Mini One (2001) Handleiding
Pagina's 160 Nederlands Auto
Bekijk de handleiding van Mini One (2001) gratis online of download de PDF. 30 mensen vonden deze handleiding nuttig. Vraag over dit model? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Mini |
| Categorie: | Auto |
| Model: | One (2001) |
Handleiding Mini One (2001) – volledige tekst
© 2001 Bayerische Motoren Werke AktiengesellschaftMünchen/DuitslandNadruk, ook gedeeltelijk, is uitsluitend na schrif-telijke toestemming van BMW AG, München, toegestaan. Bestelnr. 01 46 0 156 072nederlands V/01Printed in GermanyGedrukt op milieuvriendelijk papier (chloorvrij gebleekt, geschikt voor recycling).2Opmerkingen met betrekking tot de handleidingDe nadruk is gelegd op een snelle oriënte-ring in deze handleiding.Bepaalde onderwerpen zijn het snelst te vinden met het trefwoordenregister ach-terin. Een eerste overzicht van de auto vindt u in het eerste hoofdstuk.Het gedetailleerde overzicht na de inhouds-opgave zal u nieuwsgierig maken naar uw MINI en u aansporen verder te lezen.Mocht u uw MINI verkopen, denkt u er dan a.u.b.
aan, ook deze handleiding aan de nieuwe eigenaar te overhandigen; deze is wettelijk bestanddeel van de auto.Bij vragen staat uw MINI dealer u graag ter beschikking. Gebruikte symbolenduidt op waarschuwingen die u be-slist moet lezen – in verband met uw veiligheid, de veiligheid van anderen en om schade aan uw auto te voorkomen.
3Geldigheid ten tijde van drukHet brandstofverbruik is ten tijde van het drukken van deze handleiding bepaald. Bij auto's met het stuur rechts zijn de be-dieningsorganen voor een deel anders ge-plaatst dan op de afbeeldingen in deze handleiding te zien is. Het hoge veiligheids- en kwaliteitsniveau van de MINI blijft door voortdurende ont-wikkeling van de constructies, het uitrus-tingsniveau en de accessoires gewaar-borgd. Daardoor is het mogelijk dat er verschillen zijn tussen de uitvoering van uw auto en deze handleiding. Ook vergissingen kunnen niet worden uitgesloten. Daarom verzoeken wij u er begrip voor te hebben dat eventuele aanspraken op grond van de in deze handleiding voorkomende gegevens, afbeeldingen en beschrijvingen niet kunnen worden aanvaard. Belangrijke veiligheidsinformatieGebruik uitsluitend onderdelen en accessoires die door de fabrikant voor uw auto zijn goedgekeurd.
Door de fabrikant voor uw auto goedge-keurde onderdelen en accessoires zijn op hun veiligheid, werking en deugdelijkheid getest. Voor deze producten neemt de fa-brikant de volle verantwoordelijkheid. Voor alle accessoires en onderdelen die niet zijn goedgekeurd door de fabrikant kan deze geen verantwoordelijkheid aanvaar-den. Het is niet mogelijk voor de fabrikant om van elk product van een ander merk te be-oordelen of het betreffende product zonder veiligheidsrisico, dus zonder gevaar, op MINI automobielen kan worden gebruikt. Deze garantie kan ook niet worden ont-leend aan een goedkeuring van het product door bijvoorbeeld een keuringsinstantie of een wettelijke goedkeuring. Bij de door hen uitgevoerde tests worden niet altijd alle mogelijke bedrijfsomstandigheden van MINI auto's in acht genomen en deze zijn daarom niet altijd voldoende.
De verkeersveiligheid, de betrouwbaarheid en het waardebehoud van uw auto kunnen worden beïnvloed door wijzigingen aan het uitrustingsniveau door producten die niet voor uw auto zijn goedgekeurd door de fa-brikant.
15OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXINSTRUMENTENPANEELOp de stuurkolom1 Toerenteller 58met controle- en waarschuwingslampen voor>Snelheidsregeling*18>Automatische stabiliteitscontrole plus tractieregeling ASC+T 18>Veiligheidsgordel omgespen 172 Display voor boordcomputer*, bedie-ning via richtingaanwijzer-schakelaar 61: >Buitentemperatuur>Actieradius>Gemiddeld brandstofverbruik>Gemiddelde snelheidU kunt de buitentemperatuur en de afgelegde afstand in een andere een-heid laten aangeven.Antiblokkeersysteem ABS 18 >Handrem/hydraulisch remsysteem/remvloeistofpeil/elektronische remkrachtverdeling EBV 16>Airbags 17>Motorkap/achterklep 96, 31>Bandenpechwaarschuwing 17, 120>Aanduiding richtingaanwijzers>Motoroliedruk/motoroliepeil 16, 101>Laadstroom accu 16>Motor 18>Elektronische motorvermogensrege-ling EML*184 Grootlicht/lichtsignaal 185 Display voor>Kilometerteller 58>Dagteller 58>Service-interval 59>Programma-aanduiding voor automatische transmissie*526 Dagteller op nul zetten 587 Brandstofmeter met lampje voor reserve 588 Koelvloeistoftemperatuurmeter met lamp "koelvloeistoftemperatuur te hoog" 59
16CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPENTechniek die zichzelf controleert Een groot aantal systemen van uw MINI controleert zichzelf automatisch, zowel tij-dens het starten als tijdens het rijden. Con-trole- en waarschuwingslampen die met een " ●" zijn aangegeven, worden bij het aanzetten van het contact op hun werking gecontroleerd. Ze branden allen eenmaal, maar de lengte van de periode kan voor elk verschillend zijn. Als in één van de systemen een defect op-treedt, dooft de betreffende lamp na het starten van de motor niet of gaat tijdens het rijden opnieuw branden. Hoe u correct hierop moet reageren, leest u hierna. Rood: direct stoppenLaadstroom accu ● De accu wordt niet meer geladen. V-riem of laadstroomcircuit van de dynamo defect.
Contact opnemen met de dichtstbijzijnde MINI dealer.Als deze lamp gaat branden, is het mogelijk dat de stuurbekrachtiging uitvalt.Bij een defecte aandrijfriem niet ver-der rijden, omdat de motor dan door oververhitting beschadigd kan raken. Bij het uitvallen van de stuurbekrachtiging gaat bovendien het sturen zwaarder.
18CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPENGeel: zo spoedig mogelijk laten controlerenBandenpechwaarschuwing ●Brandt continu: het syseem wordt geïnitialiseerd of is defect.Bij een storing: door uw MINI dealer laten controleren.Meer informatie op pagina 63, 22Antiblokkeersysteem ABS ●Het ABS is vanwege een storing uit-geschakeld. De normale remwer-king blijft onbeperkt aanwezig. Door uw MINI dealer laten controleren. Meer informatie op pagina 87Automatische stabiliteitscontrole plus tractieregeling ASC+T ● Controlelamp knippert: Systeem ingeschakeld: de aandrijf- en rem-krachten worden geregeld. Controlelamp brandt continu: ASC+T via toets uitgeschakeld of defect. Bij een defect: door uw MINI dealer laten con-troleren.Meer informatie vanaf pagina 62Motor ●Verslechtering van de emissie-waarden. Door uw MINI dealer la-ten controleren.Motorlelektronica * ●Storing in de motorelektronica.
Verder rijden met gereduceerd mo-torvermogen resp. toerental mogelijk. Door uw MINI dealer laten controleren.Groen: ter informatieRichtingaanwijzersKnippert bij ingeschakelde richtin-gaanwijzers, ook bij het rijden met een aanhanger. Snel knipperen: het systeem is defect.Meer informatie op pagina 53Snelheidsregeling *Brandt bij ingeschakeld systeem: bediening via het multifunctionele stuurwiel.Meer informatie op pagina 56Blauw: ter informatieGrootlichtBrandt bij ingeschakeld grootlicht en bij het bedienen van het licht-signaal. Meer informatie op pagina 53
19OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXMULTIFUNCTIONEEL STUURWIEL MFL *Het multifunctioneel stuurwiel MFL is voor-zien van toetsen, om snel en zonder van het verkeer afgeleid te worden de volgende systemen te kunnen bedienen:>een aantal radiofuncties>de snelheidsregeling.De afbeelding toont de meest complete uit-rusting. Meer details vindt u in de beschrij-ving van de betreffende uitrusting.
Toetsen naar de bestuurder gericht:1 Snelheidsregeling: inschakelen/onder-breken/uitschakelen2 Snelheidsregeling voortzetten3 Claxon4 Snelheidsregeling: opslaan in het geheu-gen en accelereren (+)5 Snelheidsregeling: opslaan in het geheu-gen en afremmen (–)Toetsen van de bestuurder afgewend:Links: 1 > RadioKort indrukken: FM-zender zoekenLang indrukken: zoekfunctie >CD/MDKort indrukken: direct kiezen van een titelLang indrukken: zoeken binnen titel>CassetteKort indrukken: direct kiezen van een titel resp. versneld spoelen stoppenLang indrukken: versneld vooruit-/te-rugspoelen2 Omschakelen tussen radio, cassette, CD, MDRechts:1 Volume
21OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXTANKEN BRANDSTOFKWALITEIT1. Klep voor de tankdop openen2. Tankdop linksom draaien3. Tankdop in de houder op de klep aan-brengen.Bij het omgaan met brandstoffen de veiligheidsvoorschriften bij de tankstations in acht nemen.het vroegtijdig onderbreken>een verminderde terugvoer van brand-stofdampen.De tank is vol wanneer het tanken bij een correcte bediening van het vulpistool de eerste keer wordt onderbroken.Tankinhoud: ca. 50 literKlep van tankdop sluiten:1. Tankdop aanbrengen 2. Rechtsom draaien tot hij klikt3. Klep voor de tankdop sluiten.Loodvrije brandstof tankenHet is alleen mogelijk loodvrije brandstof te tanken. Omdat de motoren echter zijn voorzien van een pingelregeling is het mo-gelijk brandstof van verschillende kwaliteit te tanken.De motor van uw MINI is ontwikkeld voor het gebruik van:>Loodvrije brandstof (95 RON).
Ook bekend onder de benamingen:DIN EN 228 of Euro loodvrij.De nominale waarden voor prestaties en brandstofverbruik worden bereikt als deze brandstof wordt getankt.Eveneens mogelijk is:>Super Plus (98 ROZ), het motorvermogen en het brandstof-verbruik worden in geringe mate verbe-terd.Het is eveneens mogelijk om zwavel-vrije brandstof te tanken.Normale brandstof, loodvrij (91 RON). Geen loodhoudende brandstof tan-ken om blijvende schade aan de lambdasonde en de katalysator te voorko-men.
22BRANDSTOFKWALITEIT BANDENSPANNINGSpecifieke uitrusting voor loodhoudende brandstof*De motor is geschikt voor loodvrije en lood-houdende brandstof. Omdat de motoren zijn voorzien van een pingelregeling is het mogelijk brandstof van verschillende kwali-teit te tanken.De motor van uw MINI is ontwikkeld voor het gebruik van:>Loodvrije brandstof (95 RON).
Ook bekend onder de benamingen:DIN EN 228 of Euro loodvrij.De nominale waarden voor prestaties en brandstofverbruik worden bereikt als deze brandstof wordt getankt.Eveneens mogelijk is:>Super Plus (98 RON) loodvrij of>Superbrandstof (98 RON) loodhoudend, motorvermogen en brandstofverbruik worden in geringe mate verbeterd.De minimaal toegestane kwaliteit is:>loodvrije of loodhoudende brandstof (91 RON).De bandenspanning in bar (overdruk) vindt u ook op de portierstijl bij geopend be-stuurdersportierDe bandenspanning regelmatig con-troleren, minstens tweemaal per maand en vóór een lange rit. Een verkeerde bandenspanning kan een nadelige invloed op de koersstabiliteit of een beschadiging van de band tot gevolg hebben en daardoor tot ongevallen leiden. Ook de spanning van het compacte reserve-wiel controleren, zie pagina 23, 120.
26SLEUTELS CENTRALE VERGRENDELINGAfhankelijk van de uitrusting kan uw MINI van drie verschillende sleutels zijn voor-zien:1 Centrale sleutel met afstandsbediening en batterij.Wendt u zich tot uw MINI dealer als de batterij leeg is.Van buitenaf via de afstandsbediening alsmede via het portierslot>Van binnenuit via een schakelaarBij de bediening van buitenaf wordt tegelij-kertijd de ontgrendelingssper geactiveerd. Hiermee wordt voorkomen dat de portie-ren via de vergrendelingsknoppen of de handgrepen kunnen worden ontgrendeld.De diefstalbeveiligingsinstallatie wordt eveneens in- resp. uitgeschakeld, zie pagina 35.Bij een ongeval ontgrendelt het centraal-vergrendelingssysteem automatisch. Bo-vendien worden de waarschuwingsknip-perlichtinstallatie en de interieurverlich-ting ingeschakeld.
30OPENEN EN SLUITEN – VAN BINNENUIT Met deze schakelaar wordt bij gesloten portieren het centraal-vergrendelingssys-teem bediend. Hiermee worden de portie-ren en de achterklep alleen ont- resp. ver-grendeld, maar niet diefstalbeveiligd.Indien gewenst vergrendelt het cen-traal-vergrendelingssysteem auto-matisch, zodra wordt weggereden. Dit kan eveneens individueel worden ingesteld.
32RUITBEDIENINGRuiten openen en sluitenVanaf stand 1 van het contactslot:>Schakelaar in de gewenste richting druk-ken:de ruit beweegt zich automatisch naar boven resp. naar beneden. >Schakelaar door het drukpunt heen in-drukken (bestuurderszijde):de ruit beweegt zich tot de betreffende eindstand. Als de schakelaar opnieuw wordt inge-drukt, wordt de beweging onderbroken.Na het uitschakelen van het contact:de ruiten kunnen nog worden bediend zo-lang geen voorportier is geopend. Als het portier tijdens de bediening wordt geopend, wordt de beweging onmiddellijk onderbroken. De contactsleutel bij het verlaten van de auto altijd meenemen en de por-tieren afsluiten, zodat bijvoorbeeld kinde-ren de ruiten niet meer kunnen bedienen en zich verwonden.
33OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXSCHUIF-/KANTELDAK*Ongecontroleerd en onachtzaam sluiten van het schuif-/kanteldak kan verwondingen tot gevolg hebben.De contactsleutel bij het verlaten van de auto altijd meenemen en de portieren slui-ten, zodat bijvoorbeeld kinderen het dak niet meer kunnen bedienen en zich kunnen verwonden. Bij het openen van het schuif-/kanteldak erop letten, dat voldoende ruimte overblijft voor de beweging van het schuif-/kantel-dak. Anders kunnen beschadigingen optre-den.
34SCHUIF-/KANTELDAK ZONNESCHERM* *Automatisch openen en sluitenOpenen:Schakelaar door het drukpunt heen schui-ven: het dak wordt compleet geopend.Sluiten:1. Schakelaar door het drukpunt heen in-drukken: het dak sluit tot in de gekantelde stand.2. Schakelaar nogmaals indrukken: het dak wordt compleet gesloten.Als de schakelaar tijdens het openen resp. sluiten wordt aangetipt, wordt de bewe-ging direct onderbroken.BeveiligingsfunctieWanneer bij het sluiten van het schuif-/kanteldak, ongeveer vanaf het midden van het dak, weerstand wordt ondervonden, wordt het sluiten direct onderbroken en het schuif-/kanteldak weer iets verder geo-pend.Ondanks deze beveiligingsfunctie moet er altijd op worden gelet dat het bewegingsbereik van het dak vrij is, omdat anders bij grensgevallen (b.v.
bij dunne voorwerpen) het activeren van de beveiligingsfunctie niet is gewaarborgd.Deze beveiligingsfunctie kan worden uitge-schakeld door de schakelaar door het druk-punt heen ingedrukt te houden.
35OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXDIEFSTALBEVEILIGINGSINSTALLATIE*Het principeDe diefstalbeveiligingsinstallatie reageert op:>Het openen van een portier, de motorkap of de achterklep>Bewegingen in het interieur van de auto (interieurbeveiliging)>Wijziging van de hoek van de auto, b.v. bij een poging wielen te stelen of de auto weg te slepen>Onderbreking van de accuspanning.De diefstalbeveiligingsinstallatie reageert afhankelijk van de landenuitvoering op een verschillende manier op onbevoegde han-delingen:>Akoestisch alarm van 30 seconden>Inschakelen van de waarschuwingsknip-perlichtinstallatie gedurende ca. vijf mi-nuten.Inschakelen en uitschakelenTegelijkertijd met het vergrendelen en ont-grendelen van de auto via een slot of de af-standsbediening wordt eveneens de dief-stalbeveiligingsinstallatie in- resp.
uitgeschakeld.De interieurbeveiliging en hellingshoeksen-sor worden eveneens na de laatste sluitbe-diening ingeschakeld.De diefstalbeveiligingsinstallatie kan niet worden geactiveerd als het be-stuurdersportier niet correct is gesloten.
36DIEFSTALBEVEILIGINGSINSTALLATIE*Controlelamp van de diefstalbeveiligingsinstallatie>De controlelamp in de ruitenwisserscha-kelaar gaat na 10 seconden van snel knipperen over op continu flitsen: de installatie is geactiveerd. >De controlelamp reageert niet: portieren, motorkap of achterklep zijn niet goed gesloten. Ook wanneer deze niet meer gesloten worden, is de diefstalbeveiligingsinstal-latie actief en wordt de rest van de auto beveiligd. Als de gehele auto wordt ge-sloten, gaat de controlelamp na 10 se-conden van snel knipperen over op con-tinu flitsen>De controlelamp dooft bij het uitschake-len: er zijn in de tussentijd geen onbevoegde handelingen verricht aan uw auto>De controlelamp blijft na het uitschake-len langzaam knipperen:er zijn in de tussentijd onbevoegde han-delingen verricht aan uw auto.
De controlelamp dooft pas als de con-tactsleutel in het contactslot wordt ge-draaid of als de diefstalbeveiligingsin-stallatie opnieuw wordt ingeschakeld. Interieurbeveiliging:>De controlelamp reageert niet:portieren of achterklep niet correct ge-sloten>De controlelamp flitst continu:alleen de ruit aan bestuurders-/passa-gierszijde en het schuif-/kanteldak zijn geopend. De interieurbeveiliging is niet geactiveerd De diefstalbeveiligingsin-stallatie is geactiveerd>De controlelamp gaat iets langer bran-den en gaat daarna continu flitsen:de ruiten resp. het schuif-/kanteldak zijn na het activeren gesloten: de interieur-beveiliging is geactiveerd. Ongewild alarm vermijdenDe hellingshoeksensor en interieurbeveili-ging kunnen tegelijkertijd worden uitge-schakeld. Hiermee wordt vermeden dat on-gewild het alarm afgaat, b. v.
37OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXDIEFSTALBEVEILIGINGSINSTALLATIE*InterieurbeveiligingDe zender en ontvanger van de interieurbe-veiliging bevinden zich onder een afdek-king tegen het dak van de auto.Voor een optimale werking van de interi-eurbeveiliging moeten de ruiten, het schuif-/kanteldak en de portieren gesloten zijn.Interieurbeveiliging uitschakelen (zie vo-rige kolom), als>kinderen of dieren in de auto moeten achterblijven>ruiten of het schuif-/kanteldak geopend moeten blijven.De hellingshoeksensor en de interi-eurbeveiliging worden onbedoeld uitgeschakeld, wanneer de comfortsluiting van de ruiten en het schuif-/kanteldak bin-nen de eerste 10 seconden is onderbroken en vervolgens weer is ingeschakeld. Als dit is gebeurd, moet het systeem worden uit-geschakeld en weer opnieuw worden geac-tiveerd.
38CORRECT ZITTEN STOELEN VERSTELLENVoorwaarde voor ontspannen rijden zonder moe te worden is een zitpositie die aan uw wensen is aangepast. Samen met de veilig-heidsgordels en de airbags vergroot de juiste zitpositie de passieve veiligheid van de inzittenden bij een ongeval. Daarom de volgende aanwijzingen in acht nemen, om te voorkomen dat de beschermende wer-king van de veiligheidssystemen nadelig wordt beïnvloed.Extra informatie over het meenemen van kinderen, zie pagina 45. Correcte zitpositie met airbagsVoldoende afstand tot de airbags aanhouden. het stuurwiel altijd aan de rand vasthouden, om verwondingen aan handen en armen te voorkomen als de air-bag wordt geactiveerd. Tussen de airbag en de inzittende mogen zich geen andere per-sonen, huisdieren of andere voorwerpen bevinden.
40STOELEN VERSTELLEN HOOFDSTEUNENLendesteun *De welving van de rugleuning kan worden aangepast, zodat de wervelkolom wordt ondersteund.Doordat de bovenste bekkenrand en de wervelkolom worden ondersteund, is een rechte en ontspannen zithouding mogelijk. Aan de kartelknop draaien om de welving te vergroten of te verkleinen.Hoofdsteunen instellenHoogteverstelling: door te trekken of te drukken.Om de laagste stand te bereiken de toets indrukken.
41OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXINSTAP NAAR ACHTEREN VEILIGHEIDSGORDELSComfortinstap1. Hefboom naar voren drukkenDe rugleuning wordt door het Comfort-instapmechanisme automatisch naar voren geklapt2. Stoel naar voren schuiven.Stoel in de oorspronkelijke stand brengen:1. Stoel tot aan de aanslag terugschuiven2. Rugleuning terugklappen.Bij het terugschuiven van de stoel in vergrendelde stand oppassen dat hierdoor geen personen gewond raken of voorwerpen worden beschadigd.Beide stoelen en rugleuningen vóór het wegrijden vergrendelen, anders bestaat er gevaar voor ongevallen bij een onver-wachte beweging.
43OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXSPIEGELSBinnenspiegel Om verblinding in het donker te voorko-men:hefboom naar voren drukken.Verlichte make-up spiegel*Vanaf stand 1 van het contactslot:1. Zonneklep omlaagklappen2. Afdekking naar boven klappen.ZonnekleppenKunnen voor de portierruit worden ge-draaid.Binnenspiegel, automatisch dimmend *De spiegel dimt automatisch en traploos.De spiegel gaat automatisch over in de hel-dere stand als de achteruitversnelling resp. keuzestand R wordt ingeschakeld. De fotocel in het spiegelframe voor het pro-bleemloos functioneren van de spiegel niet afdekken en schoon houden.
