Remeha SENTRY CWH 90-300 Handleiding

Remeha Boiler SENTRY CWH 90-300

Bekijk gratis de handleiding van Remeha SENTRY CWH 90-300 (25 pagina’s), behorend tot de categorie Boiler. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 19 mensen. Heb je een vraag over Remeha SENTRY CWH 90-300 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/25
SENTRY GASBOILERS
MODELLEN: CWH 30/200 CWH 30/300
CWH 60/200 CWH 60/300
CWH 90/200 CWH 90/300
CWH 120/200 CWH 120/300
Installatie-, bedienings- en onderhoudsvoorschriften
Deze instructies dienen bij het toestel bewaard te worden
360.01.11

Beoordeel deze handleiding


Product specificaties

Merk: Remeha
Categorie: Boiler
Model: SENTRY CWH 90-300

Handleiding Remeha SENTRY CWH 90-300 – volledige tekst

1. BESCHRIJVING De Sentry CWH serie is een direct gestookte condenserende gasboiler. De boiler heeft een roestvast stalen tank welke wordt opgewarmd door één of meerdere buiten de tank geplaatste brandermodules. Een brandermodule bestaat uit een roestvast stalen warmtewisselaar waarbinnen de brander is geplaatst. De boiler werkt volgens het oplaadprincipe; het water onder in de tank wordt direct door de warmtewisselaar geleid en opgewarmd boven in de tank teruggevoerd. De temperatuur van het water onder in de tank (retourtemperatuur) is maatgevend voor de branderbelasting, op basis van deze retourtemperatuur moduleert de brander. De temperatuur waarmee het water terug in de tank wordt gevoerd (aanvoertemperatuur) wordt door middel van pompmodulatie gelijk aan ingestelde boilertemperatuur gehouden.

Een belangrijk voordeel van het buiten de tank brengen van de warmteoverdracht is dat het rendement niet wordt beïnvloedt door de temperaturen die er in de tank heersen. Zolang er wordt getapt is retourtemperatuur nagenoeg gelijk aan de koudwatertemperatuur, daardoor wordt gedurende de tapperiode het maximale rendement van 109% bereikt. Aan het eind opwarmperiode, als tank bijna geheel is opgewarmd, zal de retourtemperatuur oplopen en moduleert de brander terug. Doordat het water vanuit het laagste punt in de tank wordt rondgepompt vindt er een volledige opwarming van de tank plaats en zijn er geen koele zones in de tank. Het jaargebruiksrendement bedraagt tot 98,5%(Hi), hetgeen overeenkomt met een EPN opwekkingsrendement van 0,8887.

De gelijkwaardigheids-verklaring van Gastec Certification BV toont welke opwekkingsrendementen ten behoeve van de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC) kunnen worden gehanteerd, waarbij de waarde met een veelvoud van 0,025 naar beneden moet worden afgerond. 2

2. INSTALLATIEVOORSCHRIFTEN 2.1 Algemeen Lees eerst deze installatievoorschriften alvorens met de installatie wordt begonnen. De installatie dient te voldoen aan de laatste versie van de volgende voorschriften: • NEN 1078, Eisen en bepalingsmethoden voor huishoudelijke gasleidinginstallaties • NEN 1010, Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties • NEN 2757, Toevoer verbrandingslucht en afvoer van rook van verbrandingstoestellen • Eventuele plaatselijk geldende voorschriften Dit toestel mag uitsluitend door een daartoe erkend installatiebedrijf worden geïnstalleerd. 2.2 De opstelling van de boiler Plaats de boiler op een vlakke vloer in een vorstvrije ruimte. In de opstellingsruimte moeten minimaal de volgende afstanden tot een wand, deur of luik in acht worden genomen: - 150 mm aan de rechterzijde - 150 mm aan de linkerzijde - 600 mm aan de voorzijde (i.v.m.

service) - 400 mm aan de bovenzijde (i.v.m. service) Plaats de boiler in een ruimte waar, in geval van lekkage aan de tank of aan de aansluitingen, geen waterschade kan ontstaan aan de directe omgeving of aan lager gelegen verdiepingen. Indien dit niet mogelijk is, dient de boiler in een veiligheids-opvangbak met afvoermogelijkheid geplaatst te worden. 2.3 Wateraansluitingen De koudwateraansluiting en de warmwateraansluiting bevinden zich aan de bovenzijde van het toestel, zie figuur 1. Ten behoeve van een circulatieleiding is er een extra aansluiting aanwezig, let er op dat er in de circulatieleiding een keerklep wordt gemonteerd. Pas driedelige koppelingen toe om het verlenen van service vlot te doen verlopen. Plaats een inlaatcombinatie in de koudwatertoevoerleiding en serviceafsluiters in de warmwaterleiding en de circulatieleiding. figuur 1: aansluitingen 5

2. 4 Circulatieleiding Ten behoeve van een circulatieleiding is er een extra aansluiting aanwezig (zie figuur 1), let er op dat er in de circulatieleiding een keerklep wordt gemonteerd. In tabel 1 is het maximum circulatiedebiet vermeld. tabel 1: maximum circulatiedebiet model CWH30/… CWH60/… CWH90/… CWH120/… debiet (m3/h) 0,9 1,8 2,7 3,6 2. 5 Drukbeveiliging van het water In de koudwatertoevoerleiding naar de boiler moet een inlaatcombinatie worden gemonteerd. De inlaatcombinatie dient op maximaal 8 bar te zijn afgesteld. De overstort van het expansiewater moet via een open trechterverbinding zijn aangesloten op een afvoerleiding naar het riool. Deze afvoerleiding mag niet kunnen bevriezen. Het is noodzakelijk om bij vervanging van een boiler tevens nieuwe inlaatcombinatie te monteren. 2.

6 Waterkwaliteit De waterkwaliteit dient te voldoen aan de eisen van het waterleidingbesluit en aanbevelingen van de VEWIN. Bij intensief gebruik van het toestel in combinatie met hard water (>10°dH) kan zich binnen de warmtewisselaar snel kalkafzetting vormen. Frequent onderhoud zal dan het gevolg zijn. Om hoge onderhoudskosten te vermijden en een betrouwbare werking te garanderen, adviseert Baxi BV in dergelijke omstandigheden waterbehandeling te toe te passen. 2. 7 Gasaansluiting De gasaansluiting bevindt zich aan de bovenzijde van het toestel, zie figuur 1. Zorg voor een juiste dimensionering van de gasleiding en de gasmeter. Let hierbij op het eventueel gelijktijdig in gebruik zijn van andere gasgestookte apparatuur. Raadpleeg NEN 1078 om de juiste diameter van de gasleiding te bepalen.

De nominale voordruk bij de gasaansluiting is 25 mbar voor aardgastoestellen en 30 mbar voor propaantoestellen. Monteer een gaskraan op korte afstand van het toestel. Plaats een gasfilter in de gastoevoerleiding om vervuiling van het gasregelblok te voorkomen. Pas koppelingen toe om het verlenen van service vlot te doen verlopen.

Blaas de gasleiding goed schoon alvorens deze aan te sluiten. Controleer alle verbindingen op dichtheid. 2. 8 Elektrische aansluiting Maak een vaste netaansluiting uitgevoerd volgens NEN 1010. De aansluitspanning is 230 Volt / 50 Hz, het toestel dient geaard te worden. In de aansluitleiding dient een dubbelpolige hoofdschakelaar met een contactopening van ten minste 3 mm te worden geplaatst. Deze hoofdschakelaar dient te allen tijde bereikbaar te zijn. Let er op dat fase (L) en nul (N) juist worden aangesloten. Het toestel is fasegevoelig, bij verwisseling van fase en nul zal het toestel in storing vallen. Zie hoofdstuk 7 (technische gegevens) voor het opgenomen elektrisch vermogen. Boven het bedieningspaneel bevindt zich een klemmenstrook (figuur 2).

klemmen aansluiting EN1 - EN2 externe aansturing, zie § 2. 8. 3 pomp L - pomp N circulatiepomp, zie § 2. 8. 1 figuur 2: klemmenstrook 2. 8. 1 Circulatiepomp Op de klemmen pomp L - pomp N kan een circulatiepomp (max. 0,7 A) worden aangesloten. De circulatiepomp kan dan worden aangestuurd door een thermostaat aangesloten op klemmen TH1-TH2. Sluiten de contacten van de thermostaat dan wordt de circulatiepomp geactiveerd. Deze toepassing kan worden gebruikt wanneer de boiler wordt gecombineerd met een voorraadvat; zodra de temperatuur in het voorraadvat te laag wordt zal de thermostaat van het voorraadvat de pomp activeren waardoor het vat weer wordt opgewarmd. 2. 8. 2 Tijdelijke verandering boilertemperatuur Het is mogelijk om de boilertemperatuur op afstand of via een klokprogramma te wijzigen.

De nieuw gewenste boilertemperatuur wordt vooraf ingesteld op een waarde hoger of lager dan de boilertemperatuur tijdens normaal bedrijf. Hierdoor is het bijvoorbeeld mogelijk om een legionella-spoeling uit te voeren. De boilertemperatuur wijzigt zodra de contacten aangesloten op klemmen BT1-BT2 worden gesloten. De boilertemperatuur gaat weer naar normaal bedrijf zodra deze contacten weer openen. Wordt de temperatuurwijziging gebruikt voor een legionella-spoeling, dan is het mogelijk de boilertemperatuur naar normaal bedrijf terug te laten gaan voordat het klokprogramma afloopt. Dit gebeurt dan op basis van een temperatuurmeting, bijvoorbeeld aan het eind van een circulatieleiding. Hiertoe wordt dient een 10K NTC temperatuursensor te worden aangesloten op de klemmen LS1-LS2.

De boilertemperatuur springt nu terug naar normaal bedrijf indien de temperatuur op het meetpunt gedurende 20 minuten hoger is dan de gewijzigde boilertemperatuur verminderd met 5°C. Wordt bijvoorbeeld de gewijzigde boilertemperatuur op 65°C ingesteld, dan springt de boilertemperatuur terug naar normaal bedrijf zodra de temperatuur op het meetpunt 20 minuten lang boven de 60°C is geweest. 2. 8.

2.9 Rookgasafvoer en luchttoevoer Het toestel kan zowel open als gesloten worden opgesteld. Het toestel dient te worden aangesloten op een Sentry dak- of muurdoorvoerset. Het toestel moet worden aangesloten op dikwandig aluminium of roestvaststaal rookgasafvoermateriaal. Wordt roestvaststaal gebruikt, dan moet een condensopvang zo dicht mogelijk bij de toestelaansluiting worden gemonteerd. Horizontale delen in het rookgasafvoerkanaal moeten op een afschot van 50 mm per meter naar het toestel toe worden gemonteerd. Sluit de condensafvoer via een open verbinding aan op het riool, zie figuur 3. figuur 3: condensafvoer 2.9.1 Open opstelling Tabel 2 toont de rookgasdiameters en maximale lengte van het rookgasafvoerkanaal. Voor 90° bochten dient de lengte volgens tabel 3 op de maximale lengte in mindering te worden gebracht.

tabel 2: rookgasafvoerkanaal tabel 3: weerstand bochten model diameter (mm) lengte (m) bocht 90° lengte (m) CWH30/… 80 50 ∅ 80 mm 4 CWH60/… 80 20 ∅ 130 mm 2 CWH90/… 130 50 CWH120/… 130 40 2.9.2 Gesloten opstelling met tweepijpssysteem van rookgasafvoer en luchttoevoer Voor de CWH30 en 60 is een aansluitstuk voor een tweepijpssysteem beschikbaar, zie tabel 4. Figuur 4 toont de maximale lengte van luchttoevoer en rookgasafvoerkanaal. Voor extra bochten dient de lengte volgens tabel 5 op de maximale lengte in mindering te worden gebracht. figuur 4: maximum lengte rookgasafvoer/luchttoevoer 8

3. BEDIENINGSVOORSCHRIFTEN 3.1 Bedieningspaneel Op het bedieningspaneel (figuur 6) kan de bedrijfstoestand van de boiler worden uitgelezen en kan de gewenste temperatuur worden ingesteld. figuur 6: bedieningspaneel Afhankelijk van het model is de boiler uitgerust met 1, 2 ,3 of 4 brandermodules (zie hoofdstuk 7, technische gegevens) elke brandermodule heeft een eigen branderautomaat. Voor elke brandermodule bevinden zich op het bedieningspaneel een groene en een rode LED, deze geven de status van de corresponderende brandermodule weer.

De groene LED: - uit geen branderautomaat gedetecteerd - knipperend branderautomaat gedetecteerd, brandermodule niet in bedrijf - aan brandermodule in bedrijf De rode LED: - uit geen storing - knipperend blokkerende storing - aan vergrendelende storing Het display op het bedieningspaneel bestaat uit 3 segmenten, hierin kunnen de volgende codes verschijnen: code betekenis geen warmte vraag warmtevraag programma gewijzigde boilertemperatuur geactiveerd permanent, circulatiepomp aangesloten op klemmen pomp L - pomp N geactiveerd knipperend, circulatiepomp stand by actuele boilertemperatuur 10

3.2 Temperatuurinstelling Druk op de + of de - toets, in het display verschijnt de gewenste boilertemperatuur, met de + en - toetsen kan deze nu worden ingesteld tussen 40 en 70°C. Na verloop van tijd springt het display weer terug naar de actuele boilertemperatuur. Hoe lager de boilertemperatuur des te minder is er kans op kalkafzetting (minder onderhoud), daarnaast is het risico van verbranding bij tappen gering (denk aan kinderen, minder-validen en bejaarden). Om de vorming van legionella-bacteriën tegen te gaan moet de boilertemperatuur echter op tenminste 60°C zijn ingesteld. 3.3 Tijdelijke temperatuurverandering instellen Wordt gebruik gemaakt van het programma voor tijdelijke temperatuurverandering (zie § 2.8.2) dan wordt de tijdelijk gewenste temperatuur als volgt ingesteld. Houd de reset-toets langer als 5 seconden ingedrukt, in het linker segment van het display verschijnt L.

In de 2 rechter segmenten wordt de tijdelijk gewenste boilertemperatuur weergegeven, met de + en de - toets kan deze nu worden ingesteld tussen 40 en 75°C. Door de reset-toets wederom in te drukken wordt de tijdelijk gewenste temperatuur vastgelegd, in het display verschijnt C00. Door nogmaals op de reset-toets te drukken springt het display weer terug naar normaal menu. Wordt de nieuw ingevoerde temperatuur niet binnen 1 minuut vastgelegd dan springt display weer terug naar normaal menu zonder de waarde op te slaan. Let op: bij een ingestelde temperatuur boven de 70°C functioneert het toestel alleen nog op laaglast. 11

4. VOORSCHRIFTEN VOOR IN BEDRIJF STELLEN 4. 1 Het vullen van de boiler - Controleer of de aftapkraan van de boiler gesloten is. - Controleer of de serviceafsluiter achter het luikje bij de aftapkraan geopend is. - Open de hoofdkraan van het water en daarna alle warmwatertappunten, zodat de in de installatie en boiler aanwezige lucht kan ontsnappen. - Vul de boiler door de koudwater-toevoerkraan open te draaien. De boiler is gevuld zodra er water uit alle warmwatertappunten stroomt. - Ontlucht de pomp(en) in het toestel met behulp van de ontluchtingsschroef boven de pomp(en). 4. 2 In bedrijf stellen 1. Alvorens de boiler in werking te stellen dient gecontroleerd te worden dat: - de boiler geheel gevuld is met water - de serviceafsluiter achter het luikje bij de aftapkraan geopend is.

- de gasleiding ontlucht is - de elektrische voeding naar het toestel is ingeschakeld - de fase en nul correct zijn aangesloten op het toestel 2. Open de gaskraan voor het toestel. 3. Schakel de elektrische voeding in met de voedingsschakelaar op het bedieningspaneel. De boiler zoekt nu naar de aanwezige brandermodules, zodra deze zijn gedetecteerd begint de met de brandermodule corresponderende groene LED te knipperen. Nadat alle brandermodules zijn gedetecteerd worden de brandermodules één voor één opgestart, is een brandermodule in bedrijf dan brandt de groene LED permanent. 4. 3 CO2 afstellen De juiste verhouding van gas en lucht kan worden gecontroleerd aan de hand van het CO2 percentage in de rookgassen. Deze controle dient per brandermodule op vollast en op laaglast te geschieden. Ten behoeve van de meting beschikt iedere brandermodule over een CO2 meetpunt, zie figuur 7.

Bij brandermodules welke zijn afgeschermd met een hitteschild (HOT), moet het hitteschild verwijderd worden om bij het meetpunt te komen. Tabel 8 toont de waarde van het CO2 percentage bij vollast en bij laaglast.

3. Houd de reset-toets langer als 5 seconden ingedrukt, in het display verschijnt L. Druk nogmaals op de reset-toets, in het display verschijnt C00. Druk op de + toets om de gewenste brandermodule te selecteren welke op vollast dient te draaien: brandermodule 1 brandermodule 2 brandermodule 3 brandermodule 4 alle brandermodules gelijktijdig brandermodule 2 niet aanwezig Druk op de reset-toets om de gewenste brandermodule vast te leggen. Met de + en de - toets kan nu de brandermodule op resp. vollast of laaglast functioneren, in het display verschijnt de actuele brandercapaciteit afgewisseld door: brandermodule 1 naar vollast brandermodule 1 naar laaglast Selecteer vollast met de + toets. 4. Meet het CO2 percentage en vergelijk deze met tabel 8. Het CO2 percentage kan met behulp van de stelschroef ”vollast” op het gasregelblok worden aangepast, zie figuur 8.

Door de stelschroef linksom te verdraaien wordt het CO2 percentage verhoogd. 5. Controleer nu het CO2 percentage op laaglast. figuur 8: stelschroeven 4. 3. 2 Controle en afstellen op laaglast 1. Selecteer laaglast met de - toets. 2. Meet het CO2 percentage en vergelijk deze met tabel 8. Het CO2 percentage kan met behulp van de stelschroef ”laaglast” (inbus 2 mm) op het gasregelblok worden aangepast, zie figuur 8. Door de stelschroef rechtsom te verdraaien wordt het CO2 percentage verhoogd. 3. Controleer nogmaals de het CO2 percentage bij vollast, vindt er wederom een verstelling plaats op vollast dan nogmaals op laaglast controleren. 4. Druk op de reset-toets, er kan nu met de + en - toets een nieuwe brandermodule worden geselecteerd. De boiler wordt weer in normale bedrijfstoestand gebracht door herhaaldelijk op de - toets te drukken totdat C00 in het display verschijnt.

4 Pomptest functie Het is mogelijk om alleen de pompen te laten draaien om zo de werking te controleren, of bijvoorbeeld om lucht uit het systeem te verwijderen. Houd de reset-toets langer als 5 seconden ingedrukt, in het linker segment van het display verschijnt L. Druk 2 maal op de reset-toets, in het display verschijnt P00. Druk op de + toets om de gewenste pomp te selecteren: 13.

P01 pomptest geselecteerd voor pomp 1 P11 pomp 1 in werking P0A pomptest geselecteerd voor alle pompen P1A 1 pomp in werking P2A 2 pompen in werking De boiler wordt weer in normale bedrijfstoestand gebracht door herhaaldelijk op de - toets te drukken totdat P00 in het display verschijnt. Druk op de reset-toets en het display springt terug naar normaal bedrijf. 4.5 Buiten bedrijf stellen Schakel de elektrische voeding uit. Draai vervolgens de gaskraan in de toevoerleiding dicht. Bij vorstgevaar dient de boiler leeg te zijn. Let op: indien de elektrische voeding langere tijd blijft uitgeschakeld werkt de zelftest van de besturing niet meer. Deze vindt 1 maal in de 24 uur plaats en activeert onder andere de pompen kortstondig waardoor wordt voorkomen dat de pompen vast gaan zitten.

4.6 Aftappen van de boiler Moet de boiler om welke reden dan ook worden afgetapt, stel dan eerst de boiler buiten bedrijf en ga als volgt te werk: - Sluit de waterkraan in de koudwatertoevoer af. - Open een van de warmwaterkranen, welke zich op een hoger gelegen punt bevindt dan de boiler, waardoor het warmwaterleidinggedeelte ontlucht wordt. Indien de boiler boven het niveau van de tappunten staat opgesteld zal het nodig zijn de warmwateraansluiting los te draaien om het toestel te kunnen laten leeglopen. - Open de aftapkraan van de boiler, waarna het toestel leegloopt. Let goed op, het uitstromende water kan zeer heet zijn! 14

5. STORINGSCODES In geval zich er een storing voordoet verschijnt er in het display van het bedieningspaneel een storingscode. In het linker segment verschijnt afwisselend een letter gevolgd door het nummer van de brandermodule. De letter is een A voor een vergrendelende storing, of een E voor een blokkerende storing. De 2 rechter segmenten tonen een storingscode, tabel 9 geeft de betekenis van de diverse codes. Wanneer er een storing is op meerdere brandermodules dan wisselt het display om de 5 seconden van brandermodule met bijbehorende storingscode. Vergrendelende storingen worden met behulp van de reset-toets ontgrendeld. Alleen de brandermodule waarvan de storingscode in het display is weergegeven, wordt op dat moment ontgrendeld. tabel 9: storingscodes vergrendelende storing code omschrijving oorzaak, handelingen A01 Geen vlamsignaal aan eind ontstekingsfase. - Geen gas.

6. ONDERHOUD Minimaal één maal per jaar moeten de volgende werkzaamheden worden verricht: 1. Controleer het CO2 percentage en stel dit eventueel af, zie § 4. 3. 2. Controleer de belasting op vollast door het gasverbruik te meten. Indien dit meer dan 15% afwijkt van de nominale waarde (zie hoofdstuk 7, technische gegevens) dan duidt dit op vervuiling of verstopping van het rookgasafvoerkanaal, het luchttoevoerkanaal of de condensafvoer. 3. Schakel de elektrische voeding uit. Controleer de condensafvoer en spoel de condensbak en condensafvoer door met schoon leidingwater. Aan de bovenzijde van de condensbak is hiervoor een opening aangebracht, zie figuur 9. Verwijder eerst het hitteschild en laat dan met behulp van een trechter water in de condensbak lopen. Controleer het uitstromende water via de condensafvoerleiding onder de wisselaar.

Worden er geen verontreinigingen meegenomen dan is de condensafvoer schoon. Spoel alleen met leidingwater, het is niet toegestaan hiervoor reinigingsmiddelen toe te passen. figuur 9: spoelpunt 4. Controleer de ionisatie-elektrode, deze behoort recht en schoon te zijn (lichte aanslag is normaal). 5. Spoel de tank van de boiler door de aftapkraan te openen. Laat net zolang water uit de boiler stromen, totdat er met het water geen kalkbezinksel meer meekomt. In gebieden met hard water is het noodzakelijk de boiler frequenter door te spoelen. Normaal gesproken behoeven brander en wisselaar niet gereinigd te worden. Vermoedt men toch vervuiling dan dient de wisselaar vanaf de onderzijde geopend te worden. Bij montage moeten altijd nieuwe pakkingen worden gebruikt. De bovenzijde van de wisselaar mag nooit worden geopend.

De gloeiplug is een kwetsbaar onderdeel mag alleen worden losgenomen indien deze vervangen wordt door een nieuw exemplaar. Bij vervanging van een pomp is het niet noodzakelijk de gehele tank af te tappen. Sluit de inlaatcombinatie en serviceafsluiters in de warmwaterleiding en circulatieleiding.

Sluit de serviceafsluiter achter het luikje bij de aftapkraan (figuur 10). Open de aftapkraan totdat de druk van het systeem is afgelaten. De pomp kan nu worden vervangen. Bij vervanging van onderdelen mogen slechts originele, door de fabrikant aangegeven onderdelen worden toegepast. Componenten welke zijn verzegeld mogen niet worden versteld of worden gedemonteerd. 6. 1 Spoelen warmtewisselaar Afhankelijk van de gebruikintensiteit zal het in gebieden met hard water noodzakelijk zijn de warmtewisselaar frequent spoelen. Het spoelen van de warmtewisselaar geschiedt als volgt: 1. Sluit de inlaatcombinatie en serviceafsluiters in de warmwaterleiding en circulatieleiding. 2. Open de aftapkraan (figuur 10) en wacht tot de uitstroom van het water stopt, de druk is dan van de boiler. Sluit de aftapkraan weer. 3. Sluit de serviceafsluiter achter het luikje bij de aftapkraan (figuur 10). 4.

figuur 10: aftapkraan en serviceafsluiter figuur 11: pompkoppeling 5. Plaats een kap op de persaansluiting van de pomp (figuur 12). 6. Sluit een slang aan op de leiding van de warmtewisselaar (figuur 12). figuur 12: spoelen warmtewisselaar 7. Open de inlaatcombinatie en spoel de warmtewisselaar totdat er geen kalkdeeltjes meer mee komen. Mocht het spoelen niet afdoende zijn, dan is zuren van de wisselaar noodzakelijk. Heeft men met snelle kalkafzetting binnen de wisselaar te maken, dan is het aan te bevelen waterbehandeling toe te passen om zodoende de onderhoudsfrequentie te verlagen. 18

10. GARANTIE VOORWAARDEN Indien deze SENTRY gasboiler is geïnstalleerd en afgesteld volgens de voor deze boiler geldende installatie- en bedieningsvoorschriften en onderhouden volgens de voor deze boiler geldende onderhoudsinstructies en indien de watertoevoer is voorzien van een nieuwe goedwerkende inlaatcombinatie welke de boiler beschermt tegen te hoge druk, zal Baxi BV: Voor de tijd van één jaar na datum van de installatie onderdelen, welke na onderzoek door Baxi BV defect blijken te zijn ten gevolge van materiaal- en/of fabricagefouten, naar eigen keuze vervangen of repareren. Voor de tijd van vijf jaar na datum van de installatie een nieuwe tank beschikbaar stellen, indien onderzoek door Baxi BV uitwijst dat de tank lekt ten gevolge van materiaal- en/of fabricagefouten.

Voor de tijd van vijf jaar na datum van de installatie een nieuwe warmtewisselaar beschikbaar stellen, indien onderzoek door Baxi BV uitwijst dat de warmtewisselaar lekt ten gevolge van materiaal- en/of fabricagefouten. Levering van de vervangende onderdelen of boiler geschiedt franco. Alle overige kosten verbonden aan het uitwisselen van de onderdelen of de boiler zijn voor rekening van de koper. Voor de nieuw geleverde onderdelen of boiler geldt de nog niet verstreken garantie periode van de oorspronkelijk geïnstalleerde boiler. Deze garantie vervalt indien: a. De boiler niet goed, of geheel niet functioneert ten gevolge van ondeskundige installatie, gebruik of reparatie, of ten gevolge van beschadiging door brand, overstroming of dergelijke. b. De boiler op welke wijze dan ook, gemodificeerd of gewijzigd is. c. De boiler niet op de oorspronkelijke plaats geïnstalleerd blijft. d.

De boiler niet goed, of geheel niet functioneert, ten gevolge van de aanwezigheid van chemische dampen in de verbrandingslucht. Buiten de hierboven genoemde garantie kan Baxi BV nimmer aansprakelijk worden gesteld voor direct of indirect geleden schade. Baxi BV Galvanistraat 36 3861 NJ Nijkerk tel. 033 - 247 72 11 fax 033 - 245 71 54 www. baxi. nl 24.

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Remeha SENTRY CWH 90-300 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden