Opel Corsa - 2015 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Opel Corsa - 2015 (271 pagina’s), behorend tot de categorie Personenwagen. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 22 mensen en kreeg gemiddeld 5.0 sterren uit 4 reviews. Heb je een vraag over Opel Corsa - 2015 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Opel |
| Categorie: | Personenwagen |
| Model: | Corsa - 2015 |
Handleiding Opel Corsa - 2015 – volledige tekst
Inleiding 3Uw autogegevensVoer hier de gegevens van de auto inzodat ze gemakkelijk te vinden zijn. Deze informatie is beschikbaar in dehoofdstukken "Service en onder‐houd" en "Technische gegevens",alsmede op het typeplaatje. InleidingUw auto is de intelligente combinatievan vernieuwende techniek, overtui‐gende veiligheid, milieuvriendelijk‐heid en zuinigheid. In deze gebruikershandleiding vindt ualle informatie die u nodig hebt om uwauto veilig en efficiënt te kunnen be‐dienen. Zorg ervoor dat uw passagiers ervanop de hoogte zijn dat onjuist gebruikvan de auto een ongeval tot gevolgkan hebben en dat er risico bestaatvoor persoonlijk letsel. Houd u altijd aan de specifieke wet‐geving van het land waarin u zich be‐vindt. Deze wetgeving kan afwijkenvan de informatie in deze gebruikers‐handleiding.
Wanneer wij u in deze gebruikers‐handleiding adviseren de hulp vaneen werkplaats in te roepen, raden wijuw Opel Service Partner aan. Voor gasauto's raden wij een doorOpel erkende reparateur aan voor on‐derhoud en reparatie aan gasauto's. Elke Opel Service Partner biedt u eer‐steklas service tegen redelijke prij‐zen. Ervaren, door Opel geschooldespecialisten werken volgens specialerichtlijnen van Opel. Houd het informatiepakket voor degebruiker altijd onder handbereik inde auto. Gebruik van dezehandleiding■ Deze handleiding geeft een om‐schrijving van alle voor dit modelbeschikbare opties en functies. Mogelijk zijn bepaaldeomschrijvingen, waaronder dievoor display- en menufuncties, nietop uw auto van toepassingwanneer er sprake is van eenmodelvariant, afwijkendelandenspecificaties of specialeuitrustingen of accessoires. ■ In het hoofdstuk "Kort en bondig"krijgt u een beknopt overzicht.
■ De inhoudsopgave aan het beginvan de handleiding en in de afzon‐derlijke paragrafen geeft aan waaru de informatie die u zoekt kunt vin‐den. ■ Met behulp van het trefwoordenre‐gister kunt u specifieke informatiezoeken.
4 Inleiding■ De displays van de auto ondersteu‐nen mogelijkerwijs uw taal niet.■ Displayteksten en opschriften in hetinterieur zijn vet gedrukt.Gevaar, Waarschuwing enVoorzichtig9GevaarTeksten met de vermelding9 Gevaar wijzen op een mogelijklevensgevaar. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan levensge‐vaar inhouden.9WaarschuwingTeksten met de vermelding9 Waarschuwing wijzen op eenmogelijk gevaar voor ongelukkenof verwondingen. Het niet nalevenvan deze richtlijnen kan tot ver‐wondingen leiden.VoorzichtigTeksten met de vermeldingVoorzichtig wijzen erop dat deauto mogelijk beschadigd kan ra‐ken. Het niet naleven van dezerichtlijnen kan tot beschadigingvan de auto leiden.SymbolenVerwijzingen naar andere pagina'sworden aangeduid met 3. 3 betekent"zie pagina".We wensen u vele uren autorijplezier.Adam Opel AG
Kort en bondig 7StoelverstellingZitpositieAan handgreep trekken, stoel ver‐schuiven, handgreep loslaten. Pro‐beer de stoel heen en weer te bewe‐gen om na te gaan of deze op zijnplaats zit.Stoelpositie 3 38, stoelverstelling3 39.9GevaarAltijd op minstens 25 cm afstandvan het stuurwiel zitten zodat deairbag veilig in werking kan treden.Rugleuning voorstoelenZithoek met het handwiel aanpassen.Bij het verstellen de rugleuning nietbelasten.Stoelpositie 3 38, Stoelverstelling3 39, Rugleuning neerklappen3 40, Sportstoel 3 40.
8 Kort en bondigZithoogtePompbeweging van de hendelomhoog = stoel omhoogomlaag = stoel omlaagStoelpositie 3 38, stoelverstelling3 39.HoofdsteunverstellingOntgrendelingsknop indrukken,hoogte instellen, vastklikken.Hoofdsteunen 3 37.VeiligheidsgordelVeiligheidsgordel afrollen en in gor‐delslot vastklikken. De veiligheidsgor‐del mag niet gedraaid zitten en moetstrak tegen het lichaam aanliggen. Derugleuningen mogen niet te ver naarachteren hellen (maximaal ca. 25°).Om de gordel los te maken, de rodeknop van het gordelslot indrukken.Stoelpositie 3 38, veiligheidsgor‐dels 3 42, airbagsysteem 3 45.
Kort en bondig 17Ruiten ontwasemen enontdooien■Luchtverdeelschakelaar op l zet‐ten.■V indrukken.■ Draaiknop voor temperatuur inhoogste stand zetten.■ Luchtdebiet op hoogste stand zet‐ten.■Verwarming achterruit Ü inschake‐len.■ Zijdelingse luchtroosters openennaar wens en op de zijruiten rich‐ten.Klimaatregelsysteem 3 125. VersnellingsbakHandgeschakeldeversnellingsbakAchteruit: breng de auto tot stilstand,trap het koppelingspedaal in en drukop de ontgrendelknop op de keuze‐hendel en schakel de versnelling in.Kan de versnelling niet worden inge‐schakeld, dan het koppelingspedaalin de neutrale stand laten opkomenen weer intrappen; vervolgens nog‐maals schakelen.Handgeschakelde versnellingsbak3 147.
20 Kort en bondigStop-startsysteemAls de auto langzaam rijdt of stilstaaten aan bepaalde voorwaarden is vol‐daan, activeer dan een Autostopzoals hieronder beschreven:Auto's met handgeschakeldeversnellingsbak:■ Het koppelingspedaal intrappen.■ Zet de schakelhendel op neutraal.■ Laat het koppelingspedaal los.Een Autostop wordt aangegevendoor de controlelamp D.Om de motor te herstarten, moet u hetkoppelingspedaal opnieuw intrappen.De controlelamp D dooft.Auto's met geautomatiseerdeversnellingsbak:Als de auto stilstaat met ingetraptrempedaal, wordt Autostop automa‐tisch geactiveerd, wat aangegevenwordt door controlelamp D.Laat het rempedaal los of haal dekeuzehendel uit D om de motor op‐nieuw te starten. Controlelampje Ddooft.Stop-startsysteem 3 138.Parkeren9Waarschuwing■ Parkeer de auto niet op een lichtontvlambaar oppervlak.
Door dehoge temperatuur van het uit‐laatsysteem kan het oppervlakontbranden.■ Trek altijd de handrem aan. Trekde handrem aan zonder op deontgrendelingsknop te drukken.Op een aflopende of oplopendehelling zo stevig mogelijk. Traptegelijkertijd de rem in om de be‐dieningskracht te verminderen.■ Zet de motor af.■ Wanneer de auto vlak of op eenoplopende helling staat, danvóór het verwijderen van decontactsleutel de eerste ver‐snelling inschakelen of de keu‐zehendel in stand P zetten. Opeen oplopende helling boven‐dien de voorwielen van destoeprand wegdraaien.
Bovendien devoorwielen naar de stoeprandtoedraaien.■ Sluit de ramen en het schuifdak.■ De contactsleutel verwijderen.Stuurwiel verdraaien totdat hetstuurslot merkbaar vergrendelt.Bij auto's met automatische ver‐snellingsbak kan de sleutel al‐leen worden verwijderd met dekeuzehendel in stand P.Voor auto's met geautomati‐seerde versnellingsbak kan desleutel alleen uit het contactslotworden getrokken wanneer dehandrem is aangetrokken.■Vergrendel de auto met e op dehandzender.Activeer het alarmsysteem 3 29.■ Koelventilatoren kunnen ook na hetafzetten van de motor in werkingtreden 3 193.VoorzichtigNa een rit waarbij met hoge mo‐tortoerentallen of met hoge motor‐belasting werd gereden, de motorvóór het afzetten gedurende eenkorte tijd met lage belasting latendraaien of gedurende ca.30 seconden stationair latendraaien om de turbolader te be‐schermen.Sleutels, sloten 3 22, auto een lan‐gere tijd stilzetten 3 192.
Vermeld het wanneer ueen nieuwe adapter bestelt.Wiel verwisselen 3 229.Sleutel met uitklapbaresleutelbaardOm uit te klappen toets indrukken.Om in te klappen eerst toets indruk‐ken.Car PassOp de Car Pass staan veiligheids‐technische autogegevens. Daarommoet deze goed worden bewaard.Een eventueel ingeschakelde werk‐plaats heeft voor het verrichten vanbepaalde werkzaamheden deze au‐togegevens nodig.
Dit kan beperktworden door invloeden van buitenaf.Brandende alarmknipperlichten die‐nen als bevestiging.Handzender met zorg behandelen,vochtvrij houden, beschermen tegenhoge temperaturen en onnodig ge‐bruik vermijden.StoringAls de centrale vergrendeling niet metde handzender kan worden vergren‐deld of ontgrendeld, kan dit het ge‐volg zijn van het volgende:■ Het bereik wordt overschreden.■ De accuspanning is te laag.■ Herhaald, opeenvolgend gebruikvan de handzender buiten het be‐reik, waardoor er opnieuw gesyn‐chroniseerd moet worden.■ Overbelasting van de centrale ver‐grendeling door herhaalde, snel op‐eenvolgende activering van de af‐standsbediening, waardoor destroomvoorziening voor korte tijdwordt onderbroken.■ Storing door radiogolven afkomstigvan externe zenders met een hoogvermogen.Ontgrendelen 3 24.BasisinstellingenU kunt sommige instellingen veran‐deren op het Info-Display.Persoonlijke instellingen 3 111.Batterij van de handzendervervangenZodra de reikwijdte afneemt, de bat‐terij meteen vervangen.Batterijen horen niet in het huisvuilthuis.
24 Sleutels, portieren en ruitenSleutelbaard uitklappen en handzen‐der zijwaarts openen. Batterij vervan‐gen (batterijtype CR 2032), let hierbijop de juiste plaatsing. Handzendersluiten en synchroniseren.Handzender synchroniserenNa vervanging van de batterij het be‐stuurdersportier openen met de sleu‐tel in het slot. De handzender wordtgesynchroniseerd wanneer het con‐tact wordt aangezet.Opgeslagen instellingenAls de sleutel uit de contactschake‐laar wordt verwijderd, worden de vol‐gende instellingen automatisch in hetgeheugen van de sleutel opgeslagen:■ verlichting■ elektronische klimaatregeling■ voorinstellingen voor Infotainment‐systeem■ centrale vergrendeling■ comfortinstellingenDe opgeslagen instellingen wordenautomatisch toegepast wanneer desleutel met het geheugen de vol‐gende keer in het contactslot wordtgestoken en naar stand 1 3 136wordt gedraaid.Een voorwaarde is dat Pers.
inst. voorbestuurder geactiveerd is in de per‐soonlijke instellingen van deInfo-Display. Dit moet worden inge‐steld voor elke sleutel die gebruiktwordt.Persoonlijke instellingen 3 111.Centrale vergrendelingOntgrendelen en vergrendelen vanportieren, bagageruimte en tankklep.Door aan de binnenste portierhand‐greep te trekken wordt het desbetref‐fende portier ontgrendeld. Door nogeens aan de handgreep te trekkengaat het portier open.Let opBij een ongeval waarbij de airbags ofgordelspanners in werking treden,wordt het voertuig automatisch ont‐grendeld.Let opWanneer na ontgrendeling met deafstandsbediening geen van de por‐tieren wordt geopend, worden dezena drie minuten automatisch op‐nieuw vergrendeld.Ontgrendelenc indrukken.
Sleutels, portieren en ruiten 25Op het Info-Display kunt u kiezen uittwee instellingen:■ Om alleen het bestuurdersportier,de bagageruimte en de tankklep teontgrendelen: druk eenmaal op c.Om alle portieren te ontgrendelen:druk tweemaal op c.■Druk eenmaal op c om de portie‐ren, de bagageruimte en de tank‐klep te ontgrendelen.Persoonlijke instellingen 3 111.U kunt de instelling opslaan voor degebruikte sleutel.Opgeslagen instellingen 3 24.Ontgrendelen en openen van de ach‐terklep 3 27.VergrendelenPortieren, bagageruimte en tankklepsluiten.e indrukken.Bij een niet goed gesloten bestuur‐dersportier werkt de centrale vergren‐deling niet.Centrale vergrendelingstoetsenPortieren, de bagageruimte en detankklep worden vanuit de passa‐giersruimte vergrendeld of ontgren‐deld.Druk op e om te vergrendelen.Druk op c om te ontgrendelen.Vertraagde portiervergrendelingSchakel de motor uit en verwijder desleutel uit het slot.
Druk op e met min‐stens één portier geopend en drie ge‐luidssignalen klinken. Wanneer hetlaatste portier wordt gesloten, ver‐grendelt de auto na vijf seconden au‐tomatisch alle portieren en wordt ditaangegeven.Na 10 minuten vergrendelt de autoautomatisch alle portieren zelfs alseen portier nog open is. U kunt deze
26 Sleutels, portieren en ruitenfunctie activeren of deactiveren ophet Info-Display. Persoonlijke instel‐lingen 3 111.Storing in afstandsbedieningOntgrendelenOntgrendel het bestuurdersportierhandmatig door de sleutel in het slotte verdraaien. Schakel het contact inen druk op de centrale vergrende‐lingstoets c om de andere portieren,de bagageruimte en de tankvulklep teopenen.Als u het contact aanzet, wordt hetvergrendelingssysteem uitgescha‐keld.VergrendelenVergrendel het bestuurdersportierhandmatig door de sleutel in het slotte verdraaien.Storing in centralevergrendelingOntgrendelenOntgrendel het bestuurdersportierhandmatig door de sleutel in het slotte verdraaien. U kunt de overige por‐tieren openen door tweemaal aan debinnenste portiergreep te trekken.
Ukunt de bagageruimte en de tankklepniet openen.Zet het contact aan het vergrende‐lingssysteem te deactiveren 3 29.VergrendelenDruk bij alle portieren op de binnenstevergrendelingsknop, maar niet bij hetbestuurdersportier.
Sluit vervolgenshet bestuurdersportier en vergrendeldit van buiten met de sleutel.Tankklep en achterklep kunnen nietworden vergrendeld.Automatisch vergrendelenU kunt deze beveiligingsfunctie zoda‐nig configureren dat de portieren, debagageruimte en de tankklep bij hetoverschrijden van een bepaalde snel‐heid automatisch worden vergren‐deld.Bovendien kunt u de functie zo confi‐gureren dat ze het bestuurdersportierof alle portieren opent nadat het con‐tact is uitgeschakeld en de contact‐sleutel werd verwijderd (handmatigetransmissie) of wanneer de keuze‐hendel in de stand P wordt geplaatst(automatische transmissie).U kunt instellingen veranderen op hetInfo-Display.Persoonlijke instellingen 3 111.U kunt de instellingen opslaan voorde gebruikte sleutel 3 24.
Sleutels, portieren en ruiten 27Kindersloten9WaarschuwingGebruik de kindersloten wanneerkinderen op de achterste zitplaat‐sen worden vervoerd.Schakelaar op het achterportierslotmet een sleutel of een geschikteschroevendraaier naar horizontalestand draaien. Het portier kan vanbinnenuit niet geopend worden.PortierenBagageruimteAchterklepOpenenOpen de achterklep met de tiptoetsonder het merkembleem.SluitenBinnenste handgreep gebruiken.Druk niet op de tiptoets tijdens hetsluiten, omdat de achterklep danweer ontgrendeld kan worden.Centrale vergrendeling 3 24.
28 Sleutels, portieren en ruitenAlgemene tips voor deachterklepbediening9GevaarNiet met een geopende of op eenkier staande achterklep rijden,bijv. bij het vervoer van omvang‐rijke bagage, omdat er dan giftige,onzichtbare en reukloze uitlaat‐gassen de auto kunnen binnen‐dringen. Hierdoor kunt u bewuste‐loos raken en zelfs sterven.VoorzichtigVoordat u de achterklep opent,moet u belemmeringgen in dehoogte controleren, zoals een ga‐ragedeur, om schade aan de ach‐terklep te voorkomen. Controleeraltijd het bewegingsgebied bovenen achter de achterklep.Let opAfhankelijk van het gewicht vaneventueel gemonteerde accessoi‐res blijft de achterklep mogelijk nietin geopende stand staan.AntidiefstalbeveiligingVergrendelingssysteem9WaarschuwingNiet inschakelen als er zich perso‐nen in de auto bevinden! Ontgren‐delen van de binnenzijde is nietmogelijk.Alle portieren worden tegen openenbeveiligd.
Voor activering van hetsysteem moeten alle portieren geslo‐ten zijn.Als de ontsteking ingeschakeld was,moet het bestuurdersportier eenmaalworden geopend en gesloten voordatde auto kan worden beveiligd.Bij het ontgrendelen van de autowordt de mechanische diefstalbevei‐liging uitgeschakeld. Dit is niet moge‐lijk met de centrale vergrendelings‐toets.
Sleutels, portieren en ruiten 29InschakelenDruk binnen 5 seconden tweemaal ope van de handzender.DiefstalalarmsysteemHet alarmsysteem is gecombineerdmet het vergrendelingssysteem.Het bewaakt:■ portieren, achterklep, motorkap■ ontstekingInschakelen■ Automatische activering30 seconden na het vergrendelenvan de auto door één keer op e tedrukken.■ Rechtstreeks door binnen vijf se‐conden twee keer kort op e te druk‐ken.Status-LEDDe status-LED is geïntegreerd in desensor boven op het instrumentenpa‐neel.Status tijdens de eerste 30 secondenna het activeren van het alarmsys‐teem:Led aan = test, inschakelver‐tragingLed knippertsnel = portieren, achter‐klep of motorkapniet goed dicht,eventuele sys‐teemstoringStatus nadat systeem is geactiveerd:Led knip‐pert lang‐zaam= systeem is geactiveerdBij storingen de hulp van een werk‐plaats inroepen.UitschakelenDoor bij het ontgrendelen van de autoop c te drukken wordt het diefstala‐larmsysteem gedeactiveerd.Het systeem wordt niet gedeactiveerddoor het bestuurdersportier te ont‐grendelen met de sleutel of met decentrale-vergrendelingstoets in hetinterieur.
30 Sleutels, portieren en ruitenAlarmBij het activeren klinkt de alarmclaxonen gaan de alarmknipperlichten tege‐lijkertijd knipperen. Het aantal en deduur van de alarmsignalen zijn voor‐geschreven door de wetgever.Het alarm kan worden afgezet doorhet indrukken van een willekeurigetoets op de handzender of door hetcontact aan te zetten.Het diefstalalarmsysteem kan alleenworden gedeactiveerd met c op dehandzender of door het inschakelenvan het contact.Wanneer het alarm is afgegaan zon‐der dat de bestuurder het heeft uitge‐schakeld, geven de alarmknipperlich‐ten dat aan.
Ze lichten bij het ontgren‐delen van de auto met de handzenderdriemaal kort achtereen op.Boordinformatie 3 107.StartbeveiligingHet systeem is onderdeel van de con‐tactschakelaar en het controleert ofde auto met de gebruikte sleutel magworden gestart.De startbeveiliging activeert zichzelfautomatisch nadat u de sleutel uit decontactschakelaar hebt gehaald.Knippert controlelamp d nadat hetcontact is ingeschakeld, dan is er eenstoring in het systeem: de auto kanniet worden gestart. Contact uitscha‐kelen en opnieuw proberen te starten.Als de controlelamp blijft knipperen,kunt u proberen om de motor met dereservesleutel te starten en daarnade hulp van een werkplaats inroepen.Let opDe startbeveiliging vergrendelt deportieren niet.
Sleutels, portieren en ruiten 31Selecteer de gewenste buitenspiegeldoor de wipschakelaar naar links (L)of rechts (R) te duwen. Draai daarnade knop : om de spiegel teverstellen.Wipschakelaar in middelste stand: eris geen te verstellen spiegel geselec‐teerd.Inklapbare spiegelsVoor de veiligheid van voetgangersklappen de buitenspiegels bij aansto‐ten vanaf een bepaalde kracht weg uitde normale stand. Spiegel dan doorlicht op de spiegelbehuizing te druk‐ken terugduwen.ParkeerstandU klapt de buitenspiegels in doorzachtjes op de buitenrand van de be‐huizing te drukken, bijv. bij eenkrappe parkeerplek.Verwarmde spiegelsOm in te schakelen Ü indrukken.De verwarming van de spiegel werktbij een draaiende motor.Deze wordt na zes minuten automa‐tisch uitgeschakeld.Als u tijdens dezelfde contactcyclusnogmaals op Ü drukt, werkt de ver‐warming nog drie minuten.
32 Sleutels, portieren en ruitenBinnenspiegelHandmatige dimfunctieOm verblinding te verminderen, dehendel aan de onderkant van de spie‐gelbehuizing verstellen.Automatische dimfunctieVerblinding 's nachts door achterop‐komend verkeer wordt automatischverminderd.RuitenVoorruitVoorruitstickersPlak geen stickers, bijv. tolvignetteno.i.d., rondom de binnenspiegel op devoorruit. Anders kan de detectiezonevan de sensor in de spiegelbehuizingworden beperkt.Handbediende ruitenDe achterportierruiten zijn met dehandslingers te bedienen.Elektrisch bediende ruiten9WaarschuwingWees voorzichtig bij het gebruikvan de elektrische ruitbediening.Er bestaat verwondingsgevaar,met name voor kinderen.Wees voorzichtig bij het sluitenvan de ruiten. Ervoor zorgen datniets of niemand bekneld raakt.
Sleutels, portieren en ruiten 33Bedienbaar met contact aan (stand 2)3 136.Behouden stroom uit 3 136.Druk op de schakelaar in de bekle‐ding van het portier voor de betref‐fende ruit om de ruit te openen of trekaan de schakelaar om de ruit te slui‐ten.OpenenKort indrukken: ruit gaat in fasenopen.Lang indrukken: ruit opent automa‐tisch tot de eindstand. Om de bewe‐ging te stoppen drukt u nogmaals opde schakelaar.SluitenKort trekken: ruit gaat in fasen dicht.Langer trekken: de ruit sluit automa‐tisch tot de eindstand. Om de bewe‐ging te stoppen drukt u nogmaals opde schakelaar.BeveiligingsfunctieStuit de ruit tijdens het automatischsluiten boven de middelste stand opweerstand, dan stopt het sluiten on‐middellijk en beweegt de ruit weeromlaag.Beveiligingsfunctie negerenBij een stroeve werking door ijsvor‐ming e.d.
het contact inschakelen endaarna meermaals aan de schake‐laar trekken totdat de ruit in stappenis gesloten.OverbelastingWorden de ruiten in korte tijd meer‐maals bediend, dan wordt de ruitbe‐diening enige tijd gedeactiveerd.StoringActiveer de ruitelektronica als volgt,wanneer de ruiten niet automatischkunnen worden geopend of gesloten:1. Sluit de portieren.2. Ontsteking inschakelen.3. Ruit volledig sluiten en de toetsnog eens vijf seconden ingedrukthouden.4. Ruit volledig openen en de toetsnog eens één seconde ingedrukthouden.5. Deze handeling herhalen vooralle ruiten.
34 Sleutels, portieren en ruitenAchterruitverwarmingOm in te schakelen Ü indrukken.De verwarming van de achterruitwerkt bij een draaiende motor.Deze wordt na zes minuten automa‐tisch uitgeschakeld.Als u tijdens dezelfde contactcyclusnogmaals op Ü drukt, werkt de ver‐warming nog drie minuten.VoorruitverwarmingOm in te schakelen Ü indrukken.De voorruitverwarming werkt samenmet de achterruitverwarming en bijdraaiende motor.Deze wordt na zes minuten automa‐tisch uitgeschakeld.Als u tijdens dezelfde contactcyclusnogmaals op Ü drukt, werkt de ver‐warming nog drie minuten.ZonnekleppenOm verblinding te vermijden kunnende zonnekleppen worden neerge‐klapt en opzij worden gedraaid.Onderweg moeten de integrale spie‐gels gesloten zijn.Aan de achterkant van de zonneklepzit een kaartjeshouder.
Sleutels, portieren en ruiten 35DakZonnedak9WaarschuwingWees voorzichtig bij het gebruikvan het zonnedak. Er bestaat ver‐wondingsgevaar, met name voorkinderen.Bewegende onderdelen tijdens debediening goed in de gaten hou‐den. Ervoor zorgen dat niets ofniemand bekneld raakt.Bedienbaar via een wipschakelaarmet contact aan (stand 2) 3 136.Behouden stroom uit 3 136.OmhoogbrengenHoud schakelaar ü ingedrukt totdathet zonnedak van achteren omhoogkomt.OpenenDruk in de geheven stand op schake‐laar ü en laat hem los; het zonnedakwordt automatisch tot de eindstandgeopend. Om de beweging vóór deeindstand te stoppen drukt u nog‐maals op de schakelaar.SluitenHoud schakelaar d ingedrukt in elkewillekeurige stand totdat het zonne‐dak helemaal is gesloten.
Als u deschakelaar loslaat, stopt de bewegingin elke willekeurige stand.VoorzichtigBij gebruik van een dakdragercontroleren of het zonnedak vol‐doende speling heeft om schadetegen te gaan, Het is alleen toe‐gestaan het zonnedak open tekantelen.Let opAls de bovenkant van het zonnedaknat is, het dak kantelen om het waterte laten aflopen en daarna het zon‐nedak openen.Geen stickers op het zonnedak aan‐brengen.ZonneschermHet zonnescherm wordt handmatigbediend.
36 Sleutels, portieren en ruitenSchuif het zonnescherm open ofdicht. Het zonnescherm is in elkestand van het zonnedak te gebruiken.OverbelastingBij overbelasting van het systeemwordt de stroomvoorziening automa‐tisch enige tijd onderbroken. Het sys‐teem wordt beveiligd met zekeringenin de zekeringenkast 3 209.Zonnedak initialiserenAls het zonnedak niet kan worden be‐diend, de elektronica als volgt active‐ren: bij ingeschakeld contact het zon‐nedak sluiten en d gedurende min‐stens 10 seconden ingedrukt houden.De hulp van een werkplaats inroepenom de oorzaak van de storing te latenverhelpen.
38 Stoelen, veiligheidssystemenHoofdsteunen achter,hoogteverstellingTrek de hoofdsteun omhoog en laatdeze vastklikken. Omlaag zetten:druk op de pal om de hoofdsteun loste zetten en omlaag te drukken.Hoofdsteun achter wegnemenBijv. bij gebruik van een kinderveilig‐heidssysteem 3 52.Druk beide pallen in, trek de hoofd‐steun omhoog en verwijder deze.Leg de hoofdsteun in een nettas enbevestig de onderkant van de tas metklittenbandbevestigingen aan devloer van de bagageruimte. Een ge‐schikte nettas is verkrijgbaar bij uwwerkplaats.VoorstoelenStoelpositie9WaarschuwingAlleen met een correct ingesteldestoel rijden.■Uw zitvlak zo dicht mogelijk naar derugleuning schuiven. De afstand totde pedalen zo instellen dat uw be‐nen bij het intrappen van de peda‐len licht gebogen zijn. De passa‐giersstoel voorin zover mogelijknaar achteren schuiven.
Stoelen, veiligheidssystemen 39■ Uw schouders zo dicht mogelijknaar de rugleuning schuiven. Stelde hoek van de rugleuning zo in datu het stuurwiel gemakkelijk metlicht gebogen armen kunt vastpak‐ken. Bij het verdraaien van hetstuurwiel contact blijven houdentussen schouders en rugleuning.De rugleuning mag niet te ver ach‐teroverhellen. De aanbevolen hel‐lingshoek bedraagt maximaalca. 25°.■ Stuurwiel instellen 3 79.■ Zithoogte zo instellen, dat urondom een goed zicht hebt en alleinstrumenten goed kunt aflezen.Tussen hoofd en dakframe moetminstens een handbreedte ruimtezitten.
Uw dijen dienen licht op dezitting rusten, zonder druk uit te oe‐fenen.■ Hoofdsteun instellen 3 37.■ Hoogte veiligheidsgordel instellen3 43.Stoelverstelling9GevaarAltijd op minstens 25 cm afstandvan het stuurwiel zitten zodat deairbag veilig in werking kan treden.9WaarschuwingStoelen nooit tijdens het rijden ver‐stellen, omdat ze ongecontroleerdkunnen bewegen.9WaarschuwingNooit voorwerpen onder de stoe‐len plaatsen.ZitpositieAan handgreep trekken, stoel ver‐schuiven, handgreep loslaten. Pro‐beer de stoel heen en weer te bewe‐gen om na te gaan of deze op zijnplaats zit.
Stoelen, veiligheidssystemen 419WaarschuwingBij opklappen moet u zich ervanverzekeren dat de stoel stevig opzijn plaats vergrendeld is alvorenste gaan rijden. Als u dat niet doet,kan dit bij krachtig remmen of eenbotsing letsel veroorzaken.De geheugenfunctie vergrendelt destoel na het inklappen in de oorspron‐kelijke stand.Zithoek bij naar voren geklapte rug‐leuning niet met handwiel verstellen.VoorzichtigDruk de hoofdsteunen met destoel in de hoogste stand omlaagen klap de zonnekleppen omhoogvoordat u de rugleuning naar vo‐ren klapt.Sportstoel neerklappenVeiligheidsgordel uit gordelhouder opde rugleuning verwijderen.Trek aan de ontgrendelingshendel opde rugleuning, klap de rugleuningnaar voren en laat de hendel los.Schuif vervolgens de stoel geheelnaar voren.Terugzetten door de stoel geheelnaar achteren te schuiven.
Zet derugleuning rechtop zonder de ont‐grendelingshefboom te bedienen.Rugleuning laten vastklikken.9WaarschuwingBij opklappen moet u zich ervanverzekeren dat de stoel stevig opzijn plaats vergrendeld is alvorenste gaan rijden. Als u dat niet doet,kan dit bij krachtig remmen of eenbotsing letsel veroorzaken.De geheugenfunctie vergrendelt destoel na het inklappen in de oorspron‐kelijke stand.Draai bij het naar voren klappen vande rugleuning niet aan het stelwielvoor de rugleuning.
42 Stoelen, veiligheidssystemenVerwarmingActiveer de stoelverwarming door opß voor de betreffende voorstoel tedrukken.De activering wordt aangeduid doorde LED in de toets.Druk ß nogmaals in om de stoelver‐warming te deactiveren.De stoelverwarming werkt wanneerde motor loopt.Tijdens een Autostop werkt de stoel‐verwarming ook.Stop-startsysteem 3 138.VeiligheidsgordelsDe veiligheidsgordels worden bij sneloptrekken of hard remmen geblok‐keerd om de inzittenden op hun stoelte houden. Daarom neemt het gevaarvoor letsel aanzienlijk af.9WaarschuwingVeiligheidsgordel vóór elke rit om‐doen.Inzittenden die geen gebruik ma‐ken van de veiligheidsgordel bren‐gen bij eventuele aanrijdingen me‐depassagiers en zichzelf in ge‐vaar.Veiligheidsgordels zijn bedoeld voorgebruik door slechts één persoon te‐gelijk.
Kinderveiligheidssysteem3 52.Alle onderdelen van het gordelsys‐teem regelmatig op schade, veront‐reiniging en juiste werking controle‐ren.Beschadigde onderdelen laten ver‐vangen. Na een aanrijding de veilig‐heidsgordels en de gordelspannersdoor een werkplaats laten vervangen.
Oprolautoma‐ten vrijhouden van vuil.GordelverklikkerElke stoel is met een gordelverklikkeruitgerust, aangegeven voor de be‐stuurdersstoel als controlelamp X inde toerenteller 3 93 en voor de pas‐sagiersstoel voor als controlelampk in de middenconsole 3 91.Voor zitplaatsen achterin wordt degordelverklikker aangegeven doorsymbolen X op het Driver InformationCenter (DIC) 3 99.GordelkrachtbegrenzersDe gordelkrachtbegrenzers van devoorstoelen en de buitenste zitplaat‐sen achterin beperken de krachtendie inwerken op de inzittenden, door‐dat de gordels tijdens een botsing ge‐leidelijk worden ontspannen.GordelspannersDe gordelsloten van de voorstoelenworden bij een voldoende zware fron‐tale botsing of bij een aanrijding vanachteren strakgetrokken.9WaarschuwingOnjuist handelen (bijv.
het verwij‐deren of aanbrengen van gordels)kan de gordelspanners in werkingstellen.Geactiveerde gordelspanners zijn teherkennen aan de voortdurend bran‐dende controlelamp v 3 94.Geactiveerde gordelspanners dooreen werkplaats laten vervangen. Gor‐delspanners worden slechts eenmaalgeactiveerd.Let opBevestig of monteer geen accessoi‐res of andere voorwerpen die dewerking van de gordelspanners kun‐nen verstoren. Geen aanpassingenaan onderdelen van de gordelspan‐ners aanbrengen, anders vervalt detypegoedkeuring van de auto.DriepuntsgordelBevestigingGordel uit de oprolautomaat trekken,zonder te verdraaien voor u langs ha‐len en de gesp in het slot steken.Heupgordel tijdens het rijden van tijdtot tijd strak trekken door aan deschoudergordel te trekken.Sportstoel: Steek bij het vastmakenvan de gordel deze door de gordel‐bevestiging op de rugleuning.
Stoelen, veiligheidssystemen 45DemonterenOm de gordel los te maken, de rodeknop van het gordelslot indrukken.Gebruik van deveiligheidsgordel tijdens dezwangerschap9WaarschuwingDe heupgordel moet zo laag mo‐gelijk over het bekken lopen omdruk op de buik te voorkomen.AirbagsysteemHet airbagsysteem bestaat uit meer‐dere afzonderlijke systemen afhanke‐lijk van de omvang van de uitrusting.Bij het activeren worden de airbagsbinnen enkele milliseconden gevuld.Ook het leeglopen van de airbagsverloopt zo snel, dat dit tijdens eenaanrijding vaak niet eens wordt opge‐merkt.9WaarschuwingBij onoordeelkundige behandelingkunnen de airbagsystemen op ex‐plosieve wijze in werking treden.Let opTer hoogte van de middenconsolezitten de regelelektronica van hetairbagsysteem en de gordelspan‐ners.
46 Stoelen, veiligheidssystemenElke airbag treedt slechts eenmaalin werking. Geactiveerde airbagsonmiddellijk laten vervangen dooreen werkplaats. Ook moeten even‐tueel het stuurwiel, het instrumen‐tenbord, plaatwerk, de portierafdich‐tingen, handgrepen en de stoelenworden vervangen. Geen aanpassingen in het airbag‐systeem aanbrengen, anders ver‐valt de typegoedkeuring van deauto. Bij het ontplooien van de airbags kun‐nen ontsnappende hete gassenbrandwonden veroorzaken. StoringBij een storing in het airbagsysteemlicht het controlelampje v op en ver‐schijnt er een bericht of een code ophet Driver Information Center. Hetsysteem is buiten werking. Oorzaak van de storing onmiddellijkdoor een werkplaats laten verhelpen. Controlelamp voor airbagsystemen3 94.
ET: ÄRGE kasutage tahapoole suu‐natud lapseturvaistet istmel, mille eeson AKTIIVSE TURVAPADJAGA kait‐stud iste, sest see võib põhjustadaLAPSE SURMA või TÕSISE VIGAS‐TUSE. MT: QATT tuża trażżin għat-tfal li jħa‐res lejn in-naħa ta’ wara fuq sit protettb’AIRBAG ATTIV quddiemu; danjista’ jikkawża l-MEWT jew ĠRIEĦISERJI lit-TFAL. Behalve de waarschuwing conformECE R94. 02 mag een voorwaarts ge‐richt kinderveiligheidssysteem om‐wille van de veiligheid uitsluitend wor‐den gebruikt volgens de instructies enbeperkingen in de tabellen 3 54. U vindt het airbaglabel aan beide zij‐den van de zonneklep aan passa‐gierszijde. Airbag deactiveren 3 50. Frontaal airbagsysteemHet frontale airbagsysteem bestaatuit een airbag in het stuurwiel en eenairbag in het instrumentenpaneel aande passagierszijde. De locatie is teherkennen aan het opschriftAIRBAG.
Stoelen, veiligheidssystemen 49Het frontairbagsysteem treedt in wer‐king bij een voldoende krachtige aan‐rijding aan de voorzijde. Het contactmoet aanstaan.De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het bovenlichaam en hoofdvan de inzittenden voorin de autoaanzienlijk afneemt.9WaarschuwingAlleen bij een correcte zitpositie isoptimale bescherming mogelijk.Stoelpositie 3 38.Lichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.Veiligheidsgordel correct omleg‐gen en goed vastzetten. Alleendan kan de airbag beschermingbieden.Zijdelings airbagsysteemDe zijdelingse airbags bestaan uit air‐bags in de rugleuningen van de beidevoorstoelen. De locatie is te herken‐nen aan het opschrift AIRBAG.Het zijairbagsysteem treedt in wer‐king bij een voldoende krachtige zij‐delingse aanrijding. Het contact moetaanstaan.
50 Stoelen, veiligheidssystemenDe opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het bovenlichaam en deheupen bij een zijdelingse aanrijdingaanzienlijk afneemt.9WaarschuwingLichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.Let opOp de voorstoelen alleen stoelhoe‐zen gebruiken die voor de auto zijngoedgekeurd. De airbags niet afdek‐ken.GordijnairbagsysteemHet hoofdairbagsysteem bestaat uiteen airbag aan weerskanten in hetdakframe. De locatie is te herkennenaan het opschrift AIRBAG op de dak‐stijlen.Het gordijnairbagsysteem treedt inwerking bij een voldoende krachtigezijdelingse aanrijding.
Het contactmoet aanstaan.De opgeblazen airbags vangen deschok op waardoor het gevaar voorletsel aan het hoofd bij een zijdelingseaanrijding aanzienlijk afneemt.9WaarschuwingLichaamsdelen of voorwerpen uithet werkingsgebied van de airbaghouden.De haken aan de handgrepen vanhet dakframe zijn alleen geschiktom lichte kledingstukken, zonderkleerhangers, aan op te hangen.Geen voorwerpen in de kleding‐stukken bewaren.Airbag deactiverenHet passagiersairbagsysteem vóórmoet voor een kinderveiligheidssys‐teem op de passagiersstoel wordengedeactiveerd volgens de instructiesin de tabellen 3 54.De andere airbagsystemen, de gor‐delspanners en alle airbagsystemenvoor de bestuurder blijven actief.
Stoelen, veiligheidssystemen 51Gebruik de contactsleutel om deschakelaarstand te kiezen:*OFF(UIT)= airbag van voorpassagieris gedeactiveerd en gaatniet af bij een aanrijding.Controlelamp *OFF(UIT) brandt voortdurendin de middenconsoleVON(AAN)= airbag van voorpassagieris actief9GevaarDeactiveer de passagiersairbaguitsluitend bij gebruik van een kin‐derveiligheidssystemen, volgensde instructies en beperkingen inde tabellen 3 54.Anders is er kans op dodelijk letselvoor een persoon op de passa‐giersstoel met een gedeacti‐veerde airbag.Als de controlelamp V ongeveer60 seconden brandt nadat het contactingeschakeld is, gaat het airbagsys‐teem voor de voorpassagier af bij eenaanrijding.Indien beide controlelampen tegelij‐kertijd branden zit er een storing in hetsysteem. De systeemstatus wordtniet aangeduid; er mag niemand opde stoel van de voorpassagier ver‐voerd worden.
52 Stoelen, veiligheidssystemenKinderveiligheidssyste‐menWij bevelen Opel-kinderveiligheids‐systemen aan die specifiek voor mon‐tage in uw auto geschikt zijn. De volgende kinderveiligheidssyste‐men worden aanbevolen voor de vol‐gende gewichtsklassen:■Groep 0, groep 0+Maxi Cosi Cabriofix plus Easyfix,voor kinderen tot 13 kg■Groep IOPEL Duo, voor kinderen van13 kg tot 18 kg in deze groepWanneer u een kinderveiligheidssys‐teem gebruikt, moet u de gebruikers-en montagehandleiding én de instruc‐ties bij het kinderveiligheidssysteemopvolgen. Raadpleeg de plaatselijke wetgevingen richtlijnen voor het verplichte ge‐bruik van kinderveiligheidssystemen. In sommige landen is het gebruik vankinderveiligheidssystemen op be‐paalde zitplaatsen verboden.
9GevaarBij gebruik van een achterwaartsgericht kinderveiligheidssysteemop de passagiersstoel voor moethet airbagsysteem voor de passa‐giersstoel voor gedeactiveerd zijn. Dit geldt ook voor bepaalde voor‐waarts gerichte kinderveiligheids‐systemen zoals aangegeven in detabellen 3 54. Airbag deactiveren 3 50. Airbaglabel 3 45. De achterbank is de beste plaats omeen kinderzitje vast te maken. Kinderen zo lang mogelijk tegen derijrichting in vervoeren. Hierdoorwordt de nog erg zwakke ruggengraatvan het kind bij een ongeval minderbelast. Juiste systeem selecterenGebruik uitsluitend geschikte veilig‐heidssystemen, bijv. die systemendie voldoen aan geldige UN ECE-voorschriften. Het kinderveiligheidssysteem dat ugaat monteren, moet geschikt zijnvoor het autotype.
Raadpleeg de ta‐bellen op de volgende pagina's, deinstructies die bij het kinderveilig‐heidssysteem worden geleverd en devoertuigtypelijst van niet-universelekinderveiligheidssystemen. Het kinderveiligheidssysteem moetop de correcte positie in de auto wor‐den gemonteerd, zie de onder‐staande tabellen. Laat kinderen alleen aan de trottoir‐kant van de auto uit- en instappen.
54 Stoelen, veiligheidssystemenInbouwposities kinderveiligheidssystemenToegestane opties voor het bevestigen van een kinderveiligheidssysteem met een driepuntsgordelGewichts- of leeftijdsgroepOp passagiersstoel Op buitenste zitplaatsenachterin Op middelstezitplaats achteringeactiveerde airbag gedeactiveerde airbagGroep 0: tot 10 kgof ca. 10 maandenXU1,2 U/L3XGroep 0+: tot 13 kgof ca. 2 jaarXU1,2 U/L3XGroep I: 9 tot 18 kgof ca. 8 maanden tot 4 jaarXU1,2 U/L3,4 XGroep II: 15 tot 25 kgof ca. 3 tot 7 jaarU1,2 XU/L3,4 XGroep III: 22 tot 36 kgof ca. 6 tot 12 jaarU1,2 XU/L3,4 XU = universeel bruikbaar in combinatie met een driepuntsgordelL = geschikt voor bepaalde ISOFIX-kinderveiligheidssystemen uit de categorieën 'specifieke auto', 'beperkt' of 'semi-uni‐verseel'.
Het kinderveiligheidssysteem moet voor het specifieke voertuigtype zijn goedgekeurd (raadpleeg de voer‐tuigtypelijst van het kinderveiligheidssysteem)X = kinderveiligheidssystemen zijn in deze gewichtsgroep niet toegestaan1= zo ver als nodig de stoel naar voren brengen en de hoek van de rugleuning naar een verticale stand brengen om teverzekeren dat de gordel naar voren loopt vanaf het bovenste verankeringspunt
Stoelen, veiligheidssystemen 552= zo ver als nodig de stoelhoogte omhoog brengen en de hoek van de rugleuning naar een verticale stand brengen omte verzekeren dat de gordel strak zit aan de slotzijde3= de betreffende voorstoel vóór het kinderveiligheidssysteem zo ver als nodig naar voren brengen4= de betreffende rugleuning zo ver mogelijk naar achteren 3 71 brengen, de betreffende hoofdsteun zo nodig bijstellenof zo nodig verwijderen 3 37Toegestane mogelijkheden voor de bevestiging van een ISOFIX-kinderveiligheidssysteemGewichtsklasse Maatklasse BevestigingOp passagiersstoel voor5Op buitenstezitplaatsenachterinOp middelstezitplaatsachteringeactiveerdeairbag gedeactiveerdeairbagGroep 0: tot 10 kgof ca. 10 maandenE ISO/R1 X IL IL3XGroep 0+: tot 13 kgof ca. 2 jaarE ISO/R1 X IL IL3XD ISO/R2 X IL IL3XC ISO/R3 X IL IL3XGroep I: 9 tot 18 kgof ca.
Het ISOFIX-veiligheidssysteem moet voor het specifieke voertuigtype zijn goedgekeurd (raadpleeg devoertuigtypelijst van het kinderveiligheidssysteem)IUF = geschikt voor voorwaarts gerichte ISOFIX-kinderveiligheidssystemen uit de universele categorie, goedgekeurd voorgebruik in deze gewichtsklasse (ISOFIX/Top-tether bevestigingspunten optioneel voor de passagiersstoel voor maarniet leverbaar voor sportstoelen)X = geen ISOFIX kinderveiligheidssysteem goedgekeurd voor deze gewichtsklasse1= zo ver als nodig de stoel naar voren brengen en de hoek van de rugleuning naar een verticale stand brengen om teverzekeren dat de gordel naar voren loopt vanaf het bovenste verankeringspunt2= zo ver als nodig de stoelhoogte omhoog brengen en de hoek van de rugleuning naar een verticale stand brengenom te verzekeren dat de gordel strak zit aan de slotzijde3= de betreffende voorstoel vóór het kinderveiligheidssysteem zo ver als nodig naar voren brengen4= de betreffende rugleuning zo ver mogelijk naar achteren 3 71 brengen, de betreffende hoofdsteun zo nodig bij‐stellen of zo nodig verwijderen 3 375= ISOFIX/Top-tether bevestigingspunten optioneel voor de passagiersstoel voor (niet leverbaar voor sportstoelen)
58 Stoelen, veiligheidssystemenISOFIX-kinderveiligheidssystemenBevestig de voor de auto goedge‐keurde ISOFIX-kinderveiligheidssys‐temen aan de ISOFIX bevestigings‐beugels. ISOFIX veiligheidssyste‐men voor specifieke auto's worden inde tabel aangeduid met IL.De auto is uitgevoerd met geleiders inde rugleuning ter ondersteuning vande inbouw van het kinderveiligheids‐systeem.ISOFIX-kinderveiligheidssystemen opachterbankISOFIX-bevestigingsbeugels op deachterbank worden aangeduid doorhet ISOFIX-logo op de rugleuning.Open de kleppen van de geleiders al‐vorens een kinderveiligheidssysteemte monteren. Sluit de kleppen nadathet kinderveiligheidssysteem is ver‐wijderd.ISOFIX-kinderveiligheidssystemen opde passagiersstoel voorPlaats het kinderveiligheidssysteemin het midden van de stoel en duw hetnaar achteren.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Opel Corsa - 2015 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Personenwagen Opel
Handleiding Personenwagen
Nieuwste handleidingen voor Personenwagen