44AIRBAGS 1 Zij-airbags in de stoel aan bestuurders- en passagierszijde (voor)2 Hoofdairbags * aan bestuurders- en pas-sagierszijde, voor en achter 3 Voorairbags aan bestuurders- en passa-gierszijdeBeschermende werkingDe voorairbags beschermen de bestuurder en de voorpassagier bij een frontale aanrij-ding waarbij de beschermende werking van de veiligheidsgordels alleen niet meer vol-doende is. De hoofd- en zij-airbag bieden bescherming bij een eventuele aanrijding vanaf de zijkant. De zij-airbag vangt het lichaam op aan de zijkant van de borst.Zie voor een correcte zitpositie pagina 38.Bij lichte aanrijdingen, bij het over de kop slaan en bij aanrijdingen van ach-teren treden de airbags niet in werking.
45OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXAIRBAGS KINDEREN VEILIG VERVOERENControlelampDe controlelamp in het instrumen-tenpaneel geeft vanaf stand 1 van het contactslot aan of het airbag-systeem bedrijfsklaar is.Systeem in orde:>De controlelamp gaat kort branden.Storing in het systeem:>De controlelamp brandt niet>De controlelamp brandt kort, dooft even en gaat weer branden.Bij een storing in het systeem bestaat het gevaar, dat de airbag bij een aanrijding in het werkingsgebied ondanks een vol-doende botsingskracht niet in werking treedt.Het systeem zo snel mogelijk door een MINI dealer laten controleren. Kinderen tot 12 jaar of kleiner dan 150 cm mogen alleen achterin op een goedgekeurd veiligheidssystemen voor kinderen worden vervoerd.Voor elke leeftijds- resp. gewichtsgroep is bij uw MINI dealer een geschikt veiligheids-systeem verkrijgbaar.
Op de passagiersstoel, voor, geen kin-deren meenemen, ook niet op de schoot of in een speciaal veiligheidssys-teem, om verwondingen door het activeren van de airbag te voorkomen. Elke MINI dealer zal u graag informeren over het tij-delijk uitschakelen van de airbag aan pas-sagierszijde.De aanwijzingen van de fabrikant van het veiligheidssysteem m.b.t. het inbouwen en het gebruik in acht nemen, omdat anders de beschermende werking nadelig kan worden beïnvloed. Na een beschadiging of na een activering bij een aanrijding het vei-ligheidssysteem en zo nodig het betref-fende gordelsysteem door een MINI dealer laten vervangen en de verankeringspunten laten controleren.
46CAR MEMORY Hoe het werktWaarschijnlijk heeft u weleens gewenst dat u afzonderlijke functies van uw auto naar eigen wens individueel kon laten in-stellen. De fabrikant heeft tijdens de ont-wikkeling een aantal vrij kiesbare functies in de auto "ingebouwd", die u overeenkom-stig uw eigen wensen door uw MINI dealer kunt laten instellen.
De mogelijkhedenWelke mogelijkheden Car Memory u biedt ontdekt u bij uw MINI dealer.Voorbeelden voor Car Memory:>Diverse signalen ter bevestiging van het vergrendelen/ontgrendelen van de auto>Functie "Follow me home-lights" uitscha-kelen>Interieurverlichting via afstandsbedie-ning inschakelen>Interieurbeveiliging/hellingshoeksensor via afstandsbediening inschakelen/uit-schakelen>Automatisch vergrendelen na het wegrij-den>Stopfunctie van de ruitmechanismen bij het openen/sluiten>Functie dagrijlicht * inschakelen/uitscha-kelen>Selectieve centrale vergrendelingEerst wordt het bestuurdersportier en vervolgens de gehele auto ontgrendeld.Dit symbool wijst u in de handleiding op andere functies van Car Me-mory.
47OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXSTART-/CONTACTSLOT MOTOR STARTEN 0 Stuurwiel vergrendeld 1 Stuurwiel ontgrendeld2 Contact aangezet3 Motor starten0 Stuurwiel vergrendeld De sleutel kan alleen in deze stand in het slot worden gestoken of worden verwij-derd.Om de stuurinrichting te vergrendelen:1. Sleutel verwijderen2. Het stuurwiel iets draaien tot het stuur-slot aangrijpt.Auto's met automatische transmis-sie: de keuzehendel pas bij draaiende motor uit stand P nemen.Voordat de sleutel in stand 0 kan worden gedraaid of worden verwijderd, moet de keuzehendel eerst in stand P worden ge-plaatst (Interlock).Handrem aantrekken>Versnellingshandel in neutraal resp.
bij automatische transmissie in P>Bij lage temperaturen het koppelingspe-daal ingedrukt houden.StartenHet gaspedaal niet indrukken bij het star-ten van de motor.De startmotor niet te kort bedienen, maar ook niet langer dan ca. 20 se-conden. De contactsleutel na het aanslaan van de motor direct loslaten.De motor niet laten draaien in een afgeslo-ten ruimte. Direct met een matig toerental wegrijden.Het gaspedaal bij het starten half indruk-ken.Koude start bij zeer lage temperaturen (vanaf ca. –15 ):6>Het gaspedaal bij het starten half indruk-ken>Bij de eerste keer langer starten (ca. 10 seconden).
48MOTOR STARTEN MOTOR AFZETTEN HANDREM De motor niet laten draaien in een af-gesloten ruimte. In het uitlaatgas be-vindt zich het kleur- en reukloze, maar gif-tige koolmonoxide. Het inademen van uitlaatgassen is schadelijk voor de gezond-heid en kan bewusteloosheid en de dood veroorzaken.De auto nooit met draaiende motor achter-laten, omdat dit een groot potentieel ge-vaar met zich meebrengt.
49OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXHANDREM HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK Als de handrem bij uitzondering tij-dens het rijden moet worden ge-bruikt, mag de hefboom niet te krachtig worden aangetrokken. Hierbij moet de knop ingedrukt worden gehouden.Te krachtig aantrekken van de handrem kan het blokkeren van de achterwielen en het uitbreken van de achterzijde van de auto tot gevolg hebben.De remlichten branden niet als de handrem wordt aangetrokken.Auto's met handgeschakelde versnellings-bak:bij het parkeren op een aflopende weg de handrem aantrekken, omdat het inschake-len van de eerste of de achteruitversnelling de auto soms niet voldoende tegen wegrol-len beschermt.Auto's met automatische transmissie:stand P inschakelen.
50AUTOMATISCHE TRANSMISSIE MET STEPTRONIC*Er kan op dezelfde wijze als met een con-ventionele automatische transmissie wor-den gereden, terwijl bovendien met de hand kan worden geschakeld.Als de keuzehendel vanuit stand D naar links in het schakelvlak S + – wordt ge-plaatst, worden de sportieve rijpro-gramma's van de automatische transmissie ingeschakeld. Zodra de keuzehendel in de richting "+" of "–" wordt aangetipt, wordt de handbediening actief en kunnen de ver-snellingen met de Steptronic worden inge-schakeld.
Om weer gebruik te kunnen maken van de automatische stand, moet de keuzehendel naar rechts in stand D worden verplaatst.KeuzestandenP R N D S + –Motor startenHet starten van de motor is alleen mogelijk in stand P of N.Keuzestanden wisselenEen blokkering voorkomt dat abusievelijk sommige keuzestanden worden gescha-keld.Hiertoe de toets aan de voorzijde van de keuzehendelknop indrukken. De blokkering wordt opgeheven.Bij stilstaande auto het rempedaal in-drukken alvorens vanuit P of N te schakelen, omdat de keuzehendel anders niet kan worden bewogen (Shiftlock).Bij een te hoog toerental bij stilstaande auto wordt de keuzehendel eveneens ge-blokkeerd om de transmissie te bescher-men. Het rempedaal ingedrukt houden tot wordt weggereden, anders beweegt de auto zich bij een ingeschakelde rijstand.
51OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXAUTOMATISCHE TRANSMISSIE MET STEPTRONIC*N Neutraal (stationair)Alleen inschakelen gedurende langere wachtperiodes.D Drive (automatische rijstand)Stand voor normaal rijden. "Kick-down"In de "kick-down"-stand worden de maxi-male prestaties bereikt.Hiertoe moet het gaspedaal door de ver-hoogde weerstand bij volgasstand worden ingedrukt.S + Sportprogramma en –handbedieningWisselen van D naar S + –:het sportprogramma wordt geactiveerd en met SD in de snelheidsmeter aangegeven. >Eenmaal aantippen:de automatische transmissie schakelt vanuit het sportprogramma over op handbediening.>Keuzehendel in de richting "+" aantip-pen:de transmissie schakelt op.>Keuzehendel in de richting "–" aantip-pen:de transmissie schakelt terug.In de versnellingsaanduiding verschijnt 1 tot 6.Op- resp.
terugschakelen wordt alleen uit-gevoerd bij een geschikt toerental en een geschikte snelheid; zo wordt bijv. bij een te hoog motortoerental niet teruggeschakeld.Het overgaan van S + – naar de keuzestan-den P, R en N, alsmede het wisselen van de handbediening naar het sportprogramma is alleen via D mogelijk.
52AUTOMATISCHE TRANSMISSIE MET STEPTRONIC*Mogelijke aanduidingen P R N D SD 1 2 3 4 5 6 EPSchakelelektronicaBij een defect in het transmissiesysteem verschijnt de melding EP.Alle keuzestanden kunnen nog worden in-geschakeld. In de standen voor vooruitrij-den: de auto rijdt alleen nog in bepaalde versnellingen.Hoge belastingen vermijden. De eerstvol-gende MINI dealer opzoeken.Geen werkzaamheden in de motor-ruimte uitvoeren als een rijstand is ingeschakeld; anders kan de auto zich in beweging zetten.
53OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXPARKEER-/DIMLICHT LICHTSCHAKELAAR Parkeerlicht inschakelenIn de eerste stand draaien.De auto is rondom verlicht. Eenzijdig parkeerlicht, zie volgende kolom.Dimlicht inschakelenIn de tweede stand draaien.Als bij ingeschakeld dimlicht het contact wordt afgezet, blijft alleen het parkeerlicht branden.Follow me home lightsAls bij ingeschakeld dimlicht de motor wordt afgezet, blijft het dimlicht nog ca. een minuut branden. Deze functie kunt u ook laten uit-schakelen.
54RUITENWISSERINSTALLATIE 0 Ruststand1 Intervalstand of regensensor2 Normale wissersnelheid3 Hoge wissersnelheid4 Kort wissen5 Voorruit reinigenIntervalstand of regensensor*De regensensor zit op de voorruit, direct voor de binnenspiegel. Als de regensensor is geactiveerd wordt de werking van de rui-tenwissers afhankelijk van de hoeveelheid regen (en natuurlijk ook sneeuw) automa-tisch aangestuurd. Regensensor activeren:vanaf stand 1 van het contactslot:schakelaar in stand 1. De wissers bewegen zich één keer over de voorruit.Regensensor uitschakelen:schakelaar in stand 0.In wasstraten de regensensor uit-schakelen, anders kan door ongewild wissen schade optreden.
55OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXRUITENWISSERINSTALLATIE ACHTER-/VOORRUITVERWARMING *Koplampen reinigen *Verlichting ingeschakeld:de koplampen worden bij elke vijfde bedie-ning van de wis-/wasautomaat gereinigd.De ruitensproeiers alleen gebruiken wanneer het uitgesloten is dat de sproeiervloeistof op de voorruit bevriest, om te voorkomen dat het zicht nadelig wordt beïnvloed. Daarom antivries gebrui-ken, zie pagina 100.De ruitensproeiers niet bij een leeg reser-voir gebruiken om beschadiging van de sproeierpomp te voorkomen.
56SNELHEIDSREGELING* Vanaf ca. 40 km/h kan een gewenste rij-snelheid worden aangehouden en in het geheugen worden opgeslagen.De automatische snelheidsregeling niet gebruiken op bochtige wegen, als druk verkeer een constante snelheid niet toelaat of als op een gladde (sneeuw, regen, ijs) of losse ondergrond (stenen, zand) wordt gereden.
57OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXSNELHEIDSREGELING *Snelheidsregeling onderbreken In geactiveerde toestand toets 2 indrukken.De controlelamp brandt verder. U kunt de snelheidsregeling zonodig weer gebruiken.Bovendien wordt de snelheidsregeling au-tomatisch onderbroken:>Bij het remmen >Bij het ontkoppelen of bij het verplaat-sen van het keuzehandel van D naar P, N of R>Als gedurende langere tijd sneller of langzamer dan de ingestelde snelheid wordt gereden, b.v. bij het indrukken van het gaspedaal.Snelheidsregeling voortzettenToets 1 indrukken.De als laatste opgeslagen snelheid wordt weer ingesteld en aangehouden. Wanneer de contactsleutel in stand 0 wordt ge-draaid, wordt de opgeslagen snelheid ge-wist en het systeem gedeactiveerd.Systeem uitschakelen Met de snelheidsregeling onderbroken toets 2 nogmaals indrukken.
58KILOMETERTELLER TOERENTELLER BRANDSTOFMETER *1 DagtellerOp nul zetten:Vanaf stand 1 van het contactslot de knop zo lang ingedrukt houden, tot de dagteller op nul springt.2 Kilometerteller De aanduidingen in de afbeelding kunnen in stand 0 van het contactslot worden geac-tiveerd door op de knop in het instrumen-tenpaneel te drukken.Motortoerentallen in het rode gebied be-slist vermijden.In dit gebied wordt ter bescherming van de motor het vermogen beperkt.Als controlelamp 1 continu gaat branden, bevindt zich nog ca. 8 liter brandstof in de tank.Tankinhoud: 50 liter.Bij het langdurig bergopwaarts of bergaf-waarts rijden kan een gering verschil in de aanduiding optreden.Op tijd tanken, omdat het volledig leegrijden van de tank schade aan de motor en de katalysator kan veroorzaken.
59OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXKOELVLOEISTOFTEMPERATUURMETER SERVICE-INTERVALMELDING Lage temperatuurDe naald bevindt zich onder resp. rechts.Koude motor. Met een matig motortoeren-tal en lage snelheid rijden.MiddenstandNormale bedrijfstemperatuur van de mo-tor.Hoge temperatuurZodra de naald zich vanuit de middenstand naar boven of naar links beweegt:rustig en met een gering toerental rijden of de motor afzetten en laten afkoelen.Koelvloeistofpeil controleren, zie pagina 103.1 Rode controlelamp Voor een controle op de werking gaat de controlelamp 1 bij het inschakelen van het contact korte tijd branden.Als deze lamp gaat branden tijdens het rij-den: motor te warm. De motor direct afzetten en laten afkoelen.Resterend aantal kilometers tot een onderhoudsbeurtBovenstaande aanduidingen verschijnen vanaf stand 1 van het contactslot resp.
na het starten van de motor gedurende enkele seconden.Samen met de melding INSPECTION of/en OILSERVICE wordt de resterende afstand tot de eerstvolgende onderhoudsbeurt in km angezeigt. De resterende afstand wordt op basis van de rijstijl berekend.Een knipperende aanduiding en een "–" voor de getalwaarde betekenen dat het ser-vice-interval met het aangeduide aantal ki-lometers is overschreden. Een afspraak ma-ken met uw MINI dealer.
60SERVICE-INTERVALMELDING KLOKRemvloeistof verversenDe resterende dagen tot de remvloeistof-verversing kan worden opgeroepen door tijdens de weergave van de eerstvolgende onderhoudsbeurt de knop in het instru-mentenpaneel in te drukken. Telkens als de knop wordt ingedrukt, wisselt de aandui-ding tussen de onderhoudsbeurt en de remvloeistofverversing, zie pagina 104.Als de termijn voor de remvloeistofverver-sing is bereikt, gaat het uurwerksymbool eveneens branden. Een afspraak maken met uw MINI dealer.Als de auto stilstaat en de accu is los-gekoppeld, wordt hiermee geen reke-ning gehouden door de service-interval-melding. Let er daarom op dat de remvloeistof, onafhankelijk van de aanduiding, tenmin-ste elke twee jaar wordt ververst, zie pagina 104.
61OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXBOORDCOMPUTER*Functies oproepenMet de toets in de richtingaanwijzerscha-kelaar kunt u vanaf stand 1 van het con-tactslot de boordcomputerinformatie in het display van de toerenteller oproepen.
Telkens als deze toets kort wordt ingedrukt, wordt een nieuwe functie aangegeven.De volgorde van de aanduidingen is als volgt:buitentemperatuur, actieradius, gemid-deld brandstofverbruik, gemiddelde snel-heid.Vanaf stand 1 van het contactslot wordt telkens de laatste instelling getoond.Buitentemperatuur Als de auto is uitgerust met een toerentel-ler, maar niet met een boordcomputer wordt altijd de temperatuur aangegeven.Actieradius De actieradius wordt berekend op basis van de rijstijl en afhankelijk van de aanwezige hoeveelheid brandstof in de tank.Gemiddeld brandstofverbruik De toets in de richtingaanwijzerschakelaar langer indrukken.Het gemiddelde verbruik wordt opnieuw berekend.Gemiddelde snelheid De toets in de richtingaanwijzerschakelaar langer indrukken.De weergegeven gemiddelde snelheid wordt opnieuw berekend.
62ASC+T Het principeDit systeem verbetert de koersstabiliteit en de tractie, vooral bij het wegrijden, bij het accelereren en in bochten.ASC+T herkent het gevaar van door-draaiende wielen en verhoogt de koerssta-biliteit evenals de tractie door het motor-vermogen te verminderen en eventueel door het afzonderlijk afremmen van de voorwielen. Het ASC+T is na het starten van de motor bedrijfsklaar.ControlelampDe controlelamp in het instrumen-tenpaneel dooft kort na het inscha-kelen van het contact, zie pagina 17, 18.De controlelamp knippert:ASC+T regelt de aandrijf- en remkrachten.De controlelamp dooft niet na het starten van de motor of brandt con-stant tijdens het rijden:het systeem is defect of is via de toets uit-geschakeld. De hiervoor beschreven stabili-serende ingrepen zijn daardoor niet meer beschikbaar.
63OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXBANDENPECHWAARSCHUWINGHet principeDe bandenspanning wordt indirect aan de hand van de signalen van de ABS-sensoren bepaald.Het systeem geeft aan dat de spanning van een band ten opzichte van die van de an-dere banden is gedaald. VoorwaardeTeneinde het systeem in staat te stellen om de correcte bandenspanning te "leren ken-nen", moet de volgende procedure worden uitgevoerd:1. De spanning van alle banden controleren2. Met de bandenspanningstabel (zie pagi-na 23) vergelijken en zo nodig corrigeren3. Systeem initialiseren.De controlelamp in het instrumen-tenpaneel geeft d.m.v.
knipperen aan of de spanning van een band in verhouding tot de andere banden is gedaald.StoringenTijdens de periode dat een storing aanwe-zig is, brandt de gele controlelamp in het instrumentenpaneel permanent.De controlelamp gaat ook bij een sys-teemstoring en tijdens de initialisering van het systeem branden.Wendt u zich tot uw MINI dealer.Systeem initialiseren*1. Contactsleutel in stand 2 zetten 2. De toets zolang ingedrukt houden, tot de controlelamp in het instrumentenpa-neel gedurende enkele seconden geel brandt3.
Motor starten.De bandenpechwaarschuwing neemt na een aantal minuten rijden de actuele ban-denspanning over als de te aan te houden richtwaarde.Deze procedure hoeft alleen na een correc-tie of wijziging van de bandenspanning en na een bandenwissel te worden herhaald.Afhankelijk van de uitvoering wordt de bandenpechwaarschuwing auto-matisch geactiveerd.Auto's met veiligheidsbandsysteem, zie de aanwijzingen op pagina 89, 124>Auto's met normale banden, zie de aan-wijzingen op pagina 120, 125.De bandenpechwaarschuwing kan plotseling optredende ernstige band-beschadigingen door invloeden van bui-tenaf niet aankondigen. De banden-pechwaarschuwing is ook niet in staat om het geleidelijke spanningsverlies dat in de loop van de tijd in alle vier de banden ont-staat te herkennen.
64INSTRUMENTENVERLICHTING KOPLAMPAFSTELLINGVoor het regelen van de instrumentenver-lichting de toets indrukken.Toename van de lichtsterkte:de toets zo lang indrukken, tot de gewenste lichtsterkte is bereikt.Afname van de lichtsterkte:toets kort aantippen.Telkens als de toets wordt aangetipt neemt de lichtsterkte trapsgewijs af.HalogeenlichtOm verblinding van tegemoetkomend ver-keer te voorkomen, moet de afstelling van de dimlichten worden aangepast aan de wagenbelading:Gegevens tussen ( ) gelden voor het rijden met een aanhanger. 0 (1) = 1 - 2 personen zonder bagage1 (2) = 4 personen zonder bagage2 (2) = 4 personen met bagage2 (2) = 1 persoon, met zware ladingOp de max. achterasbelasting letten, zie pagina 143.Bij een beladen auto de reikwijdte van de verlichting verminderen, om het tegemoetkomende verkeer niet te ver-blinden.
65OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXMISTLAMPEN INTERIEURVERLICHTING Bij ingeschakeld stads-/dimlicht:schakelaar naar boven of naar beneden aantippen.Om uit te schakelen opnieuw aantippen.Mistlampen*Mistlampen ingeschakeld: groene LED in de schakelaar brandt. MistachterlichtMistachterlicht ingeschakeld: gele LED in de schakelaar brandt.Let op de wettelijke bepalingen t.a.v. het gebruik van mistverlichting.Interieurverlichting handmatig in- en uitschakelenToets indrukken.Leeslampen in- en uitschakelen*De toets ernaast indrukken.De lampen kunnen naar voren en naar ach-teren worden bewogen.
67OVERZICHTSTORINGEN GEBRUIK BEDIENINGGEGEVENSINDEXVERWARMING EN VENTILATIE1 Lucht naar de voorruit en de zijruiten 2 Lucht naar het bovenlichaamMet de knoppen kan de luchttoevoer traploos worden geopend en gesloten, met de beweegbare uitstroomopenin-gen kan de uitstroomrichting worden ge-wijzigd, zie pagina 683 Lucht voor de beenruimte, voor en achter4 Temperatuur 685 Voorruitverwarming* 686 Aanjager 68De verwarming en ventilatie kunnen vanaf stand 1 worden ingeschakeld.7 Luchtverdeling naar >bovenlichaam>bovenlichaam en beenruimte>beenruimte>beenruimte en ruiten>ruitenAlle tussenstanden zijn mogelijk, zie pagina 688 Luchtrecirculatie 689 Achterruitverwarming 68
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Mini One (2001) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden