 (8 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Ricoh
Categorie: Printer
Model: IM C2010A

Handleiding Ricoh IM C2010A – volledige tekst

1 INHOUDSOPGAVE 1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 7 Over deze handleiding. 7 Afgekorte namen van opties. 7 Basisbediening van het apparaat. 17 Apparaat in- en uitschakelen. 17 Namen en functies van onderdelen. 21 Namen en functies van het bedieningspaneel. 26 Het Home-scherm gebruiken. 28 De Instellingen gebruiken. 33 De displaytaal wijzigen. 36 Basisbediening van toepassingen. 38 Functies controleren die zijn toegevoegd aan RICOH Always Current Technology. 38 Het Kopieerscherm gebruiken. 38 Het Faxscherm gebruiken. 45 Het Scannerscherm gebruiken. 47 Het scherm Documentserver gebruiken. 50 Gebruikersverificatie. 54 Inloggen via het bedieningspaneel. 54 Apparaatinstellingen personaliseren. 61 Een veelgebruikte toepassing of widget toevoegen aan het Home-scherm. 61 Een programma registreren, wijzigen of verwijderen dat een combinatie is van veelgebruikte instellingen.

63 Een origineel plaatsen en papier laden. 68 Een origineel op de glasplaat leggen. 68 Een origineel in de automatische documentinvoer (ADF) plaatsen. 69 Papier in de papierlade plaatsen. 75 Adresboek. 95 Faxnummers in het adresboek registreren, wijzigen of verwijderen. 95 Het apparaat bedienen of configureren vanaf een computer (Web Image Monitor). 99 Wat u kunt doen met de Web Image Monitor. 102 Toegang tot Web Image Monitor. 103 Scherm Web Image Monitor. 105 Help van Web Image Monitor opgeven. 106.

2 2. Kopiëren 109 Eenvoudige kopieën maken. 109 Basisprocedure voor het kopiëren van documenten. 109 Vergrote of verkleinde kopieën maken. 116 Dubbelzijdig kopiëren. 121 Een origineel met meerdere pagina's combineren en op een vel papier kopiëren. 124 Kopiëren op enveloppen. 126 Speciale kopieën maken. 130 Kopiëren in paginavolgorde of voor elk paginanummer. 130 3. Document Server 133 Documenten opslaan. 133 Documenten op de documentserver opslaan. 133 Documenten afdrukken. 136 Documenten op de documentserver afdrukken. 136 4. Faxen 143 Faxverzending. 143 Basisprocedure voor het verzenden van faxen. 143 Faxverzending (toepassing). 147 Gescande afbeelding controleren vóór verzenden als fax. 147 Bevestiging van overdrachtsgegevens. 149 De verzendresultaten van verzonden faxen bekijken. 149 5. Afdrukken 155 Algemene afdruktaken. 155 Basisprocedure voor het afdrukken van documenten.

155 Op beide zijden van het papier afdrukken. 160 Meerdere pagina's combineren en afdrukken op één vel papier. 161 Afdrukken op enveloppen. 162 Documenten opslaan en afdrukken. 171 Op de printer opgeslagen documenten afdrukken vanaf het bedieningspaneel. 171 Afdrukken vanaf opslagmedia. 173 Rechtstreeks afdrukken vanaf een USB-geheugenopslagapparaat. 173 6. Scannen 177 Eenvoudig scannen. 177.

3 Documenten scannen en de gescande gegevens verzenden per e-mail. 177 Documenten scannen en de gescande gegevens naar een map verzenden. 181 Een origineel met de juiste kwaliteit en belichting scannen. 193 Instellingen voor e-mail en scangegevens. 197 Het bestandstype of de bestandsnaam opgeven bij het scannen van een document 197 7. Onderhoud 201 Vervanging en aanvulling van verbruiksartikelen. 201 De toner vervangen. 201 De nietjes bijvullen. 204 De tonerafvalfles vervangen. 206 8. Problemen oplossen 209 Snel aan de slag. 209 Waarschuwingsgeluiden. 209 De indicatielampjes, pictogrammen en berichten op het bedieningspaneel controleren. 211 Als het apparaat niet bediend kan worden. 214 Als er berichten worden weergegeven. 221 Als er meldingen worden weergegeven en het apparaat niet kan worden bediend. 221 Als er een melding verschijnt tijdens het gebruik van de kopieerfunctie.

223 Als een bericht verschijnt tijdens het gebruik van de documentserver. 225 Als er een melding verschijnt tijdens het gebruik van de faxfunctie. 227 Als een bericht wordt weergegeven tijdens het gebruiken van de afdrukfunctie. 245 Wanneer er een bericht verschijnt tijdens het gebruik van de scannerfunctie. 267 Wanneer er andere meldingen worden weergegeven. 281 9. Beveiliging 299 Inleiding. 299 Maatregelen tegen beveiligingsrisico's. 299 Beheerders met standaardrechten registreren. 302 Beheerders met aangepaste rechten registreren. 313 Recht van supervisor gebruiken. 322 Tekens die zijn toegestaan in gebruikersnamen en wachtwoorden. 327 Onbevoegde toegang voorkomen. 329 Maatregelen nemen tegen onbevoegde toegang. 329 Gebruikers verifiëren voor gebruik van het apparaat (gebruikersverificatie). 330.

4 Gebruikerscodes registreren/wijzigen/verwijderen. 339 De server voorbereiden op het gebruik van gebruikersverificatie. 341 Inloggen bij het apparaat met behulp van een IC-kaart of een smartphone/tablet. 346 Beschikbare functies beperken. 350 Een afdruktaak alleen uitvoeren met verificatie-informatie. 352 Een inlog-/uitlogbeleid instellen. 354 Toegangscontrole. 360 Netwerkcommunicatie coderen. 372 Informatielekken voorkomen. 389 Maatregelen treffen om gegevenslekken te voorkomen. 389 Informatielekken door het verzenden naar een foute bestemming voorkomen. 390 Informatielekken via de mediasleuf voorkomen. 392 Gegevenslekken via afgedrukte vellen voorkomen. 394 Afdrukken van persoonlijke gegevens in faxrapporten voorkomen. 402 Toegang tot onbetrouwbare websites controleren vanaf het bedieningspaneel.

7 1 1. Apparaatoverzicht en basishandelingen Over deze handleiding Afgekorte namen van opties In de handleidingen worden de afgekorte namen van opties gebruikt Hier volgen de afgekorte namen en de bijbehorende productnamen: Opties die kunnen worden aangesloten op het apparaat verschillen per type. Pag.

Basisbediening van het apparaat 17 1 Basisbediening van het apparaat Apparaat in- en uitschakelen Als u het apparaat wilt in- of uitschakelen, drukt u op de hoofdstroomschakelaar rechtsvoor op het apparaat. • Wanneer u de faxfunctie van het apparaat gebruikt, dient u bij normaal bedrijf de stroom niet uit te schakelen. Als de stroom wordt uitgeschakeld, gaan gegevens die in het faxgeheugen zijn opgeslagen, verloren; dit gebeurt ongeveer een uur nadat het apparaat is uitgeschakeld. Als u de stroom moet uitschakelen of de stroomkabel om welke reden dan ook moet lostrekken, controleer dan of 100% wordt weergegeven als beschikbaar geheugen op het scherm van de faxfunctie. Het apparaat aanzetten • Druk niet herhaaldelijk op de hoofdstroomschakelaar.

Wanneer u de stroom in- of uitschakelt, wacht u minimaal 10 seconden nadat u hebt bevestigd dat de hoofdstroomindicator op de rechterkant van het bedieningspaneel is in- of uitgeschakeld. 1. Controleer of de stekker van het netsnoer stevig in het stopcontact zit. 2. Open het deksel van de hoofdstroomschakelaar aan de linkerkant vooraan van het apparaat en druk op de schakelaar.

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 18 1 De hoofdstroomindicator aan de rechterkant van het bedieningspaneel gaat branden. • Wanneer de stroom is ingeschakeld, kan op het scherm worden weergegeven dat het apparaat automatisch opnieuw wordt opgestart. Schakel de hoofdstroom niet uit als het apparaat bezig is met verwerken. Het duurt circa 5 minuten voordat het apparaat opnieuw is opgestart. • Als er een bestand is gewist uit het geheugen, wordt er automatisch een rapport Stroomstoring afgedrukt zodra er weer stroom is. Dit rapport kan worden gebruikt om verloren bestanden te identificeren. Het apparaat uitzetten • Zet het apparaat niet uit als het apparaat bezig is met een bewerking. Als u de stroom wilt uitschakelen, bevestigt u dat de bewerking is voltooid. • Houd de hoofdstroomschakelaar niet ingedrukt als de stroom uitgeschakeld wordt.

Als u dit wel doet, wordt het apparaat geforceerd uitgeschakeld. Hierdoor kan de interne opslag beschadigd raken en kunnen er storingen optreden. • Druk niet herhaaldelijk op de hoofdstroomschakelaar. Wanneer u de stroom in- of uitschakelt, wacht u minimaal 10 seconden nadat u hebt bevestigd dat de hoofdstroomindicator op de rechterkant van het bedieningspaneel is in- of uitgeschakeld. 1. Open het deksel van de hoofdstroomschakelaar aan de linkerkant vooraan van het apparaat en druk op de schakelaar.

Basisbediening van het apparaat 19 1 De hoofdstroomindicator aan de rechterkant van het bedieningspaneel wordt uitgeschakeld. De stroom wordt automatisch uitgeschakeld nadat het apparaat op de juiste manier is uitgeschakeld. Energiespaarstand Wanneer het apparaat gedurende een bepaalde periode niet wordt gebruikt, gaat het apparaat automatisch in de "Energiespaarstand". De "Energiespaarstand" heeft twee modi, "Uitmodus fuseereenheid" en de "Slaapstand"; eerst wordt het apparaat in de Uitmodus fuseereenheid gezet. Standaard is het apparaat geconfigureerd om beide modi te gebruiken. Uitmodus fuseereenheid In deze stand brandt het Aan/uit-indicatielampje. Omdat de verwarming van de fuseereenheid wordt uitgeschakeld, maar het scherm van het bedieningspaneel nog wel wordt weergegeven, neemt het stroomverbruik wel af, maar kunt u toch snel aan de slag.

Als u het apparaat gedurende een bepaalde periode niet gebruikt, maakt het apparaat een klikkend geluid en wordt de Uitmodus fuseereenheid geactiveerd. • U kunt opgeven of u de Uitmodus fuseereenheid wilt inschakelen en hoelang het duurt voordat het apparaat in Uitmodus fuseereenheid gaat onder [Uitmodus fuseereenheid (energiespaarstand) aan/uit]. • In deze modus kunt u documenten scannen, faxen verzenden, faxen ontvangen in het geheugen, de apparaatinstellingen wijzigen op het bedieningspaneel en andere bewerkingen uitvoeren waarvoor niet hoeft worden afgedrukt. Slaapstand In deze modus wordt het display van het bedieningspaneel uitgeschakeld en knippert de hoofdstroomindicator langzaam. Het stroomverbruik wordt geminimaliseerd. Wanneer u het apparaat gedurende een bepaalde periode niet gebruikt of op [Energiesp. st. ] ( ) drukt, wordt de slaapstand geactiveerd.

