Opel Antara 2016 Handleiding

Opel Personenwagen Antara 2016

Bekijk gratis de handleiding van Opel Antara 2016 (231 pagina’s), behorend tot de categorie Personenwagen. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 74 mensen en kreeg gemiddeld 4.5 sterren uit 4 reviews. Heb je een vraag over Opel Antara 2016 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/231
OPEL ANTARA
Gebruikershandleiding

Beoordeel deze handleiding

4.5/5 (4 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Opel
Categorie: Personenwagen
Model: Antara 2016

Handleiding Opel Antara 2016 – volledige tekst

Inleiding 3Uw autogegevensVoer hier de gegevens van de auto inzodat ze gemakkelijk te vinden zijn. Deze informatie is beschikbaar in dehoofdstukken "Service en onder‐houd" en "Technische gegevens",alsmede op het typeplaatje. InleidingUw auto is de intelligente combinatievan vernieuwende techniek, overtui‐gende veiligheid, milieuvriendelijk‐heid en zuinigheid. In deze gebruikershandleiding vindt ualle informatie die u nodig hebt om uwauto veilig en efficiënt te kunnen be‐dienen. Zorg ervoor dat uw passagiers ervanop de hoogte zijn dat onjuist gebruikvan de auto een ongeval tot gevolgkan hebben en dat er risico bestaatvoor persoonlijk letsel. Houd u altijd aan de specifieke wet‐geving van het land waarin u zich be‐vindt. Deze wetgeving kan afwijkenvan de informatie in deze gebruikers‐handleiding. Als u de beschrijving in deze handlei‐ding negeert, kan dit van invloed zijnop de garantie.

Wanneer wij u in deze gebruikers‐handleiding adviseren de hulp vaneen werkplaats in te roepen, raden wijuw Opel Service Partner aan. Elke Opel Service Partner biedt u eer‐steklas service tegen redelijke prij‐zen. Ervaren, door Opel geschooldespecialisten werken volgens specialerichtlijnen van Opel. Houd het informatiepakket voor degebruiker altijd onder handbereik inde auto. Gebruik van dezehandleiding● Deze handleiding geeft een om‐schrijving van alle voor dit modelbeschikbare opties en functies. Mogelijk zijn bepaaldeomschrijvingen, waaronder dievoor display- en menufuncties,niet op uw auto van toepassingwanneer er sprake is van eenmodelvariant, afwijkendelandenspecificaties of specialeuitrustingen of accessoires. ● In het hoofdstuk "Kort en bondig"krijgt u een beknopt overzicht.

● De inhoudsopgave aan het beginvan de handleiding en in de af‐zonderlijke paragrafen geeft aanwaar u de informatie die u zoektkunt vinden. ● Met behulp van het trefwoorden‐register kunt u specifieke infor‐matie zoeken.

4 Inleiding● Displays ondersteunen mogelijkuw specifieke taal niet.● Displayteksten en opschriften inhet interieur zijn vet gedrukt.Gevaar, Waarschuwing enVoorzichtig9 GevaarTeksten met de vermelding9 Gevaar wijzen op een mogelijklevensgevaar. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan levensge‐vaar inhouden.9 WaarschuwingTeksten met de vermelding9 Waarschuwing wijzen op eenmogelijk gevaar voor ongelukkenof verwondingen. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan tot ver‐wondingen leiden.VoorzichtigTeksten met de vermeldingVoorzichtig wijzen erop dat deauto mogelijk beschadigd kan ra‐ken. Het niet naleven van dezerichtlijnen kan tot beschadigingvan de auto leiden.SymbolenVerwijzingen naar andere pagina'sworden aangeduid met 3.

8 Kort en bondigVerstellen : duw de voorsteschakelaar naarvoren/achterenHoogte vanstoel voor: voorste gedeeltevan schakelaarvoor omhoog/om‐laag zettenHoogte vanstoel achter: achterste gedeeltevan schakelaarvoor omhoog/om‐laag zettenHoogte vangehele stoel: gehele schakelaarvoor omhoog/om‐laag zettenRugleuning : bovenste gedeeltevan schakelaarachter naar voren/achteren zettenStoelpositie 3 35, Elektrische stoel‐verstelling 3 38.HoofdsteunverstellingOntgrendelingsknop indrukken,hoogte instellen en vastklikken.Hoofdsteunen 3 34.VeiligheidsgordelVeiligheidsgordel afrollen en in gor‐delslot vastklikken. De veiligheidsgor‐del mag niet gedraaid zitten en moetstrak tegen het lichaam aanliggen. Derugleuningen mogen niet te ver naarachteren hellen (maximaal ca. 25°).Om de gordel los te maken, de rodeknop van het gordelslot indrukken.Stoelpositie 3 35, veiligheidsgor‐dels 3 41, airbagsysteem 3 45.

Kort en bondig 15Ruiten ontwasemen en ontdooienLuchtverdeling op V (of l).De koeling A/C (of n) en de luchtre‐circulatie 4 worden automatisch in‐geschakeld voor beter ontdooien (inauto's met elektronische klimaatrege‐ling wordt de luchtrecirculatie 4 au‐tomatisch uitgeschakeld).Temperatuur op hoogste stand zet‐ten.Luchtdebiet op hoogste stand zetten.Verwarming achterruit Ü inschake‐len.De middelste ventilatieopeningensluiten, de zijdelingse ventilatieope‐ningen openen en op de zijruiten rich‐ten.Klimaatregelsysteem 3 116.VersnellingsbakHandgeschakeldeversnellingsbakAchteruit: vanuit stilstand de koppe‐ling intrappen en 3 seconden wach‐ten alvorens de achteruitrijversnellingin te schakelen.Kan de versnelling niet worden inge‐schakeld, dan koppeling in de neu‐trale stand laten opkomen, koppelingweer intrappen en nogmaals schake‐len.Handgeschakelde versnellingsbak3 141.

Kort en bondig 17Motor starten● sleutel naar stand ACC draaien● verdraai het stuurwiel een beetje,zodat het stuurslot vrijkomt● handgeschakelde versnellings‐bak in neutrale stand● trap het koppelings- en rempe‐daal in● automatische versnellingsbak inP of N● geef geen gas● dieselmotoren: draai de sleutelnaar ON voor het voorgloeien enwacht tot controlelamp ! dooft● sleutel kort op START zetten enloslatenMotor starten 3 127.Stop/Start-systeemAls de auto langzaam rijdt of stilstaaten aan bepaalde voorwaarden is vol‐daan, activeer dan een Autostopzoals hieronder beschreven:● Bedien het koppelingspedaal● Zet de keuzehendel in N● Laat het koppelingspedaal losEen Autostop wordt aangegevendoor de naald op de AUTOSTOP-po‐sitie in de toerenteller.Om de motor te herstarten, moet u hetkoppelingspedaal opnieuw bedienen.Stop/Start-systeem 3 128.

18 Kort en bondigParkeren9 Waarschuwing● De auto niet op een licht ont‐vlambare ondergrond parke‐ren. De ondergrond kan doorde hoge temperatuur van hetuitlaatgassysteem mogelijkvlam vatten.● Trek altijd de elektrische hand‐rem aan.Schakelaar m naar u toe trek‐ken.De elektrische handrem is aan‐getrokken wanneer controle‐lamp m oplicht 3 87.Voor de maximale kracht, bijv.bij het parkeren met een aan‐hanger of op een helling, trektu m tweemaal aan de schake‐laar.● Zet de motor af.● Als de auto vlak of op een op‐lopende helling staat, dan vóórhet verwijderen van de contact‐sleutel de eerste versnelling in‐schakelen of de keuzehendel instand P zetten. Op een oplo‐pende helling bovendien devoorwielen van de stoeprandwegdraaien.Als de auto op een aflopendehelling staat, dan vóór het ver‐wijderen van de contactsleutelde achteruitversnelling inscha‐kelen of de keuzehendel instand P zetten.

Bovendien devoorwielen naar de stoeprandtoedraaien.● Sluit de ramen en het zonne‐dak.● Draai de contactsleutel in destand LOCK, druk de sleutel inhet contactslot en trek deze er‐uit.Bij auto's met automatischeversnellingsbak trapt u het rem‐pedaal in en schakelt u naar Pvoordat u de sleutel in het con‐tactslot duwt en eruit trekt.Stuurwiel verdraaien totdat hetstuurslot merkbaar vergrendelt.● Vergrendel de auto met p op dehandzender 3 21.● Activeer het alarmsysteem3 25.● Koelventilatoren kunnen ook nahet afzetten van de motor in wer‐king treden 3 161.● Na een rit waarbij met hoge mo‐tortoerentallen of met hoge mo‐torbelasting werd gereden, demotor vóór het afzetten gedu‐rende een korte tijd met lage be‐lasting laten draaien of gedu‐rende ongeveer 1 of 2 minutenstationair laten lopen om de tur‐bolader te beschermen.Sleutels, sloten 3 19, auto een lan‐gere tijd stilzetten 3 160.

20 Sleutels, portieren en ruitenDruk op de knop om uit te klappen.Om in te klappen eerst toets indruk‐ken.Car PassOp de Car Pass staan veiligheids‐technische autogegevens. Daarommoet deze goed worden bewaard.Een eventueel ingeschakelde werk‐plaats heeft voor het verrichten vanbepaalde werkzaamheden deze au‐togegevens nodig.HandzenderWordt gebruikt voor:● Centrale vergrendeling● Diefstalbeveiliging● DiefstalalarmsysteemDe afstandsbediening heeft een be‐reik van ongeveer 6 meter. Het bereikkan variëren door invloeden van bui‐tenaf.

Brandende alarmknipperlich‐ten dienen als bevestiging.Afstandsbediening met zorg behan‐delen, vochtvrij houden, beschermentegen hoge temperaturen en onnodiggebruik vermijden.StoringAls de centrale vergrendeling niet metde afstandsbediening kan wordenvergrendeld of ontgrendeld, kan dithet gevolg zijn van het volgende:● Bereik overschreden.● Batterijspanning te laag.● Herhaald, opeenvolgend gebruikvan de handzender buiten hetbereik, waardoor er opnieuw ge‐programmeerd moet worden.

Dehulp van een werkplaats inroe‐pen.● Overbelasting van de centralevergrendeling door herhaalde,snel opeenvolgende activeringvan de afstandsbediening, waar‐door de stroomvoorziening voorkorte tijd wordt onderbroken.● Storing door radiogolven afkom‐stig van externe zenders met eenhoog vermogen.Ontgrendelen 3 21.Batterij van de afstandsbedieningvervangenZodra de reikwijdte afneemt, de bat‐terij meteen vervangen.Batterijen horen niet in het huisvuilthuis. Ze moeten via speciale inza‐melpunten gerecycled worden.

Sleutels, portieren en ruiten 21Sleutel met uitklapbare sleutelbaardSleutelbaard uitklappen en afstands‐bediening openen. Batterij vervangen(batterijtype CR2032), let hierbij opde juiste plaatsing. Sluit de module.Sleutel met vaste sleutelbaardOpen de module met een kleineschroevendraaier in de nok op hetdeksel. Batterij vervangen (batterij‐type CR2032), let hierbij op de juisteplaatsing. Sluit de module.Centrale vergrendelingOntgrendelt en vergrendelt portieren,bagageruimte en tankklep.Door aan de binnenste portierhand‐greep te trekken wordt het desbetref‐fende portier ontgrendeld.

Door nogeens aan de handgreep te trekkengaat het portier open.Let opBij een ongeval waarbij de airbags ofgordelspanners in werking treden,wordt het voertuig automatisch ont‐grendeld.Ontgrendelenq indrukken.Let opAls er binnen 5 minuten na het ont‐grendelen van de auto geen portierwordt geopend, wordt de auto op‐nieuw vergrendeld (en wordt hetanti-inbraakalarm opnieuw geacti‐veerd).Wanneer q wordt ingedrukt, licht hetinstrumentenpaneel gedurende ong.30 seconden op of totdat het contact‐slot naar de stand ACC wordt ge‐draaid.VergrendelenSluit de portieren, bagageruimte,tankklep, motorkap, ruiten en het zon‐nedak.

22 Sleutels, portieren en ruitenp indrukken.De centrale vergrendeling kan wor‐den geactiveerd met open ruiten.Let opOmwille van de veiligheid kan deauto niet met de afstandsbedieningworden vergrendeld of ontgrendeldmet de sleutel in het contactslot (ende anti-inbraaksystemen wordenniet geactiveerd).Bij een niet goed gesloten bestuur‐dersportier werkt de centrale vergren‐deling niet.Achterklep ontgrendelenq indrukken.De achterklep wordt samen met deportieren ontgrendeld.Als de motor draait, kunt u de achter‐klep uitsluitend ontgrendelen als deelektrische handrem aangetrokken isof als de automatische versnellings‐bak in de stand P staat.Centrale vergrendelingsknoppenAlle portieren, de bagageruimte en detankklep worden vanuit de passa‐giersruimte vergrendeld of ontgren‐deld.Druk links op m om te vergrendelen.Druk rechts op m om te ontgrende‐len.Als de sleutel in het contactslot zit,kan er pas worden vergrendeld alsalle portieren gesloten zijn.Storing in handzendersysteemOntgrendelenBestuurdersportier handmatig ont‐grendelen door de sleutel in het slotte draaien.

Sleutels, portieren en ruiten 23Kindersloten9 WaarschuwingGebruik de kindersloten wanneerkinderen op de achterste zitplaat‐sen worden vervoerd.Draaiknop aan het achterportierslotmet een sleutel of een geschikteschroevendraaier naar horizontalestand draaien. Het portier kan vanbinnenuit niet geopend worden.Om de functie te deactiveren, draait uhet kinderslot in de verticale stand.PortierenBagageruimteAchterklepOpenenDruk op de knop boven de kenteken‐plaat en til de achterklep op.Centrale vergrendeling 3 21.SluitenBinnenste handgreep gebruiken.Druk bij het sluiten van de achterklepniet op de knop boven de kenteken‐plaat, omdat deze anders weer wordtontgrendeld.Centrale vergrendeling 3 21.

24 Sleutels, portieren en ruitenStoringGa als volgt te werk om de achterklepbij een stroomonderbreking te ope‐nen:Trek de binnenbekleding bij de cen‐trale grendelpal weg en trek met ge‐schikt gereedschap aan de hefboom.Algemene tips voor deachterklepbediening9 WaarschuwingRijd niet met een geopende of opeen kier staande achterklep, bijv.bij het vervoer van omvangrijkebagage, omdat er dan giftige, on‐zichtbare en reukloze uitlaatgas‐sen de auto kunnen binnendrin‐gen. Hierdoor kunt u bewusteloosraken en zelfs sterven.VoorzichtigVoordat u de achterklep opent,moet u kijken of er boven de autoniets in de weg zit, zoals een ga‐ragedeur, om schade van de ach‐terklep te voorkomen.

Controleeraltijd het bewegingsgebied bovenen achter de achterklep.Let opAfhankelijk van het gewicht vaneventueel gemonteerde accessoi‐res blijft de achterklep mogelijk nietin geopende stand staan.AntidiefstalbeveiligingVergrendelingssysteem9 WaarschuwingNiet inschakelen als er zich perso‐nen in de auto bevinden! Ontgren‐delen van de binnenzijde is nietmogelijk.Alle portieren worden tegen openenbeveiligd. Voor activering van hetsysteem moeten alle portieren geslo‐ten zijn.Als de ontsteking ingeschakeld was,moet het bestuurdersportier eenmaalworden geopend en gesloten voordatde auto kan worden beveiligd.Bij het ontgrendelen van de autowordt de mechanische diefstalbevei‐liging uitgeschakeld. Dit is niet moge‐lijk met de centrale vergrendelings‐toets.

Sleutels, portieren en ruiten 25InschakelenDruk binnen 3 seconden tweemaal opp van de handzender.Draai eventueel de sleutel in het be‐stuurdersportier binnen 3 secondenna het vergrendelen weer naar ach‐teren.DiefstalalarmsysteemHet alarmsysteem is gecombineerdmet het vergrendelingssysteem.Het bewaakt:● Portieren, achterklep, motorkap● Interieur en aangrenzende baga‐geruimte● Hellingshoek van de auto, zoalsbij het wegslepen● Alarmvoeding● OntstekingBij het ontgrendelen van de auto wor‐den beide systemen tegelijk uitge‐schakeld.ActiveringControleer of de portieren, de achter‐klep, de tankklep, de motorkap, deruiten en het zonnedak gesloten zijn.Druk op de handzender op p of ver‐grendel het bestuurdersportier hand‐matig.Het systeem is geactiveerd:● Automatisch, 30 seconden nadatu de auto vergrendelt (initialisatievan het systeem)● Direct wanneer u na het vergren‐delen nogmaals op p van dehandzender druktAls de noodknipperlichten bij het ac‐tiveren niet knipperen of als het ver‐klikkerlichtje snel knippert, kan diterop wijzen dat een van de portieren,de achterklep of de motorkap nietgoed gesloten is.Let opWijzigingen in het interieur, zoals hetaanbrengen van stoelhoezen en hetopenen van de ruiten of het zonne‐dak, zijn mogelijk van invloed op deinterieurbewaking.

26 Sleutels, portieren en ruitenInschakelen zonder interieur- enhellingshoekbewakingSchakel de interieur- en hellingshoek‐bewaking uit wanneer personen ofdieren in de auto achterblijven enwanneer de auto op een veerpont oftrein wordt vervoerd vanwege degrote hoeveelheid ultrasoonsignalenen bewegingen, die het alarm kunnenlaten afgaan.1. Sluit de achterklep, de motorkap,de ruiten en het zonnedak.2. o indrukken. Controlelamp olicht geel op in de instrumenten‐groep.3. Portieren sluiten.4. Diefstalalarmsysteem inschake‐len.Druk opnieuw op o om te annule‐ren.

Controlelampje o dooft.Status-LEDStatus-LED bevindt zich in de mid‐denconsole.Status tijdens de eerste30 seconden na het activeren van hetalarmsysteem:Ledaan: test, inschakelvertraging.Ledknip‐pertsnel: portieren, achterklep of mo‐torkap niet goed dicht,eventuele systeemstoring.Status nadat systeem is geactiveerd:Led knippertlangzaam: systeem is geacti‐veerd.LED knippert3 maal snel nahet ontgren‐delen: systeem is ge‐deactiveerd.Bij storingen de hulp van een werk‐plaats inroepen.DeactiveringWanneer u de auto ontgrendelt, wordthet alarmsysteem gedeactiveerd.Alarmknipperlichten knipperen tweekeer bij het deactiveren.Als er binnen 5 minuten na het ont‐grendelen van de auto geen portierwordt geopend of de motor niet wordt

Sleutels, portieren en ruiten 27gestart, wordt de auto automatischweer vergrendeld en het alarm weergeactiveerd.Als het alarm in werking is getreden,zullen de alarmknipperlichten bij hetuitschakelen niet knipperen.AlarmWanneer het alarm afgaat, klinkt ereen geluid uit de speciale sirene meteen eigen accuvoeding en tegelijker‐tijd knipperen de alarmknipperlichten.Het aantal en de duur van de alarm‐signalen zijn voorgeschreven door dewetgever.Schakel het alarm uit met een knopop de handzender of door het be‐stuurdersportier handmatig met decontactsleutel te ontgrendelen.

Daar‐bij wordt ook het diefstalalarmsys‐teem uitgeschakeld.StartbeveiligingHet systeem is onderdeel van de con‐tactschakelaar en het controleert ofde auto met de gebruikte sleutel magworden gestart.De startbeveiliging activeert zichzelfautomatisch nadat u de sleutel uit decontactschakelaar hebt gehaald.Bij het inschakelen van het contactgaat controlelampje d branden endooft vervolgens weer. Als d blijftbranden nadat het contact is inge‐schakeld, dan is er een storing in hetsysteem: de motor kan niet wordengestart. Contact uitschakelen en sleu‐tel lostrekken, ongeveer 2 secondenwachten en daarna volgende startpo‐ging doen.Als de controlelamp blijft branden,kunt u proberen om de motor met dereservesleutel te starten en daarnade hulp van een werkplaats inroepen.Let opDe startbeveiliging vergrendelt deportieren niet.

30 Sleutels, portieren en ruitenAutomatische dimfunctieDruk op de knop op het spiegelhuisom de functie in te schakelen; deknop licht op en verblinding door ach‐terliggers 's nachts neemt automa‐tisch af. Knop opnieuw indrukken omde functie uit te schakelen.Het spiegelhuis heeft twee lichtsen‐soren. Bedek de sensoren niet enhang niets aan de spiegel om storin‐gen en slechter werken te voorko‐men.RuitenVoorruitWarmtewerende voorruitDe warmtewerende voorruit is voor‐zien van een coating die zonnestra‐ling reflecteert. Ook datasignalenzoals die van tolstations kunnen wor‐den gereflecteerd.De gemarkeerde gebieden van devoorruit achter de achteruitkijkspiegelzijn niet voorzien van de coating.

Ap‐paraten voor elektronische gege‐vensregistratie en tolheffing dienen indeze gebieden te worden bevestigd.Anders kunnen er storingen optredenin de gegevensregistratie.VoorruitstickersPlak geen stickers, zoals tolvignettenof soortgelijke stickers, rondom debinnenspiegel op de voorruit. Anderskan de detectiezone van de sensorworden beperkt.Elektrisch bediende ruiten9 WaarschuwingWees voorzichtig bij het gebruikvan de elektrische ruitbediening.Er bestaat verwondingsgevaar,met name voor kinderen.Als er achterin kinderen zitten,moet u de kinderbeveiliging vande elektrische ruitbediening in‐schakelen.Ruiten tijdens het sluiten goed inde gaten houden. Ervoor zorgendat niets of niemand bekneldraakt.

Sleutels, portieren en ruiten 31De elektrische ruitbediening is te ge‐bruiken:● bij ingeschakelde ontsteking,● binnen 10 minuten na het uit‐schakelen van het contact.Nadat u de ontsteking hebt uitge‐schakeld, wordt de ruitbediening ge‐deactiveerd wanneer u het bestuur‐dersportier opent.Druk de schakelaar van de betref‐fende ruit in om de ruit te openen oftrek aan de schakelaar om de ruit tesluiten.Voor stapsgewijs werken: Schakelaarkort indrukken of uittrekken.Automatisch openen of sluiten: Scha‐kelaar langer indrukken of uittrekken.Ruit gaat automatisch omhoog of om‐laag met geactiveerde beveiligings‐functie.

U stopt de ruit door de scha‐kelaar nogmaals in dezelfde richtingte bedienen.Er zitten extra schakelaars in het pas‐sagiersportier en de achterportieren.De achterportierruiten gaan niet vol‐ledig open.BeveiligingsfunctieStuit de ruit tijdens het automatischsluiten boven de middelste stand opweerstand, dan stopt het sluiten on‐middellijk en beweegt de ruit weeromlaag.Beveiligingsfunctie negerenBij stroef sluiten, bijv. door ijsvorming,de schakelaar van de betreffende ruitmeermaals uittrekken totdat de ruitgesloten is. De ruit gaat automatischomhoog met gedeactiveerde beveili‐gingsfunctie.Kinderbeveiliging voorachterportierruitenDruk op z om elektrisch bedienderuiten achter te deactiveren.

Drukvoor het opnieuw activeren nogmaalsop z.Wanneer de kindersloten zijn inge‐schakeld, kunnen de achterportierrui‐ten alleen worden bediend met be‐hulp van de schakelaars in het be‐stuurdersportier.OverbelastingWorden de ruiten in korte tijd meer‐maals bediend, dan wordt de ruitbe‐diening enige tijd gedeactiveerd.

32 Sleutels, portieren en ruitenAchterruitverwarmingWerkt door indrukken van RÜ. LEDin de knop licht op.De verwarming werkt met de sleutelin de contactslotstanden ACC of ONen wordt na korte tijd automatisch uit‐geschakeld.Alleen laten werken met draaiendemotor, om ontladen van de accu tevoorkomen. Niet inschakelen als u demotor start of als er zich sneeuw of ijsop de achterruit heeft opgehoopt.Geen scherpe voorwerpen of schu‐rende reinigingsmiddelen op de ach‐terruit gebruiken. Krassen en bescha‐digen van de verwarmingselementenvermijden.ZonnekleppenOm verblinding te vermijden kunnende zonnekleppen worden neerge‐klapt en opzij worden gedraaid.Zonnekleppen zijn aan de achterkantvoorzien van een make-up spiegel eneen tickethouder. Wanneer de afdek‐king van de make-up spiegel wegge‐klapt wordt, gaat de zonneklepver‐lichting branden.Onderweg moeten de afdekkingenvan de spiegels gesloten zijn.

Sleutels, portieren en ruiten 33DakZonnedak9 WaarschuwingWees voorzichtig bij het gebruikvan het zonnedak. Er bestaat ver‐wondingsgevaar, met name voorkinderen.Bewegende onderdelen tijdens debediening goed in de gaten hou‐den. Ervoor zorgen dat niets ofniemand bekneld raakt.Zonnedak verschuiven/kantelenVoor een stapsgewijze werking druktde schakelaar kort in de gewensterichting in. Houd de schakelaar inge‐drukt om de ruit automatisch te ope‐nen of te sluiten.OpenenSchakelaar naar achteren duwen.Het schuifdak opent automatisch ten‐zij de schakelaar in een andere rich‐ting wordt geduwd of losgelatenwordt.Let opAls de bovenkant van het zonnedaknat is, het dak kantelen om het waterte laten aflopen en daarna het zon‐nedak openen.SluitenSchakelaar vooraan ingedrukt hou‐den. Schakelaar loslaten als het zon‐nedak de gewenste stand bereikt.KantelenSchakelaar naar boven ingedrukthouden.

Schakelaar loslaten als hetzonnedak de gewenste stand bereikt.Schakelaar omlaag houden om zon‐nedak weer in de oorspronkelijkestand te zetten. Schakelaar loslatenals het zonnedak de gewenste standbereikt.Algemene tipsStandby-functieHet zonnedak is te gebruiken:● bij ingeschakelde ontsteking,● binnen 10 minuten na het uit‐schakelen van de ontsteking.Nadat u de ontsteking hebt uitge‐schakeld, wordt de bediening van hetzonnedak gedeactiveerd wanneer uhet bestuurdersportier opent.

Op deze wijzewordt het hoofd dusdanig gesteunddat het risico van een whiplash af‐neemt.Let opBevestig geen voorwerpen of com‐ponenten die niet voor uw auto zijngoedgekeurd aan de hoofdsteunen.Deze tasten de beschermende wer‐king van de hoofdsteunen aan enkunnen bij krachtig remmen of bijeen ongeluk ongecontroleerd doorde auto slingeren.Let opGoedgekeurde accessoires mogenalleen bevestigd worden als de stoelniet wordt gebruikt.VoorstoelenStoelpositie9 WaarschuwingAlleen met een correct ingesteldestoel rijden.9 GevaarAltijd op minstens 25 cm afstandvan het stuurwiel zitten zodat deairbag veilig in werking kan treden.9 WaarschuwingStoelen nooit tijdens het rijden ver‐stellen, omdat ze ongecontroleerdkunnen bewegen.9 WaarschuwingNooit voorwerpen onder de stoe‐len plaatsen.

36 Stoelen, veiligheidssystemen● Met zitvlak zo ver mogelijk tegende rugleuning zitten. De afstandtot de pedalen zo instellen dat debenen bij het intrappen van depedalen licht gebogen zijn. Depassagiersstoel voor zo ver mo‐gelijk naar achteren schuiven.● Zithoogte zo instellen, dat urondom een goed zicht hebt enalle instrumenten goed kunt afle‐zen. Tussen hoofd en dakframemoet minstens een handbreedtussenruimte zitten. Uw dijen die‐nen licht op de zitting rusten, zon‐der druk uit te oefenen.● Met schouders zo ver mogelijktegen de rugleuning zitten. Stelde hoek van de rugleuning zo indat u het stuurwiel gemakkelijkmet licht gebogen armen kuntvastpakken. Bij het verdraaienvan het stuurwiel, contact blijvenhouden tussen schouders enrugleuning. De rugleuning niet tever laten achteroverhellen.

Deaanbevolen hellingshoek be‐draagt maximaal ongeveer 25°.● Stel de stoel en het stuur zodanigop elkaar af dat wanneer uw polsbovenop het stuur rust, uw armvolledig is gestrekt en uw schou‐ders de rugleuning raken.● Stuurwiel instellen 3 74.● Hoofdsteun instellen 3 34.● Hoogte veiligheidsgordel instel‐len 3 43.● Lendensteun zo instellen datdeze de natuurlijke vorm van dewervelkolom ondersteunt.Stoelverstelling9 GevaarAltijd op minstens 25 cm afstandvan het stuurwiel zitten zodat deairbag veilig in werking kan treden.9 WaarschuwingStoelen nooit tijdens het rijden ver‐stellen, omdat ze ongecontroleerdkunnen bewegen.Zorg bij het rijden dat de stoelen enrugleuningen altijd vastgeklikt zijn.

38 Stoelen, veiligheidssystemenLendensteunStel de lendensteun met behulp vande hefboom op uw persoonlijke voor‐keur af.Zet de hefboom voor meer of minderlendensteun naar voren of naar ach‐teren.Rugleuning neerklappenVoorzichtigDruk de hoofdsteunen met destoel in de hoogste stand omlaagen til de zonnekleppen op voordatu de rugleuning naar voren klapt.Hoofdsteun helemaal omlaag duwen.De stoel zo ver mogelijk naar ach‐teren schuiven.Ontgrendelingshefboom optillen enrugleuning op zitting neerklappen.Hefboom laten zakken en rugleuningklikt in neergeklapte stand vast.Stoel naar voren schuiven.Zet de rugleuning weer in de oor‐spronkelijke stand door de stoel zover mogelijk terug te schuiven, de ont‐grendelingshefboom op te tillen, derugleuning rechtop te zetten, de hef‐boom te laten zakken en de rugleu‐ning klikt vast.De rugleuning kan slechts in verticalestand naar voren worden gekanteld.Bij neergeklapte rugleuning de hef‐boom voor het bijstellen van de len‐densteun niet bedienen.Elektrische stoelverstelling9 WaarschuwingWees voorzichtig met de elektri‐sche stoelverstelling.

40 Stoelen, veiligheidssystemenVerwarmingAfhankelijk van de gewenste verwar‐ming, ß van de betreffende stoel bijontsteking op ACC of ON een ofmeerdere malen indrukken. De con‐trolelamp in de toets geeft de statusaan.Schakel de verwarming uit door dezein de laagste stand te zetten en drukop ß. De controlelamp in de knopdooft.Langdurig gebruik van de hoogste in‐stelling wordt afgeraden voor perso‐nen met een gevoelige huid.Als de temperatuur blijft stijgen, stoel‐verwarming uitschakelen en eenwerkplaats raadplegen.AchterbankZitplaatsen achterinHoek van rugleuningRugleuningen verstellen: ontgrende‐lingshandgreep boven op de rugleu‐ning optillen en rugleuning naar vo‐ren/achteren bewegen en in de ge‐wenste positie brengen.Rugleuning bij het verstellen niet be‐lasten.Zorg er bij het neerklappen van derugleuningen voor dat de autogordelslosgemaakt zijn.

Stoelen, veiligheidssystemen 419 WaarschuwingStoelen nooit tijdens het rijden ver‐stellen, omdat ze ongecontroleerdkunnen bewegen.Rugleuning neerklappenDe bagageruimte kan worden ver‐groot door de rugleuningen op de zit‐tingen neer te klappen.Rugleuningen afzonderlijk neerklap‐pen: alle drie de autogordels achterlosmaken. Controleren of de rugleu‐ning van de voorstoelen niet achter‐over geplaatst is.Hoofdsteunen volledig naar benedenduwen, ontgrendelingshandgreepoptillen en de rugleuning op de zittingneerklappen.Geen passagiers op een neerge‐klapte rugleuning laten zitten. Geenlosse lading op de neergeklapte rug‐leuning plaatsen.Rugleuning weer opklappen doordeze op te tillen en op zijn plaats vastte klikken.ArmsteunKlap de armsteun omlaag.

De arm‐steun bevat bekerhouders en een op‐bergruimte.VeiligheidsgordelsDe veiligheidsgordels worden bij sneloptrekken of hard remmen geblok‐keerd om de inzittenden op hun stoelte houden. Hierdoor neemt het ge‐vaar voor letsel aanzienlijk af.

42 Stoelen, veiligheidssystemen9 WaarschuwingVeiligheidsgordel vóór elke rit om‐doen.Inzittenden die geen gebruik ma‐ken van de veiligheidsgordel bren‐gen bij eventuele aanrijdingen me‐depassagiers en zichzelf ingevaar.Veiligheidsgordels zijn bedoeld voorgebruik door slechts één persoon te‐gelijk.Kinderveiligheidssysteem 3 51.Alle onderdelen van het gordelsys‐teem regelmatig op schade en juistewerking controleren.Beschadigde onderdelen laten ver‐vangen. Na een aanrijding de veilig‐heidsgordels en de gordelspannersdoor een werkplaats laten vervangen.Let opZorg dat de veiligheidsgordels nietdoor schoenen of voorwerpen metscherpe randen beschadigd rakenklem komen te zitten.

Oprolautoma‐ten vrijhouden van vuil.GordelverklikkerDe voorstoelen zijn uitgevoerd meteen gordelverklikker, aangegevenvoor de bestuurdersstoel door con‐trolelamp X op de instrumentengroep3 85 en voor de passagiersstoeldoor controlelamp k aan de passa‐gierskant van het instrumentenbord3 43.GordelkrachtbegrenzersOp de voorstoelen. De kracht die in‐werkt op de carrosserie wordt beperktdoordat de gordels tijdens een bot‐sing geleidelijk worden ontspannen.GordelspannersDe gordelsloten van de voorstoelenworden bij een voldoende zware fron‐tale botsing of bij een aanrijding vande zijkant strakgetrokken.9 WaarschuwingOnjuist handelen (bijv. het verwij‐deren of aanbrengen van gordels)kan de gordelspanners in werkingstellen.Geactiveerde gordelspanners zijn teherkennen aan de brandende contro‐lelamp v 3 85.Geactiveerde gordelspanners dooreen werkplaats laten vervangen.

Stoelen, veiligheidssystemen 43DriepuntsgordelOmdoenGordel uit de oprolautomaat trekken,zonder te verdraaien voor u langs ha‐len en de gesp in het slot steken.Heupgordel tijdens het rijden van tijdtot tijd strak trekken door aan deschoudergordel te trekken.Gordelverklikker X 3 85.Loszittende kleding belemmert hetstrak trekken van de gordel. Geenvoorwerpen zoals handtassen of mo‐biele telefoons tussen de gordel enuw lichaam leggen.9 WaarschuwingDe gordel niet over harde of breek‐bare voorwerpen in de zakken vanuw kleding laten lopen.Hoogteverstelling1. Ontgrendelknoppen bij elkaardrukken.2. Verstelling omhoog of omlaagschuiven.3. Controleren of verstelling vast‐klikt.

44 Stoelen, veiligheidssystemenHoogte zo instellen dat de gordel overde schouder loopt. Gordel mag nietlangs de hals of bovenarm lopen.Niet instellen tijdens het rijden.LosmakenOm de gordel los te maken, de rodeknop van het gordelslot indrukken.Gebruik van de veiligheidsgordeltijdens de zwangerschap9 WaarschuwingDe heupgordel moet zo laag mo‐gelijk over het bekken lopen omdruk op de buik te voorkomen.

Stoelen, veiligheidssystemen 45Gordelwaarschuwing passagiervoorinBij een draaiende motor knippert con‐trolelampje k en licht het op als depassagiersstoel bezet is en de veilig‐heidsgordel niet is omgedaan.Bij een snelheid van meer dan22 km/u knippert k gedurende100 seconden samen met een waar‐schuwingszoemer en gaat het bran‐den totdat de veiligheidsgordel om‐gedaan is.Brandt korte tijd als contact wordt in‐geschakeld.Controlelampje X voor gordelverklik‐ker bestuurder 3 85.AirbagsysteemHet airbagsysteem bestaat uit meer‐dere afzonderlijke systemen afhanke‐lijk van de omvang van de uitrusting.Bij het activeren worden de airbagsbinnen enkele milliseconden gevuld.Ook het leeglopen van de airbagsverloopt zo snel, dat dit tijdens eenaanrijding vaak niet eens wordt opge‐merkt.9 WaarschuwingBij onoordeelkundige behandelingkunnen de airbagsystemen op ex‐plosieve wijze in werking treden.Let opTer hoogte van de middenconsolebevindt zich de regelelektronica vanhet airbagsysteem en de gordel‐spanners.

In dit gebied geen mag‐netische voorwerpen plaatsen.Afdekkingen van airbags niet be‐plakken of met andere materialenbedekken.Elke airbag treedt slechts eenmaalin werking. Geactiveerde airbagsonmiddellijk laten vervangen dooreen werkplaats. Ook moeten even‐tueel het stuurwiel, het instrumen‐tenbord, plaatwerk, de portierafdich‐tingen, handgrepen en de stoelenworden vervangen.Geen aanpassingen in het airbag‐systeem aanbrengen, anders ver‐valt de typegoedkeuring van deauto.Bij het ontplooien van de airbags kun‐nen de vrijkomende hete gassenbrandwonden veroorzaken.Controlelamp v voor airbagsystemen3 85.Kinderveiligheidssystemen op depassagiersstoel metairbagsystemenWaarschuwing conform ECE R94.02:

48 Stoelen, veiligheidssystemenLT: JOKIU BŪDU nemontuokite atgalatgręžtos vaiko tvirtinimo sistemossėdynėje, prieš kurią įrengta AKTYVIORO PAGALVĖ, nes VAIKAS GALIŽŪTI arba RIMTAI SUSIŽALOTI.LV: NEKĀDĀ GADĪJUMĀ neizmanto‐jiet uz aizmuguri vērstu bērnu sēde‐klīti sēdvietā, kas tiek aizsargāta artās priekšā uzstādītu AKTĪVU DRO‐ŠĪBAS SPILVENU, jo pretējā gadī‐jumā BĒRNS var gūt SMAGASTRAUMAS vai IET BOJĀ.ET: ÄRGE kasutage tahapoole suu‐natud lapseturvaistet istmel, mille eeson AKTIIVSE TURVAPADJAGA kait‐stud iste, sest see võib põhjustadaLAPSE SURMA või TÕSISE VIGAS‐TUSE.MT: QATT tuża trażżin għat-tfal li jħa‐res lejn in-naħa ta’ wara fuq sit protettb’AIRBAG ATTIV quddiemu; danjista’ jikkawża l-MEWT jew ĠRIEĦISERJI lit-TFAL.Behalve de waarschuwing conformECE R94.02 moet een voorwaartsgericht kinderveiligheidssysteem om‐wille van de veiligheid uitsluitend wor‐den gebruikt volgens de instructies enbeperkingen in de tabel 3 53.Het airbaglabel kan zich aan beidezijden van de zonneklep aan bijrij‐derszijde bevinden.9 GevaarGebruik geen kinderveiligheids‐systeem op de passagiersstoelmet actieve frontairbag.Airbag deactiveren 3 50.Frontaal airbagsysteemHet frontairbagsysteem bestaan uiteen airbag in het stuurwiel en een air‐bag in het instrumentenpaneel aan depassagierskant voorin.

Deze zijn teherkennen aan het opschriftAIRBAG.De waarschuwingssticker wijst eropdat het gebruik van achterwaarts ge‐richte kinderveiligheidssystemen opde passagiersstoel niet toegestaan is.Kans op dodelijk letsel.Het frontairbagsysteem treedt in wer‐king bij een voldoende krachtige aan‐rijding aan de voorzijde. Het contactmoet ingeschakeld zijn.

Stoelen, veiligheidssystemen 49De ontplooide airbags dempen deschok. Hierdoor neemt de kans opletsel aan het bovenlichaam en hethoofd bij de inzittenden voorin aan‐zienlijk af.9 WaarschuwingAlleen bij een correcte zitpositie isoptimale bescherming mogelijk3 35.Lichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.Veiligheidsgordel correct omleg‐gen en goed vastzetten. Alleendan kan de airbag beschermingbieden.Zijdelings airbagsysteemHet zijairbagsysteem bestaat uit eenairbag in de rugleuning van beidevoorstoelen. Ze zijn te herkennen aanhet opschrift AIRBAG.Het zijairbagsysteem treedt in wer‐king bij een voldoende krachtige zij‐delingse aanrijding.

Het contact moetingeschakeld zijn.De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het bovenlichaam en hetbekken bij een zijdelingse aanrijdingaanzienlijk afneemt.9 WaarschuwingLichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.Let opOp de voorstoelen alleen stoelhoe‐zen gebruiken die voor de auto zijngoedgekeurd. De airbags niet afdek‐ken.

50 Stoelen, veiligheidssystemenGordijnairbagsysteemDe hoofdairbags bestaan uit een air‐bag aan weerskanten in het dak‐frame. Ze zijn te herkennen aan hetopschrift AIRBAG op de dakstijlen.Het gordijnairbagsysteem treedt inwerking bij een voldoende krachtigezijdelingse aanrijding. Het contactmoet ingeschakeld zijn.De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het hoofd bij een zijdelingseaanrijding aanzienlijk afneemt.9 WaarschuwingLichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.De haken aan de handgrepen vanhet dakframe zijn alleen geschiktom lichte kledingstukken, zonderkleerhangers, aan op te hangen.Geen voorwerpen in de kleding‐stukken bewaren.Airbag deactiverenHet passagiersairbagsysteem vóórmoet voor een kinderveiligheidssys‐teem op de passagiersstoel wordengedeactiveerd volgens de instructiesin de tabel 3 53.

De gordelspannersen alle bestuurdersairbagsystemenblijven actief.U deactiveert het airbagsysteem vande voorpassagier met een slot aan derechterzijde van het instrumentenpa‐neel.Gebruik de contactsleutel om de po‐sitie te kiezen:*OFF: airbagsystemen van voor‐passagier zijn gedeactiveerden gaan niet af bij een aan‐rijding. Controlelampje *brandt permanent aan depassagierskant van het in‐strumentenbordVON: airbagsystemen passagiervoorin zijn actief

Stoelen, veiligheidssystemen 519 GevaarDeactiveer de passagiersairbaguitsluitend bij gebruik van een kin‐derveiligheidssystemen, volgensde instructies en beperkingen inde tabellen 3 53.Anders is er kans op dodelijk letselvoor een persoon op de passa‐giersstoel met een gedeacti‐veerde airbag.Er zitten controlelampjes voor het air‐bagsysteem passagier voor aan depassagierskant van het instrumen‐tenbord.Zolang het controlelampje nietbrandt, zal het airbagsysteem van depassagiersstoel afgaan in geval vaneen aanrijding.Verander de status alleen tijdens stil‐stand terwijl de ontsteking is uitge‐schakeld.Status blijft actief tot de volgende ver‐andering.Controlelampje V voor airbag pas‐sagier voor 3 82.Kinderveiligheidssyste‐menWij bevelen het Opel-kinderveilig‐heidssysteem aan dat specifiek voormontage in uw auto geschikt is.Let bij gebruik van een kinderveilig‐heidssysteem op de volgende ge‐bruiksaanwijzingen en montagevoor‐schriften en houd u bovendien aan deinstructies die bij het kinderveilig‐heidssysteem werden geleverd.Houd u altijd aan de plaatselijke oflandelijke voorschriften.

In sommigelanden is het gebruik van kindervei‐ligheidssystemen op bepaalde zit‐plaatsen verboden.9 WaarschuwingWanneer een kinderveiligheids‐systeem op de passagiersstoelvoorin wordt gebruikt, moeten deairbagsystemen voor de passa‐giersstoel voorin worden uitge‐schakeld; zo niet, dan kan het in

52 Stoelen, veiligheidssystemenwerking treden van de airbags hetleven van het kind in gevaar bren‐gen.Dit is vooral van belang wanneernaar achteren gerichte kindervei‐ligheidssystemen op de passa‐giersstoel voorin worden gebruikt.Airbag deactiveren 3 50.Airbaglabel 3 45.Juiste systeem selecterenDe achterbank is de beste plaats omeen kinderveiligheidssysteem vast temaken.Vervoer kinderen zo lang mogelijk te‐gen de rijrichting in. Hierdoor wordt denog erg zwakke ruggengraat van hetkind bij een ongeval minder belast.Geschikt zijn veiligheidssystemen dievoldoen aan de geldende UN ECE-regelgeving.

Raadpleeg de plaatse‐lijke wetgeving en richtlijnen voor hetverplichte gebruik van kinderveilig‐heidssystemen.Controleer of het te monteren kinder‐veiligheidssysteem compatibel is methet autotype.Het kinderveiligheidssysteem moetop de correcte positie in de auto wor‐den gemonteerd, zie de onder‐staande tabellen.Laat kinderen alleen aan de trottoir‐kant van de auto uit- en instappen.Wanneer het kinderveiligheidssys‐teem niet in gebruik is, het met eenveiligheidsgordel vastzetten of uit deauto verwijderen.Let opKinderveiligheidssystemen niet be‐plakken of met andere materialen af‐dekken.Een kinderveiligheidssysteem dattijdens een aanrijding werd belastmoet worden vervangen.

Het ISOFIX veiligheidssysteem moet goedgekeurd zijn voor het specifieke autotype.IUF : Geschikt voor voorwaarts gerichte ISOFIX-kinderveiligheidssystemen uit de universele categorie, goedgekeurdvoor deze gewichts- en leeftijdsgroep.X : ISOFIX-kinderveiligheidssystemen zijn in deze gewichts- en leeftijdsgroep niet goedgekeurd.

56 Stoelen, veiligheidssystemenIsofix-kinderveiligheidssystemen Bevestig de voor de auto goedge‐keurde ISOFIX-kinderveiligheidssys‐temen aan de ISOFIX bevestigings‐beugels.Toegestane inbouwposities voor mo‐delspecifieke ISOFIX kinderveilig‐heidssystemen worden in de tabelmet IL aangeduid.U kunt maximaal twee ISOFIX-kin‐derveiligheidssystemen tegelijkertijdop de achterbank monteren, echterniet op de middelste zitplaats.ISOFIX-bevestigingsbeugels zijnaangeduid met een label op de rug‐leuning.Top-Tether-bevestigingsogen De Top-tether-bevestigingspuntenaan de achterkant van de rugleunin‐gen zijn ontworpen voor kinderveilig‐heidssystemen die uitsluitend zijn uit‐gerust met Top-tether-bevestigingen.Ga te werk volgens de instructies bijhet Top-tether-kinderveiligheidssys‐teem.ISOFIX- en Top-tether-uitrusting magworden gebruikt in combinatie metuniversele ISOFIX-kinderveiligheids‐systemen.

58 OpbergenMunthouderAan hendel opentrekken. Klep stevigdichtdrukken.KaarthouderBoven het munthoudervak. In desleuf kunt u handig een kaart bij dehand houden.HandschoenenkastjeHet handschoenenkastje licht op bijhet openen.De scheidingswand in het hand‐schoenenkastje kan uit de gleuf wor‐den getrokken. De scheidingswand inde gleuf uiterst links in het hand‐schoenenkastje bewaren.Het handschoenenkastje tijdens hetrijden gesloten houden.Afsluitbaar handschoenenkastjeHandschoenenkastje met de sleutelvergrendelen en ontgrendelen.BekerhoudersEr bevinden zich bekerhouders voor‐aan in de middenconsole.De bekerhouder is flexibel en kandrankverpakkingen van verschillendeafmetingen bevatten.In de armsteun midden achter bevin‐den zich nog meer bekerhouders.Armsteun voor toegang tot de beker‐houder neerklappen.ZonnebrilhouderOpenen: op het achterste gedeeltevan de afdekking drukken.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Opel Antara 2016 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden