Opel Movano 2013 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Opel Movano 2013 (191 pagina’s), behorend tot de categorie Personenwagen. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 13 mensen en kreeg gemiddeld 4.1 sterren uit 2 reviews. Heb je een vraag over Opel Movano 2013 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag
Product specificaties
| Merk: | Opel |
| Categorie: | Personenwagen |
| Model: | Movano 2013 |
Handleiding Opel Movano 2013 – volledige tekst
Inleiding 3Uw autogegevensVoer hier de gegevens van de auto inzodat ze gemakkelijk te vinden zijn. Deze informatie is beschikbaar in deparagrafen "Service en onderhoud"en "Technische gegevens", alsmedeop het typeplaatje. InleidingUw auto is de intelligente combinatievan vernieuwende techniek, overtui‐gende veiligheid, milieuvriendelijk‐heid en zuinigheid. In deze gebruikershandleiding vindtu alle informatie die u nodig hebt omuw auto veilig en efficiënt te kunnenbedienen. Zorg ervoor dat uw passagiers ervanop de hoogte zijn dat onjuist gebruikvan de auto een ongeval tot gevolgkan hebben en dat er risico bestaatvoor persoonlijk letsel. Houd u altijd aan de specifieke wet‐geving van het land waarin u zich be‐vindt. Deze wetgeving kan afwijkenvan de informatie in deze gebruikers‐handleiding.
Wanneer wij u in deze gebruikers‐handleiding adviseren de hulp vaneen werkplaats in te roepen, raden wijuw Opel Service Partner aan. Elke Opel Service Partner biedt u eer‐steklas service tegen redelijke prij‐zen. Ervaren, door Opel geschooldespecialisten werken volgens specialerichtlijnen van Opel. Houd het informatiepakket voor degebruiker altijd onder handbereik inde auto. Gebruik van dezehandleiding■ Deze handleiding geeft een om‐schrijving van alle voor dit modelbeschikbare opties en functies. Mogelijk zijn bepaaldeomschrijvingen, waaronder dievoor display- en menufuncties, nietop uw auto van toepassingwanneer er sprake is van eenmodelvariant, afwijkendelandenspecificaties of specialeuitrustingen of accessoires. ■ In het hoofdstuk "Kort en bondig"krijgt u een beknopt overzicht.
■ De inhoudsopgave aan het beginvan de handleiding en in de afzon‐derlijke paragrafen geeft aan waaru de informatie kunt vinden dieu zoekt. ■ Met behulp van het trefwoordenre‐gister kunt u specifieke informatiezoeken. ■ In deze gebruikershandleiding wor‐den auto's getoond met het stuurlinks. De bediening van auto's methet stuur rechts is vergelijkbaar.
■ In de gebruikershandleiding wor‐den motoraanduidingen van de fa‐briek gebruikt. De bijbehorendemarktaanduidingen vindt u in deparagraaf "Technische gegevens". ■ Richtingaanduidingen in de be‐schrijvingen, zoals links, rechts,voor of achter moeten altijd met deblik in de rijrichting worden gezien. ■ De displays van het voertuig onder‐steunen mogelijkerwijs uw taal niet. ■ Berichten en aanduidingen in hetinterieur worden vet weergegeven.
4InleidingGevaar, Waarschuwing enVoorzichtig9GevaarTeksten met de vermelding9 Gevaar wijzen op een mogelijklevensgevaar. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan levensge‐vaar inhouden.9WaarschuwingTeksten met de vermelding9 Waarschuwing wijzen op eenmogelijk gevaar voor ongelukkenof verwondingen. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan tot ver‐wondingen leiden.VoorzichtigTeksten met de vermeldingVoorzichtig wijzen erop dat deauto mogelijk beschadigd kan ra‐ken. Het niet naleven van dezerichtlijnen kan tot beschadigingvan de auto leiden.SymbolenVerwijzingen naar andere pagina'sworden aangeduid met 3. 3 betekent"zie pagina".We wensen u vele uren autorijplezier.Adam Opel AG
8Kort en bondigHoofdsteunverstellingOntgrendeling indrukken, hoogte ver‐stellen, vastklikken.Hoofdsteunen 3 34.VeiligheidsgordelVeiligheidsgordel afrollen en in gor‐delslot vastklikken. De veiligheidsgor‐del mag niet gedraaid zitten en moetstrak tegen het lichaam aanliggen. Derugleuningen mogen niet te ver naarachteren hellen (maximaal ca. 25°).Om de gordel los te maken, de rodeknop van het gordelslot indrukken.Stoelpositie 3 35, veiligheidsgor‐dels 3 41, airbagsysteem 3 44.SpiegelverstellingBinnenspiegelOm verblinding te verminderen, dehendel aan de onderkant van de spie‐gelbehuizing gebruiken.Binnenspiegel 3 30.
Kort en bondig 15Ruiten ontwasemen enontdooienLuchtverdeling op V.Draaiknop voor temperatuur in hoog‐ste stand zetten.Luchtdebiet in hoogste stand zetten.Koeling AC aan.Toets Ü indrukken.Verwarming en ventilatie 3 90.Modellen met elektronische klimaat‐regeling, toets V indrukken. Tempe‐ratuur en luchtverdeling worden auto‐matisch ingesteld en de ventilatordraait op een hoog toerental.Elektronisch klimaatregelsysteem3 92. VersnellingsbakHandgeschakeldeversnellingsbakAchteruit: vanuit stilstand na het in‐trappen van het koppelingspedaal dering op de keuzehendel omhoog trek‐ken en de versnelling inschakelen.Kan de versnelling niet worden inge‐schakeld, dan het koppelingspedaalin de neutrale stand laten opkomenen weer intrappen; vervolgens nog‐maals schakelen.Handgeschakelde versnellingsbak3 106.
16 Kort en bondigGeautomatiseerdeversnellingsbakN=neutrale stando= rijstand+= hogere versnelling-= lagere versnellingA/M =wisselen tussen automati‐sche en handgeschakeldemodusR= achteruitversnellingGeautomatiseerde versnellingsbak3 107.Voordat u wegrijdtVoor het wegrijden controleren■ Bandenspanning en -staat 3 145,3 178.■ Motoroliepeil en vloeistofniveaus3 127.■ Ruiten, spiegels, buitenverlichtingen kentekenplaat: vrij van vuil,sneeuw of ijs en gebruiksklaar,■ Juiste positie van spiegels, stoelenen veiligheidsgordels 3 29,3 35, 3 42.■ Werking van remsysteem (bij lagesnelheid), vooral bij vochtige rem‐men.Motor starten■ sleutel naar stand A draaien■ verdraai het stuurwiel een beetje,zodat het stuurslot vrijkomt■ trap de koppeling en rem in■ trap het gaspedaal niet in■ sleutel naar stand M draaien omvoor te verwarmen en wachten tot‐dat controlelampje !
Kort en bondig 17Parkeren■ Handrem altijd zonder indrukkenvan de ontgrendelingsknop stevigaantrekken. Op een aflopende ofoplopende helling zo stevig moge‐lijk. Trap tegelijkertijd de rem in omde bedieningskracht te verminde‐ren.■ Zet de motor af. Contactsleutelnaar stand St draaien en deze eruittrekken. Stuurwiel verdraaien tot‐dat het stuurslot merkbaar vergren‐delt.■ Wanneer de auto vlak of op een op‐lopende helling staat, dan voor hetuitschakelen van het contact deeerste versnelling inschakelen. Opeen oplopende helling bovendiende voorwielen van de stoeprandwegdraaien.Op een aflopende helling voor hetuitschakelen van het contact deachteruitversnelling inschakelen.Bovendien de voorwielen naar destoeprand toedraaien.■ De auto vergrendelen en het dief‐stalalarmsysteem 3 26 activerenmet de toets e op de handzender.■ De auto niet op een licht ontvlam‐bare ondergrond parkeren.
De on‐dergrond kan door de hoge tempe‐ratuur van het uitlaatgassysteemmogelijk vlam vatten.■ Sluit de ruiten.■ Koelventilatoren kunnen ook na hetafzetten van de motor in werkingtreden 3 126.■ Na een rit waarbij met hoge motor‐toerentallen of met hoge motorbe‐lasting werd gereden, de motorvóór het afzetten gedurende eenkorte tijd met lage belasting latendraaien of gedurende ca.30 seconden stationair latendraaien om de turbolader te be‐schermen.Sleutels, sloten 3 18, auto een lan‐gere tijd stilzetten 3 125.
Daarommoet deze goed worden bewaard.Een eventueel ingeschakelde werk‐plaats heeft voor het verrichten vanbepaalde werkzaamheden deze au‐togegevens nodig.HandzenderWordt gebruikt voor:■ Centrale vergrendeling■ Diefstalbeveiliging■ DiefstalalarmsysteemAfhankelijk van het model is de autovoorzien van een handzender mettwee of drie toetsen.De handzender heeft een bereik vanca. 5 meter. Dit kan worden beïnvloeddoor externe factoren. Brandendealarmknipperlichten dienen als be‐vestiging.
Sleutels, portieren en ruiten 19Afstandsbediening met zorg behan‐delen, vochtvrij houden, beschermentegen hoge temperaturen en onnodiggebruik vermijden.StoringAls de centrale vergrendeling niet metde handzender kan worden vergren‐deld of ontgrendeld, kan dit het ge‐volg zijn van het volgende:■ Bereik overschreden.■ Batterijspanning te laag.■ Herhaald, opeenvolgend gebruikvan de handzender buiten het be‐reik, waardoor het systeem op‐nieuw moet worden geprogram‐meerd in een werkplaats.■ Storing door radiogolven afkomstigvan externe zenders met een hoogvermogen.Ontgrendelen 3 19.Batterij van de handzendervervangenZodra de reikwijdte afneemt, de bat‐terij meteen vervangen.Batterijen horen niet in het huisvuilthuis.
Ze moeten via speciale inza‐melpunten gerecycled worden.Boutje verwijderen en batterijvak ope‐nen door een munt in de sleuf te ste‐ken en de munt te verdraaien.Batterij vervangen (batterijtypeCR2016), hierbij op de juiste plaat‐sing letten.De twee helften van de behuizing opelkaar plaatsen en erop letten dat zegoed ingrijpen.Boutje terugplaatsen en aanhalen.Centrale vergrendelingOntgrendelt en vergrendelt de voor‐portieren, de zijschuifdeuren en debagageruimte.Met de handzender met drie toetsenworden de voorportieren en de zij‐schuifdeuren/bagageruimte onafhan‐kelijk van elkaar ontgrendeld en ver‐grendeld.Om veiligheidsredenen kan de autoniet worden vergrendeld, wanneer desleutel in het contactslot steekt.
20 Sleutels, portieren en ruitenAuto ontgrendelenOntgrendelen met handzender mettwee toetsenToets c indrukken: alle deuren en debagageruimte worden ontgrendeld.Ontgrendelen met handzender metdrie toetsenAfhankelijk van voertuigconfiguratie:■Toets c indrukken: de voorportie‐ren worden ontgrendeld.Toets c nogmaals indrukken: ookde zijschuifdeuren en de bagage‐ruimte worden ontgrendeld.■Toets c indrukken: alle deuren ende bagageruimte worden ontgren‐deld.Als na ontgrendeling niet binnen ca.2 minuten een deur van de auto wordtgeopend, wordt de auto automatischopnieuw vergrendeld.Auto vergrendelenAlle portieren en de bagageruimtesluiten. Bij een niet goed geslotendeur werkt de centrale vergrendelingniet.Vergrendelen met handzender mettwee toetsenToets e indrukken: alle deuren en debagageruimte worden vergrendeld.
Sleutels, portieren en ruiten 21Vergrendelen met handzender metdrie toetsenToets e indrukken: alle deuren en debagageruimte worden vergrendeld.Let opIndien aanwezig, wordt de bewakingvan de passagiersruimte 3 26 uit‐geschakeld door de knop e inge‐drukt te houden (ter bevestigingklinkt een geluidssignaal).Als dit per ongeluk is gebeurd, moetu de deuren opnieuw ontgrendelenen de toets e korte tijd indrukken omde auto te vergrendelen.LaadruimteBagageruimte vergrendelen enontgrendelen met handzender mettwee toetsenToets e of c eenmaal indrukken: ba‐gageruimte wordt vergrendeld of ont‐grendeld.Bagageruimte vergrendelen enontgrendelen met handzender metdrie toetsenAfhankelijk van voertuigconfiguratie:■ Toets G indrukken: bagage‐ruimte wordt vergrendeld of ont‐grendeld.■ Toets G indrukken: bagage‐ruimte en zijschuifdeuren wordenvergrendeld of ontgrendeld.Centrale vergrendelingstoetsVergrendelt of ontgrendelt de portie‐ren en de bagageruimte vanuit depassagiersruimte.
22 Sleutels, portieren en ruitenToets e indrukken om te vergrende‐len of te ontgrendelen.LED in schakelaar licht op als de autois vergrendeld.Storing in afstandsbedieningOntgrendelenOntgrendel het voorportier handmatigdoor de sleutel in het slot te ver‐draaien.Contact inschakelen en centrale ver‐grendelingstoets e indrukken om alleportieren en de bagageruimte te ope‐nen.VergrendelenVergrendel het voorportier handmatigdoor de sleutel in het slot te ver‐draaien.Storing in centralevergrendelingOntgrendelenOntgrendel het voorportier handmatigdoor de sleutel in het slot te ver‐draaien. De andere portieren kunnenworden geopend door aan de binnen‐handgrepen te trekken.VergrendelenDruk bij alle portieren op de binnenstevergrendelingsknop, maar niet bij hetbestuurdersportier.
Sluit vervolgenshet bestuurdersportier en vergrendeldit van buiten met de sleutel.Automatisch vergrendelenAutomatisch vergrendelen nawegrijdenU kunt deze beveiligingsfunctie zoda‐nig configureren dat alle portieren ende bagageruimte automatisch wor‐den vergrendeld zodra de auto begintte rijden.InschakelenMet ingeschakeld contact e op decentrale vergrendelingstoets drukkenen deze gedurende ca. 5 secondeningedrukt houden. Een geluidssig‐naal zal de activering bevestigen.
Sleutels, portieren en ruiten 23UitschakelenMet ingeschakeld contact e indruk‐ken en ca. 5 seconden lang ingedrukthouden. Een geluidssignaal zal deuitschakeling bevestigen.Kindersloten9WaarschuwingGebruik de kindersloten wanneerkinderen op de achterste zitplaat‐sen worden vervoerd.Kinderslot omlaag drukken, portierkan niet van binnen uit worden ge‐opend. Omhoog zetten om te deacti‐veren.PortierenSchuifdeurDe zijschuifdeur is van de binnenzijdete vergrendelen met de binnenstevergrendelingstoets.Ervoor zorgen dat de schuifdeur goeddichtzit alvorens weg te rijden.
24 Sleutels, portieren en ruitenElektrische schuifdeurOpenenDruk met aangetrokken handrem opde schakelaar op het instrumenten‐paneel voor het automatisch openenvan de elektrische schuifdeur; tijdensde werking knippert de LED in deschakelaar.SluitenDruk nogmaals op de schakelaar; deLED knippert en tijdens de werkingklinkt er een geluidssignaal.9WaarschuwingWees voorzichtig wanneer u deelektrische schuifdeur bedient. Ri‐sico op letsel, vooral bij kinderen.Houd het bewegende portier goedin de gaten wanneer u het bedient.Zorg ervoor dat er niets geklemdraakt tijdens de bediening en datniemand in de bewegingszonestaat.NooduitgangIn geval van nood moet u de binnen‐handel loszetten en de deur handma‐tig naar achteren schuiven om ze teopenen.Elektrische treeplankDe elektrische treeplank werkt auto‐matisch wanneer de elektrischeschuifdeur geopend of geslotenwordt.
Sleutels, portieren en ruiten 259WaarschuwingZorg ervoor dat er voldoende spe‐ling is om de elektrische treeplankongehinderd volledig in- en uit tedoen schuiven.AchterdeurenOm de rechter achterdeur te openen,aan de buitenkruk trekken.De deur wordt van de binnenkant ge‐opend door aan de binnenste hand‐greep te trekken.De linker achterdeur wordt ontgren‐deld met de hendel.9WaarschuwingWanneer de auto langs de kantvan de weg geparkeerd is en deachterportieren openstaan, zijn deachterlichten mogelijk niet te zien.Medeweggebruikers attent makenop de auto door een gevarendrie‐hoek te gebruiken of andere ap‐paratuur zoals aanbevolen doorhet verkeersreglement in uw land.De deuren worden met deurvangersonder een hoek van 90º gehouden.Om de deuren 180º of verder te ope‐nen, de deurvangers van de pallen opde deurframes halen en de deuren totde gewenste stand openen.Als de deuren tot 270º worden ge‐opend, worden ze door magneten inde zijkant van de carrosserie geheelopen gehouden.9WaarschuwingVer openslaande deuren goedvastzetten bij maximale opening.Geopende deuren kunnen door dewind met kracht dichtslaan!
Sleutels, portieren en ruiten 27■ Laadruimte■ Hellingshoek van de auto, bijv. bijhet wegslepen■ Ontsteking.■ Onderbreking van voeding alarmsi‐reneInschakelenAlle deuren en de motorkap moetenworden gesloten.Toets e indrukken om het diefstala‐larmsysteem in te schakelen. Dealarmknipperlichten knipperen twee‐maal ter bevestiging van de inscha‐keling.Als de alarmknipperlichten bij inscha‐keling van het diefstalalarmsysteemniet knipperen, zit een van de deurenof de motorkap niet goed dicht.UitschakelenBij het ontgrendelen van de auto ofhet inschakelen van het contact wordthet diefstalalarmsysteem uitgescha‐keld. De alarmknipperlichten knippe‐ren eenmaal ter bevestiging van deuitschakeling.Let opIndien het alarm is afgegaan, zal dealarmsirene niet uitschakelen als deauto wordt ontgrendeld. Om de si‐rene uit te schakelen, moet u hetcontact inschakelen.
De alarmknip‐perlichten knipperen niet bij uitscha‐keling, indien het alarm is afgegaan.Inschakelen zonder bewakingvan passagiersruimteSchakel de bewaking van de passa‐giersruimte uit bijv. als er dieren in deauto verblijven of als de timer is inge‐steld voor het inschakelen van dehulpverwarming 3 95.Afhankelijk van voertuigconfiguratie:■toets e ingedrukt houden, of■ contact tweemaal snel in- en uit‐schakelen en dan de portieren slui‐ten en het diefstalalarmsysteem ac‐tiveren.Ter bevestiging zal er een geluidssig‐naal klinken.Deze status blijft gehandhaafd tot dedeuren worden ontgrendeld.Activering zonder bewaking van dehellingshoek van de autoSchakel daarnaast de bewaking vande hellingshoek van de auto uit aan‐gezien sterke ultrasone signalen of
28 Sleutels, portieren en ruitenbewegingen het alarm in werking stel‐len; bijv. als de auto op een veerpontof trein staat:■ contact driemaal snel in- en uit‐schakelen en dan de portieren slui‐ten en het diefstalalarmsysteem ac‐tiveren.Ter bevestiging zal er een geluidssig‐naal klinken.Deze status blijft gehandhaafd tot dedeuren worden ontgrendeld.AlarmWanneer het alarm afgaat klinkt denoodstroomsirene met zijn eigen bat‐terij en knipperen de alarmknipper‐lichten. Het aantal alarmsignalen ende duur ervan zijn wettelijk vastge‐legd.Indien de accu van de auto wordt los‐gekoppeld of de stroomvoorzieningwordt onderbroken, zal de alarmsi‐rene afgaan.
Daarom vóór het los‐koppelen van de voertuigaccu hetdiefstalalarmsysteem uitschakelen.Om een alarmsirene uit te zetten (in‐dien geactiveerd) en hiertoe het dief‐stalalarmsysteem uit te schakelen, devoertuigaccu opnieuw aansluiten ende auto ontgrendelen met toets c opde handzender (of het contact inscha‐kelen).StartbeveiligingHet systeem is onderdeel van de con‐tactschakelaar en het controleert ofde auto met de gebruikte sleutel magworden gestart.De startbeveiliging wordt automatischgeactiveerd na het verwijderen vande sleutel uit het contactslot, of wan‐neer de motor wordt afgezet zonderde sleutel uit het contactslot te verwij‐deren.Als de motor niet kan worden gestart,contact uitschakelen en sleutel eruittrekken, ongeveer 2 seconden wach‐ten en opnieuw proberen te starten.Als dat niet lukt, kunt u proberen omde motor met de reservesleutel testarten en daarna de hulp van eenwerkplaats inroepen.Let opDe startbeveiliging vergrendelt deportieren niet.
Sleutels, portieren en ruiten 29BuitenspiegelsBolle vormDe vergrotende buitenspiegel ver‐kleint de dode hoek. Door de vormvan de spiegel lijken voorwerpen klei‐ner dan ze zijn, waardoor afstandenmoeilijker zijn in te schatten.Handmatig verstellenSpiegels instellen door deze in de ge‐wenste richting te draaien.De onderste spiegels zijn niet te ver‐stellen.Elektrische verstellingDe betreffende buitenspiegel selecte‐ren door de knop naar links of rechtste schakelen en vervolgens de knopte verdraaien om de spiegel af te stel‐len.Als de knop in de middelste standstaat, is er geen spiegel geselec‐teerd.De onderste spiegels zijn niet te ver‐stellen.InklappenVoor de veiligheid van voetgangersklappen de buitenspiegels bij aansto‐ten vanaf een bepaalde kracht weg uitde normale stand. Spiegel dan doorlicht op de spiegelbehuizing te druk‐ken terugduwen.
30 Sleutels, portieren en ruitenVerwarmdWerkt via de toets Ü op één vanbeide systemen.De verwarming werkt bij een draai‐ende motor. Deze wordt na korte tijdautomatisch uitgeschakeld.Klimaatregelsysteem 3 90.Elektronisch klimaatregelsysteem3 92.BinnenspiegelHandmatige dimfunctieOm verblinding te verminderen, dehendel aan de onderkant van de spie‐gelbehuizing gebruiken.
Sleutels, portieren en ruiten 31RuitenHandbediende ruitenDe portierruiten zijn met de handslin‐gers te bedienen.Elektrisch bediende ruiten9WaarschuwingWees voorzichtig bij het gebruikvan de elektrische ruitbediening.Er bestaat verwondingsgevaar,met name voor kinderen.Ruiten tijdens het sluiten goed inde gaten houden. Ervoor zorgendat niets of niemand bekneldraakt.Schakel het contact in om de elek‐trisch bediende ruiten te bedienen.Druk de schakelaar van de betref‐fende ruit in om de ruit te openen oftrek aan de schakelaar om de ruit tesluiten.Bij modellen met automatische func‐tie voor de bestuurdersportierruit; ruitstoppen door tijdens openen aanschakelaar te trekken of deze op‐nieuw in te drukken.Bij een stroeve werking door ijsvor‐ming e.d.
Sleutels, portieren en ruiten 33De verwarming werkt bij een draai‐ende motor. Deze wordt na korte tijdautomatisch uitgeschakeld.Klimaatregelsysteem 3 90.Elektronisch klimaatregelsysteem3 92.ZonnekleppenOm verblinding te vermijden kunnende zonnekleppen worden neerge‐klapt en opzij worden gedraaid.Afdekkingen van eventueel in de zon‐nekleppen aanwezige make-upspiegels tijdens het rijden geslotenhouden.De zonnekleppen zijn tevens uitge‐rust met een houder voor parkeerbe‐wijzen enz.DakPanoramadakNooduitgangIn geval van nood kan het glas gebro‐ken worden. Gebruik de hamer omhet glaspaneel te breken 3 31.
Stoelen, veiligheidssystemen 35DemonterenDruk beide pallen in, trek de hoofd‐steun omhoog en verwijder deze.Hoofdsteunen veilig opbergen in delaadruimte. Bij verwijderde hoofd‐steunen niemand op de desbetref‐fende zitplaatsen vervoeren.VoorstoelenStoelpositie9WaarschuwingAlleen met een correct ingesteldestoel rijden.■ Zitvlak zo dicht mogelijk naar derugleuning schuiven. De afstand totde pedalen zo instellen dat de be‐nen bij het bedienen van de peda‐len licht gebogen zijn. De passa‐giersstoel voorin zover mogelijknaar achteren schuiven.■ Schouders zo dicht mogelijk tegende rugleuning houden. De hoek vande rugleuning zo instellen dat u hetstuurwiel met licht gebogen armenkunt vastpakken. Bij het verdraaienvan het stuurwiel contact blijvenhouden tussen schouders en rug‐leuning. De rugleuning mag niet tever achteroverhellen. De aanbevo‐len hellingshoek bedraagt maxi‐maal ca.
25°.■ Stuurwiel instellen 3 64.■ Zithoogte zo instellen, datu rondom een goed zicht hebt enalle instrumenten goed kunt afle‐zen. Tussen hoofd en dakrandmoet minstens een handbreed tus‐senruimte zitten. De dijen dienenlicht op de zitting rusten, zonderdruk uit te oefenen.■ Hoofdsteun instellen 3 34.■ Hoogte veiligheidsgordel instellen3 42.■ Lendensteun zodanig afstellen datdeze de natuurlijke vorm van deruggengraat ondersteunen 3 36.
Stoelen, veiligheidssystemen 39ArmsteunZo nodig kan de armsteun worden op‐geklapt.VerwarmingOp de knop ß voor de respectieve‐lijke stoel drukken. Voor uitschakelingdezelfde knop ß nogmaals indruk‐ken.De stoelverwarming wordt met eenthermostaat geregeld en schakelt au‐tomatisch uit wanneer de stoeltempe‐ratuur hoog genoeg is.De controlelamp in de knop licht op,wanneer het systeem ingeschakeldis, niet alleen tijdens het verwarmen.Langdurig gebruik van de hoogste in‐stelling wordt afgeraden voor perso‐nen met een gevoelige huid.De stoelverwarming werkt bij eendraaiende motor.
40 Stoelen, veiligheidssystemenAchterbankZitplaatsen achterinAchterinstapOm de achterinstap te vergemakke‐lijken, trekt u aan de ontgrendelhen‐del en klapt u de rugleuning voorover.9WaarschuwingErvoor zorgen dat de rugleuningweer in de juiste stand terugkomten dat de gordelsluitingen goedvastzitten.Veiligheidsgordel aanbrengen3 42.Verwijderbare achterbankDemonterenBij sommige modellen kan de laad‐ruimte vergroot worden door de ach‐terbank te verwijderen.■Hef hendel 1 aan beide kanten vande stoel omhoog; pennen 2 ver‐schijnen ter aanduiding dat de stoelontgrendeld is.■ Verplaats de stoel naar achter omhem los te maken van de anker‐punten op de vloer.■ Til de stoel op om hem te verwijde‐ren.9WaarschuwingVerwijderbare stoelen zijn zwaar!Niet zonder hulp proberen te de‐monteren.MonterenVoorzichtigDe zitplaatsen achterin kunnenniet onderling worden verwisselden moeten terug op hun oorspron‐kelijke plaats worden gezet.
Stoelen, veiligheidssystemen 41Plaats de stoelgeleiders direct achterde voorste ankerpunten op de vloeren schuif de stoel voorwaarts om hemte vergrendelen.De stoel vergrendelt automatisch ende pennen 3 zijn niet langer zichtbaar,om aan te geven dat de stoel is ver‐grendeld.VoorzichtigBij het monteren ervoor zorgen datde stoelen goed op de veranke‐ringspunten vastzitten en dat depallen volledig ingrijpen.VeiligheidsgordelsDe veiligheidsgordels worden bij sneloptrekken of hard remmen geblok‐keerd, om de inzittenden op hun stoelte houden. Het gevaar voor letselneemt hierdoor aanzienlijk af.
42 Stoelen, veiligheidssystemen9WaarschuwingVeiligheidsgordel vóór elke rit om‐doen.Inzittenden die geen gebruik ma‐ken van de veiligheidsgordel bren‐gen bij eventuele aanrijdingen me‐depassagiers en zichzelf ingevaar.Veiligheidsgordels zijn bedoeld voorgebruik door slechts één persoon te‐gelijk. Ze zijn niet geschikt voor per‐sonen kleiner dan 150 cm.Alle onderdelen van het gordelsys‐teem regelmatig op schade en juistewerking controleren.Beschadigde onderdelen laten ver‐vangen. Na een aanrijding de veilig‐heidsgordels en de gordelspannersdoor een werkplaats laten vervangen.Let opZorg dat de veiligheidsgordels nietdoor schoenen of voorwerpen metscherpe randen beschadigd rakenklem komen te zitten.
Oprolautoma‐ten vrijhouden van vuil.Gordelverklikker X 3 74.GordelkrachtbegrenzersDe gordelkrachtbegrenzers van devoorstoelen beperken de krachten dieinwerken op de inzittenden, doordatde gordels tijdens een botsing gelei‐delijk worden ontspannen.GordelspannersDe gordelsluitingen van de voorstoe‐len worden bij een voldoende zwarefrontale botsing of bij een aanrijdingvan achteren strakgetrokken.9WaarschuwingOnjuist handelen (bijv. het verwij‐deren of aanbrengen van gordels)kan de gordelspanners in werkingstellen.Geactiveerde gordelspanners zijn teherkennen aan de continu brandendecontrolelamp v 3 74.Geactiveerde gordelspanners dooreen werkplaats laten vervangen. Gor‐delspanners worden slechts eenmaalgeactiveerd.Let opBevestig of monteer geen accessoi‐res of andere voorwerpen die dewerking van de gordelspanners kun‐nen verstoren.
Stoelen, veiligheidssystemen 43Heupgordel tijdens het rijden van tijdtot tijd strak trekken door aan deschoudergordel te trekken.Loszittende kleding belemmert hetstrak trekken van de gordel. Geenvoorwerpen zoals handtassen of mo‐biele telefoons tussen de gordel enuw lichaam leggen.9WaarschuwingDe gordel niet over harde of breek‐bare voorwerpen in de zakken vanuw kleding laten lopen.Hoogteverstelling1. Gordel iets uittrekken.2. Toets indrukken.3. Hoogte instellen en vergrendelen.Hoogte zo instellen dat de gordel overde schouder loopt. Gordel mag nietlangs de hals of bovenarm lopen.Niet instellen tijdens het rijden.DemonterenOm de gordel los te maken, de rodeknop van het gordelslot indrukken.
44 Stoelen, veiligheidssystemenGebruik van deveiligheidsgordel tijdens dezwangerschap9WaarschuwingDe heupgordel moet zo laag mo‐gelijk over het bekken lopen omdruk op de buik te voorkomen.AirbagsysteemHet airbagsysteem bestaat uit meer‐dere afzonderlijke systemen afhanke‐lijk van de omvang van de uitrusting.Bij het afgaan worden de airbags bin‐nen enkele milliseconden gevuld.Ook het leeglopen van de airbagsverloopt zo snel, dat dit tijdens eenaanrijding vaak niet eens wordt opge‐merkt.9WaarschuwingBij onoordeelkundige behandelingkunnen de airbagsystemen op ex‐plosieve wijze in werking treden.Let opTer hoogte van de middenconsolezitten de regelelektronica van hetairbagsysteem en de gordelspan‐ners. In dit gebied geen magneti‐sche voorwerpen plaatsen.Afdekkingen van airbags niet be‐plakken of met andere materialenbedekken.Elke airbag treedt slechts eenmaalin werking.
Geactiveerde airbagsonmiddellijk laten vervangen dooreen werkplaats. Daarnaast is hetwellicht noodzakelijk het stuurwiel,instrumentenpaneel, paneelele‐menten, portierrubbers, hendels enstoelen te laten vervangen.Geen aanpassingen in het airbag‐systeem aanbrengen, anders ver‐valt de typegoedkeuring van deauto.Bij het ontplooien van de airbags kun‐nen ontsnappende hete gassenbrandwonden veroorzaken.Controlelamp v voor airbagsystemen3 74.Frontaal airbagsysteemDe frontale airbags bestaan in eenairbag in het stuurwiel en een airbagin het instrumentenpaneel aan depassagierszijde. Ze zijn te herkennenaan het opschrift AIR BAG.
Stoelen, veiligheidssystemen 45Bovendien zit er een waarschuwings‐etiket aan de zijkant van het instru‐mentenpaneel, dat bij een geopendvoorste passagiersportier zichtbaaris.Het frontairbagsysteem treedt in wer‐king bij een voldoende krachtige aan‐rijding. Het contact moet ingescha‐keld zijn.De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het bovenlichaam en hoofdvan de inzittenden voorin de autoaanzienlijk afneemt.9WaarschuwingAlleen bij een correcte zitpositie isoptimale bescherming mogelijk3 35.Lichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.Veiligheidsgordel correct omleg‐gen en goed vastzetten. Alleendan kan de airbag beschermingbieden.Zijdelings airbagsysteemDe zijdelingse airbags bestaan uit air‐bags in de rugleuningen van de beidevoorstoelen.
Ze zijn te herkennen aanhet opschrift AIRBAG.Het zijairbagsysteem treedt in wer‐king bij een voldoende krachtige aan‐rijding. Het contact moet ingescha‐keld zijn.De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het bovenlichaam en deheupen bij een zijdelingse aanrijdingaanzienlijk afneemt.9WaarschuwingLichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.Let opOp de voorstoelen alleen stoelhoe‐zen gebruiken die voor de auto zijngoedgekeurd. De airbags niet afdek‐ken.
46 Stoelen, veiligheidssystemenAirbag deactiverenDe frontale en zijdelingse airbagsvoor de passagiersstoel voor moetenworden uitgeschakeld wanneer opdeze stoel een kinderzitje moet wor‐den geplaatst. De gordelspanners enalle bestuurdersairbagsystemen blij‐ven actief.Het passagiersairbagsysteem kan viaeen schakelaar aan de zijkant van hetinstrumentenbord worden gedeacti‐veerd.Bij een geopend voorportier de scha‐kelaar indrukken en linksom naar destand OFF draaien.Airbags voor de passagier voorin zijngedeactiveerd en gaan niet af bij eenaanrijding. Controlelamp * brandtononderbroken naast het informatie‐display of op het instrumentenpaneelen een bijbehorend bericht verschijntin het Driver Information Center.Een kinderveiligheidssysteem kanworden geïnstalleerd volgens hetoverzicht inbouwposities 3 49.
Ermag geen volwassene op de passa‐giersstoel voor zitten.9GevaarLevensgevaar voor kinderen ineen kinderveiligheidssysteem te‐zamen met een geactiveerde air‐bag op de passagiersstoel voorin.Levensgevaar voor volwassenenbij een buiten werking gesteldeairbag van de passagiersstoelvoorin.Wanneer controlelamp * niet brandt,zullen de airbags voor de passagiers‐stoel voorin afgaan bij een aanrijding.Als controlelamp A samen met vblijft branden, is er sprake van eensysteemstoring. De hulp van eenwerkplaats inroepen.Status alleen wijzigen tijdens stilstandmet het contact uitgeschakeld. Destatus blijft vervolgens tot de vol‐gende wijziging van kracht.Controlelamp airbag-deactivering3 74.
Stoelen, veiligheidssystemen 47Kinderveiligheidssyste‐menWij bevelen het Opel-kinderveilig‐heidssysteem aan dat specifiek voormontage in uw auto geschikt is. Let bij gebruik van een kinderzitje opde volgende gebruiksaanwijzingenen montagevoorschriften en houdu bovendien aan de instructies die bijhet kinderzitje werden geleverd. Houd u altijd aan de plaatselijke oflandelijke voorschriften. In sommigelanden is het gebruik van kindervei‐ligheidssystemen op bepaalde zit‐plaatsen verboden. 9WaarschuwingWanneer een kinderveiligheids‐systeem op de passagiersstoelvoorin wordt gebruikt, moeten deairbagsystemen voor de passa‐giersstoel voorin worden uitge‐schakeld; zo niet, dan kan het inwerking treden van de airbags hetleven van het kind in gevaar bren‐gen. Dit is vooral van belang wanneernaar achteren gerichte kindervei‐ligheidssystemen op de passa‐giersstoel voorin worden gebruikt.
Airbag deactiveren 3 46. Juiste systeem selecterenDe achterbank is de beste plaats omeen kinderzitje vast te maken. Vervoer kinderen zo lang mogelijk te‐gen de rijrichting in. Hierdoor wordt denog erg zwakke ruggengraat van hetkind bij een ongeval minder belast. Wijziging van het systeem is aange‐wezen wanneer het hoofd van hetkind niet meer voldoende wordt on‐dersteund op ooghoogte. Kinderen tot een leeftijd van 12 jaar ofmet een lichaamslengte tot 1,5 m uit‐sluitend in een geschikt kinderveilig‐heidssysteem vervoeren. Geschiktzijn kinderveiligheidssystemen dievoldoen aan ECE 44-03 ofECE 44-04. Aangezien het bij kinderen kleinerdan 1,5 m zelden mogelijk is een vei‐ligheidsgordel goed om te doen, ra‐den wij ten zeerste aan een geschiktkinderveiligheidssysteem te gebrui‐ken, zelfs als dit vanwege de leeftijdvan het kind niet meer wettelijk ver‐plicht is.
48 Stoelen, veiligheidssystemenControleer of de montageplaats vanhet kinderzitje in de auto juist is.Kinderen alleen in en uit de auto latenstappen aan de rechterkant, weg vanhet verkeer.Wanneer het kinderzitje niet in ge‐bruik is, het met een veiligheidsgordelvastzetten of uit de auto verwijderen.Let opKinderveiligheidssystemen niet be‐plakken of met andere materialen af‐dekken.Een kinderveiligheidssysteem dattijdens een aanrijding werd belastmoet worden vervangen.
Ervoor zorgen dat de veiligheidsgordel tussen de schouderen het bovenste verankeringspunt zo recht mogelijk ligt.2) Ervoor zorgen dat de airbags voor de passagier voorin gedeactiveerd is wanneer u een kinderzitje op deze plaatsaanbrengt.
52 Stoelen, veiligheidssystemenBus - zitplaatsen achterinGewichts- of leeftijdsgroep Zitrijen achterinGroep 0: tot 10 kgof ca. 10 maandenGroep 0+: tot 13 kgof ca. 2 jaarXGroep I: 9 tot 18 kgof ca. 8 maanden tot 4 jaarXGroep II: 15 tot 25 kgof ca. 3 tot 7 jaarGroep III: 22 tot 36 kgof ca. 6 tot 12 jaarXU = Geschikt voor universele veiligheidssystemen in deze gewichts- en leeftijdscategorie bij gebruik van een driepunts‐veiligheidsgordel.UF = Geschikt voor universele voorwaarts gerichte veiligheidssystemen in deze gewichts- en leeftijdscategorie bij gebruikvan een driepuntsveiligheidsgordel.
Het ISOFIX veiligheidssysteem moet goedgekeurd zijn voor het specifieke autotype.IUF = Geschikt voor voorwaarts gerichte ISOFIX kinderveiligheidssystemen uit de universele categorie, goedgekeurdvoor deze gewichtsklasse.X = Geen ISOFIX kinderveiligheidssysteem goedgekeurd voor deze gewichtsklasse.
Opbergen 57HandschoenenkastjeHet handschoenenkastje tijdens hetrijden gesloten houden.Koeling handschoenenkastje 3 100.BekerhoudersEr zitten bekerhouders aan beide uit‐einden van het instrumentenpaneelen midden onder in het instrumenten‐paneel.De bekerhouders kunnen ook wordengebruikt als houder voor de draag‐bare asbak 3 68.Opbergruimte voorOp het cabineschutbord zitten driekledinghaken.De voorportiervakken bevatten fles‐senhouders.Rugleuning passagierneerklappenDe rugleuning van de passagier biedtna het volledig neerklappen opberg‐vakken en bekerhouders.De zwenkplaat, die voor schrijfwerk‐zaamheden of documenten kan wor‐den gebruikt, moet vóór het opklap‐pen van de rugleuning van de stoelweer in de oorspronkelijke stand wor‐den gezet.ZonnebrilhouderNeerklappen om te openen.Hierin geen zware voorwerpen bewa‐ren.
58 OpbergenPlafondconsoleNiet meer dan 5 kg aan spullen indeze opbergvakken bewaren.Opbergvak onderpassagiersstoelTrek het kussen van de passagiers‐stoel aan de twee lussen naar vorenom toegang tot de opbergruimte on‐der de stoel te krijgen.Opbergruimte plafondNiet meer dan 35 kg aan spullen in ditopbergvak bewaren.Opbergruimte achterinBusU kunt voorwerpen opbergen in dedakopbergrekken boven de passa‐giersstoelen achteraan.Het totale gewicht in elk opbergrekmag niet groter zijn dan 35 kg.
Opbergen 59BagageruimteSjorogenIn de laadruimte zitten sjorogen omde lading in positie te houden met be‐vestigingsbanden of een bagagenetop de vloer.De sjorogen mogen onder een hoekvan 30° niet met meer dan 5000 Nworden belast.Verwijderbare sjorogenDruk de middelste dop naar onder enschuif in de gewenste positie om op‐nieuw op zijn plaats te zetten. Zorgervoor dat het sjoroog goed in de uit‐sparing vastzit.Beladingsinformatie 3 63.FlexOrganizerBeweegbare verdeelwandDe beweegbare verdeelwand kanworden gebruikt tussen de vloer ende dakrails.Druk de grendel naar onder om dewand los te zetten en hem zoals ge‐wenst te verplaatsen. Zorg ervoor datde grendel volledig vastzit en dat deverdeelwand rechtop staat.
60 OpbergenBerg de verdeelwand op aan één kantvan de bagageruimte wanneer u hemniet gebruikt.Telescopische blokkeerstangenDe telescopische blokkeerstangenkunnen worden gebruikt in horizon‐tale of verticale positie.Zorg ervoor dat de blokkeerstangenvolledig in de laadrails vastzitten.Om de stang los te zetten, drukt u ophet slot en schuift u tegelijkertijd metde stang.Maximale belading 100daN/700mm.SpanbandenMet de juiste spanbanden kuntu voorwerpen vastmaken aan de ver‐wijderbare sjorogen op de laadrails inde zijkant of vloer.Maak het voorwerp met de spanban‐den vast aan de verwijderbare sjor‐ogen in de vloer van het voertuig.Maximale belading 500daN/700mm.
Opbergen 61Maximale belading 100daN/700mm.Verwijderbare sjorogen 3 59, Bela‐dingsinformatie 3 63.VeiligheidsnetLaat de veiligheid van de dakruimtezakken en maak vast aan de sjorogen3 59.Pas de spanning op de banden aanzodat de lading goed vast zit.Wanneer u het veiligheidsnet niet ge‐bruikt, moet u het in de dakruimte op‐bergen.Beladingsinformatie 3 63.GevarendriehoekDe gevarendriehoek kan worden op‐geborgen in de ruimte onder de voor‐stoelen.Opbergvak onder passagiersstoel3 58.VerbanddoosDe verbanddoos kan worden opge‐borgen in de ruimte onder de voor‐stoelen of in de dakconsole.Er zit een etiket op de dakconsole alsde verbanddoos daar is opgeborgen.Opbergvak onder passagiersstoel3 58.Dakconsole 3 58.BrandblusserDe brandblusser kan worden opge‐borgen in de ruimte onder de voor‐stoelen.
62 OpbergenMet behulp van de twee lussen op hetstoelkussen trekt u het kussen naarvoor om erbij te kunnen.Er bevindt zich mogelijk een extrabrandblusser in het paneel van hetvoorportier.In dat geval zit er een etiket op dedakconsole.DakdragersysteemDakdragerOm veiligheidsredenen en ter vermij‐ding van dakschade wordt geadvi‐seerd de voor uw auto goedgekeurdedakdrager te gebruiken.Gebruiksaanwijzing van de dakdra‐ger in acht nemen en dakdrager ver‐wijderen wanneer het niet wordt ge‐bruikt.Verdere informatie 3 63.
Opbergen 63Beladingsinformatie■ Zware voorwerpen zo ver mogelijkvooraan en gelijkmatig verdeeld inde laadruimte plaatsen Bij stapel‐bare voorwerpen de zwaarste voor‐werpen onderaan leggen.■ Voorwerpen met spanbanden aande sjorogen vastzetten 3 59.■ Losse voorwerpen in de laadruimtevastzetten om glijden tegen tegaan.■ De bagage mag de bediening vanpedalen, handrem, schakelhendelen de bewegingsvrijheid van de be‐stuurder niet belemmeren. Geenlosse voorwerpen in het interieurleggen.■ Niet met een geopende achterkleprijden.
Bovendien is de kenteken‐plaat alleen goed zichtbaar en ver‐licht met gesloten deuren.■ Het nuttig draagvermogen is hetverschil tussen het maximaal toe‐laatbare totaalgewicht van de auto(zie typeplaatje 3 165) en hetEU- leeggewicht van de auto.De gegevens van uw auto in de ge‐wichtstabel voorin deze handlei‐ding invoeren om het EU-leegge‐wicht te berekenen.Het EU-leeggewicht omvat ook hetgewicht van de bestuurder (68 kg),de bagage (7 kg) en alle vloeistof‐fen (tank voor 90 % gevuld).Extra uitrusting en accessoires ver‐hogen het leeggewicht.■ Rijden met daklading verhoogt dezijwindgevoeligheid van de auto enverslechtert het rijgedrag door hethogere zwaartepunt. Lading gelijk‐matig verdelen en goed met span‐banden vastzetten. Bandenspan‐ning en rijsnelheid aan de bela‐dingstoestand aanpassen.
Span‐banden regelmatig controleren enbijspannen.■ De toegestane dakbelading(waarin het gewicht van de dakdra‐ger is inbegrepen) is 200 kg voorstandaard dakvarianten. De dakbe‐lasting is de som van het gewichtvan het dakdragersysteem en delading.
Instrumenten en bedieningsorganen 65Claxonj indrukken.De claxon klinkt ongeachte de standvan de contactschakelaar.Knoppen op stuurkolomBepaalde functies van het infotain‐mentsysteem kunnen ook via de toet‐sen op de stuurkolom worden be‐diend.Meer informatie staat in de handlei‐ding van het infotainmentsysteem.Wis-/wasinstallatie voorruitVoorruitwissersK=intervalschakeling1= langzaam2= snelNiet inschakelen wanneer de voorruitbevroren is.Uitschakelen in wasstraten.Automatische wisfunctie metregensensorK=Automatische wisfunctie metregensensorDe regensensor registreert de hoe‐veelheid neerslag op de voorruit enstuurt automatisch de wissnelheidvan de voorruitwissers aan.Bij het starten van de motor moet deautomatische wisfunctie opnieuwworden geselecteerd.
66 Instrumenten en bedieningsorganenInstelbare gevoeligheid regensensorAan stelwiel draaien om de gevoelig‐heid in te stellen:Geringegevoeligheid= stelwiel omlaag‐draaienHogegevoeligheid= stelwiel omhoog‐draaienSensor vrijhouden van stof, vuil en ijs.VoorruitsproeiersHendel naar u toe trekken. Er wordtsproeiervloeistof tegen de voorruitgespoten.korttrekken= wisser maakt één en‐kele slaglangtrekken= wisser maakt meer‐dere slagenBuitentemperatuurEen dalende temperatuur wordt on‐middellijk aangeduid, een stijgendetemperatuur met enige vertraging.Als de buitentemperatuur daalt tot3 °C, knippert °C op het informatie‐display bij wijze van waarschuwingvoor gladheid. Het lampje blijft knip‐peren totdat de temperatuur 3 °Coverschrijdt.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Opel Movano 2013 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Personenwagen Opel
Handleiding Personenwagen
Nieuwste handleidingen voor Personenwagen