• U kunt de tijdsduur tot het apparaat overschakelt naar de slaapstand wijzigen bij [Slaapstandtimer]. • Als u een van de volgende handelingen verricht, komt het apparaat weer uit de slaapstand: • Til de klep van de glasplaat of de ADF op.

Apparaatoverzicht en basishandelingen 20 1 • Tijdens de vastgestelde opwarmperiode • Wanneer bewerkingen worden geannuleerd tijdens het afdrukken • Bij het weergeven van een waarschuwing (het apparaat gaat in de Uitmodus fuseereenheid tenzij het paneel open is) • Bij vastgelopen papier (het apparaat gaat in de Uitmodus fuseereenheid, behalve wanneer het paneel open is) • Als het indicatielampje Inkomende gegevens brandt of knippert (het apparaat gaat in Uitmodus fuseereenheid, behalve wanneer het indicatielampje Inkomende gegevens brandt of knippert als gevolg van het ontvangen van faxen of het opslaan van documenten) • In de volgende gevallen gaat het apparaat niet over op de slaapstand: • Tijdens communicatie met externe apparatuur • Wanneer de interne opslag actief is • Wanneer er een onderhoudsbericht wordt weergegeven • Wanneer de ADF, het apparaatpaneel of het ADF-paneel open staan • Wanneer het bericht "Toner bijvullen" verschijnt • Wanneer toner wordt bijgevuld • Wanneer een van de volgende schermen wordt weergegeven: • Systeeminstellingen • Teller • Informatie • Adresboek • Lade-/papierinstellingen • Wanneer er gegevens worden verwerkt • Als een bestand binnen een minuut wordt verzonden via de faxfunctie "Uitgest.

verz." • Wanneer een ontvanger wordt opgenomen in de adreslijst of in een groepskieslijst • Wanneer de testafdruk, de beveiligde afdruk of het opgeslagen afdrukscherm weergegeven wordt • Wanneer het scherm van een document dat opgeslagen is in de printerfunctie verschijnt • Wanneer de interne koelventilator draait • Wanneer u het apparaat gebruikt via Web Image Monitor

Basisbediening van het apparaat 21 1 Namen en functies van onderdelen • De ventilatieopeningen van het apparaat mogen niet geblokkeerd zijn. Als u dit doet, kunnen de interne onderdelen oververhit raken, wat brand kan veroorzaken. Aanzicht vanaf de voor- en linkerkant 1. Klep van glasplaat/automatische documentinvoer (ADF) Breng de klep omlaag op originelen die op de glasplaat liggen. Als u een stapel originelen in de ADF plaatst, zal de AFD automatisch de originelen één voor één invoeren. De ARDF is een ADF die beide kanten van een origineel scant, één kant tegelijk. De ADF voor dubbelzijdig scannen scant beide kanten van een origineel in één keer. Pag. 69 "Een origineel in de automatische documentinvoer (ADF) plaatsen" 2. Glasplaat Plaats originelen hier met de bedrukte zijde naar beneden. Pag. 68 "Een origineel op de glasplaat leggen" 3. Bedieningspaneel Pag.

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 22 1 4. Hoofdschakelaar Als u de stroom wilt in- of uitschakelen, opent u het klepje van de hoofdstroomschakelaar en drukt u op de hoofdstroomschakelaar. Pag. 17 "Apparaat in- en uitschakelen" 5. Interne lade 1 Gekopieerd of afgedrukt papier en faxberichten worden hier afgeleverd. En het papier wordt uitgevoerd onder de papierhouder die is bevestigd in de interne lade. Zie "Ondersteunde uitvoerladen" voor informatie over de uitvoerlade voor het afgedrukte papier. 6. Voorpaneel U kunt via deze opening de tonercartridge vervangen. Pag. 201 "De toner vervangen" 7. Papierladen (lade 1-2) Standaardpapierladen. Hier plaatst u het papier in. Pag. 75 "Papier in de papierlade plaatsen" 8. Onderste papierladen Optionele papierladen. Hier plaatst u het papier in. Pag. 75 "Papier in de papierlade plaatsen" 9.

Paneel linksonder Open dit paneel om de tonerafvalfles te vervangen. Pag. 206 "De tonerafvalfles vervangen" 10. Ventilatieopening De ventilatieopeningen zorgen ervoor dat het apparaat niet oververhit raakt. Nadat u grote hoeveelheden hebt afgedrukt, kan de ventilator langer blijven draaien om de temperatuur in het apparaat te verlagen. 11. Geleider interne lade Open de geleider om te voorkomen dat het papier eraf valt.

Basisbediening van het apparaat 23 1 • Als u gebruik maakt van papierhouders, volg dan altijd onderstaande voorzorgsmaatregelen. • Let erop dat u voor de papierhouders geen objecten plaatst. Dit kan namelijk papierstoringen veroorzaken. • Als u gekopieerd of afgedrukt papier uit de papierhouders heeft getrokken, leg het dan niet terug. Dit kan leiden tot defecten en papierstoringen. Aanzicht vanaf de voor- en rechterkant 1. ADF-verlengstuk Trek dit verlengstuk uit om te voorkomen dat originelen die groter zijn dan B4 JIS-formaat of 81/2 × 14 vallen. 2. Handinvoer Gebruik deze invoer om te kopiëren of af te drukken op etiketten of papier dat niet in de papierladen kan worden geplaatst. Pag. 81 "Papier in de handinvoer plaatsen"

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 24 1 3. Papiergeleiders Als u papier in de handinvoer plaatst, zorg er dan voor dat de papiergeleiders tegen het papier aan staan. 4. Verlengstuk Trek dit verlengstuk uit als u papier dat groter is dan A4 , 81/2 × 11 in de handinvoer plaatst. 5. Onderste rechterpaneel Open dit paneel om vastgelopen papier te verwijderen. 6. Rechterpaneel Open dit paneel om vastgelopen papier te verwijderen. 7. Ventilatieopening De ventilatieopeningen zorgen ervoor dat het apparaat niet oververhit raakt. Nadat u grote hoeveelheden hebt afgedrukt, kan de ventilator langer blijven draaien om de temperatuur in het apparaat te verlagen. Aanzicht vanaf de achter- en linkerkant IM C2010/C2010A/C2510/C2510A/C2519J/GS4020c/GS4025c/C3010/C3010A/C3510/C3510A/C3519J/GS4030c/C4510/C4510A/C5510/C5510A/GS4045c/C6010/GS4160c 1.

Basisbediening van het apparaat 25 1 2. USB2.0 Interface Type B Gebruik de poort om het apparaat en de computer op elkaar aan te sluiten met de USB-kabel. 3. Ethernet interface Gebruik deze poort om het apparaat op het netwerk aan te sluiten of om de service voor beheer op afstand (@Remote) via internet te gebruiken. 4. Ventilatieopening De ventilatieopeningen zorgen ervoor dat het apparaat niet oververhit raakt. Nadat u grote hoeveelheden hebt afgedrukt, kan de ventilator langer blijven draaien om de temperatuur in het apparaat te verlagen. IM C7010 1. USB2.0-interface Type A Deze interface wordt niet gebruikt met dit apparaat. 2. USB-interface Type B Gebruik de poort om het apparaat en de computer op elkaar aan te sluiten met de USB-kabel. • (voornamelijk Europa en Azië)/ (voornamelijk Noord-Amerika en Taiwan) USB3.2 Gen1 Interface Type B is beschikbaar.

(Behalve voor China.) • (China) USB2.0 Interface Type B is beschikbaar. 3. Ethernet interface Gebruik deze poort om het apparaat op het netwerk aan te sluiten of om de service voor beheer op afstand (@Remote) via internet te gebruiken.

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 26 1 4. Ventilatieopening De ventilatieopeningen zorgen ervoor dat het apparaat niet oververhit raakt. Nadat u grote hoeveelheden hebt afgedrukt, kan de ventilator langer blijven draaien om de temperatuur in het apparaat te verlagen. • (voornamelijk Europa) Wanneer u de machine aanraakt, kunt u een statische schok krijgen. Deze is niet gevaarlijk voor mensen. Zie voor details het volgende: https://www.ricoh-europe.com/support/health-safety/ricoh-static-shock.html Namen en functies van het bedieningspaneel Het touchscreen (Smart Operation Panel) waarop het bedieningspaneel van het apparaat wordt weergegeven, wordt het "bedieningspaneel" genoemd. • Aan weerszijden van het bedieningspaneel zitten interfaces voor het aansluiten van externe apparaten en kaartsleuven om een USB-flashgeheugen te plaatsen.

• Zelfs wanneer het scherm is uitgeschakeld, geven de LED-indicatoren op het frame van het bedieningspaneel de status van het apparaat aan. Touchscreen/interface 1. Mediasleuven Hier kunt u een USB-flashgeheugen op het apparaat aansluiten. U kunt de gescande gegevens opslaan of het bestand afdrukken dat op het medium is opgeslagen. • Gebruik een medium dat is geformatteerd als FAT16 of FAT32. • Sommige soorten USB-geheugenopslagapparaten kunnen niet worden gebruikt in het apparaat.

Basisbediening van het apparaat 27 1 • USB-verlengkabels, hubs, kaartlezers en USB-geheugenopslagapparaten met coderingsfuncties kunnen niet worden gebruikt. • Als de stroom van het apparaat wordt uitgeschakeld of als de media uit het apparaat wordt verwijderd terwijl het apparaat de gegevens op de media leest, dient u de gegevens op de media te controleren. • Voordat u de media uit de sleuf haalt, drukt u op het pictogram op het scherm ( ) om de media veilig te kunnen verwijderen. • Verschuif de schrijfbeveiliging van het USB-geheugen niet terwijl het geheugen in het apparaat is geplaatst. 2. Touchscreen Hier worden het Home-scherm, het bedieningsscherm voor toepassingen en berichten weergegeven. U bedient dit met de vingers. Pag. 28 "Het Home-scherm gebruiken" Pag. 31 "Intuïtieve schermbediening met uw vingers" 3.

Touchsymbool Wordt gebruikt om het apparaat en een smartphone/tablet aan te sluiten op de RICOH Smart Device Connector. Pag. 57 "Inloggen met behulp van een mobiel apparaat" • U kunt de hoek van het bedieningspaneel aanpassen om de zichtbaarheid te verbeteren. Let erop dat uw vingers niet bekneld raken wanneer u de hoek van het bedieningspaneel aanpast.

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 28 1 LED-indicatielampjes 1. Indicatielampje fax Geeft de toestand van de faxfunctie aan. • Knipperend: er worden gegevens verzonden en ontvangen • Brandend: er worden gegevens ontvangen (Vervangend ontvangstbestand/Geheugenbeveiliging ontvangst/Persoonlijke box) 2. Indicatielampje Data In Knippert wanneer het apparaat gegevens ontvangt die zijn verzonden via het printerstuurprogramma of het stuurprogramma LAN-Fax. 3. Statusindicatielampje Hier kunt u de status van het systeem bekijken. Het lampje blijft branden wanneer er een fout optreedt of de toner opraakt. Pag. 211 "De indicatielampjes, pictogrammen en berichten op het bedieningspaneel controleren" 4. Aan/uit-indicatielampje Het aan/uit-indicatielampje gaat branden wanneer u de hoofdstroomschakelaar inschakelt. In de Slaapstand knippert dit lampje langzaam.

Het Home-scherm gebruiken Druk op [Home] ( ) onderaan het scherm in het midden om het Home-scherm weer te geven, met daarop pictogrammen voor elke functie. In het Home-scherm kunt u veelgebruikte snelkoppelingen en widgets opslaan. • Pas geen overmatige druk of kracht toe op het scherm, want dan kan het beschadigen. Maximaal toelaatbare kracht is ongeveer 30 N (ongeveer 3 kgf). (N = Newton, kgf = kilogramkracht. 1 kgf = 9,8N.) • Tik op het Home-scherm om het te bedienen. Pag. 31 "Intuïtieve schermbediening met uw vingers" • U kunt pictogrammen en widgets toevoegen of verwijderen, en de volgorde ervan aanpassen. Pag. 61 "Een veelgebruikte toepassing of widget toevoegen aan het Home-scherm"

Basisbediening van het apparaat 29 1 1. Inlogpictogram Dit pictogram wordt weergegeven als er gebruikers zijn ingelogd. Wanneer u op het pictogram drukt, worden de namen van de gebruikers weergegeven die momenteel zijn ingelogd. 2. Systeembericht Geeft systeem- en toepassingsberichten weer. Als er twee of meer berichten zijn, worden deze afwisselend weergegeven. Als er een bericht is dat aangeeft dat de toner op is of dat er een fout is opgetreden, drukt u op het bericht om de lijst met systeemberichten te openen om de inhoud te controleren. 3. Help Als het apparaat is verbonden met internet en Help beschikbaar is voor het scherm dat wordt weergegeven of voor de fout die is opgetreden, drukt u op dit pictogram om een Help-scherm weer te geven. Vink het vakje [Cookies aanvaarden] aan in het bedieningspaneel van de browser om de Help-inhoud goed weer te geven.

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 30 1 4. [Inloggen]/[Uitloggen] Deze toetsen worden weergegeven wanneer gebruikersverificatie of beheerdersverificatie is ingeschakeld. Druk op de toetsen om in of uit te loggen op het apparaat. Pag. 54 "Inloggen via het bedieningspaneel" 5. [Energiesp.st.] Druk hierop om de slaapstand te activeren of te beëindigen. Pag. 19 "Energiespaarstand" 6. Schakelen tussen schermen Druk hierop om naar rechts en links door schermen te bladeren. Het Home-scherm heeft vijf schermen. U kunt door de schermen bladeren door te vegen. Pag. 31 "Intuïtieve schermbediening met uw vingers" U kunt het scherm zonder pictogrammen verbergen door [Lege pagina's Home-scherm] in te stellen op [Lege pagina's niet weergeven]. 7. Toepassingen Druk hierop om toepassingen weer te geven die niet in het Home-scherm worden weergegeven. Pag.

61 "Een veelgebruikte toepassing of widget toevoegen aan het Home-scherm" 8. Huidige weergavepositie Geeft aan welk van de vijf schermen momenteel wordt weergegeven. 9. [Stoppen] Druk hierop om het scannen of afdrukken te stoppen. U kunt de instelling zodanig wijzigen dat er alleen de actieve taak wordt gestopt met [Stoptoets om afdruktaak uit te stellen]. 10. [Menu] Wordt weergegeven als het menu beschikbaar is in de toepassing die momenteel is geselecteerd. In het Home-scherm drukt u hierop om de pictogrammen weer op hun standaardpositie terug te plaatsen.

Basisbediening van het apparaat 31 1 11. [Home] Druk hierop om het Home-scherm weer te geven. 12. [Terug] Druk hierop om terug te keren naar het vorige scherm. 13. Datum/Tijd en Resterende toner De huidige datum en tijd worden weergegeven. Als u informatie over de resterende hoeveelheid toner wilt weergeven, stelt u [Tijd/Resterende toner weergeven] bij [Instellingen systeembalk] in op [Resterende toner]. 14. [Status controleren] Druk hierop om de volgende systeemstatussen van het apparaat te controleren. Gaat rood branden als er een fout optreedt. • Status van het apparaat Geeft de foutstatus en de netwerkstatus aan. • Operationele status van elke functie Status van functies als Kopiëren of Scannen • Huidige taken • Taakgeschiedenis • Onderhoudsinformatie van apparaat 15. Pictogramweergavegebied Geeft de pictogrammen en widgets weer.

• U kunt bij [Functieprioriteit (standaard weergegeven toepassing)] het scherm wijzigen dat wordt weergegeven wanneer de stroom wordt ingeschakeld. • Wanneer u op [Menu] ( ) [Home-scherm resetten] drukt en de toepassing Embedded Software Architecture op het apparaat is geïnstalleerd, worden de toepassingspictogrammen niet verwijderd. Intuïtieve schermbediening met uw vingers In het Home-scherm of het toepassingsscherm kunt u de volgende handelingen uitvoeren door het scherm aan te raken met uw vingers. Vegen (om tussen de schermen te wisselen) Raak het scherm aan en veeg snel met uw vinger naar links of rechts om te schakelen tussen de schermen.

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 32 1 Slepen (om een pictogram te verplaatsen) Houd een pictogram ingedrukt en beweeg vervolgens uw vinger over het scherm om het pictogram te verplaatsen. Lang tikken (om het beschikbare menuscherm weer te geven) Houd een leeg gebied op het scherm ingedrukt om het menuscherm weer te geven. In het Home-scherm kunt u een map toevoegen of de achtergrond van het menu wijzigen. In sommige toepassingen kunt u tevens de volgende handelingen uitvoeren om het scherm te bedienen: Knijpende beweging naar binnen (om uit te zoomen op het scherm) Raak het scherm aan met uw duim en uw wijsvinger en beweeg ze naar elkaar toe in een knijpende beweging. Deze functie is handig als u voorvertoningen van bestanden en afbeeldingen bekijkt.

Basisbediening van het apparaat 33 1 Knijpende beweging naar buiten (om in te zoomen op het scherm) Raak het scherm aan met uw duim en wijsvinger en beweeg ze uit elkaar. U kunt ook inzoomen op het scherm door tweemaal snel op het scherm te tikken. Wanneer u nogmaals tweemaal snel op het scherm tikt, keert het scherm terug naar de volledige weergave. Deze functie is handig als u voorvertoningen van bestanden en afbeeldingen bekijkt. De Instellingen gebruiken Druk op [Instellingen] op het Home-scherm om de instellingen van het apparaat te wijzigen, het adresboek te bewerken of verschillende gegevens te controleren. Het scherm "Instellingen" bevat de menu's die hieronder worden beschreven.

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 34 1 1. Systeeminstellingen Geef de weergave van het bedieningspaneel, de instellingen voor apparaatbediening, bedieningsgeluiden, timer, netwerkinstellingen en andere instellingen op. 2. Adresboek Beheer de bestemming waar gegevens van de fax of scanner naartoe worden verzonden of beheer de verificatiegegevens voor inloggen op het apparaat. U kunt aan de slag door op het Home-scherm op [Adresboek] te drukken. 3. Lade-/papierinstellingen Geef het formaat en de papiertype op van het papier dat in de lade is geplaatst.

Basisbediening van het apparaat 35 1 4. Basisinstellingen bij installatie U kunt de instellingen eenvoudig configureren wanneer u het apparaat installeert. • Op het scherm "Installatie-instellingen" kunt u de instellingen voor de hieronder weergegeven opties opgeven via een wizard wanneer het apparaat naar een andere locatie wordt verplaatst of wanneer de bedrijfsomgeving van het apparaat verandert. Afhankelijk van het type apparaat, kunt u het apparaat registreren of de registratie ervan opheffen met [Cloud Settings] in RICOH Smart Integration. Instellingen die te maken hebben met Cloudservices kunt u wijzigen in Cloud Settings. • Basisinstellingen • Netwerkinstellingen • Cloud Settings • Faxeigenschappen • Op het scherm [Firmware-update] kunt u de firmware van het apparaat bijwerken.

• In het hulpprogramma "Helpfunctie voor Scannen naar map" kunt u eenvoudig de bestemming opgeven om de gescande gegevens naar een computer te sturen. 5. Toepassingsinstellingen Wijzig de instellingen voor de functies van het kopieerapparaat, de documentserver, fax, printer en scanner. 6. Alles zoeken U kunt een instellingsitem zoeken door een trefwoord in te voeren. Voer meer dan een trefwoord in om uw zoekresultaten te verfijnen. 7. Taal wijzigen U kunt de taal wijzigen die op het bedieningspaneel wordt weergegeven.

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 36 1 8. Informatie 9. Onderhoud U kunt de balans aanpassen van elke toner, evenals de kleurregistratie. 10. Teller Geef het totale aantal vellen weer dat is afgedrukt met elke functie, en druk de gegevens af. • Als beheerdersverificatie is ingesteld, neemt u contact op met de beheerder om de instellingen te wijzigen. • Wanneer u klaar bent met het uitvoeren van een bewerking, drukt u op [Home] ( ) om terug te gaan naar het normale scherm. De displaytaal wijzigen U kunt de taal die op het display wordt gebruikt, wijzigen. De standaardtaal wordt als volgt ingesteld. (voornamelijk Europa en Azië): Engels (China): vereenvoudigd Chinees (voornamelijk Noord-Amerika): Engels (Taiwan): traditioneel Chinees

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 38 1 Basisbediening van toepassingen Functies controleren die zijn toegevoegd aan RICOH Always Current Technology U kunt het upgradepakket voor de apparaatfuncties installeren via RICOH Always Current Technology. U kunt na aankoop de nieuwste functies en beveiligingsupdates toepassen. Om de nieuwste versie van RICOH Always Current Technology te installeren, opent u de website met toepassingen vanaf het bedieningspaneel van het apparaat. • Voor meer informatie over het installeren van RICOH Always Current Technology raadpleegt u de gebruiksaanwijzing voor de website met toepassingen. Versie controleren van RICOH Always Current Technology die op het apparaat is geïmplementeerd 1. Druk op [Apparaatinfo] op het scherm [Status controleren]. 2. Druk op [Informatie]. 3. Controleer de versie van het apparaat onder de apparaatinformatie.

Het Kopieerscherm gebruiken U kunt uit twee typen kiezen voor het Kopieerscherm: Zie Pag. 39 "Het Kopieerscherm gebruiken (Standaard)" of Pag. 42 "Het Kopieerscherm gebruiken (Zonder scrollen op scherm)" als u wilt weten hoe u functies gebruikt zoals Taakgeschiedenis/aanbev. inst.

Basisbediening van toepassingen 39 1 Standaard weergave De basisfuncties die vaak worden gebruikt, worden aangegeven door middel van grote toetsen. Blader omlaag in het scherm om de grote toetsen te bekijken die worden gebruikt om de functies voor afwerken of bewerken te configureren. Volledige weergave U kunt alle functietoetsen op één scherm bekijken. U hoeft niet door de schermen te bladeren om een functie te selecteren. • Als u van type scherm wilt wisselen, drukt u op [Menu] ( ) [Scherminstellingen] [Schermtype wisselen] op het Kopieerscherm. • U kunt dezelfde functies op elk scherm gebruiken. • Als de beheerder gebruikersverificatie heeft geconfigureerd en Eigen aanpassing van gebruiker is ingeschakeld, kan elke gebruiker die inlogt het schermtype wijzigen.

Het Kopieerscherm gebruiken (Standaard) U kunt de indeling en de weergave van de toetsen in het Kopieerscherm aanpassen in Standaard. Voor meer informatie raadpleegt u Pag. 43 "De lay-out of de weergave van de toetsen van de Kopieerfunctie wijzigen".

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 40 1 1. Toetsen van de kopieerfunctie Druk op een toets om de functie te selecteren die u aan de toets wilt toewijzen. Veeg op en neer over het scherm om de toetsen buiten het zichtbare gebied weer te geven. De toetsen waaraan functies zijn toegewezen, worden weergegeven in het geel of met in de linkerbovenhoek. Afhankelijk van de toegewezen functie wordt de weergave van de toets gewijzigd volgens de opgegeven instelling. 2. [Onderbreken] Onderbreek een afdruktaak die wordt uitgevoerd om een ander origineel te kopiëren. 3. [Resetten] Stel de instellingen die in het Kopieerscherm zijn geconfigureerd opnieuw in. 4. Voorbeeld van de huidige instellingsstatus Geeft een voorstelling weer van de instellingen die zijn geconfigureerd in het Kopieerscherm. Druk op de afbeelding om de lijst met instellingen weer te geven.

Basisbediening van toepassingen 41 1 5. [Testafdruk] Druk hierop om bij wijze van test een gedeeltelijke kopie te maken voordat u de rest van het origineel gaat afdrukken. 6. [Starten] Druk hierop om te kopiëren. 7. Overige toetsen voor de kopieerfunctie Druk hierop om de functies te selecteren waarvan de toetsen zich buiten het zichtbare gedeelte van het scherm bevinden. De toets van de functie die momenteel is geconfigureerd, wordt weergegeven met in de linkerbovenhoek. Druk op [Instelling orig./Bestand opslaan] [Bestand opslaan] om de gegevens op te slaan die zijn gescand met de kopieerfunctie. 8. [Taakgeschiedenis/aanbev. inst] U kunt de vooraf geprogrammeerde instellingen bekijken in het apparaat of de taakgeschiedenis. Wanneer gebruikersverificatie is geconfigureerd, wordt de geschiedenis van uitgevoerde taken weergegeven voor elke ingelogde gebruiker.

Wanneer u een taakgeschiedenis selecteert, worden de instellingen ervan weergegeven in het huidige Kopieerscherm. U kunt dezelfde instellingen gebruiken als bij de vorige taak door de taakgeschiedenis te selecteren.

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 42 1 Het Kopieerscherm gebruiken (Zonder scrollen op scherm) 1. Toetsen van de kopieerfunctie Druk op een toets om de functie te selecteren die u aan de toets wilt toewijzen. De toetsen met toegewezen functies worden weergegeven in het geel. Als u het weergavegebied wilt bekijken in de onderstaande illustratie, drukt u op of veegt u naar links of naar rechts. 2. [Onderbreken] Onderbreek een afdruktaak die wordt uitgevoerd om een ander origineel te kopiëren. 3. [Resetten] Stel de instellingen die in het Kopieerscherm zijn geconfigureerd opnieuw in. 4. Voorbeeld van de huidige instellingsstatus Geeft een afbeelding weer met het aantal en de geconfigureerde instellingen in het Kopieerscherm. Druk op [Aantal] om de cijfertoetsen weer te geven. Druk op de afbeelding om de lijst met instellingen weer te geven. 5.

[Testafdruk] Druk hierop om bij wijze van test een gedeeltelijke kopie te maken voordat u de rest van het origineel gaat afdrukken. 6. [Starten] Druk hierop om te kopiëren. 7. Overige toetsen voor de kopieerfunctie Druk hierop om de functies te selecteren waarvan de toetsen zich buiten het zichtbare gedeelte van het scherm bevinden. De toets van de functie die momenteel is geconfigureerd, wordt weergegeven met in de linkerbovenhoek.

Basisbediening van toepassingen 43 1 8. [Instelling orig./Bestand opslaan] Druk hierop om de instellingen te configureren, zoals het type origineel en de richting. Met [Bestand opslaan] kunt u de gegevens opslaan die zijn gescand met de kopieerfunctie. 9. [Taakgeschiedenis/aanbev. inst] U kunt de vooraf geprogrammeerde instellingen bekijken in het apparaat of de taakgeschiedenis. Wanneer gebruikersverificatie is geconfigureerd, wordt de geschiedenis van uitgevoerde taken weergegeven voor elke geverifieerde gebruiker. Wanneer u een taakgeschiedenis selecteert, worden de instellingen ervan weergegeven in het huidige Kopieerscherm. U kunt dezelfde instellingen gebruiken als bij de vorige taak door de taakgeschiedenis te selecteren.

De lay-out of de weergave van de toetsen van de Kopieerfunctie wijzigen U kunt de lay-out en de manier waarop de toetsen voor de Kopieerfunctie worden weergegeven op het Kopieerscherm, aanpassen in de modus Standaard (modus voor het indelen van toetsen). Wanneer de beheerder gebruikersverificatie heeft geconfigureerd en Eigen aanpassing van gebruiker is ingeschakeld, kan elke ingelogde gebruiker de lay-out aanpassen. Overschakelen op een andere toetsenindelingsmodus Houd op het Kopieerscherm een van de toetsen ingedrukt tot het scherm verandert. Druk vervolgens op [OK] om het scherm voor het indelen van toetsen weer te geven. Toetsenlay-out wijzigen Houd de toets ingedrukt die u wilt verplaatsen, sleep deze naar de gewenste locatie en druk vervolgens op [OK].

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 44 1 Een toets verbergen Houd de toets ingedrukt die u wilt verbergen, sleep deze naar "Toetsen verbergen" en druk vervolgens op [OK]. Een verborgen toets weergeven Druk op "Lijst met verborgen toetsen" om de verborgen toetsen weer te geven. Houd de toets ingedrukt die u wilt weergeven, sleep deze naar de gewenste locatie en druk vervolgens op [OK]. De initiële plaatsing van toetsen bevestigen Druk op [Menu] ( ) [Scherminstellingen] [Initiële toetsenlay-out tijdelijk terugzetten] op het scherm Kopie. Druk op [Terug] als u de gegevens heeft gecontroleerd. De standaardindeling van de toetsen herstellen Druk op [Menu] ( ) [Scherminstellingen] [Initiële toetsenlay-out terugzetten] [Ja] op het scherm Kopie.

Basisbediening van toepassingen 45 1 Het Faxscherm gebruiken Er zijn vijf typen functies en instellingen in het Faxscherm. 1. Type bestemming selecteren U kunt voor het type bestemming kiezen tussen [Faxen] (met inbegrip van IP-fax) en [Internetfax]. De items in het adresboek en in het scherm voor het handmatig invoeren van bestemmingen veranderen ook wanneer u het type bestemming wijzigt. 2. Bevestiging van verzonden/ontvangen gegevens Blader door de ontvangen documenten die zijn opgeslagen in het geheugen of in de interne opslag van het apparaat en druk ze af. U kunt tevens door de verzend- en ontvangstgeschiedenis bladeren en deze afdrukken. 3. Verzendinstellingen Geef de aanvullende functies op die u kunt gebruiken bij het verzenden van een fax, configureer de scaninstellingen voor het te scannen origineel op de juiste manier, en bekijk een voorbeeld voordat u de fax verzendt.

U kunt vier veelgebruikte instellingen opgeven, zoals het wisselen van verzendmodus, die u kunt instellen met de sneltoetsen zonder het scherm [Verzendinstell.] te openen. U kunt ook de instellingen die momenteel zijn opgegeven en de resterende hoeveelheid geheugen controleren. U kunt met [Opgesl. bestand sel.] een document dat is opgeslagen op het apparaat, als fax verzenden . 4. Bestemming opgeven U kunt een adres selecteren dat in het adresboek is opgeslagen door middel van één handeling. Druk op om de volgende bewerkingen uit te voeren: • Een bestemming opgeven op verschillende andere manieren, zoals handmatig invoeren of selecteren uit de geschiedenis. • Een bestemming in het adresboek registreren. • Een bestemming in het adresboek aanpassen.

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 46 1 • Het faxbestand van een document opslaan op het apparaat. 5. Taakgeschiedenis De taakgeschiedenis voor uitgevoerde taken wordt weergegeven. Wanneer gebruikersverificatie is ingesteld, wordt de taakgeschiedenis van elke geverifieerde gebruiker weergegeven. Wanneer u een taakgeschiedenis selecteert, wordt de instelling toegepast op het huidige faxscherm. Deze functie is handig wanneer u dezelfde instelling regelmatig gebruikt. Het scherm Verzendinstell. voor de faxfunctie aanpassen Houd een toets op het scherm [Verzendinstell.] ingedrukt om de indeling van de toetsen aan te passen. Wanneer de beheerder gebruikersverificatie en Eigen aanpassing van gebruiker heeft ingeschakeld, kan het scherm worden aangepast voor elke gebruiker.

Overschakelen op een andere toetsenindelingsmodus Druk lang op een willekeurige toets en druk op [OK] op het onderstaande scherm om over te schakelen naar de modus voor het sorteren van toetsen en de toetsenlay-out te wijzigen. Toetsenlay-out wijzigen Druk lang op een toets om de lay-out te wijzigen, sleep de toets naar een nieuwe locatie en druk op [OK].

Basisbediening van toepassingen 47 1 Een toets verbergen Druk lang op een toets die u wilt verbergen, sleep deze naar [Toetsen verbergen] (prullenbakpictogram) en druk vervolgens op [OK]. Een verborgen toets weergeven Druk op "Lijst met verborgen toetsen" om de verborgen toetsen weer te geven. Houd de toets ingedrukt die u wilt weergeven, sleep deze naar de gewenste locatie en druk vervolgens op [OK]. De initiële plaatsing van toetsen bevestigen Druk op [Menu] ( ) [Toetsenlay-out wijzigen] [Toetsenlay-out van fabrieksinstellingen controleren] op het faxscherm. Druk op [Terug] als u de gegevens heeft gecontroleerd. De standaardindeling van de toetsen herstellen Druk op [Menu] ( ) [Toetsenlay-out wijzigen] [Lay-out resetten] [Herstellen] op het faxscherm. Het Scannerscherm gebruiken Er zijn vijf soorten functies en instellingen in het Scanscherm.

1. Apparaatoverzicht en basishandelingen 48 1 1. Type bestemming selecteren U kunt schakelen tussen [Scannen naar e-mail] en [Scannen naar map]. De items die worden weergegeven in het adresboek en het scherm voor handmatige invoer van bestemmingen veranderen ook wanneer u het type bestemming wijzigt. 2. Status scanbest. U kunt door de verzendgeschiedenis van de verzonden documenten bladeren en documenten in de wachtrij annuleren. De verzendstatus van het bestand wordt mogelijk niet weergegeven, afhankelijk van de beveiligingsinstellingen. 3. Verzendinstellingen U kunt de scaninstellingen opgeven aan de hand van het type document dat u wilt scannen en het doel van de gescande gegevens, en een voorbeeld bekijken voordat de gegevens worden verzonden.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Ricoh IM C2010A stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden