Renault Twizy (2017) Handleiding

Renault Auto Twizy (2017)

Bekijk gratis de handleiding van Renault Twizy (2017) (118 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 53 mensen en kreeg gemiddeld 4.3 sterren uit 8 reviews. Heb je een vraag over Renault Twizy (2017) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/118
Renault TWIZY
Instructieboekje

Beoordeel deze handleiding

4.3/5 (8 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Renault
Categorie: Auto
Model: Twizy (2017)

Handleiding Renault Twizy (2017) – volledige tekst

0.1 Vertaald uit het Frans. Gehele of gedeeltelijke nadruk of vertaling is verboden zonder schriftelijke toestemming van de autofabrikant.In dit instructieboekje worden aanwijzingen gegeven voor de bediening en het onderhoud, zodat u:– uw auto goed leert kennen waardoor u al zijn kwaliteiten, functies en zijn vele mogelijkheden ten volle kunt benutten.– de werking optimaal kunt houden door eenvoudige maar stipt op te volgen onderhoudsvoorschriften.– zonder overbodig tijdverlies zelf kleine storingen kunt verhelpen, waarvoor geen specialist nodig is.Door dit instructieboekje zorgvuldig te bestuderen, wordt u geïnformeerd over de mogelijkheden en de nieuwe technieken die erin zijn toegepast.

Als sommige punten nog onduidelijk zijn, willen de technici van onze dealers u graag alle verdere informatie geven.Om het lezen van dit boekje voor u te vergemakkelijken gebruiken wij het volgende symbool:Welkom aan boord van uw elektrische autoDit instructieboekje is tot stand gekomen aan de hand van de gegevens die op het moment van samenstelling van dit boekje bekend waren. In dit boekje staan alle mogelijke uitrustingen van dit model beschreven. De aanwezigheid ervan in de auto is af- (standaard of optioneel) hankelijk van de uitvoering, de gekozen opties en het land van aflevering.Ook kunnen er uitrustingen zijn opgenomen die pas op een later tijdstip in de auto zullen worden toegepast.Overal waar in het instructieboekje sprake is van een merkdealer, wordt daarmee een RENAULT-dealer bedoeld.Om een gevaar of een veiligheidsadvies aan te geven.Wij wensen u een goede reis in uw auto.

1.3Een elektrische auto heeft specifieke eigen-schappen, wij raden u dus aan om deze ge-bruiksaanwijzing, waarin de elektrische auto wordt bescheven, aandachtig te lezen.Accu’sDe elektrische auto beschikt over twee typen accu’s:– een tractiebatterij;– een 12 V-accu.Tractiebatterij “58 volt”Deze batterij slaat de noodzakelijke ener-gie op voor de werking van de motor van uw elektrische auto.

Zoals alle accu’s of bat-terijen loopt deze leeg bij gebruik en moet deze dus regelmatig worden opgeladen.U hoeft niet te wachten totdat u op reserve rijdt om de tractiebatterij op te laden.De laadtijd bij een huishoudstopcontact be-draagt ongeveer 3,5 uur voor een volledige oplaadbeurt.De actieradius van uw auto hangt af van de lading van de tractiebatterij maar ook van uw rijstijl.Zie ook de paragraaf “Actieradius van de auto: aanbevelingen” in hoofdstuk 2.12 V-accuDe tweede accu in uw auto is een 12 V-accu: deze levert de noodzakelijke energie voor de werking van de uitrustingen van de auto (koplampen, ruitenwisser enz.).De 12 V-accu wordt opgeladen:– ofwel bij het opladen van de tractiebatte-rij;– ofwel wanneer het contact wordt aange-zet;– ofwel wanneer het contact wordt uitgezet en periodiek, op voorwaarde dat er vol-doende elektrische energie in de tractie-batterij overblijft.Raadpleeg de paragraaf “12 V-accu” in hoofdstuk 4.ELEKTRISCHE AUTO: presentatie (2/5) BijzonderheidAfhankelijk van het land is deze auto ge-homologeerd als Quad of Personenauto.

1.4Het aandrijfsysteem van de elektrische auto gebruikt onge-veer 58 volt gelijkspanning. Dit systeem kan warm zijn gedu-rende de werking en na het uitzetten van het contact.Elke ingreep op of wijziging van het elek-trische systeem van de auto (compo-nenten, kabels, stekkers, tractiebatterij) is streng verboden vanwege de risico’s hiervan voor uw veiligheid. Roep de hulp in van een merkdealer.Risico op brand, brandwonden of elektrische schokken die ernstig letsel kunnen veroorzaken.AELEKTRISCHE AUTO: presentatie (3/5) Het symbool lokaliseert de elektrische ele-Amenten van uw auto die risico’s voor uw vei-ligheid met zich kunnen meebrengen.Elektrisch circuit “58 volt”Het elektrische circuit is herkenbaar aan de oranje bedrading en aan de elementen die met het symbool worden weergegeven.ṑGeluidElektrische auto’s zijn bijzonder stil.

U bent er nog niet aan gewend maar andere weg-gebruikers zijn dat evenmin. Voor hen is het moeilijk om te horen of de auto in beweging is.Wij raden u dus aan hier rekening mee te houden en de voetgangersclaxon te gebrui-ken, vooral wanneer u in de stad rijdt of tij-dens manoeuvres (wij verwijzen naar de pa-ragraaf “voetgangersclaxon” in hoofdstuk 1).Omdat de motor vrijwel geen geluid maakt, hoort u geluiden die u niet gewend bent (geluid van de wind, banden enz.).Tijdens het opladen kan de auto geluid maken (ventilator, relais ...). Omdat uw elektrische auto stil is, dient u bij het verlaten ervan de handrem vast te zetten en het contact uit te zetten.Risico op ernstig letsel.

1.5ELEKTRISCHE AUTO: presentatie (4/5) Pas voor uw veiligheid uw snel-heid aan de verkeersomstan-digheden aan en maak geen wilde stuurbewegingen, vooral op hellingen, gladde wegen enz. Als deze voorschriften niet worden na-geleefd, kan dit leiden tot verlies van de macht over het stuur.Levensgevaar of risico op ernstig letsel.Hinder bij het rijdenAan de bestuurderskant mogen alleen voor de auto geschikte matten worden gebruikt, die moeten worden vastgezet aan de vooraf geïnstalleerde onderdelen. Controleer regelmatig of ze goed vastzitten. Stapel niet meerdere matten op elkaar.Gevaar van hakende pedalen.Het vervoer van een passagier beïnvloedt het evenwicht, de wegligging en vergroot de rem-afstand van de auto.Pas uw snelheid aan de verkeersom-standigheden aan en maak geen wilde stuurbewegingen omdat dit kan leiden tot verlies van de macht over het stuur.

Levensgevaar of risico op ernstig letsel.RijdenWanneer u uw voet optilt van het gaspedaal, genereert de motor tijdens het afremmen elektriciteit die wordt gebruikt om de tractie-batterij op te laden. Raadpleeg de paragraaf “Verbruiksmeter” in hoofdstuk 2.Een auto met elektrische motor remt veel meer op de motor dan een benzine- of die-selauto.

1.6Bijzondere gevallen– Bij erg hoge buitentemperaturen wordt een veiligheidsmodus geactiveerd. Het waarschuwingslampje  op het in-strumentenpaneel licht op. Deze modus vermindert het vermogen van de auto en kan ertoe leiden dat de auto tot stilstand komt. U moet de auto dan parkeren en het elektrische systeem laten afkoelen tot het controlelampje  uitgaat. Daarna zult u weer over het volle vermo-gen van de motor kunnen beschikken.– Na een maximale oplading van de trac-tiebatterij en tijdens de eerste gebruiks-kilometers van de auto, of wanneer de buitentemperatuur erg laat is, is de mo-torrem tijdelijk beperkt.

Pas uw rijstijl hier-aan aan.De motorrem mag onder geen beding gebruik van het rempe-daal vervangen.Diepe plassen, overstromingen:Rijd niet door als het water op de weg hoger staat dan de onderrand van de velgen.Als de auto tot aan de bodem-plaat onderloopt, mag de auto niet worden opgeladen en moet u een merkdealer raadplegen.Risico van mogelijk dodelijke elektrische schokken.ELEKTRISCHE AUTO: presentatie (5/5)

Als deze adviezen niet worden opgevolgd, kan dat leiden tot brand, brandwonden of elektri-sche schokken die ernstig letsel kunnen veroorzaken.Bij een ongeval of botsing tegen de onderkant van de autoBij een ongeval of botsing tegen de onderkant van de auto (bijvoorbeeld: contact met een paaltje, een trottoir of ander stadsmeubilair) kan het elektrische circuit of de tractiebatterij beschadigd raken.Laat uw auto door een merkdealer controleren.Raak de onderdelen of blootliggende oranje kabels die vanuit het interieur of vanaf de buitenkant van de auto zichtbaar zijn, nooit aan.Bij een grote beschadiging van de tractiebatterij kunnen mogelijk lekken optreden;– raak de vloeistoffen die van de tractiebatterij afkomstig zijn, nooit aan;– bij lichamelijk contact met veel water spoelen en zo snel mogelijk een arts raadplegen.Bij brandVerlaat bij brand onmiddellijk de auto en laat iedereen uitstappen, en neem contact op met de hulpdiensten.

Geef daarbij aan dat het een elektrische auto betreft.Als u moet ingrijpen, maak dan alleen gebruik van blusmiddelen van het type ABC of BC die compatibel zijn met branden in elektrische instal-laties. Gebruik geen water of andere blusmiddelen.Neem bij beschadiging van het elektrische circuit altijd contact op met een merkdealer.Voor elke vorm van slepenRaadpleeg de paragraaf “Slepen, pech” in hoofdstuk 5.Wassen van de autoWas de auto nooit wanneer deze wordt opgeladen.Reinig de auto of de tractiebatterij nooit met de hogedrukreiniger.Was de auto nooit in een wasstraat met wasrollen.Risico van schade aan het elektrische circuit.OphijsenEen hijstoestel (krik ...) rechtstreeks onder de tractiebatterij gebruiken om de auto op te tillen is verboden. Raadpleeg een merkdealer voor het vervangen van een wiel.

Als deze adviezen niet worden opgevolgd, kan dat leiden tot brand, brandwonden of elektri-sche schokken die ernstig letsel kunnen veroorzaken.Installaties op huishoudstopcontactLaat een vakman controleren of elk huishoudstopcontact waarop u het laadsnoer gaat aansluiten voldoet aan de normen en regelgeving van het land en vooral dat deze is voorzien van:– een aardlekbeveiligingsinrichting van 30 mA van type A;– een overspanningsbeveiligingsinrichting (zekering of onderbreker van 16A voor de aansluiting die u gebruikt);– een beveiligingsinstallatie tegen blikseminslagen op plaatsen waar de bliksem kan inslaan.Het wordt aangeraden elke maand te testen of de aardlekbeveiligingsinrichting goed werkt.Regelmatig controleren of het huishoudstopcontact of de wandcontactdoos goed werken.

Niet gebruiken als deze beschadigd zijn (corrosie, bruin worden).OpladenWas de auto nooit wanneer deze wordt opgeladen.Reinig de auto of de tractiebatterij nooit met de hogedrukreiniger.Controleer altijd of de stekkerbus schoon, droog en niet-geoxideerd is voordat u deze aansluit. Risico op letsel of elektrische schokken die de dood tot gevolg kunnen hebben.Bij aanwezigheid van water, tekenen van corrosie of vreemde elementen in de stekkerbus van het laadsnoer mag u de auto niet opladen. Risico op brand.Probeer geen voorwerpen in de stekkerbus van het laadsnoer te steken.Sluit het laadsnoer nooit aan op een stekkerdoos of verlengsnoer.Demonteer of wijzig het laadsnoer niet.

Risico op brand.Zorg goed voor het snoer: ga er niet op staan, dompel het niet in water, trek er beheerst aan, rijd er niet over, stel het niet aan schokken bloot, houd het uit de buurt van warmtebronnen enz.Als de blauwe (of oranje) beschermingshuls, afhankelijk van de auto, beschadigd is, mag u deze niet gebruiken. Wend u tot een merkdealer voor een vervangend exemplaar.

1.10ELEKTRISCHE AUTO: opladen (3/5) Laadsnoer 2Met dit snoer kan de tractiebatterij in onge-veer 3,5 uur worden opgeladen.Het snoer bevindt zich in de opbergruimte vooraan in de auto.Gebruik geen verlengsnoer of meervoudige contactdoos. Gebruik uitsluitend een door de fabrikant goedgekeurde adap-ter. Roep de hulp in van een merkdealer.Risico op brand.2Laad uw auto niet op en parkeer deze niet bij extreme temperatuursomstandigheden (hitte of kou).U kunt de tractiebatterij het beste opladen in een omgeving met een gematigde tempe-ratuur.De laadtijd voor de tractiebatterij neemt toe wanneer de buitentemperatuur negatief of heel hoog is.

Bij heel lage temperatuur kan het onmogelijk zijn om de tractiebatterij te laden.Wanneer de auto gedurende meer dan 7 dagen geparkeerd staat bij temperaturen lager dan -25 °C, kan de tractiebatterij mo-gelijk niet opgeladen worden.Wanneer de auto gedurende meer dan 3 maanden geparkeerd staat met een laad-niveau rond de nul, kan de batterij mogelijk niet opgeladen worden.Om de levensduur van uw tractiebatterij te vrijwaren, moet u vermijden om uw auto ge-durende meer dan een maand met een hoog laadniveau geparkeerd te laten staan, vooral in perioden van extreme warmte.AanbevelingenParkeer de auto bij voorkeur op een scha-duwrijke/overdekte plaats om deze op te laden.Slijtage van de beschermingsmantel van het laadsnoerVervang het laadsnoer indien de blauwe (of oranje) bescher-mingshuls, afhankelijk van de auto, beschadigd is.

1.11ELEKTRISCHE AUTO: opladen (4/5) Opladen van de tractiebatterijContact uit:– open de klep ;3– haal het volledige laadsnoer uit de 2bergruimte vooraan in de auto door be-heerst aan de stekkerbus te trekken. De maximumlengte van het laadsnoer is on-geveer 3 meter.– sluit het uiteinde van het snoer aan op de voedingsbron (gewoon huishoudstop-contact enz.).– zorg dat de uitrekbegrensdraad van het 8laadsnoer 2 tijdens het opladen niet strak staat.NB:U hoeft niet te wachten:– tot u op reserve staat om de auto op te laden;– tot de tractiebatterij volledig opgeladen is om met de auto te kunnen rijden.324567Tijdens het opladen wordt de volgende infor-matie weergegeven:– het controlelampje 4.

Dit knippert om aan te geven dat de tractiebatterij energie krijgt;– het oplaadpercentage 5;– het controlelampje 6 geeft aan dat het snoer op de voedingsbron is aangeslo-ten;– de batterij 7 geeft de hoeveelheid energie aan die in de tractiebatterij is opgeslagen.Na een volledige oplaadbeurt dooft het dis-play op het instrumentenpaneel.82Bij het opladen moet het contact uit zijn.Bij afwezigheid van bescherming van de installatie tegen overspanningen, wordt afgeraden de auto op te laden bij onweer (bliksem).

1.12Belangrijk: voordat u de auto start, moet u controleren of het snoer goed in zijn houder is opgeborgen en of de klep goed gesloten is.Zorg dat het laadsnoer tijdens het op-2laden niet strak staat.Sleep de auto niet aan het laadsnoer.Als de uitrekbegrensdraad bescha-8digd is, moet u het laadsnoer vervangen. Roep de hulp in van een merkdealer.Voorzorgen bij het loskoppelen van de aansluiting– Ontkoppel het snoer van de voedings-bron door aan de stekkerbus te trekken. Het instrumentenpaneel dooft.– plaats het snoer opnieuw correct in de 2bergruimte vooraan in de auto.Afhankelijk van het type auto steekt u de stekker in zijn houder of de stekker van het oplaadsnoer naar beneden;– Sluit de klep .

Controleer de vergrende-3ling.ELEKTRISCHE AUTO: opladen (5/5) 32BijzonderheidIndien de auto niet van het oplaadpunt kan worden losgekoppeld (stekker mechanisch vergrendeld), zet u het contact aan alsof u de auto wilt starten. Zet daarna het contact uit en weer aan.De poging om de auto te starten zorgt ervoor dat het opladen stopt en dat de stekker uit het oplaadpunt loskomt.Herhaal deze handeling zo vaak als nodig.82Het is normaal dat er na het laden een ventilatiegeluid uit de auto komt als deze op het stroomnet blijft aangesloten.

1.13SLEUTELSleutel A Startcode-contactsleutel waarmee ook de opbergruimtes vergrendeld/ont-grendeld kunnen worden.Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als fles-opener, enz.).Vervangen, extra sleutel nodigBij verlies, of voor het bestellen van een extra sleutel, kunt u deze uitsluitend be-stellen bij een merkdealer.AVerantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parke-ren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen.Risico op ernstig letsel.

1.14PORTIEREN OPENEN EN SLUITENVan binnenaf of van buitenaf openenTil de handgreep 1 op en begeleid het por-tier omhoog.SluitenTrek het portier omlaag totdat het vergren-delt.1Uit veiligheidsoverwegingen mag u de deur alleen openen en sluiten als de auto stilstaat.Voor uw veiligheid:– Leun niet op het portier terwijl dit geopend is en er iemand in de auto zit;– controleer of geen persoon of dier het sluiten van de portieren belemmert;– houd de deur vast wanneer deze ge-opend wordt terwijl de auto op een steile helling is geparkeerd.Risico op ernstig letsel.Rijd niet met een geopend portier.Risico van onbedoeld sluiten.Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parke-ren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen.Risico op ernstig letsel.

1.15STARTVERGRENDELINGDit systeem voorkomt dat de motor kan worden gestart door iemand die niet be-schikt over de startcode-contactsleutel.De auto wordt na het stoppen van de motor automatisch beveiligd.Het kan gevaarlijk zijn om werkzaamheden uit te voeren aan het systeem van de start-vergrendeling (rekeneenheid, bedrading enz.).

Dit mag alleen door deskundig personeel van de merkdealer worden gedaan.De werking van het systeemBij het starten van de motor gaat het con-trolelampje 1 enkele seconden continu branden en dooft daarna (raadpleeg de pa-ragraaf “Starten, stoppen van de motor” in hoofdstuk 2).Als het signaal niet geaccepteerd wordt, gaat het controlelampje snel knipperen en kunt u de auto niet starten.Indicatie van de beveiligingNa het stilzetten van de motor, knippert het controlelampje en is de auto beveiligd.1Waarschuwingslampje storingAls het lampje na een startpoging blijft knip-peren of permanent blijft branden, wijst dit op een storing in het systeem.Gebruik in dat geval de tweede sleutel (ge-leverd bij de auto). Raadpleeg als het pro-bleem aanhoudt uw merkdealer.

1.16VOORSTOELVooruit of achteruit schuiven van de stoelZet de handgreep 1 omhoog om de stoel te ontgrendelen. In de gewenste stand laat u de handgreep los. Controleer of de stoel ver-grendeld is.Toegang tot de zitplaats achterinTrek de riem 2 omhoog en schuif de be-stuurdersstoel naar voren.U zet de stoel weer in de rijpositie door de riem 2 naar achteren te trekken totdat de stoel op de gewenste plaats staat.Voer deze verstellingen uitslui-tend uit als de auto stilstaat.21Controleer of de stoel goed wordt vergrendeld.Laat geen voorwerpen op de vloer liggen. In geval van plot-seling remmen zouden deze onder de pedalen terecht kunnen komen, waar-door de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen.

1.17Gebruik voor de veiligheid tijdens het rijden altijd de autogordels. Bovendien dient u zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt.Stel, voordat u start de juiste zithouding af, en daarna voor alle inzittenden de au-togordel om de beste bescherming te krijgen.De juiste zithouding– Ga goed achter in de stoel zitten. Dat is belangrijk voor een goede ondersteuning van de rug.– Verschuif de stoel zodat u makkelijk bij de pedalen kunt komen. Plaats de stoel zo ver naar achteren dat u de peda-len nog net geheel kunt indrukken.Verkeerd afgestelde of gedraaide autogordels kunnen bij een ongeval letsel ver-oorzaken.Gebruik één autogordel per persoon, kind of volwassene.Zwangere vrouwen moeten ook hun gordel dragen.

Let in dat geval op dat de heupgordel niet te veel op de onderbuik drukt, zonder de gordel te los te dragen.AUTOGORDELS (1/3)1Zijgordel bestuurderSteek uw rechterschouder onder de gordel .1Gebruik niet alleen de zijgor-del voor de bestuurder. Deze gordel is een aanvullende be-scherming bij het gebruik van de autogordel.12Zorg dat er geen voorwerp tussen de rugleuning 2 van de voorstoel en de gordel 1 kan komen waardoor de wer-king van de zijgordel belemmerd wordt. Risico op verwondingen bij een ongeluk.

1.18OntgrendelenDruk op de knop 6, de gordel wordt door het oprolmechanisme teruggetrokken. Begeleid hem.AUTOGORDELS (2/3)VergrendelenTrek de gordel over u langzaam en rustigheen en druk de gesp in de sluiting (con-5 4troleer de vergrendeling door aan de gesp 5 te trekken). Als de gordel blokkeert, laat de band dan een stuk teruggaan en rol hem op-nieuw af.Als de autogordel compleet is geblokkeerd, trek dan langzaam, maar krachtig, aan de gordel om deze ongeveer 3 cm naar buiten te trekken.

Laat hem zichzelf oprollen en rol hem opnieuw af.Als het probleem aanhoudt, dient u een merkdealer te raadplegen.3456437Afstellen van de autogordelGa goed tegen de rugleuning aan zitten.De band van de schoudergordel 3 moet zo dicht mogelijk langs de hals over de schou-der lopen, zonder dat de gordel uw hals raakt.De band van de heupgordel 7 moet vlak over de heupen langs het bekken lopen.De gordel moet zo direct mogelijk tegen het lichaam gedragen worden. Bv.: niet over er-tussen gestoken voorwerpen enz.

1.19AUTOGORDELS (3/3)– Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme: gordels, stoelen en de bevestigingen ervan. Raadpleeg voor bijzondere gevallen (bv. het installeren van een zittingverhoger) een merkdealer.– Zorg dat er geen voorwerpen tussen de riemen worden gestoken die speling kunnen veroorzaken (wasknijpers, klemmetjes enz.): een autogordel die te los zit, kan verwondingen veroorzaken in geval van een ongeluk.– Draag nooit de schoudergordel achter de rug of onder de arm langs aan de kant van het portier.– Een autogordel mag nooit door meer personen tegelijk gebruikt worden; sla uw gordel nooit om een baby of een kind heen dat op uw schoot zit.– De gordel mag niet gedraaid zijn.– Na een botsing moet u de gordels laten controleren en indien nodig vervangen.

Gordels die beschadigingen vertonen moeten ook worden vervangen.– Let op dat de gesp van de gordel in de juiste sluiting vastzit.– Zorg dat er geen voorwerp in de sluiting van de gordel kan komen waardoor de werking belemmerd wordt.– Zorg dat u de sluiting goed plaatst (deze mag niet verborgen of bedekt worden door of blijven haken achter personen of voorwerpen).

1.20AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (1/3)Deze bestaan uit:– zijgordel;– krachtbegrenzers voor de bescher-ming van de borstkas;– frontale bestuurdersairbag.Deze voorzieningen worden gelijktijdig of af-zonderlijk, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, geactiveerd bij een frontale bot-sing.Afhankelijk van de ernst van de aanrijding, kan het systeem de volgende middelen ac-tiveren:– de blokkering van de autogordel en de zijgordel;– de frontale airbag.– Laat al deze veiligheidsvoor-zieningen controleren na een aanrijding.– Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (airbag, reken-eenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.– Om te voorkomen dat het systeem ten onrechte in werking komt, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan de airbag werken.– Het elektrische ontstekingsmecha-nisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd.– Laat het gaspatroon van de airbag door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.

1.21AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (2/3)ZijgordelRaadpleeg de paragraaf “Autogordels” in hoofdstuk 1.KrachtbegrenzerVanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het li-chaam uitoefent te begrenzen tot een draag-lijk niveau.AirbagDeze bevindt zich bij de zitplaats voorin.Het stuurwiel heeft een opschrift “Airbag” om te herinneren aan de aanwezigheid van de airbag.Het airbagsysteem bestaat uit:– een airbag met gaspatroon in het stuur;– een rekeneenheid die het systeem be-waakt en de elektrische ontsteking van de gaspatroon bestuurt;– een controlelampje å op het instru-mentenpaneel.Bij het afgaan van de airbag vindt een explosie plaats waar-door warmte en rook vrijkomen zonder enig brandgevaar en er klinkt een luide knal.

1.22AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (3/3)WerkingHet systeem werkt alleen als het contact aanstaat.Bij een zware botsing wordt de frontaleairbag snel opgeblazen en wordt zo de klap opgevangen van het hoofd en de borstkas van de bestuurder tegen het stuur; daarna loopt de airbag weer leeg om het verlaten van de auto niet te bemoeilijken.Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvlie-gende voorwerpen te voorkomen.Waarschuwingen inzake de bestuurdersairbag– Verander niets aan het stuur-wiel of de naafdop.– Dek de naafdop niet af.– Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun, enz.) op het stuurwiel.– Het stuurwiel mag niet worden ge-demonteerd.

Uitsluitend speciaal op-geleide monteurs van de merkdealer mogen deze werkzaamheden uitvoe-ren.– Ga niet te dicht achter het stuur-wiel zitten, maar rijd met licht gebo-gen armen (raadpleeg de paragraaf “Afstellen juiste zithouding” in hoofd-stuk 1). Zo blijft er voldoende ruimte over voor een goede en effectieve bescherming door de werking van de airbag.

1.23AANVULLENDE BEVESTIGINGSMIDDELENDe airbag is een aanvullende bescherming bij het gebruik van de autogordel. Beide organen vormen één veiligheidssysteem. De gordel moet altijd worden ge-dragen. Het niet dragen kan bij een ongeval de inzittenden blootstellen aan zeer zware verwondingen en de gevolgen van de werking van de airbag verergeren.Bij een botsing tegen de achterkant, zelfs een zware, of bij het omslaan van de auto wordt de airbag niet altijd geactiveerd. Zware stoten onder de auto veroorzaakt door stoepen, gaten in het wegdek, stenen ... kunnen dit systeem activeren.– Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het airbagsysteem (airbag, rekeneenheid, bedrading enz.).

Deze mogen uitsluitend door speciaal opge-leide monteurs van de merkdealer worden gecontroleerd en gerepareerd.– Om te voorkomen dat de airbag(s) ten onrechte wordt opgeblazen of juist niet als dat wel nodig zou zijn, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan het systeem werken.– Laat het airbagsysteem controleren na een aanrijding of (een poging tot) diefstal van de auto.– Als u de auto uitleent of verkoopt, breng de nieuwe berijder/eigenaar dan op de hoogte van deze wbijzonderheden door hem dit instructieboekje bij de auto te leveren.– Laat de gaspatro(o)n(en) door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt ge-sloopt.StoringenHet lampje op het instrumentenpa-1 åneel gaat branden als het contact wordt aan-gezet en dooft na enkele seconden.Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of als het oplicht bij startende motor, geeft het een storing in het systeem (airbag enz.) bij de zitplaatsen voorin aan.Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-dealer.

Wacht u hier te lang mee dan bete-kent dat, dat de bescherming in de tussen-liggende periode misschien niet optimaal is.1Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.

1.24KINDERVEILIGHEID: algemeen (1/2)Vervoer van kinderenHet kind moet, net als een volwassene, altijd correct zitten en zijn vastgemaakt, ongeacht het traject. U bent verantwoordelijk voor de kinderen die u vervoert.Een kind is geen minivolwassene. Het is blootgesteld aan risico op specifieke ver-wondingen, omdat de botten en spieren nog niet volledig ontwikkeld zijn. Een autogordel alleen is niet geschikt voor het vervoeren van kinderen. Gebruik een zittingverhoger en gebruik deze op de juiste wijze.Een botsing met 50 km/u komt overeen met een val van 10 meter hoogte. Het niet vast-maken van een kind is het-zelfde als het laten spelen op een balkon zonder balustrade op de vierde verdie-ping!Houd een kind nooit in uw armen.

Bij een ongeluk zal u het niet kunnen tegen-houden, zelfs niet als u zelf in uw gordel vastzit.Als uw auto betrokken is geweest bij een verkeersongeluk, moet u de autogordels laten controleren en de zittingverhoger vervangen.Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parke-ren of stoppen van de autoLaat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen.Risico op ernstig letsel.Verantwoordelijkheid van de bestuurderGebruik de opbergruimte nooit als zittingverhoger voor een kind of dier. Dat kan gevaarlijk zijn voor hen en de bestuurder bij krachtig remmen of een botsing.Levensgevaar of risico op ernstig letsel.

1.25KINDERVEILIGHEID: algemeen (2/2)GebruikOp deze plaats kan uitsluitend een zit-tingverhoger gebruikt worden.De bescherming die de zittingverhoger biedt, is afhankelijk van zijn capaciteit om het kind vast te houden en van de installatie ervan. Door een verkeerde installatie komt de bescherming van het kind in gevaar bij krachtig remmen of een botsing.Controleer voordat u een zittingverhoger koopt, of deze voldoet aan de wettelijke eisen van het land waar u zich bevindt en of het gemonteerd kan worden in uw auto. Raadpleeg een merkdealer om te weten welke zittingverhogers geadviseerd worden voor uw auto.Lees voordat u een zittingverhoger monteert de gebruiksaanwijzing en houd u aan de in-structies. Neem, bij problemen met het in-stalleren, contact op met de fabrikant van de uitrusting.

Bewaar de gebruiksaanwijzing bij de zittingverhoger.Laat een kind nooit onbewaakt achter in de auto.Controleer altijd of uw kind is vastgemaakt en zijn gordel goed is afgesteld.Zorg dat het hoofd van het kind niet buiten de auto kan steken.Controleer regelmatig de juiste houding van het kind, met name als het slaapt.Geef het goede voorbeeld door uw gordel vast te maken en leer uw kind:– zich correct vast te maken,– in en uit te stappen aan de andere kant van het verkeer.Gebruik geen tweedehands kinderzitje of zonder gebruiksaanwijzing.Let op dat niets in de buurt van het kin-derzitje de installatie ervan belemmert.

1.26KINDERVEILIGHEID: zittingverhogerOp deze plaats kan uitsluitend een zit-tingverhoger gebruikt worden.ZittingverhogersVanaf 15 kg of 4 jaar kan een kind reizen op een zittingverhoger waarmee de autogordel kan worden aangepast aan zijn lichaams-bouw. De zitting van de verhoger moet ge-leiders hebben die de gordel over de heupen van het kind en niet over de buik laten lopen. Een in hoogte verstelbare rugleuning met een gordelgeleider wordt geadviseerd om de gordel op het midden van de schouder te plaatsen. Deze mag nooit over de hals of over de armen lopen.Kies een omhullend zitje voor een betere be-scherming opzij.Verantwoordelijkheid van de bestuurderGebruik de opbergruimte nooit als zittingverhoger voor een kind of dier. Dat kan gevaarlijk zijn voor hen en de bestuurder bij krachtig remmen of een botsing.Levensgevaar of risico op ernstig letsel.

1.27KINDERVEILIGHEID: bevestigen van de zittingverhogerBevestiging met de autogordelDe autogordel moet worden afgesteld om goed te kunnen werken bij krachtig remmen of bij een botsing.Laat de gordel lopen zoals de fabrikant van de zittingverhoger voorschrijft.Controleer altijd de vergrendeling van de au-togordel door eraan te trekken en zet hem daarna zo strak mogelijk door op de zitting-verhoger te drukken.Controleer of de zittingverhoger goed vastzit door de zittingverhoger naar links/rechts en naar voren/achteren te bewegen: de zitting-verhoger moet stevig vast blijven zitten.Controleer of de zittingverhoger niet dwars is geïnstalleerd.Verander niets aan de oor-spronkelijke onderdelen van het systeem: gordels, stoelen en de bevestigingen ervan.De autogordel mag nooit los-gemaakt of verdraaid worden.

Laat de gordel nooit onder de armen of achter de rug lopen.Controleer of de gordel niet beschadigd is door scherpe randen.Als de autogordel niet normaal werkt, kan deze het kind niet beschermen. Raadpleeg een merkdealer. Gebruik deze zitplaats niet zolang de gordel niet is gerepareerd.Gebruik geen zittingverhoger die de gordel waarmee het vastzit zou kunnen losmaken: het onderstel van de zittingver-hoger mag niet op de gesp en/of de slui-ting van de gordel rusten.

1.28KINDERVEILIGHEID: installatie van de zittingverhoger (1/3)Controleer of de zittingverho-ger, door het installeren ervan in de auto, niet loskomt van het onderstel.Maak de zittingverhoger altijd, ook als deze niet wordt gebruikt, vast om te voorkomen dat deze door de auto vliegt bij krachtig remmen of een botsing.Controleer of de zittingverho-ger of de voeten van het kind het goed vergrendelen van de voorstoel niet belemmeren. Raadpleeg de paragraaf “Voorstoel” in hoofdstuk 1.Zitplaats achterinZet, voor de veiligheid van het kind, de voor-stoel van de auto zo ver mogelijk naar voren om de zittingverhoger te installeren, en zet deze daarna zo ver mogelijk terug zonder dat deze tegen het kind komt.Controleer of de zittingverhoger goed tegen de rugleuning van de stoel van de auto rust.

1.29² Plaats verboden voor het installeren van een kinderzitje.฀Plaats toegelaten voor de beves-tiging met de gordel van een uitsluitendzittingverhoger die goedgekeurd is als “Universeel”.Door het gebruik van een niet bij de auto passend kinder-veiligheidssysteem wordt de baby of het kind niet correct be-schermd. Het kan ernstig of zelfs dode-lijk letsel oplopen.KINDERVEILIGHEID: installatie van de zittingverhoger (2/3)

1.30KINDERVEILIGHEID: installatie van de zittingverhoger (3/3)Type kinderzitje Gewicht van het kind Zitplaats achterinReiswieg dwarsGroep 0 < tot 10 kg XKuipzitje achterstevoren geplaatstGroep 0 of 0+ < tot 13 kg en 9 tot 18 kg Xkinderzitje achterstevoren geplaatstGroep 0+ en 1 9 tot 18 kg XKinderzitje vooruit geplaatstGroep 1 9 tot 18 kg XZittingverhogerGroep 2 en 3 15 tot 25 kg en 22 tot 36 kg UF (1)X = Plaats niet toegestaan voor het installeren van een kinderzitje.UF = Plaats toegelaten voor de bevestiging met de gordel van uitsluitend een zittingverhoger die goedgekeurd is als “Universeel”.

controleer of het gemonteerd kan worden.(1) plaats de rugleuning van de zittingverhoger tegen de rugleuning van de auto; zet de voorstoel naar achteren zonder dat deze het kind raakt.In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht van de vorige bladzijde, overeenkomstig de wettelijke voorschrif-ten.

1.32Instrumentenpaneel A: het licht op bij het aanzetten van het contact.WAARSCHUWINGSLAMPJES (1/3)Controlelampje ø: het is nodig direct voorzichtig naar een merkdea-ler te rijden.

Als u dit voorschrift negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.AåWaarschuwingslampje airbagDit gaat branden bij het aanzetten van het contact en dooft na enkele secon-den.Als het niet gaat branden bij het aanzetten van het contact of als het oplicht tijdens het rijden, wijst dit op een storing in het systeem.Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-dealer.Waarschuwingslampje koppe-ling van laadsnoerHet gaat branden zodra het laadsnoer op de elektrische voedingsbron is aangesloten.uControlelampje markeringslicht áControlelampje grootlicht dControlelampje richtingaanwij-zersêControlelampje startvergrende-lingRaadpleeg de paragraaf “Startvergrendeling” in hoofdstuk 1.Indicatielampje “klaar om te rijden”Raadpleeg de paragraaf “Starten, stoppen van de motor” in hoofdstuk 2.Als er geen visueel of geluids-signaal terug komt, geeft het een storing van het instrumen-tenpaneel weer.

U moet direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen. Zorg dat de auto in-derdaad goed gestopt is en neem con-tact op met een merkdealer.Het waarschuwingslampje ® dwingt u, voor uw veiligheid, direct te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer.De aanwezigheid en de werking van de lampjes ZIJN AFHANKELIJK VAN HET LAND, HET UITRUSTINGSNIVEAU EN EVENTUELE OPTIES VAN DE AUTO.

1. 33WAARSCHUWINGSLAMPJES (2/3)®Waarschuwingslampje stop on-middellijkDit gaat branden bij het aanzetten van het contact en gaat uit zodra de motor is gestart. Het gaat tegelijk met andere waarschu-wingslampjes branden en gaat vergezeld van een geluidssignaal. Het dwingt u, voor uw veiligheid, direct te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer. Speciale functie: bij een steile afdaling gaat er een waarschuwingslampje branden en klinkt er een geluidssignaal om aan te geven dat de snelheid van de auto te hoog is. U moet langzamer gaan rijden. Risico van beschadiging van de motor. Het waarschu-wingslampje dooft zodra de auto onder zijn maximumsnelheid rijdt. Controlelampje voorruitverwar-ming.

ÚWaarschuwingslampje laad-stroom 12 voltBeperk, als het lampje gaat branden, het ge-bruik van de uitrustingen en accessoires die veel energie verbruiken en die u niet nodig hebt. Als het lampje blijft branden, moet u zo snel mogelijk bij een merkdealer langsgaan. Als het lampje blijft branden in combinatie met waarschuwingslampje ® en een geluidssignaal, duidt dit op een storing in het laadstroomcircuit van de 12V-accu. Stop en roep de hulp in van een merkdealer. DWaarschuwingslampje remsy-steem en waarschuwingslampje handrem aangetrokkenHet gaat branden bij het aanzetten van het contact en dooft zodra de handrem is vrij-gezet. Als het controlelampje tijdens het remmen gaat branden samen met het waarschu-wingslampje ® en er een geluidssig-naal klinkt, dan wijst dat op een daling van de hoeveelheid remvloeistof of op een sto-ring aan het remsysteem.

Stop en roep de hulp in van een merkdea-ler. De aanwezigheid en de werking van de lampjes ZIJN AFHANKELIJK VAN HET LAND, HET UITRUSTINGSNIVEAU EN EVENTUELE OPTIES VAN DE AUTO. AøWaarschuwingslampjeDit gaat branden bij het aanzetten van het contact en gaat uit zodra de motor is gestart.

1.34Waarschuwingslampje laag niveau tractiebatterijHet gaat branden wanneer het laadni-veau van de tractiebatterij op reserve staat. Raadpleeg de paragraaf “Displays en meters” in hoofdstuk 1.Waarschuwingslampje elektro-nisch systeemWanneer het tijdens het rijden gaat branden, is er sprake van een elektrotechnische sto-ring in het “58 volt”-circuit. Raadpleeg snel een merkdealer.Als dit knippert nadat de auto is gestart of tijdens het rijden, en tegelijk het controle-lampje ® brandt en een geluidssignaal klinkt, geeft dit aan dat de laadklep geopend of niet goed gesloten is.

Stop en zet het con-tact uit en zorg ervoor dat het laadsnoer is losgekoppeld en dat de klep goed gesloten is.©Niet in gebruik ERROR Niet in gebruik+ Niet in gebruikWAARSCHUWINGSLAMPJES (3/3)Waarschuwingslampje tempera-tuur elektronisch systeemWanneer het waarschuwingslampje gaat branden, heeft de motor of de tractiebatterij een te hoge temperatuur. Neem een soepe-ler rijgedrag aan.Het branden van het waarschuwings-lampje kan gepaard gaan met een ver-mindering van de prestaties van de auto.De aanwezigheid en de werking van de lampjes ZIJN AFHANKELIJK VAN HET LAND, HET UITRUSTINGSNIVEAU EN EVENTUELE OPTIES VAN DE AUTO.AIndicator van de stand van de selectie- 1schakelaar van de versnellingen (N, D ofR).1

1.35DISPLAYS EN METERS (1/2)Laadniveau 1De meter geeft de resterende hoeveelheid energie aan.NB: telkens nadat het contact wordt uitge-zet, wordt het resterende energieniveau op-nieuw berekend.Wanneer het contact weer wordt aangezet, kan hierdoor de weergave van het niveau iets variëren.De aanwezigheid en werking van de displays en meters ZIJN AFHANKELIJK VAN DE UITRUSTING EN HET LAND.Drempel van onmiddellijke stilstandWanneer het laadniveau van de batterij minder dan 6% wordt, klinkt het geluids-signaal om de 20 seconden en knippert het waarschuwingslampje Ṏ.De motorprestaties verminderen geleidelijk tot de stilstand van de auto.Raadpleeg de paragraaf “Slepen: bij ener-giepech” in hoofdstuk 5.Verbruiksmeter 2Raadpleeg de paragraaf “Verbruiksmeter” in hoofdstuk 2.Snelheidsmeter 3In kilometers of mijlen per uur.123ReservedrempelWanneer het laadniveau van de batterij 12% wordt, gaat het waarschuwingslampje Ṏ branden en klinkt een geluidssignaal.Om uw actieradius te optimaliseren raad-pleegt u de paragraaf “Aanbevelingen: ener-giebesparing” in hoofdstuk 2.

1.36Kenmerken van de weergave van de verwachte actieradius– Door een sportieve rijstijl neemt de waarde van de verwachte actieradius snel af. Wanneer er weer rustig wordt gereden, moeten er enkele kilometers worden gereden om weer een schatting te krijgen die dichter bij de werkelijkheid ligt.– De verwachte actieradius die na het op-laden van de batterij wordt weergegeven, wordt berekend op basis van het verbruik tijdens de 150 laatst gereden kilometers.Instrumentenpaneel in mijlenHet is mogelijk over te schakelen op km/h.Druk op de toets en zet het contact aan.5De eenheid van de snelheidsmeter knippert gedurende ongeveer drie seconden, daarna wordt de nieuwe eenheid eerst knipperend, daarna vast aangegeven: laat de toets 5 los.Doe hetzelfde om weer terug te gaan naar mijlen.Display 4Door de toets lang in te drukken wordt de 5dagteller op nul gezet.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Renault Twizy (2017) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden