Remeha Gas 2d HR-E reminox Handleiding

Remeha Verwarmingsketel Gas 2d HR-E reminox

Bekijk gratis de handleiding van Remeha Gas 2d HR-E reminox (20 pagina’s), behorend tot de categorie Verwarmingsketel. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 186 mensen en kreeg gemiddeld 4.0 sterren uit 3 reviews. Heb je een vraag over Remeha Gas 2d HR-E reminox of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/20
1
Gas 2d HR-E
reminox
®
Gasketel met
Hoog Rendement
Vermogen: 39 - 105 kW
Technische informatie

Beoordeel deze handleiding

4.0/5 (3 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Remeha
Categorie: Verwarmingsketel
Model: Gas 2d HR-E reminox

Handleiding Remeha Gas 2d HR-E reminox – volledige tekst

31. ALGEMENE TOESTELOMSCHRIJVING1. 4 ToepassingDe atmosferische branders en de verbrandingsgas-afvoerventilator zijn geruisarm. Normale zolderopstellingvan de ketel is, gezien het verbrandingsgasafvoersys-teem (enkelwandig aluminium of roestvast staal), zonderbezwaar mogelijk. Kritische situaties zoals opstellingenmet voeringskanalen in systemen (bijv. bij opstellingen inkelders) dienen apart te worden beoordeeld (zie § 5. 3. 3). Gas 2d HR ketels dienen in geen geval direkt op bouw-kundige kanalen te worden aangesloten (verbrandings-gaskondensatie. ). Raadpleeg in deze gevallen het plaatselijk gasbedrijfen/of onze Produkt Advies Dienst. 1. 5 KetelgebruiksrendementCirca 90 % t. o. v. Hb bij een benuttingsgraad van 30 %en een gemiddelde ketelwatertemperatuur van 45° C.

Opmerking:Minimaal vereist ketelgebruiksrendement bij vermeldesituatie voor het verkrijgen van het VEG- en HR-keurbedraagt 90 % t. o. v. Hb. 1. 6 Waterzijdig rendementGemiddeld 85. 5 % t. o. v. Hb bij een gemiddelde water-temperatuur van 80/60° C. 1. 7 Stooktechnisch rendementGemiddeld 87,2 % t. o. v. Hb bij een gemiddelde water-temperatuur van 80/60° C. Luchtfaktor n = 1,45 (8,2 % CO2). 1. 8 Gaskeur Schonere VerbrandingDe ketel voldoet aan de eisen van het Gaskeur Scho-nere Verbranding. Door toepassing van reminox®-branders is de NOX-produktie laag. De NOX-uitstootbedraagt minder dan 60 ppm bij O2 = 0 % droog. 1. 1 TypeAtmosferische gasketel, geschikt voor het stoken vanalle kwaliteiten aardgas. De ketel is uitgevoerd met een tweede warmtewisselaar(economiser), geschikt voor terugwinning van voelbareen latente warmte. 1.

De tweede warmtewisselaar, opgebouwd uitgevinde pijpen, is gemaakt van aluminium, voorzien vaneen duurzame coating rem-COAT®, waardoor een grotekorrosiebestendigheid ontstaat. Een verbrandingsgas-afvoerventilator zorgt voor het transport van deverbrandingsgassen door het ketelblok, de tweedewarmtewisselaar en de verbrandingsgasafvoerleiding.

74. INSTALLATIEVOORSCHRIFT VOOR DE VERWARMINGS-INSTALLATEUR4.1 AlgemeenDe Remeha ketel type Gas 2d HR-E, komt kompleetbemanteld in de verpakking aan. Verwijder het verpak-kingsmateriaal. Na verwijdering van de frontmantel kande ketel van de transportpallet worden verwijderd.Indien de ketel te zwaar is om in zijn geheel op de juisteplaats te zetten, dient de ketel in hanteerbare delengedemonteerd te worden. Zie hiervoor hetdemontagevoorschrift in § 4.4.4.2 OpstellingVoor de opstelling dienen de normen NEN 3028 en NEN1078 (GAVO 1987) te worden geraadpleegd. De nood-zakelijke minimale opstellingsruimte van de ketel volgtuit onderstaande schets.4.3.

Steunoppervlak4.3.1 Steunoppervlak 8 t/m 14 ledenSteunoppervlak 8 t/m 14 ledenSteunoppervlak: kunststofvoetje Ø 30 mm (hoogte 25 mm).4.3.2 Steunoppervlak 16 t/m 20 ledenAantalleden8101214Amm Bmm362485608731468591714837Steunoppervlak: sledevoeten 265 x 35 mm (hoogte 25 mm).a 500 mmb 100 mmc 700 mmd 1000 mmHoogte bovende ketel: min.1000 mm.KetelopstellingOm de goede werking van deze ketel met hoog rende-ment te waarborgen is het aan te bevelen de ketel in eengoed geventileerde ruimte op te stellen met voldoendeluchttoevoer, die ook bij strenge koude vorstvrij blijft.Zonodig dienen voorzieningen te worden getroffen ombevriezing van het toestel en de leidingen te voorkomen.Aantalleden16182099711201243366428489194143143Amm CmmBmmSteunoppervlak 16 t/m 20 leden

Demontagevoorschrift 9.Indien nodig kunnen, om gewicht te besparen, debranders (9) uit de ketel worden genomen.Verwijder de transportbevestigingsdraad (10).Verwijder de beveiligingsschroeven (11) (4 schroe-ven) van de stralingsplaat (12).Verwijder de stralingsplaat.10.Til het ketelblok (13) met behulp van de draagsteunen(7) op de gewenste plaats.11.Monteer de sifon in de kondensleiding van de tweedewarmtewisselaar.12.Monteer het geheel in omgekeerde volgorde.Let daarbij op dat de aansteekbrander (de tweedebrander van rechts, de brander zonder gaas maar metuitgehoekte platen aan voorzijde) weer op dezelfdepositie onder het aansteekpunt gemonteerd wordt.

95. 1 GeluidsproduktieHet gemeten geluidsniveau van de ketel bedraagt 53 tot59 dBA (op ca. 2 meter afstand). De spreiding wordt o. a. veroorzaakt door akoestische eigenschappen van deopstellingsruimten. Indien deze geluidsproduktie aanlei-ding kan geven tot problemen in de direkte omgeving,dan dienen hiertoe geluidswerende of absorberendemaatregelen te worden genomen. In deze gevallen kuntu voor informatie kontakt opnemen met onze ProduktAdvies Dienst. Opmerking:Een halfsteens gesloten scheidingswand tussen ketel-huis en nevenvertrek zal reeds zoveel geluidsisolatieopleveren, dat het geluidsniveau in het nevenvertrek nietboven 25 dBA komt. 5. 2 KondensatiewaterafvoerHet uit de HR-ketel tredende kondensatiewater, datgevormd wordt bij een retourwater-temperatuur lagerdan 55° C, dient naar het riool te worden afgevoerd.

Gezien de zuurgraad van dit kondensatiewater (pH 3 tot5) kunnen alleen harde P. V. C. -materialen alsverbindingsleiding worden toegepast. De kondensatiewaterbak van de tweede warmtewisse-laar is voorzien van een kunststof afvoerleiding met aanhet uiteinde een P. V. C. sok Ø 32 mm inwendig. De (los meegeleverde) sifon dient aan de sok te wordengelijmd m. b. v. normale P. V. C. -lijm. De verbinding tussen sifon en kondensatiewaterafvoer-leiding dient met een P. V. C. -koppeling te worden uitge-voerd, i. v. m. een eventuele reparatie. De kondensatiewater afvoerende leiding dient eenafschot te hebben van minimaal 5 mm/m. Afvoeren van kondensatiewater op een dakgoot is niettoegestaan met oog op bevriezingsgevaar en aantastingvan de normaal toegepaste materiaalsoorten voordakgoten en regenwater-afvoersystemen. 5.

1 AlgemeenDe aansluiting op de verbrandingsgasafvoerleiding moetovereenkomstig de voorlopige richtlijnen van NEN 1078(GAVO 1987, NPR 3378) worden uitgevoerd. De ketel is voorzien van een ingebouwde verbrandings-gasafvoerventilator, daar natuurlijke afvoer vanverbrandingsgassen niet zal plaatsvinden. 5. 5. 2 Klasse-indelingIn de klasse-indeling voor toestellen werkend met mecha-nische afvoer van de verbrandingsgassen met eenbelasting kleiner dan 130 kW (zoals c. v. -ketels en lucht-verwarmers, waaronder HR-toestellen), zijn de Gas 2dHR-E ketels ingedeeld in de volgende klassen:Gas 2d HR-E 8 en 10 leden - toestelklasse BGas 2d HR-E 12 t/m 20 leden - toestelklasse CVoor afvoerlengtes en diameters van het verbrandings-gasafvoersysteem zie GAVO 1987 NEN 1078 art. nr. 2. 7. 1. 1. 1 en 2. 7. 1. 1. 2. Voor afwijkende lengtes zie § 5. 5. 4. 5. 5.

3 Aan het verbrandingsgasafvoersysteem testellen eisenPlaatsing: De toe te passen verbrandingsgasafvoerleiding(zie onderstaande specificatie en 1. 3. 9. van de GAVO1987) dient qua uitmondingspositie te voldoen aan hetgestelde in de NPR 3378, 1987. In situaties waarin niet aan deze eis kan worden voldaan,adviseren wij u overleg te plegen met het plaatselijkgasbedrijf of met onze Produkt Advies Dienst. Gezien deontwikkelingen op dit gebied zijn veelal andere oplossin-gen mogelijk (b. v. voeren van het kanaal). Materiaal: Aluminium, roestvaststaal of kunststof (mitsGIVEG-gekeurd). Uitvoering: Enkelwandig, star (zie Konstruktie). Ventilatoraansluiting: Zie afbeeldingen in § 2. 1. Vernauwingen c. q. verwijdingen bij aansluitingen op hetverbrandingsgasafvoersysteem zijn toegestaan. Maximale lengte bij minimale inw. diameter: Zie tabellenin § 5. 5. 4. Bochten: Zie tabellen in § 5. 5. 4.

Indien voeringkanalen in bouwkundige systemen wordentoegepast, dan dienen deze te worden vervaardigd uiteen luchtdichte, enkelwandige starre aluminium of roest-vaststalen konstruktie. Aluminium is toegestaan, mits ergeen kontakt is met het bouwkundige gedeelte van hetverbrandingsgasafvoersysteem. Inspektie van het voeringkanaal moet mogelijk zijn. De ketel dient m. b. v. de luchtregelschuif in de achterwandvan de tweede warmtewisselaar optimaal te wordeningeregeld (zie § 8. 4). 5. TOEPASSINGSGEGEVENS.

III Geveluitmonding: Alleen voor toestel uit toestelklasse C, wanneer deze wordt opgesteld in een gesloten opstellingsruimte. De verbrandingsgasafvoer en de luchttoevoer van dit toestel dienen zich in hetzelfde drukgebied te bevinden.

Maximaal toegestane lengte van de verbrandingsgasafvoerleiding (m)*) Uitvoering van de verbrandingsgasafvoerleiding1 = Verbrandingsgasafvoerleiding zonder bochten2 = Verbrandingsgasafvoerleiding met twee bochten 45° (R = D)3 = Verbrandingsgasafvoerleiding met twee bochten 90° (R = D)4 = Verbrandingsgasafvoerleiding met een haakse instroming en een bocht 90° (R = D) of verbrandingsgasafvoerleiding met twee bochten 45° (R = D) en een regenkap.

12Gas 2d HR-E5. 7. 2 Stromingstechnische overwegingenDe minimale water cirkulatie in de ketel van de tweedewarmtewisselaar volgt uit de formule:nominaal vermogen (kW) =. m3/h 81Deze hoeveelheid laat een temperatuurverschil∆t (= taanvoer - tretour) toe van 70° C. In deze situatie zal de inde ketel geplaatste maximaalthermostaat niet aansprekenc. q. vergrendelen. Deze situatie zal bijvoorbeeld in installaties met ther-mostatische radiatorkranen op alle radiatoren moetenworden zekergesteld. De maximale waterhoeveelheid volgt uit:nominaal vermogen (kW) =. m3/h 9,28Deze waterhoeveelheid komt overeen met een ∆t van8° C over de totale ketel. 5. 7. 3 Rendementstechnische overwegingenInzake het waterzijdig rendement is een maximale ∆t van40° C als grenswaarde aan te houden. Deze waarde volgtuit:nominaal vermogen (kW) =.

m3/h 46,6Het optimale waterzijdige rendement zal worden verkre-gen bij een ∆t van 20° C. De daarbij behorende water-hoeveelheid volgt uit:nominaal vermogen (kW) =. m3/h 23,2Voor verdere informatie kunt U kontakt opnemen metonze Produkt Advies Dienst. 5. 6 Toepassing van thermostatische radiatorkranenBij toepassing van thermostatische radiatorkranen zalde door de ketel stromende waterhoeveelheid steedsvariëren. Wij adviseren U in deze situaties, tussen aanvoer- enretourleiding een kortsluitleiding met regelventiel teplaatsen (zie principeschema). Het regelventiel dient eenmalig te worden ingesteld. Hiertoe dienen alle thermostatische radiatorkranengesloten te worden. De aanvoerleiding dient voorzien te zijn van een moge-lijkheid tot ontluchting. Indien de retourleiding niet via de ketel kan ontluchten,dient ook deze te worden voorzien van een mogelijk-heid tot ontluchting. 6.

Het ongekontroleerd toevoegen van chemische midde-len wordt dringend ontraden. De installatie dient te worden gevuld met genormali-seerd drinkwater. De Ph-waarde van het installatiewater dient minimaal7,0 en maximaal 11,0 te zijn. 6. 2 GasdrukDe verbruiksvoordruk bij aardgas volgens GIVEG-keurbedraagt 20-30 mbar, max. voordruk 100 mbar. De ketel is bij aflevering afgesteld op de nominale belas-ting. Nastelling op basis van branderdruk kan noodzake-lijk zijn (zie § 2. 2). 6. 1 GasaansluitingDe ketel moet overeenkomstig de in de GAVO 1987gestelde eisen op de gastoevoerleiding worden aange-sloten. In de nabijheid van het toestel dient een gas-hoofdkraan te worden opgenomen. De gasaansluitingbevindt zich rechts achter de ketel. Wij adviseren een gasfilter in de gastoevoerleiding op tenemen.

137. INSTALLATIEVOORSCHRIFT VOOR DE ELEKTROTECHNISCHE INSTALLATEUR7. 1 AlgemeenDe Remeha-ketel type Gas 2d HR-E 8 t/m 20 leden, isuitgevoerd met een elektronische regel- en beveiligings-apparatuur met ionisatiebeveiliging. Het toestel is ge-schikt voor een 220V/50 Hz voeding met een fase/nul-systeem. Andere aansluitwaarden zijn alleen toegestaanmet behulp van een scheidingstrafo. De ketel is bedraad tot in het instrumentenpaneel over-eenkomstig het in deze technische informatie opgeno-men aansluitschema. De aansluiting op het elektriciteitsnet dient te wordenuitgevoerd volgens voorschrift van het plaatselijkelektriciteitsbedrijf en NEN 1010. 7. 2 Aansluiting kamerthermostaatEen kamerthermostaat (220 V) wordt niet meegeleverd. Bij toepassingen van een kamerthermostaat dient dezeaangesloten te worden op de klemmen 9-12 -N naverwijdering van doorverbinding 2 (zie aansluitschema).

De kamerthermostaat dient gemonteerd te worden:1. In het vertrek waarvan de temperatuur geregeld dient te worden. 2. Op een tochtvrije plaats, vrij van direkte warmte- straling, bijvoorbeeld zonlicht, open haard, t. v. - toestel, etc. 3. Op een binnenmuur, op ca. 1,5 meter hoogte vanaf de vloer. Instrumentenpaneel1. Instrumentenpaneel2. Inbouwmogelijkheid weersafhankelijke regeling3. Maximaalthermostaat4. Storingslamp (brander)5. Branderschakelaar6. Pompschakelaar7. Boilerschakelaar8. Ketelthermostaat9. Ketelwatertemperatuurmeter7. 3 Technische gegevens beveiligingsautomaatFabrikaat : Satronic type MMI 811 mod. 35Aansluitspanning : 220-240 V/50 HzOpgenomen vermogen : 10 WMax. zekeringswaarde : 6A TMax. omgevingstemperatuur : 60° CVoorspoeltijd : 30 sek. Veiligheidstijd start : 5 sek. Minimale ionisatiestroom : 5 micro Ampere (DC)7.

15Opmerking:Een te kleine startlast kan tot storingen leiden. 13. 1Vereiste branderdruk instellen (zie opschriftplaat):- Met regelschroef (c) kan m. b. v. een schroeve-draaier de juiste branderdruk ingesteld worden. 14. Na het instellen van de vereiste branderdruk dientde ketel gekontroleerd te worden op luchtdrukver-schil. Sluit hiervoor een drukmeter aan op de voor-ste en achterste slang van de drukverschilschake-laar. De onderdruk moet 0,8 mbar zijn. Deze onder-druk is na te regelen m. b. v. de luchtregelschuif aande achterzijde van de tweede warmtewisselaar. Nahet inregelen dient de luchtregelschuif te wordengeborgd. Let op:Om een juiste drukverschilmeting te kunnen uitvoe-ren, dient de sifon aan de onderzijde van de tweedewarmtewisselaar gevuld te zijn met water. 15. Kontroleer de thermostaten op de juiste werking. 16.

Kontroleer de werking van de vlambeveiliging(verwijder hiervoor de bougiedop van de ionisatie-elektrode). 17. Kontroleer de werking van de verbrandingsgas-beveiliging door de luchtslang van de aansluiting P2op de luchtdrukverschilschakelaar LD2 los te halen. Er moet een brandervergrendeling volgen. 8. 2 Uit bedrijf nemen1. Schakel de voeding ten behoeve van de ketel uit. 2. Sluit de gashoofdkraan. Opmerking:Denk aan bevriezingsgevaar. 8. 3 Het ontluchten van de ketelHet ontluchten van de ketel geschiedt door middel vande automatische ontluchter. 8. INBEDRIJFSTELLINGSVOORSCHRIFT8. 1 In bedrijf stellen1. Verwijder de beschermfolie van de bemanteling. Na verwijdering van de folie, de meegeleverdeHR- en SV-stickers op de frontmantel plakken. 2. Kontroleer de gasaansluitingen. 3. Kontroleer de elektrische aansluitingen, Fase-Nul-Aarde. 4. Kontroleer de waterdruk.

Kontroleer de luchtregelschuif op de juiste waarde(zie tabel § 8. 4). 9. Schakel de elektrische voeding van de ketel in. 10. Schakel de branderschakelaar in. 11. De ventilator gaat draaien. Dit wordt gedurende devoorspoeltijd (30 sek. ) gekontroleerd door middelvan de luchtdrukverschilschakelaar. Hierna wordtde ontsteking vrijgegeven, waarna het gasmultiblokgeopend wordt. De ketel is nu in bedrijf. 12. De ketel enige minuten laten branden, i. v. m. denog aanwezige lucht in de gasleiding. 13. De startlast (6 mbar) van het gasmultiblok stelt uals volgt in:voor 8 t/m 14 leden:- Draai het afdekkapje (d) los. - De zichtbaar geworden stelschroef kunt u linksomdraaien voor snelle en rechtsom voor langzameopening. Dicht hiervoor de ademingsopening (e) af(na de instelling verwijderen). voor 16 t/m 20 leden:- Draai het afdekkapje (d) los.

16Gas 2d HR-E3. Stel het luchtdrukverschil in op 0,8 mbar d.m.v. deluchtregelschuif. Naregeling is noodzakelijk i.v.m. deverbrandingsgasafvoer-/diameterlengte verhoudingvoor een optimale verbranding. De maat 'h' kan metbehulp van de luchtregelschuif groter, dan wel kleinergemaakt worden. Hiervoor dient de borgschroef vande schuif verwijderd te worden. Nadat de luchtregel-schuif op de juiste waarde is afgesteld, dient dezeweer geborgd te worden.4. Kontroleer de verbranding door meting van het CO2-percentage op de in onderstaande tekening aangege-ven meetplaats. De gemeten CO2-waarde moet 7,5 à8 % bedragen.8.4 Verbrandingstechnische kontroleHet verbrandingstechnisch kontroleren van de keteldoor meting van het CO2-percentage geschiedt aan deachterzijde van de tweede warmtewisselaar.

De tabelvoor maximaal toegestane schoorsteenlengtes (zie§ 5.5.4) geldt alleen bij de hieronder vermelde sleuf-maat.De afmeting en eventuele naregeling kan als volgtgeschieden:1. Stook de ketel op tot een minimale retourwater-temperatuur van 60° C.2. Stel de ketel in op de juiste branderdruk (zieopschriftplaat).Meetpunt CO2 %Kondensatiewaterafvoer-aansluitingDoorsnede Eco.Tabel luchtsleufinstelling(richtwaarde).Achteraanzicht Eco.8.5 LuchtdrukverschilschakelaarTer beveiliging van het verbrandingsgastransporttijdens bedrijf is de ketel voorzien van een luchtdruk-verschilschakelaar (LD2). Deze is gemonteerd op demontageplaat van de ketel (zie de afbeelding in § 3).

Wisselingen van meer dan+10 of -15% veroorzaken het in storing gaan van debeveiligingsapparatuur. 9. 1 AlgemeenHanteer het elektrisch schema (§ 7. 6) en het schakel-volgorde diagram (programmaverloop). Kontroleer de netspanning, de gesloten stand van dethermostaten en de eindkontakten van de smoorklep-pen en de waterniveaubeveiliging (min. waterbedrijfs-druk 0,8 bar). 9. 2 Storingen van de ventilator1. Ventilator draait niet bij warmtevraag (kleur blauw I). - Kontroleer het regelcircuit. - Kontroleer de luchtdrukverschilschakelaar op juiste werking en aansluiting. 2. Ventilator stopt tijdens bedrijf (kleur groen). - Kontroleer het verbrandingsgasafvoerkanaal op vervuiling. - Kontroleer ketelblok en economiser op vervuiling. - Kontroleer de luchtdrukschakelaar op werking. - Kontroleer de verbrandingsgasafvoerventilator op vervuiling en werking.

Besturingsprogramma bij storingen en stoorstand-aanwijzingPrincipieel wordt bij alle storingen de brandstoftoevoerdirekt onderbroken. Gelijktijdig blijft het programma-mechanisme stilstaan en daarmee ook de stoorstand-aanwijzer. De onder het afleesmerkteken (start) van deaanwijzer staande kleur kenmerkt op dat moment deaard van de storing. Programma-afloop:1 Kleurkode Blauw I Ruststandkontrole LD22 Kleurkode Blauw II Ventileren3 Kleurkode Oranje Ontsteking4 Kleurkode Geel Aansteekgas5 Kleurkode Rood Beveiligingsafsluiter6 Kleurkode Groen Bedrijf7 Kleurkode Wit Vrijloop tot startStoorstandaanwijzingBlauw I LD2 is niet omgeschakeldGeel (einde) Geen ontsteking, of geen gas, of geenionisatie startgasRood (einde) Geen hoofdgas (ionisatie)Groen (einde) Geen ionisatieLD2 is omgeschakeldstartblauw Ioranjeroodgroengeelwitblauw II.

18Gas 2d HR-E10. 1 OnderhoudOm de verbranding optimaal te houden is het noodza-kelijk dat de ketel, de apparatuur en de ruimte waarinde ketel is opgesteld minimaal eenmaal per jaar wordengereinigd. Hierdoor wordt voorkomen dat tijdens hetstoken, door het aanzuigen van stof, de branders enketel vervuilen. Dit zal uiteindelijk tot een slechteverbranding leiden. De voor het onderhoud te verrichten werkzaamhedenomvatten:a Het reinigen van het gehele toestel. b Het kontroleren van de startcyclus en de juistewerking van regel- en beveiligingsapparatuur. c Het kontroleren van de algehele staat van de instal-latie (kontrole op lekkage e. d. ). d Kontrole van de branders. 10. 2 Reiniging toestelDe voor het onderhoud te verrichten reinigingswerk-zaamheden omvatten:- Het verbrandingsgaszijdige gedeelte van de ketel. - De branders, zowel in- als uitwendig. - Het ketelblok vanaf de bovenzijde d. m. v.

eenreinigingsborstel. - De tweede warmtewisselaar m. b. v. een nylonreinigingsborstel. - De sifon in de condensafvoerleiding (vul daarna desifon met schoon water). - De vloer onder de ketel en de stookruimte in dedirekte omgeving van de ketel. - Het uitwendig reinigen van de ketelmantel. - Het uitwendig reinigen van de apparatuur, te weten:ontstekingsinrichting, ionisatie-elektrode, thermosta-ten, bekabeling en gasapparatuur. 10. ONDERHOUDS- EN REINIGINGSVOORSCHRlFTKontrole werking- Het kontroleren en opnemen van de startcyclus,ontstekingstijd en begrenzingstijd. Het kontroleren van de regeling en de beveiligings-signalering van vlambeveiliging en thermostaten. Het kontroleren van de gewenste branderdruk. - Het uitvoeren van een rendementsbepaling. Kontrole algehele staat- Het kontroleren van de algehele staat van de installa-tie (kontrole op water- en gaslekkage).

Zonodig onder-delen vervangen volgens het instruktievoorschrift vanhet servicepakket-brander. 10. 3 AftappenDe ketel aftappen d. m. v. de vul- en aftapkraan aan devoorzijde van het ketelblok achter de frontmantel. De tweede warmtewisselaar aftappen d. m. v. aftapkraanaan de tweede warmtewisselaar. N. B. Voor het uitvoeren van deze specialistische werk-zaamheden kunt u desgewenst gebruik maken van eenspeciaal opgeleid team Remeha-vakmensen.

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Remeha Gas 2d HR-E reminox stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden