Opel Meriva B 2011 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Opel Meriva B 2011 (214 pagina’s), behorend tot de categorie Personenwagen. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 33 mensen en kreeg gemiddeld 4.0 sterren uit 4 reviews. Heb je een vraag over Opel Meriva B 2011 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Opel |
| Categorie: | Personenwagen |
| Model: | Meriva B 2011 |
Handleiding Opel Meriva B 2011 – volledige tekst
Inleiding 3Uw autogegevensVoer hier de gegevens van de auto inzodat ze gemakkelijk te vinden zijn. Deze informatie is beschikbaar in dehoofdstukken "Service en onder‐houd" en "Technische gegevens",alsmede op het typeplaatje. InleidingUw auto is de intelligente combinatievan vernieuwende techniek, overtui‐gende veiligheid, milieuvriendelijk‐heid en zuinigheid. In deze gebruikershandleiding vindtu alle informatie die u nodig hebt omuw auto veilig en efficiënt te kunnenbedienen. Zorg ervoor dat uw passagiers ervanop de hoogte zijn dat onjuist gebruikvan de auto een ongeval tot gevolgkan hebben en dat er risico bestaatvoor persoonlijk letsel. Houd u altijd aan de specifieke wet‐geving van het land waarin u zich be‐vindt. Deze wetgeving kan afwijkenvan de informatie in deze gebruikers‐handleiding.
Wanneer wij u in deze gebruikers‐handleiding adviseren de hulp vaneen werkplaats in te roepen, raden wijuw Opel Service Partner aan. Elke Opel Service Partner biedt u eer‐steklas service tegen redelijke prij‐zen. Ervaren, door Opel geschooldespecialisten werken volgens specialerichtlijnen van Opel. Houd het informatiepakket voor degebruiker altijd onder handbereik inde auto. Gebruik van dezehandleiding■ Deze handleiding geeft een om‐schrijving van alle voor dit modelbeschikbare opties en functies. Mogelijk zijn bepaaldeomschrijvingen, waaronder dievoor display- en menufuncties, nietop uw auto van toepassingwanneer er sprake is van eenmodelvariant, afwijkendelandenspecificaties of specialeuitrustingen of accessoires. ■ In het hoofdstuk "Kort en bondig"krijgt u een beknopt overzicht.
■ De inhoudsopgave aan het beginvan de handleiding en in de afzon‐derlijke paragrafen geeft aan waaru de informatie die u zoekt, kuntvinden. ■ Met behulp van het trefwoordenre‐gister kunt u specifieke informatiezoeken. ■ In deze gebruikershandleiding wor‐den linksgestuurde auto's getoond. De bediening van rechtsgestuurdeauto's is vergelijkbaar.
4 InleidingGevaar, Waarschuwing enVoorzichtig9 GevaarTeksten met de vermelding9 Gevaar wijzen op een mogelijklevensgevaar. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan levensge‐vaar inhouden.9 WaarschuwingTeksten met de vermelding9 Waarschuwing wijzen op eenmogelijk gevaar voor ongelukkenof verwondingen. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan tot ver‐wondingen leiden.VoorzichtigTeksten met de vermeldingVoorzichtig wijzen erop dat deauto mogelijk beschadigd kan ra‐ken. Het niet naleven van dezerichtlijnen kan tot beschadigingvan de auto leiden.SymbolenVerwijzingen naar andere pagina'sworden aangeduid met 3. 3 betekent"zie pagina".We wensen u vele uren autorijplezier.Adam Opel AG
8 Kort en bondigHoofdsteunverstellingKnop aan de zijkant indrukken,hoogte instellen en vergrendelen.Trek de hoofdsteun naar voor alsu deze horizontaal wilt afstellen. Hijklikt vast in verschillende posities. Zetdeze weer geheel naar achteren doorgeheel naar voren te trekken en los telaten.Hoofdsteunen 3 34.VeiligheidsgordelVeiligheidsgordel afrollen en in gor‐delslot vastklikken. De veiligheidsgor‐del mag niet gedraaid zitten en moetstrak tegen het lichaam aanliggen. Derugleuningen mogen niet te ver naarachteren hellen (maximaal ca. 25°).Om de gordel los te maken, de rodeknop van het gordelslot indrukken.Stoelpositie 3 36, veiligheidsgor‐dels 3 44, airbagsysteem 3 48.SpiegelverstellingBinnenspiegelOm verblinding te verminderen, dehendel aan de onderkant van de spie‐gelbehuizing verstellen.Binnenspiegel 3 29, automatischdimmende binnenspiegel 3 30.
16 Kort en bondigVersnellingsbakHandgeschakeldeversnellingsbakAchteruit: breng de auto tot stilstand,trap het koppelingspedaal in, druk opde ontgrendelknop op de keuzehen‐del en schakel de versnelling in.Kan de versnelling niet worden inge‐schakeld, dan koppeling in de neu‐trale stand laten opkomen, koppelingweer intrappen en nogmaals schake‐len.Handgeschakelde versnellingsbak3 136.Automatische versnellingsbakP = ParkeerstandR = AchteruitversnellingN = Neutrale standD = RijstandHandmatige modus: duw de keuze‐hendel vanuit D naar links.
Kort en bondig 17Voordat u wegrijdtVoor het wegrijden controleren■ Bandenspanning en -staat 3 174,3 205.■ Motoroliepeil en vloeistofniveaus3 153.■ Ruiten, spiegels, rijverlichting enkentekenplaat: vrij van vuil, sneeuwof ijs en gebruiksklaar.■ Juiste positie van spiegels, stoelenen veiligheidsgordels 3 28,3 36, 3 45.■ Werking van remsysteem (bij lagesnelheid), vooral bij vochtige rem‐men.Motor starten■ Draai de sleutel naar stand 1■ Verdraai het stuurwiel een beetje,zodat het stuurslot vrijkomt■ Trap de koppeling en rem in■ Automatische versnellingsbak in Pof N■ Trap het gaspedaal niet in■ Dieselmotoren: draai de sleutelnaar stand 2 voor het voorgloeienen wacht totdat de controle‐lamp ! dooft■ Draai de sleutel naar stand 3 en laatdeze losMotor starten 3 129.
Stuurwiel verdraaien tot‐dat het stuurslot merkbaar vergren‐delt.Bij auto's met automatische ver‐snellingsbak is de sleutel alleen teverwijderen met de keuzehendel instand P.■ Wanneer de auto vlak of op een op‐lopende helling staat, dan voor hetuitschakelen van de ontsteking deeerste versnelling inschakelen ofde keuzehendel in stand P zetten.Op een oplopende helling boven‐dien de voorwielen van de stoep‐rand wegdraaien.Wanneer de auto vlak op een aflo‐pende helling staat, dan voor hetuitschakelen van de ontsteking deachteruitversnelling inschakelen ofde keuzehendel in stand P zetten.Bovendien de voorwielen naar destoeprand toedraaien.■Vergrendel de auto met de toets eop de handzender.Activeer het alarmsysteem 3 27.■ De auto niet op een licht ontvlam‐bare ondergrond parkeren.
De on‐dergrond kan door de hoge tempe‐ratuur van het uitlaatgassysteemmogelijk vlam vatten.■ Sluit de ruiten.■ Koelventilatoren kunnen ook na hetafzetten van de motor in werkingtreden 3 152.■ Na een rit waarbij met hoge motor‐toerentallen of met hoge motorbe‐lasting werd gereden, de motorvóór het afzetten gedurende eenkorte tijd met lage belasting latendraaien of gedurende ca.30 seconden stationair laten lopenom de turbolader te beschermen.Sleutels, sloten 3 19, auto een lan‐gere tijd stilzetten 3 151.
Daarommoet deze goed worden bewaard.Een eventueel ingeschakelde werk‐plaats heeft voor het verrichten vanbepaalde werkzaamheden deze au‐togegevens nodig.Handzender
Bran‐dende alarmknipperlichten dienen alsbevestiging.Handzender met zorg behandelen,vochtvrij houden, beschermen tegenhoge temperaturen en onnodig ge‐bruik vermijden.StoringAls de centrale vergrendeling niet metde handzender kan worden vergren‐deld of ontgrendeld, kan dit het ge‐volg zijn van het volgende:■ Bereik overschreden■ Batterijspanning te laag■ Herhaald, opeenvolgend gebruikvan de handzender buiten het be‐reik, waardoor er opnieuw gesyn‐chroniseerd moet worden■ Overbelasting van de centrale ver‐grendeling door herhaalde, snel op‐eenvolgende activering van dehandzender, waardoor de stroom‐voorziening voor korte tijd wordt on‐derbroken■ Storing door radiogolven afkomstigvan externe zenders met een hoogvermogenOntgrendelen 3 21.BasisinstellingenSommige instellingen kunt u veran‐deren in het menu Instellingen op hetInfo-display.
Persoonlijke instellingen3 107.Batterij van de handzendervervangenZodra de reikwijdte afneemt, de bat‐terij meteen vervangen.Batterijen horen niet in het huisvuilthuis. Ze moeten via speciale inza‐melpunten gerecycled worden.Sleutel met uitklapbare sleutelbaardSleutelbaard uitklappen en handzen‐der openen. Batterij vervangen (bat‐terijtype CR 2032), let hierbij op dejuiste plaatsing. Handzender sluitenen synchroniseren.Sleutel met vaste sleutelbaardLaat de batterij door een werkplaatsvervangen.
Sleutels, portieren en ruiten 21Handzender synchroniserenNa vervanging van de batterij het be‐stuurdersportier openen met de sleu‐tel in het slot. De handzender wordtgesynchroniseerd wanneer het con‐tact wordt aangezet.Opgeslagen instellingenAls de sleutel uit de contactschake‐laar wordt verwijderd, worden de vol‐gende instellingen automatisch in hetgeheugen van de sleutel opgeslagen:■ Verlichting■ Infotainmentsysteem (alleenCD 400)■ Centrale vergrendeling■ ComfortinstellingenDe opgeslagen instellingen wordenautomatisch toegepast wanneer desleutel met het geheugen de vol‐gende keer in het contactslot wordtgestoken en naar stand 1 3 129wordt gedraaid.Een voorwaarde is dat Pers. inst. voorbestuurder geactiveerd is in de per‐soonlijke instellingen van deGraphic-Info-Display. Dit moet wor‐den ingesteld voor elke sleutel die ge‐bruikt wordt.
Bij auto's die zijn uitge‐rust met een Colour-Info-Display, isde personalisatie permanent inge‐schakeld.Persoonlijke instellingen 3 107.Centrale vergrendelingOntgrendelen en vergrendelen vanportieren, bagageruimte en tankklep.Door aan de binnenste portierhand‐greep te trekken wordt het desbetref‐fende portier ontgrendeld. Door nogeens aan de handgreep te trekkengaat het portier open.Let opBij een ongeval waarbij de airbags ofgordelspanners in werking treden,wordt het voertuig automatisch ont‐grendeld.OntgrendelenToets c indrukken.U kunt uit twee instellingen kiezen:■ Om alleen het bestuurdersportieren de tankklep te ontgrendelen,drukt u eenmaal op toets c. Om alleportieren en de bagageruimte teontgrendelen, drukt u tweemaal optoets c,of■drukt u eenmaal op toets c om alleportieren, de bagageruimte en detankklep te ontgrendelen.
22 Sleutels, portieren en ruitenU kunt de instelling veranderen in hetmenu Instellingen op hetInfo-display. Persoonlijke instellingen3 107.U kunt de instelling opslaan voor degebruikte sleutel.Opgeslagen instellingen 3 21.VergrendelenPortieren, bagageruimte en tankklepsluiten.Toets e indrukken.Bij een niet goed gesloten bestuur‐dersportier werkt de centrale vergren‐deling niet.Ontgrendelen en openen van deachterklepDruk op knop c bij uitgeschakeld con‐tact om alle portieren te ontgrende‐len. De achterklep wordt vrijgegevenen wordt ontgrendeld en geopenddoor een druk op de tiptoets onder delijst van de achterklep.Centrale-vergrendelingsknopAlle portieren, de bagageruimte en detankklep worden vanuit de passa‐giersruimte vergrendeld of ontgren‐deld.Druk op de centrale-vergrendelings‐knop: de portieren worden vergren‐deld of ontgrendeld.
Sleutels, portieren en ruiten 23Storing in afstandsbedieningOntgrendelenOntgrendel het bestuurdersportierhandmatig door de sleutel in het slotte verdraaien. Schakel de ontstekingin en druk op de centrale vergrendel‐toets om alle portieren, de bagage‐ruimte en de tankklep te ontgrende‐len. Door het inschakelen van hetcontact wordt het vergrendelingsys‐teem gedeactiveerd 3 27.VergrendelenSluit het bestuurdersportier, open hetpassagiersportier, druk de centrale-vergrendelingsknop in. De auto isvergrendeld. Sluit het passagierspor‐tier.Storing in centralevergrendelingOntgrendelenOntgrendel het bestuurdersportierhandmatig door de sleutel in het slotte verdraaien. U kunt de overige por‐tieren openen door tweemaal aan debinnenste portiergreep te trekken.U kunt de bagageruimte en de tank‐klep niet openen.
Schakel het contactin om het vergrendelingssysteem tedeactiveren 3 27.VergrendelenSteek de sleutel in de opening bovenhet slot aan de binnenkant van hetportier en bedien het slot door erop tedrukken totdat het klikt. Sluit daarnahet portier. Verricht voor elk portierdezelfde procedure. Het bestuurders‐portier kan ook met een sleutel vanbuiten af worden gesloten. De tank‐klep en de achterklep kunnen nietworden vergrendeld.
24 Sleutels, portieren en ruitenAutomatisch vergrendelenAutomatisch vergrendelen nawegrijdenDe auto wordt automatisch vergren‐deld wanneer u een snelheid van4 km/u overschrijdt. Openen van bui‐tenaf is niet mogelijk.
De achterpor‐tieren kunnen bovendien niet van bin‐nenuit worden geopend bij een snel‐heid van meer dan 4 km/u.Groene LED's duiden aan dat de por‐tieren van binnenuit kunnen wordengeopend:Pak de binnenhandgreep van het por‐tier om de naderingssensor te active‐ren en trek aan de handgreep.Bij een snelheid van minder dan4 km/u kunnen de portieren van bui‐tenaf worden geopend nadat:■ het van binnenuit openen van eenportier■ het indrukken van de centrale-ver‐grendelingsknop cVoorzichtigDe automatische vergrendelingwerkt alleen bij ingeschakeld con‐tact.Storing in de automatischevergrendelingBij een systeemstoring licht ^ in deinstrumentengroep op en klinkt er eenwaarschuwingszoemer ter indicatiedat de achterportieren niet tegen ope‐nen zijn beveiligd. Zorg dat de inzit‐tenden de portierkrukken niet aanra‐ken.Stop onmiddellijk en activeer het kin‐derslot in beide achterportieren.
Sleutels, portieren en ruiten 25Kindersloten9 WaarschuwingGebruik de kindersloten wanneerkinderen op de achterste zitplaat‐sen worden vervoerd.Gebruik een sleutel of een passendeschroevendraaier en draai het kinder‐slot in het achterportier in de horizon‐tale stand. De groene LED gaat uit.Het portier kan niet meer van binnenworden geopend. Om de functie tedeactiveren, draait u het kinderslot inde verticale stand.PortierenAchterdeuren9 WaarschuwingDenk bij het tegelijkertijd in- of uit‐stappen voor of achter ook aan deandere inzittenden.Gebruik uitsluitend de daarvoorbedoelde handgreep.De achterportieren hebben een auto‐matische vergrendelfunctie 3 24.BagageruimteAchterklepOpenenDruk na het ontgrendelen op de tip‐toets onder de sierlijst van de achter‐klep en open de achterklep.Centrale vergrendeling 3 21.
26 Sleutels, portieren en ruitenSluitenGebruik een van de binnenste hand‐grepen.Druk tijdens het sluiten niet opnieuwop de tiptoets onder de sierlijst, om tevoorkomen dat de achterklep weerwordt ontgrendeld.Centrale vergrendeling 3 21.Algemene tips voor deachterklepbediening9 WaarschuwingNiet met een geopende of op eenkier staande achterklep rijden,bijv. bij het vervoer van omvang‐rijke bagage, omdat er dan giftige,onzichtbare en reukloze uitlaat‐gassen de auto kunnen binnen‐dringen. Hierdoor kunt u bewuste‐loos raken en zelfs sterven.VoorzichtigVoordat u de achterklep opent,moet u kijken of er boven de autoniets in de weg zit, zoals een ga‐ragedeur, om schade van de ach‐terklep te voorkomen. Controleeraltijd het bewegingsgebied bovenen achter de achterklep.Let opAfhankelijk van het gewicht vaneventueel gemonteerde accessoi‐res blijft de achterklep mogelijk nietin geopende stand staan.
Sleutels, portieren en ruiten 27AntidiefstalbeveiligingVergrendelingssysteem9 WaarschuwingNiet inschakelen als er zich perso‐nen in de auto bevinden! Ontgren‐delen van de binnenzijde is nietmogelijk.Alle portieren worden tegen openenbeveiligd. Voor activering van hetsysteem moeten alle portieren geslo‐ten zijn.Als de ontsteking ingeschakeld was,moet het bestuurdersportier eenmaalworden geopend en gesloten voordatde auto kan worden beveiligd.Bij het ontgrendelen van de autowordt de mechanische diefstalbevei‐liging uitgeschakeld.
Dit is niet moge‐lijk met de centrale vergrendelings‐toets.InschakelenDruk binnen 10 seconden tweemaalop e van de handzender.DiefstalalarmsysteemHet diefstalalarmsysteem bevat enwerkt in combinatie met het vergren‐delingssysteem.Het bewaakt:■ Portieren, achterklep, motorkap■ Ontsteking.Bij het ontgrendelen van de auto wor‐den beide systemen tegelijkertijd ge‐deactiveerd.Status-LEDIn de centrale-vergrendelingsknop ziteen status-LED.Status tijdens de eerste 10 secondenna het activeren van het alarmsys‐teem:Led aan = test, inschakelvertra‐ging.Ledknippertsnel= portieren, achterklep ofmotorkap niet goeddicht, eventuele sys‐teemstoring.
Het aantal en deduur van de alarmsignalen zijn voor‐geschreven door de wetgever.Het alarm kan worden afgezet doorhet indrukken van een willekeurigetoets op de handzender of door hetinschakelen van de ontsteking.U kunt het alarmsysteem alleen deac‐tiveren door de toets c in te drukkenof door de ontsteking in te schakelen.StartbeveiligingHet systeem is onderdeel van de con‐tactschakelaar en het controleert ofde auto met de gebruikte sleutel magworden gestart.De startbeveiliging activeert zichzelfautomatisch nadat u de sleutel uit decontactschakelaar hebt gehaald.Knippert controlelamp d nadat hetcontact is ingeschakeld, dan is er eenstoring in het systeem: de auto kanniet worden gestart.
Ontsteking uit‐schakelen en opnieuw proberen testarten.Als de controlelamp blijft knipperen,kunt u proberen om de motor met dereservesleutel te starten en daarnade hulp van een werkplaats inroepen.Let opDe startbeveiliging vergrendelt deportieren niet. Vergrendel daaromsteeds na het verlaten van de autode portieren en schakel het diefstal‐alarmsysteem in 3 21, 3 27.Controlelamp d 3 96.BuitenspiegelsBolle vormDe vergrotende buitenspiegel ver‐kleint de dode hoek. Door de vormvan de spiegel lijken voorwerpen klei‐ner dan ze zijn, waardoor afstandenmoeilijker zijn in te schatten.Elektrische verstellingSelecteer de gewenste buitenspiegeldoor de knop naar links (L) of rechts(R) te draaien. Beweeg daarna deknop om de spiegel te verstellen.
Sleutels, portieren en ruiten 29In de stand 0 is geen enkele spiegelgeselecteerd.InklappenVoor de veiligheid van voetgangersklappen de buitenspiegels bij aansto‐ten vanaf een bepaalde kracht weg uitde normale stand. Spiegel dan doorlicht op de spiegelbehuizing te druk‐ken terugduwen.VerwarmdOm in te schakelen toets Ü indruk‐ken.De verwarming werkt bij een draai‐ende motor en wordt na korte tijd au‐tomatisch uitgeschakeld.BinnenspiegelHandmatige dimfunctieOm verblinding te verminderen, dehendel aan de onderkant van de spie‐gelbehuizing verstellen.
30 Sleutels, portieren en ruitenAutomatische dimfunctieVerblinding 's nachts door achterop‐komend verkeer wordt automatischverminderd.RuitenHandbediende ruitenDe portierruiten zijn met de handslin‐gers te bedienen.Elektrisch bediende ruiten9 WaarschuwingWees voorzichtig bij het gebruikvan de elektrische ruitbediening.Er bestaat verwondingsgevaar,met name voor kinderen.Als er achterin kinderen zitten,moet u de kinderbeveiliging vande elektrische ruitbediening in‐schakelen.Ruiten tijdens het sluiten goed inde gaten houden.
Ervoor zorgendat niets of niemand bekneldraakt.Elektrisch bediende ruiten werken:■ met contact aan■ binnen 10 minuten na het uitscha‐kelen van het contact■ binnen 5 minuten na het openen ofsluiten van een deurNa het uitschakelen van het contactwerken de ruiten niet meer zodra deauto met de handzender wordt ver‐grendeld.Druk de schakelaar van de desbetref‐fende ruit in om de ruit te openen oftrek aan de schakelaar om de ruit tesluiten.
Sleutels, portieren en ruiten 31Toets een beetje indrukken of uittrek‐ken: ruit gaat omhoog of omlaag zo‐lang u de schakelaar bedient.De toets zover mogelijk indrukken ofuittrekken en loslaten: de ruit gaat au‐tomatisch omhoog of omlaag met debeveiligingsfunctie geactiveerd.U stopt de ruit door de schakelaarnogmaals in dezelfde richting te be‐dienen.BeveiligingsfunctieStuit de ruit tijdens het automatischsluiten boven de middelste stand opweerstand, dan stopt het sluiten on‐middellijk en beweegt de ruit weeromlaag.Beveiligingsfunctie negerenWanneer de ruit moeilijk sluit van‐wege ijs en dergelijke, kunt u de scha‐kelaar uitgetrokken houden. De ruitgaat omhoog zonder geactiveerdebeveiligingsfunctie.
Om de bewegingte stoppen, laat u de schakelaar losen trek u deze weer uit.Kinderbeveiliging voorachterportierruitenDruk de schakelaar z in om de ach‐terste elektrische portierruiten tedeactiveren; de LED licht op. Drukvoor het activeren nogmaals op z.Ruiten van de buitenzijdebedienenU kunt de ruiten op afstand van bui‐tenaf bedienen.Houd de toets c ingedrukt om de rui‐ten te openen.Houd de toets e ingedrukt om de rui‐ten te sluiten.Laat de toets los om de ruit te stop‐pen.OverbelastingWorden de ruiten in korte tijd meer‐maals bediend, dan wordt de ruitbe‐diening enige tijd gedeactiveerd.
32 Sleutels, portieren en ruitenElektrisch bediende ruiteninitialiserenWanneer u de ruiten niet automatischkunt sluiten (bijv. na het loskoppelenvan de accu), zie u een waarschu‐wingstekst of waarschuwingscode ophet Driver Information Center.Boordinformatie 3 101.Activeer de ruitelektronica als volgt:1. Portieren sluiten.2. Ontsteking inschakelen.3. Trek aan de schakelaar totdat deruit gesloten is en blijf nog 2 se‐conden eraan trekken.4.
Deze handeling uitvoeren vooralle ruiten.AchterruitverwarmingOm in te schakelen toets Ü indruk‐ken.De verwarming werkt bij een draai‐ende motor en wordt na korte tijd au‐tomatisch uitgeschakeld.Afhankelijk van het motortype wordtde verwarmbare achterruit automa‐tisch ingeschakeld bij het reinigenvan het dieselpartikelfilter.ZonnekleppenOm verblinding te vermijden kunnende zonnekleppen worden neerge‐klapt en opzij worden gedraaid.Afdekkingen van eventueel in de zon‐nekleppen aanwezigemake-upspiegels tijdens het rijdengesloten houden.Aan de achterkant van de zonneklepzit een kaartjeshouder.
Sleutels, portieren en ruiten 33DakPanoramadakPlak geen stickers op het dak. Dek deauto niet met een dekzeil af.ZonneschermHet zonnescherm wordt elektrischbediend.Druk knop G of H een beetje in: hetzonnescherm gaat omhoog of om‐laag zolang u de schakelaar bedient.Druk knop G of H stevig tot de tweede klik in en laat deze los: het zonne‐scherm gaat automatisch omhoog ofomlaag. Om de beweging te stoppen,drukt u nogmaals op de schakelaar.BeveiligingsfunctieStuit het zonnescherm tijdens het au‐tomatisch sluiten op een obstakel,dan stopt het meteen en gaat hetweer open.Standby-functieIn contactschakelaarstand 1 werkthet zonnescherm 3 129.Zonnescherm initialiserenWerkt het zonnescherm niet (bijv.
nahet loskoppelen van de accu), danmoet u de elektronica als volgt acti‐veren:■ Als het zonnescherm gesloten is,houdt u schakelaar H 10 secondeniets ingedrukt.■ Staat het zonnescherm open, houddan de schakelaar H ingedrukt tot‐dat het zonnescherm helemaaldicht is. Daarna de schakelkaareventjes loslaten en opnieuw gedu‐rende 10 seconden iets ingedrukthouden.Beveiligingsfunctie inlerenWanneer het zonnescherm na het ini‐tialiseren niet goed werkt:1. Open het zonnescherm helemaaldoor de schakelaar G in te druk‐ken.2. Laat de schakelaar los en houd deschakelaar G daarna ca. 30 se‐conden een beetje ingedrukt. Sluitdaarna het zonnescherm metschakelaar H totdat het zonne‐scherm gesloten is.
Stoelen, veiligheidssystemen 35Horizontaal verstellenTrek de hoofdsteun naar voor alsu deze horizontaal wilt afstellen. Hijklikt vast in verschillende posities.Zet deze weer geheel naar achterendoor geheel naar voren te trekken enlos te laten.Hoofdsteunen van achterbankHoogteverstellingHoofdsteun omhoogtrekken of beideborgveren indrukken om hoofdsteunte ontgrendelen en omlaag te schui‐ven.Actieve hoofdsteunenBij een aanrijding van achteren be‐wegen de voorste gedeelten van deactieve hoofdsteunen iets naar voren.Op deze wijze wordt het hoofd dus‐danig gesteund dat het risico van eenwhiplash afneemt.Let opGoedgekeurde accessoires mogenalleen bevestigd worden als de stoelniet wordt gebruikt.
36 Stoelen, veiligheidssystemenVoorstoelenStoelpositie9 WaarschuwingAlleen met een correct ingesteldestoel rijden.■Uw zitvlak zo dicht mogelijk naar derugleuning schuiven. De afstand totde pedalen zo instellen dat uw be‐nen bij het intrappen van de peda‐len licht gebogen zijn. De passa‐giersstoel voorin zover mogelijknaar achteren schuiven.■ Uw schouders zo dicht mogelijknaar de rugleuning schuiven. Stelde hoek van de rugleuning zo in datu het stuurwiel gemakkelijk metlicht gebogen armen kunt vastpak‐ken. Bij het verdraaien van hetstuurwiel contact blijven houdentussen schouders en rugleuning.De rugleuning mag niet te ver ach‐teroverhellen. De aanbevolen hel‐lingshoek bedraagt maximaalca. 25°.■ Stuurwiel instellen 3 79.■ Zithoogte zo instellen, datu rondom een goed zicht hebt enalle instrumenten goed kunt afle‐zen. Tussen hoofd en dakframemoet minstens een handbreedteruimte zitten.
Stoelen, veiligheidssystemen 39ArmsteunVerwijderbare armsteunDe armsteun bevat een opbergvak.Opbergvak 3 61.Armsteun aanbrengenDruk op de achterste knop en steekde achterste geleidepennen in de bo‐venste geleiderails. Laat de knop los.Laat de armsteun vooraan zakken.Trek stevig aan de voorste hendel ensteek de voorste geleidepennen in debovenste geleiderails. Laat de hendellos. Beweeg de armsteun totdat dezehoorbaar vastklikt.Let opInstalleer de armsteun in de richtingzoals wordt getoond in de afbeel‐ding. Anders zit de armsteun moge‐lijk niet goed vast.
40 Stoelen, veiligheidssystemenArmsteun bewegenTrek iets aan de voorste hendel en zetde armsteun in de gewenste stand.Laat de hendel los. Beweeg de arm‐steun totdat deze hoorbaar vastklikt.Zorg er bij het aanbrengen van eenbekerhouder in de onderste geleide‐rail voor dat het frame van de beker‐houder in de beginstand staat.Let opBij te veel gewicht op de armsteunkan deze ontgrendeld raken. Er iswellicht minder bewegingsvrijheid.Til de armsteun iets op om dezeweer te vergendelen.Opbergruimte armsteun 3 61.Bekerhouders 3 58.Armsteun verwijderenTrek stevig aan de voorste hendel entil de armsteun vooraan op. Druk opde achterste knop en verwijder dearmsteun.De armsteun kan ook op de neerge‐klapte middelste zitplaats wordenaangebracht 3 43.VerwarmingAfhankelijk van de gewenste verwar‐ming, toets ß van de desbetreffendestoel een of meerdere malen indruk‐ken.
De controlelamp in de toets geeftde status aan.Langdurig gebruik van de hoogste in‐stelling wordt afgeraden voor perso‐nen met een gevoelige huid.De stoelverwarming werkt wanneerde motor loopt.
Stoelen, veiligheidssystemen 41AchterbankZitplaatsen achterinStoelverstelling9 WaarschuwingRijd alleen als de buitenste stoe‐len in de geleiderails vastgekliktzijn.9 WaarschuwingStoelen nooit tijdens het rijden ver‐stellen, omdat ze ongecontroleerdkunnen bewegen.De buitenste zitplaatsen achter kun‐nen afzonderlijk naar voren of naarachteren worden versteld. De stoelenkunnen in de lengte- of dwarsrichtingworden versteld.In de lengterichting kunnen de stoe‐len in tussengelegen standen wordenvastgezet.Aan handgreep trekken, stoel ver‐schuiven, handgreep loslaten enstoel laten vastklikken.Flexibel stoelensysteem(FlexSpace)De achterste stoelenrij kan wordenafgesteld als twee zitplaatsen voorzoveel mogelijk zitruimte in stand 1 ofmet drie stoelen in stand 2. In stand1 wordt de middelste zitplaats neer‐gelaten.De buitenste zitplaatsen kunnen instand 3 naar voren worden versteld.
42 Stoelen, veiligheidssystemenStoelen in stand 1 zettenTrek aan de band en klap de middel‐ste stoel neer.Trek aan de hendel en schuif de stoelin de dwarsrichting naar achteren instand 1. De stoel wordt automatischnaar binnen geleid. Laat de hendellos en laat de stoel vastklikken.Stoelen in stand 2 zettenTrek aan de hendel en schuif de stoelin de dwarsrichting naar voren instand 2. De stoel wordt automatischnaar buiten geleid. Laat de hendel losen laat de stoel vastklikken.9 WaarschuwingMaak de armsteun los voordatu de rugleuning van de middelstezitplaats achteraan omhoog klapt.Armsteun 3 39.Trek aan de band en klap de middel‐ste stoel omhoog.De middelste stoel is niet bruikbaarals de buitenste stoelen in stand 3naar worden worden versteld.
Stoelen, veiligheidssystemen 43ArmsteunOp de rugleuning van de middelstezitplaats kan een armsteunadapterworden aangebracht. Aan de adapterkan een afneembare armsteun of eenbekerhouder worden bevestigd.Adapter monterenTrek aan de band en klap de middel‐ste stoel neer 3 41.Steek de haken van de adapter in deuitsparingen van de rugleuning endruk de adapter naar voren.Vergrendel de adapter door het con‐tactslot rechtsom in het slot tedraaien. De adapter is goed vergren‐deld als het groene merkteken zicht‐baar is.Monteer de armsteun of de bekerhou‐der op de adapter.Armsteun 3 39, bekerhouder 3 58.Adapter demonterenDemonteer de armsteun of de beker‐houder van de adapter.Armsteun 3 39, bekerhouder 3 58.Ontgrendel de adapter door het con‐tactslot linksom in het slot te draaien.De adapter is ontgrendeld als hetrode merkteken zichtbaar is.Druk de adapter naar achteren enhaal deze weg.
44 Stoelen, veiligheidssystemenVeiligheidsgordelsDe veiligheidsgordels worden bij sneloptrekken of hard remmen geblok‐keerd om de inzittenden op hun stoelte houden. Daarom neemt het gevaarvoor letsel aanzienlijk af.9 WaarschuwingVeiligheidsgordel vóór elke rit om‐doen.Inzittenden die geen gebruik ma‐ken van de veiligheidsgordel bren‐gen bij eventuele aanrijdingen me‐depassagiers en zichzelf in ge‐vaar.Veiligheidsgordels zijn bedoeld voorgebruik door slechts één persoon te‐gelijk. Ze zijn niet geschikt voor per‐sonen kleiner dan 1,50 m. Kindervei‐ligheidssysteem 3 52.Alle onderdelen van het gordelsys‐teem regelmatig op schade en juistewerking controleren.Beschadigde onderdelen laten ver‐vangen.
Na een aanrijding de veilig‐heidsgordels en de gordelspannersdoor een werkplaats laten vervangen.Let opZorg dat de veiligheidsgordels nietdoor schoenen of voorwerpen metscherpe randen beschadigd rakenklem komen te zitten. Oprolautoma‐ten vrijhouden van vuil.Gordelverklikker X 3 91.GordelkrachtbegrenzersDe kracht die inwerkt op de carrosse‐rie wordt beperkt doordat de gordelstijdens een botsing geleidelijk wordenontspannen.GordelspannersDe gordelsloten van de voorstoelenworden bij een voldoende zware fron‐tale botsing of bij een aanrijding vanachteren strakgetrokken.9 WaarschuwingOnjuist handelen (bijv. het verwij‐deren of aanbrengen van gordels)kan de gordelspanners in werkingstellen.
Stoelen, veiligheidssystemen 45Geactiveerde gordelspanners zijn teherkennen aan de voortdurend bran‐dende controlelamp v 3 91.Geactiveerde gordelspanners dooreen werkplaats laten vervangen. Gor‐delspanners worden slechts eenmaalgeactiveerd.Let opBevestig of monteer geen accessoi‐res of andere voorwerpen die dewerking van de gordelspanners kun‐nen verstoren. Geen aanpassingenaan onderdelen van de gordelspan‐ners aanbrengen, anders vervalt detypegoedkeuring van de auto.DriepuntsgordelVeiligheidsgordel omdoenGordel uit de oprolautomaat trekken,zonder te verdraaien voor u langs ha‐len en de gesp in het slot steken.Heupgordel tijdens het rijden van tijdtot tijd strak trekken door aan deschoudergordel te trekken.Gordelverklikker 3 91.Loszittende kleding belemmert hetstrak trekken van de gordel.
46 Stoelen, veiligheidssystemenHoogteverstelling1. Gordel iets uittrekken.2. Toets indrukken.3. Hoogte instellen en vergrendelen.Hoogte zo instellen dat de gordel overde schouder loopt. Gordel mag nietlangs de hals of bovenarm lopen.Niet instellen tijdens het rijden.Veiligheidsgordel afdoenOm de gordel los te maken, de rodeknop van het gordelslot indrukken.Veiligheidsgordels vanachterbankDe middelste zitplaats op de achter‐bank is uitgerust met een driepunts‐gordel.Trek de slotplaten uit de gordelhou‐der in het dak.
Stoelen, veiligheidssystemen 47Klik de onderste slotplaat in de rech‐tergesp (1) bij de middelste zitplaats.Haal de bovenste slotplaat uit de hou‐der, geleid deze over de schoudersen de schoot met de riem (niet ver‐draaien) en klik deze in de linkergesp(2) bij de middelste zitplaats.Doe de veiligheidsgordel los dooreerst op de knop op de linkergesp(2) te drukken en de bovenste slot‐plaat weg te halen. Druk daarna op deknop op de rechtergesp (1) en de‐monteer de onderste slotplaat. Deveiligheidsgordel wordt automatischopgerold.Duw de bovenste slotplaat in de hou‐der.
Klap de ineen vergrendelde slot‐platen tegen de veiligheidsgordel.Steek deze in de houder van de vei‐ligheidsgordel en laat hierbij de on‐derste slotplaat naar voren wijzen.Gebruik van deveiligheidsgordel tijdens dezwangerschap9 WaarschuwingDe heupgordel moet zo laag mo‐gelijk over het bekken lopen omdruk op de buik te voorkomen.
48 Stoelen, veiligheidssystemenAirbagsysteemHet airbagsysteem bestaat uit meer‐dere afzonderlijke systemen afhanke‐lijk van de omvang van de uitrusting.Bij het afgaan worden de airbags bin‐nen enkele milliseconden gevuld.Ook het leeglopen van de airbagsverloopt zo snel, dat dit tijdens eenaanrijding vaak niet eens wordt opge‐merkt.9 WaarschuwingBij onoordeelkundige behandelingkunnen de airbagsystemen op ex‐plosieve wijze in werking treden.Let opTer hoogte van de middenconsolebevindt zich de regelelektronica vanhet airbagsysteem en de gordel‐spanners. In dit gebied geen mag‐netische voorwerpen plaatsen.Afdekkingen van airbags niet be‐plakken of met andere materialenbedekken.Elke airbag treedt slechts eenmaalin werking. Geactiveerde airbagsonmiddellijk laten vervangen dooreen werkplaats.
Ook moeten even‐tueel het stuurwiel, het instrumen‐tenbord, plaatwerk, de portierafdich‐tingen, handgrepen en de stoelenworden vervangen.Geen aanpassingen in het airbag‐systeem aanbrengen, anders ver‐valt de typegoedkeuring van deauto.Bij het ontplooien van de airbags kun‐nen ontsnappende hete gassenbrandwonden veroorzaken.Controlelamp v voor airbagsystemen3 91.Frontaal airbagsysteemHet frontairbagsysteem bestaan uiteen airbag in het stuurwiel en een air‐bag in het instrumentenpaneel aan depassagierskant voorin. Ze zijn te her‐kennen aan het opschrift AIRBAG.Er zijn ook waarschuwingsetikettenaangebracht aan beide zijden van dezonneklep aan passagierszijde.Het frontairbagsysteem treedt in wer‐king bij een voldoende krachtige aan‐rijding aan de voorzijde. Het contactmoet aanstaan.
Stoelen, veiligheidssystemen 49De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het bovenlichaam en hoofdvan de inzittenden voorin de autoaanzienlijk afneemt.9 WaarschuwingAlleen bij een correcte zitpositie isoptimale bescherming mogelijk3 36.Lichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.Veiligheidsgordel correct omleg‐gen en goed vastzetten. Alleendan kan de airbag beschermingbieden.Zijdelings airbagsysteemHet zijairbagsysteem bestaat uit eenairbag in de rugleuning van beidevoorstoelen. Ze zijn te herkennen aanhet opschrift AIRBAG.Het zijairbagsysteem treedt in wer‐king bij een voldoende krachtige zij‐delingse aanrijding.
Het contact moetaanstaan.De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het bovenlichaam en deheupen bij een zijdelingse aanrijdingaanzienlijk afneemt.9 WaarschuwingLichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.
50 Stoelen, veiligheidssystemenLet opOp de voorstoelen alleen stoelhoe‐zen gebruiken die voor de auto zijngoedgekeurd. De airbags niet afdek‐ken.GordijnairbagsysteemDe hoofdairbags bestaan uit een air‐bag aan weerskanten in het dak‐frame. Ze zijn te herkennen aan hetopschrift AIRBAG op de dakstijlen.Het gordijnairbagsysteem treedt inwerking bij een voldoende krachtigezijdelingse aanrijding. Het contactmoet aanstaan.De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het hoofd bij een zijdelingseaanrijding aanzienlijk afneemt.9 WaarschuwingHoud de zone waarin de airbagzich ontplooit vrij van obstakels.De haken in het dakframe zijn uit‐sluitend geschikt voor het ophan‐gen van lichte kledingstukken,zonder kledinghangers.
Bewaargeen spullen in deze kleding.Airbag deactiverenWanneer u een kindveiligheidssys‐teem op de voorstoel gebruikt, moetu het airbagsysteem van de passa‐gier deactiveren. Het zijairbag- en hetgordijnairbagsysteem, de gordelvoor‐spanners en alle airbagsystemen vande bestuurder blijven actief.U deactiveert het airbagsysteem vande voorpassagier met een slot aan derechterzijde van het instrumentenpa‐neel.
Stoelen, veiligheidssystemen 51Gebruik de contactsleutel om de po‐sitie te kiezen:*= airbag van voorpassagier isgedeactiveerd en gaat niet afbij een aanrijding. Controle‐lampje * brandt voortdurendin de middenconsole. U kunteen kinderzitje aanbrengen inovereenstemming met de ta‐bel Inbouwposities kindervei‐ligheidssystemen 3 54. Ermag geen volwassen persoonop de stoel van de voorpassa‐gier vervoerd worden.V= airbag van voorpassagier isactief. U mag geen kindervei‐ligheidssystemen aanbren‐gen.9 GevaarKans op dodelijk letsel voor eenkind in een kinderzitje op de pas‐sagiersstoel met geactiveerde air‐bag.Kans op dodelijk letsel voor eenvolwassene op de passagiersstoelmet gedeactiveerde airbag.Zolang de controlelamp V nietbrandt, zal het airbagsysteem van depassagiersstoel afgaan in geval vaneen aanrijding.Indien beide conrolelampen tegelij‐kertijd branden zit er een storing in hetsysteem.
52 Stoelen, veiligheidssystemenKinderveiligheidssyste‐menWij bevelen het Opel-kinderveilig‐heidssysteem DUO aan dat specifiekvoor montage in uw auto geschikt is.Wanneer u het Opel-kinderveiligheid‐systeem DUO gebruikt, moet u debuitenste stoelen achteraan op stand2 3 41 zetten. Wij raden u aan hetOpel-kinderveiligheidsysteem DUOvast te zetten met behulp van de vol‐gende beveiligingssystemen in com‐binatie:ISOFIXDriepuntsgordelTop-TetherWanneer u een kinderveiligheidssys‐teem gebruikt, moet u de gebruikers-en montagehandleiding én de instruc‐ties bij het kinderveiligheidssysteemopvolgen.Houd u altijd aan de plaatselijke oflandelijke voorschriften.
In sommigelanden is het gebruik van kindervei‐ligheidssystemen op bepaalde zit‐plaatsen verboden.9 WaarschuwingWanneer een kinderveiligheids‐systeem op de passagiersstoelvoorin wordt gebruikt, moeten deairbagsystemen voor de passa‐giersstoel voorin worden uitge‐schakeld; zo niet, dan kan het inwerking treden van de airbags hetleven van het kind in gevaar bren‐gen.Dit is vooral van belang wanneernaar achteren gerichte kindervei‐ligheidssystemen op de passa‐giersstoel voorin worden gebruikt.
Stoelen, veiligheidssystemen 53Juiste systeem selecterenHet kinderveiligheidssysteem kan hetbest op de zitplaatsen achter wordenbevestigd.Vervoer kinderen zo lang mogelijk te‐gen de rijrichting in. Hierdoor wordt denog erg zwakke ruggengraat van hetkind bij een ongeval minder belast.Kinderen tot een leeftijd van 12 jaaren met een lichaamslengte tot1,50 m uitsluitend in een geschikt kin‐derveiligheidssysteem vervoeren.Geschikt zijn veiligheidssystemen dievoldoen aan ECE 44-03 ofECE 44-04.
Aangezien het voor kin‐deren met een lichaamslengte tot150 cm zelden mogelijk is de gordelcorrect te dragen, bevelen wij het ge‐bruik van een geschikt kinderveilig‐heidssysteem sterk aan, ook wan‐neer dit op basis van de leeftijd vanhet kind niet meer wettelijk verplichtis.Het kinderveiligheidssysteem datu gaat monteren, moet geschikt zijnvoor het autotype.Het kinderveiligheidssysteem moetop de correcte positie in de auto wor‐den gemonteerd.Laat kinderen alleen aan de trottoir‐kant van de auto uit- en instappen.Wanneer het kinderveiligheidssys‐teem niet wordt gebruikt, moet u vast‐zetten met een veiligheidsgordel ofverwijderen.Let opKinderveiligheidssystemen niet be‐plakken of met andere materialen af‐dekken.Een kinderveiligheidssysteem dattijdens een aanrijding werd belastmoet worden vervangen.
Wanneer u het kinderveiligheidssysteem meteen driepuntsgordel vastzet, moet u de stoelhoogteverstelling in de hoogste stand zetten en de veiligheidsgordel vóórhet bovenste verankeringspunt langs laten lopen.2= Stoel leverbaar met ISOFIX en Top-Tether-bevestigingssteunen.3= Alleen als de buitenste zitplaatsen op een lijn met de middelste zitplaats liggen (stand 2, 3 41).4= Alleen als de buitenste zitplaatsen in stand 1 of 2, 3 41 staan.U = Universeel bruikbaar in combinatie met een driepuntsveiligheidsgordel.X = Kinderveiligheidssystemen zijn in deze gewichts- en leeftijdsgroep niet toegestaan.
Het ISOFIX veiligheidssysteem moet goedgekeurd zijn voor het specifieke autotype.IUF = Geschikt voor voorwaarts gerichte ISOFIX kinderveiligheidssystemen uit de universele categorie, goedgekeurdvoor deze gewichtsklasse.X = Geen ISOFIX kinderveiligheidssysteem goedgekeurd voor deze gewichtsklasse.1= Alleen als de buitenste zitplaatsen in stand 1 of 2, 3 41 staan.2= Alleen Opel-kinderveiligheidssysteem DUO: Als de stoel is vastgemaakt zoals werd aanbevolen 3 52, moeten debuitenste stoelen in stand 2 3 41 staan.
Stoelen, veiligheidssystemen 57Isofix-kinderveiligheidssystemenBevestig de voor de auto goedge‐keurde ISOFIX-kinderveiligheidssys‐temen aan de ISOFIX bevestigings‐beugels. ISOFIX veiligheidssyste‐men voor specifieke auto's worden inde tabel aangeduid met IL.ISOFIX-bevestigingsbeugels zijnaangeduid met een label op de rug‐leuning.Top-Tether-bevestigingsogen Top-tether-bevestigingsogen wordenaangeduid met het symbool : vaneen kinderzitje.Aanvullend op de ISOFIX bevestigingzet u de Top-tether-band vast aan deTop-tether-bevestigingsogen. Daar‐bij moet de bijbehorende gordel tus‐sen de glijstangen van de hoofdsteunlopen.ISOFIX kinderveiligheidssystemenuit de universele categorie worden inde tabel aangeduid met IUF.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Opel Meriva B 2011 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Personenwagen Opel
Handleiding Personenwagen
Nieuwste handleidingen voor Personenwagen