Jaguar F-Type (2014) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Jaguar F-Type (2014) (16 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 16 mensen en kreeg gemiddeld 4.0 sterren uit 9 reviews. Heb je een vraag over Jaguar F-Type (2014) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Jaguar |
| Categorie: | Auto |
| Model: | F-Type (2014) |
Handleiding Jaguar F-Type (2014) – volledige tekst
Sommige functies zijn mogelijk niet van toepassing voor uw voertuig. Lees het instructieboekje voor volledige informatie over de bediening.INHOUD Bedieningselementen voor de bestuurder 2 Toegang tot het voertuig 3 Instellingen voor comfort 4 Starten en rijden 5 Hulpmiddelen bij het rijden 8 Verwarming en ventilatie 10 Geluidsinstallatie en touchscreen 11Navigatie 14Autotelefoon 15 Informatie over tankstations 16BEKNOPTE HANDLEIDINGF-TYPE
3TOEGANG TOT HET VOERTUIGAlternatieven voor het ontgrendelenOm van de ene stand op de andere over te schakelen, drukt u terwijl het voertuig is ontgrendeld de vergrendel- en ontgrendeltoets tegelijkertijd drie seconden lang in. De alarmknipperlichten knipperen twee maal om te bevestigen dat de functie is gewijzigd. Smart-keyDruk eenmaal hierop om het voertuig te vergrendelen en om uitsluitend het externe beveiligingssysteem in te schakelen. Houd de knop 3 seconden ingedrukt om ook alle ruiten te sluiten (comfortvergrendeling). Druk tweemaal op de knop om het voertuig dubbel te vergrendelen en het beveiligingssysteem volledig in te schakelen. Alle binnenvergrendeling is buiten werking. Ontgrendelfunctie voor meerdere portieren - druk eenmaal om het beveiligingssysteem uit te schakelen en om de portieren en het kofferdeksel te ontgrendelen.
Aan één kant instappen - druk eenmaal om het beveiligingssysteem uit te schakelen en het bestuurdersportier te ontgrendelen. Druk een tweede maal om het passagiersportier en het kofferdeksel te ontgrendelen. Houd de knop ingedrukt om ook alle ruiten te openen (comfortontgrendeling). In beide gevallen kunt de portierkrukken gebruiken voor het ontgrendelen. Instappen en uitstappen zonder sleutelDruk met de Smart-key op een afstand van max. 1 meter van het voertuig op de knop van een portierkruk of de ontgrendelknop van het kofferdeksel om het voertuig te ontgrendelen en het beveiligingssysteem uit te schakelen. U kunt het voertuig met de Smart-key vergrendelen en het beveiligingssysteem inschakelen zolang de Smart-key zich op minder dan 1 meter van het voertuig bevindt. Enkele vergrendeling - druk op de portierkruk tot deze vlak tegen het portier ligt.
De portieren en het kofferdeksel worden vergrendeld en het externe beveiligingssysteem wordt ingeschakeld. De portieren kunnen nog wel van binnenuit worden ontgrendeld. Dubbelvergrendeling - druk binnen drie seconden twee maal op de portierkruk.
De portieren en het kofferdeksel worden vergrendeld en het interne en externe beveiligingssysteem worden ingeschakeld. Portieren kunnen nu niet van binnenuit worden ontgrendeld. Bij dubbelvergrendeling raden wij u aan om het dak omhoog te zetten. Detectie van de Smart-keyDe Smart-key wordt mogelijk niet gedetecteerd als deze in een metalen houder is geplaatst of wordt afgeschermd door een apparaat met een LCD-scherm met achtergrondverlichting (zoals een laptop of smartphone). Houd de Smart-key uit de buurt van dergelijke apparaten wanneer u zonder sleutel wilt instappen of starten. Smart-key niet gedetecteerdAls de Smart-key niet wordt gedetecteerd en de mededeling Smart-key niet gedetecteerd wordt weergegeven, houd deze dan op de aangegeven plaats. Start de motor op de normale wijze. U kunt nu de Smart-key verwijderen.
Druk eenmaal om de koplampen maximaal 120 seconden lang in te schakelen. Druk nogmaals om uit te schakelen. Druk hierop om alleen het kofferdeksel te openen. De rest van het beveiligingssysteem blijft ingeschakeld. Druk op de toets en houd die deze 3 seconden ingedrukt om het paniekalarm in - of uit te schakelen. Detectie van de Smart-keyLaat de Smart-key niet in de kofferruimte liggen. Het voertuig wordt NIET automatisch ontgrendeld als de sleutel wordt afgeschermd.
INSTELLINGEN VOOR COMFORT4De stoelpositie instellen Zie pagina 2, items 2, 41 en 48Stel de stoelpositie in met behulp van de volgende bedieningselementen. 1. Afstelling van de rugleuninghoek. 2. Lendensteun. 3. Geheugenvoorkeuzetoetsen 1, 2 en 3. 4. Geheugeninsteltoets. 5. Stoel vooruit en achteruit, zitkussenhoogte en -hoek. 6. Zijpolsteringen opblazen en leeg laten lopen. 7. Wanneer het voertuig stilstaat, kunt u de stuurkolom in de voor u ideale positie zetten. 8. Druk op de selectietoets voor de linker- of rechterspiegel. Gebruik het verstelmechanisme voor de spiegel om de spiegel te verstellen.De bestuurderspositie in het geheugen opslaanNadat u de bestuurdersstoel, de stuurkolom en de buitenspiegels in de voor u ideale stand hebt gezet, kunt u deze instellingen opslaan.Druk op de geheugeninsteltoets om de geheugenopslagfunctie in te schakelen.
De toets licht op om aan te geven dat de geheugenopslagfunctie is ingeschakeld.Druk binnen 5 seconden op de toets , om de huidige 1 2 of 3zitpositie op te slaan.U kunt een opgeslagen geheugenpositie nu oproepen door op de betreffende toets te drukken De stoel, het stuurwiel en de .buitenspiegels worden in de opgeslagen posities gezet.TijdslimietU moet binnen vijf seconden nadat u op de toets SET hebt gedrukt op de geheugentoetsen drukken, omdat anders de geheugenopslagfunctie wordt geannuleerd.CabrioletkapZie pagina 2, item 25U kunt de cabrioletkap alleen bedienen als het contact is ingeschakeld en de rijsnelheid lager is dan 50 km/u. 1. Om het dak te openen, trekt u de voorkant van de schakelaar omhoog en houdt u deze vast. 2. Er klinkt een geluidssignaal en de zijruiten zullen iets opengaan. Het geluidssignaal klinkt opnieuw wanneer de cabrioletkap helemaal is geopend. 3.
STARTEN EN RIJDEN5De Smart-key gebruikenDe motor blijft draaien, zelfs als u de Smart-key uit het voertuig verwijdert. Als u de motor uitschakelt, kunt u deze echter pas weer starten als de Smart-key weer bij het voertuig in de buurt is. Motor start/stop Zie pagina 2, item 31Contact aan:De Smart-key moet zich in het voertuig bevinden. Druk op de knop om het contact in te schakelen. START/STOPAls u een tweede keer drukt, wordt het contact uitgeschakeld. De motor startenDe selectieknop moet in de stand (Parkeerstand) of P N(neutraalstand) staan. Houd het rempedaal ingetrapt en druk de knop START/STOPeven in. Druk nogmaals op de knop om de motor te stoppen en het contact uit te schakelen.
Rollend startenAls u de motor uitschakelt terwijl het voertuig in beweging is, kan deze binnen 2 seconden opnieuw worden gestart door de selectieknop in de stand te zetten en op de -knop N START/STOPte drukken. Versnellingsbak Zie pagina 2, item 22 1. U kunt de selectieknop pas uit de stand halen als u het Prempedaal hebt ingetrapt. 2. De ontgrendeling van de selectieknop moet worden ingedrukt om deze uit de stand of te halen. P N 3. Beweeg de selectieknop naar achteren naar of vooruit naar DN R of nogmaals vooruit naar. Een LED aan de bovenzijde van de selectieknop gaat branden om de geselecteerde versnelling aan te geven. 4. Voor Sport ( ) beweegt u de knop naar links wanneer deze Sin staat. De selectieknop kan nu naar voren worden bewogen Dom een versnelling op te schakelen en naar achteren om een versnelling terug te schakelen.
U kunt terugkeren naar de volledig automatische modus door de selectieknop terug te zetten naar. D 5. Om de parkeerstand te selecteren , P drukt u op de -schakelaar aan de bovenzijde van de selectieknop. Dit kan worden gedaan ongeacht de geselecteerde versnelling. De auto moet stilstaan wanneer de stand wordt geselecteerd. PAls u de motor uitschakelt terwijl er nog een andere versnelling is geselecteerd, schakelt de transmissie automatisch terug naar.
PHet voertuig slepenAls u de motor uitschakelt terwijl de transmissie in de stand N(neutraalstand) staat, wordt de automatische overschakeling naar de stand (parkeerstand) met tien minuten vertraagd. PDankzij deze vertraging kan het voertuig in een automatische wasstraat worden gewassen. deze functie GEBRUIK NIETom het voertuig te verslepen. Raadpleeg het hoofdstuk Het voertuig bergen in het instructieboekje. S DD NR3 1 2 4 5.
STARTEN EN RIJDEN6LoszettenTrap terwijl het contact is ingeschakeld het rempedaal in en duw de hendel van de handrem omlaag. Als het voertuig stil staat met de handrem aangetrokken en de stand of is geselecteerd, wordt de handrem automatisch D Rlosgezet zodra u het gaspedaal intrapt. Elektrische handrem Zie pagina 2, item 28AantrekkenWanneer het voertuig stil staat, trekt u de hendel van de handrem omhoog en laat u hem weer los. Het rode waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaat branden. Automatische koplampen en grootlichthulp Zie pagina 2, item 5 1. Als u selecteert met de draaiknop, worden de AUTOstadslichten en koplampen automatisch ingeschakeld wanneer het omgevingslicht afneemt. Als de hendel in de stand voor gedimde koplampen staat, wordt automatisch de grootlichthulp ingeschakeld wanneer het omgevingslicht tot een vooraf ingesteld niveau is afgenomen.
U moet sneller dan 40 km/u (25 mph) rijden. Om de grootlichthulp op te heffen en gedimde koplampen te selecteren, trekt u de verlichtingsschakelaar naar achteren tot de stand voor knipperen met grootlicht en laat deze vervolgens weer los. Om grootlichthulp opnieuw in te schakelen, drukt u de verlichtingsschakelaar naar voren in de stand voor grootlicht en trekt deze daarna weer naar achteren in de stand voor gedimd licht. Vertragingsperiode bij het uitstappen 2. 3. 4. U kunt de koplampen zo instellen dat deze nog even blijven branden wanneer u het voertuig in het donker verlaat. Draai de draairing naar de gewenste vertragingsperiode bij het uitstappen: 30, 60 of 120 seconden. Schakelhendels Zie pagina 2, items 6 en 10Als de schakelhendels worden gebruikt terwijl is D geselecteerd, wordt weer op automatisch schakelen overgeschakeld als deze hendels niet worden gebruikt.
STARTEN EN RIJDEN7Cruise control opgehevenDe cruise control wordt uitgeschakeld wanneer u het rempedaal intrapt of langzamer gaat rijden dan 30 km/u. De cruise control wordt uitgeschakeld wanneer u het gaspedaal langer dan 5 minuten intrapt. Cruise control en ASL Zie pagina 2, item 39De cruise controlsnelheid instellen 1. Verhoog tot de gewenste snelheid en druk hierop om de snelheid in te stellen en te handhaven. Kan ook worden gebruikt om de snelheid te verhogen wanneer de cruise control is ingeschakeld. 2. Hervat de ingestelde snelheid nadat de cruise control is uitgeschakeld. 3. Druk hierop om de ingestelde snelheid te verlagen. 4. De cruise control wordt uitgeschakeld, maar de huidige ingestelde snelheid wordt opgeslagen in het geheugen. 5. ASL aan/uit. Met de toets voor de automatische snelheidsbegrenzer (ASL) kunt u schakelen tussen de cruise control en ASL.
Intelligente stop/start Zie pagina 2, item 27Het intelligente stop/start-systeem wordt automatisch ingeschakeld wanneer u het contact inschakelt. Als het voertuig tot stilstand komt en de rem wordt ingetrapt, wordt de motor uitgeschakeld (tenzij deze nodig is voor de ondersteuning van andere voertuigsystemen). Zodra u uw voet van het rempedaal haalt en een rijversnelling selecteert, wordt de motor opnieuw gestart. Op het instrumentenpaneel gaat een waarschuwingslampje branden als de motor door het intelligente stop/start-systeem is uitgeschakeld. Druk op de schakelaar van het intelligente stop/start-systeem om het systeem in of uit te schakelen. Opmerking: als u op de schakelaar drukt terwijl de motor automatisch wordt uitgeschakeld, wordt de motor automatisch opnieuw gestart.
Wanneer het contact is uitgeschakeld en weer opnieuw wordt ingeschakeld, wordt de intelligente stop/start opnieuw ingesteld. ASL-snelheidslimiet instellenAls u ASL selecteert, kunt u een maximale snelheid instellen. De motor reageert normaal tot de ingestelde snelheid.
Als het gaspedaal verder wordt ingetrapt, neemt de snelheid echter niet toe tot voorbij de ingestelde snelheid. Alleen bij plotselinge, snelle acceleratie (kickdown) kan de ASL-instelling worden geannuleerd, waardoor een hogere snelheid kan worden bereikt. Wanneer de kickdown wordt gebruikt, wordt de ASL uitgeschakeld. 1. Druk hierop om een maximumsnelheid in te stellen. Een hogere maximumsnelheid kan op elk moment worden ingesteld. 2. Hervat de ASL-ondersteuning nadat deze tijdelijk is uitgeschakeld. 3. Druk hierop om de ingestelde snelheidslimiet te verlagen. 4. Schakelt de ASL-ondersteuning tijdelijk uit 5. ASL aan/uit. Met de toets voor de automatische snelheidsbegrenzer (ASL) kunt u schakelen tussen de cruise control en ASL. Opmerking: de ingestelde snelheidslimiet wordt weergegeven op het message centre.
HULPMIDDELEN BIJ HET RIJDEN8JaguarDrive Control Zie pagina 2, items en 29 30Met de winterfunctie, de dynamicfunctie en de dynamic stability control (DSC) kunt u de rijeigenschappen van het voertuig beter afstemmen op de heersende omstandigheden. 1. Regen/ijs/sneeuw-functie. Gebruik deze functie wanneer het glad is. Selecteert de tweede versnelling om weg te rijden op een vlakke ondergrond. Zwakt de reactie van de motor af en wijzigt de schakelstrategie zodat maximale tractie wordt bereikt. Deze functie moet worden uitgeschakeld als deze niet meer nodig is. 2. Dynamicfunctie. Zorgt voor coördinatie tussen de voertuigsystemen om de rijeigenschappen te verbeteren. Als u nu de sportfunctie selecteert, wordt er niet automatisch geschakeld, ook niet als de toerentallimiet wordt bereikt. De Dynamicfunctie blijft tot zes uur na het uitschakelen van de motor actief. 3. DSC.
De standaardsituatie bij het starten van de motor is dat de DSC is ingeschakeld en de stabiliteit van het voertuig regelt. De DSC kan zo nodig worden uitgeschakeld. Houd de schakelaar langer dan tien seconden ingedrukt. Het DSC-waarschuwingslampje gaat branden en op het message centre verschijnt de mededeling tot de DSC weer wordt DSC UIT ingeschakeld. Om de DSC weer in te schakelen, drukt u kort op de schakelaar. TracDSC is een alternatieve instelling, waarbij de DSC-instellingen worden geoptimaliseerd voor maximale tractie. Met TracDSC kan de bestuurder geconcentreerder en doelbewuster rijden op droog asfalt. Opmerking: de normale stabiliteitscontrole kan verminderen. Om TracDSC te selecteren, houdt u de DSC-schakelaar korter dan tien seconden ingedrukt. Als TracDSC wordt geselecteerd, gaat het DSC-waarschuwingslampje branden en toont het message centre even de mededeling.
TRAC DSC Raak deze toets lang aan om DSC weer in te schakelen. Opmerking: de cruise control kan niet worden gebruikt wanneer DSC of TracDSC is ingeschakeld.
DodehoekmonitorIn beide spiegels verschijnen oranje pictogrammen die 1waarschuwen voor inhalende voertuigen op de rijbaan naast de rijbaan waarop u rijdt. Het bewaakte gebied strekt zich uit tot ongeveer 6 m achter de achterwielen en 2 m aan de zijkanten. De functie wordt automatisch ingeschakeld bij snelheden hoger dan 10 km/u wanneer de vooruitversnelling is ingeschakeld. De oranje stip brandt wanneer de snelheid onder de 2drempelwaarde komt. Buitenspiegels en dodehoeksysteemZie pagina 2, item 47Buitenspiegel aan de passagierskant naar beneden kantelen bij het achteruitrijdenMet deze functie kunt u bij achteruitrijden het zicht verder omlaag langs de passagierskant verbeteren. U kunt het naar beneden kantelen van de buitenspiegels in- of uitschakelen via het menu van het instrumentenpaneel. Selecteer in het menu FunctiesVoertuiginstellingen en selecteer de gewenste optie uit de lijst.
Een kantelpositie instellen:Trek de handrem aan en selecteer de achteruitrijstand. Verstel de buitenspiegel zo dat u de stoeprand en de onderkant van het voertuig aan de passagierskant kunt zien. Als u vervolgens opnieuw de achteruitrijstand selecteert, wordt de ingestelde kantelpositie automatisch geselecteerd. Als u een andere transmissiestand selecteert, keren de buitenspiegels terug naar hun normale positie. Elektrisch inklapbare buitenspiegelsDruk tegelijkertijd op beide toetsen om de buitenspiegels in te klappen. Druk nogmaals op de toetsen om de spiegels uit te klappen. 1 212.
HULPMIDDELEN BIJ HET RIJDEN9ParkeerhulpZie pagina 2, item 14Als u de achteruitrijstand selecteert, worden de parkeerhulp voor en achter ingeschakeld. 1. Op het touchscreen verschijnt een afbeelding van het voertuig, met daarop bij benadering de afstand van het voertuig tot het voorwerp. Opmerking: de sensors kunnen worden geactiveerd als er water, sneeuw of ijs op het oppervlak wordt gesignaleerd. Maak de sensors regelmatig schoon. De frequentie van het geluidssignaal neemt toe naarmate u dichter bij het voorwerp komt. Wanneer u vooruit een parkeerruimte inrijdt, schakelt u de sensors aan de voorkant in met de toets van de parkeerhulp, die zich op het dashboardpaneel bevindt. U kunt het volume van dit geluidssignaal via het touchscreen instellen. Selecteer in het hoofdmenu, vervolgens Instellen Systeem Volumevoorkeuzeen daarna. Stel het volume in met de schermtoetsen of naast.
+ – ParkeerhulpAlternatief schermRaak het touchscreen aan om terug te gaan naar de vorige weergave. Camera achterWordt ingeschakeld wanneer u de achteruitrijstand selecteert. Op het touchscreen verschijnen begeleidingslijnen die u helpen bij het achteruitrijden. De achteruitkijkcameraweergave krijgt prioriteit boven de weergave van de parkeerhulp. Raak het scherm aan om de parkeerhulpweergave te bekijken of de weergave op elk gewenst moment te sluiten. ValetfunctieTer beveiliging kunt u het handschoenenkastje, de kofferruimte en het touchscreen vergrendelen, zodat een parkeerwachter geen toegang heeft. Voordat u de Smart-key overhandigt, verwijdert u het sleutelblad voor noodgevallen en bewaart u het op een veilige plek. Uw persoonlijke identificatienummer (PIN) instellen:Selecteer het op het touchscreen. HoofdmenuSelecteer nu.
ValetVoer een viercijferige PIN (door u zelf gekozen) in en druk op OK. Valet aan wordt weergegeven ter bevestiging. De valetfunctie uitschakelenGa naar het scherm en voer uw PIN in. Druk nu op Valet OK.
VERWARMING EN VENTILATIE10Verwarming en ventilatie Zie pagina 2, items tot en met13, 20 en 32 38 1. Druk hierop om de klimaatregeling in te schakelen. 2. Menu-instellingen. 3. Klimaatregeling uit. 4. Lucht naar voorruit. 5. Luchtverdeling. U kunt meerdere instellingen tegelijkertijd selecteren. Afhankelijk van de instelling kunnen de uitschuifbare middelste ventilatieopeningen openen of sluiten. Opmerking: de middelste ventilatieopeningen sluiten altijd automatisch wanneer de klimaatregeling wordt uitgeschakeld. 6. Synchroniseren van de instellingen links en rechts. 7. Temperatuurregeling. 8. Druk hierop om de stoelverwarming aan/uit te schakelen. Draai deze knop om de temperatuur aan te passen. 9. AUTO. Automatische stand.
De klimaatregeling stelt de airconditioning, de aanjagersnelheid, de luchtinlaat en de luchtverdeling zo af dat de geselecteerde temperatuur/temperaturen wordt/worden gehandhaafd. De uitschuifbare middelste ventilatieopeningen openen en sluiten zo nodig. Hierdoor beslaan de ruiten minder snel.StoelverwarmingDe stoelverwarming werkt alleen terwijl de motor draait. Dit is om ontlading van de accu te voorkomen.Aanbevolen instellingAUTO is de aanbevolen stand. Dit gaat het beslaan van de ruiten tegen en beperkt luchtjes uit het systeem. Externe waterafvoerDe airconditioning verwijdert vocht uit de lucht en laat het teveel aan water onder het voertuig wegstromen. Hierdoor kunnen zich onder het voertuig plassen vormen, maar dit is normaal en u hoeft zich hierover geen zorgen te maken. 10. Airconditioning aan/uit. 11. Recirculatie. Hiermee wordt het binnendringen van dampen beter voorkomen.
GELUIDSINSTALLATIE EN TOUCHSCREENRadioRaak in het Hoofdmenu van het touchscreen de optie Audio/Video aan. De bedieningselementen van de laatst gebruikte audiobron worden weergegeven. Selecteer .Radio 1. Raak deze toets aan om radiogolflengten te selecteren. 2. Ga omhoog of omlaag naar het volgende of vorige station. 3. Bekijk informatie die door het radiostation wordt uitgezonden. 4. Menu Instellingen. RDS, Verkeer, Nieuws, AF Selecteer of .REG 5. Stationslijst (alleen FM). Selecteer deze optie voor een lijst met beschikbare stations op de golfband. U kunt de lijst sorteren op (popmuziek, nieuws, sport) Frequentie, Naam of Categoriedoor de betreffende schermtoets aan te raken. Raak het gewenste station aan om het te selecteren. 6. Frequentie-invoer. Voer de frequentie van een station in. Als u het laatste cijfer invoert, wordt er op het station afgestemd. 7.
Schermtoetsen voor voorkeuzestations. U kunt 6 stations voor elke golfband opslaan. Raak een schermtoets lang aan om het huidige station op te slaan.Bedieningselementen van de geluidsinstallatie Zie pagina 2, items 18, 23 en 42 1. Aan/uit en volumeregeling. 2. Touchscreen. 3. Druk hierop voor het menu Audio/Video. 4. MODE. Druk kort hierop om door alle audio-/videobronnen te bladeren. Druk terwijl een bron wordt weergegeven lang hierop om door de subselecties te bladeren. 5. Druk hierop om het volume te verhogen. 6. Druk hierop om het volume te verlagen. 7. Hoger/verder zoeken. Druk kort hierop om de volgende voorkeurzender of track te selecteren. Druk lang hierop om het volgende radiostation of de volgende tv-zender te selecteren. 8. Lager/terug zoeken. Druk kort hierop om naar de vorige voorkeurzender of track te gaan.
Druk lang hierop om naar het vorige radiostation of de vorige tv-zender te gaan.11Beschadiging van het touchscreenU hoeft het touchscreen slechts licht aan te raken. Te hard drukken kan schade veroorzaken.
GELUIDSINSTALLATIE EN TOUCHSCREEN12DAB-radio (digitale radio-uitzendingen)DAB-radio biedt een groter bereik aan stations dan analoge radio. DAB-stations worden gegroepeerd in zogenaamde ‘ensembles’. Bij elk station kunnen substations horen, maar deze zijn over het algemeen slechts gedurende bepaalde tijden van de dag beschikbaar. 1. Raak deze toets aan om DAB-golflengten te selecteren. 2. Ga omhoog of omlaag naar het volgende of vorige station. Als u de toets lang aanraakt, wordt naar ensembles gezocht. 3. Bekijk DAB-informatie over de huidige uitzending. 4. Instellingen. Pas de instellingen aan in Opties en Berichten. 5. Zenderlijst. Raak aan om een lijst met beschikbare ensembles en stations te bekijken. U kunt teruggaan naar de vorige schermen met de toets Vorige linksboven op het scherm. 6. Substation. Als het geselecteerde station substations heeft, wordt deze schermtoets actief.
Raak aan om de beschikbare substations te bekijken en een selectie te maken. OPMERKING: Substations zijn tijdelijke stations en kunnen te allen tijde worden opgeheven. 7. Automatisch afstemmen. Raak aan om een nieuwe lijst te maken met beschikbare digitale ensembles en stations. Het zoeken kan maximaal een minuut duren. Zodra alle stations zijn gevonden, wordt het station bovenaan de stationslijst weergegeven. Een DAB-station opslaan op een voorkeuzetoetsSelecteer een DAB-station en ga terug naar het scherm met voorkeuzetoetsen. Raak een schermtoets lang aan om het station op te slaan. U kunt voor iedere DAB-band maximaal zes stations opslaan. Draagbare mediaSelecteer in het menu Audio/Video Mijn muziek de optie om het menu met de audio-opties weer te geven. 1. Raak het pictogram voor de aan om alle opties voor brondraagbare media weer te geven. Selecteer een optie. 2. Menu Instellingen.
Voor de cd-wisselaar worden Tracklijst Bladerenbeide schermtoetsen weergegeven. Selecteer om de Tracklijst tracklijst voor de huidige cd of voor de cd-wisselaar te bekijken. Selecteer een track om met afspelen te beginnen. Selecteer Bladeren om de inhoud van het geselecteerde apparaat te bekijken (alleen in de functies iPod, USB en Cd-wisselaar). 4. Laden Cd-wisselaar is alleen van toepassing op het menu. Als u een cd wilt opslaan, selecteert u Laden naast een lege sleuf. Er zijn tien 10 sleuven beschikbaar. 5. Raak kort aan om omhoog of omlaag naar de volgende of vorige track te verspringen. Raak lang aan om vooruit of achteruit te spoelen door de huidige track. 6. Herh. Raak kort aan om de huidige track continu te herhalen. Raak de toets nogmaals kort aan om de huidige cd in de wisselaar, MP3-map of USB-map te herhalen. Raak de toets een derde keer aan om de herhaalfunctie te annuleren.
7. Pauzeren/afspelen. Raak aan om het afspelen te onderbreken en raak nogmaals aan om het afspelen te hervatten. 8. Bekijk over de huidige track. informatie 9. Willek. Raak kort aan om tracks van de huidige cd, MP3-map, USB-map of iPod-afspeellijst in willekeurige volgorde af te spelen. Raak nogmaals kort aan om tracks van een cd, MP3-cd of USB-map, tracks op het media-apparaat of tracks van de cd-wisselaar in willekeurige volgorde af te spelen. Raak de toets een derde keer aan om willekeurig afspelen te annuleren. Opmerking: herhalen en willekeurig afspelen zijn niet beschikbaar voor apparaten. Bluetooth®-Opmerking: gebruik bij het aansluiten van een -Bluetoothapparaat het touchscreen om het apparaat te bedienen en ernaar te zoeken. Veel bedieningselementen zijn hetzelfde als bij het afspelen van een cd.
GELUIDSINSTALLATIE EN TOUCHSCREEN13Cd-speler en draagbare mediaDe sleuf voor het laden van cd's/dvd's en de poorten voor AUX-apparatuur, iPods en USB-opslagapparaten bevinden zich in het opbergvak in de middenconsole. 1. Sleuf voor laden van cd’s/dvd’s. 2. Cd-/dvd-uitwerptoets. 3. AUX-poort van 3,5 mm. 4. USB-poort.U kunt slechts één cd of dvd tegelijk in de cd/dvd-speler laden, maar met de cd-wisselaar kunt u maximaal 10 cd's in de virtuele speler laden. Gebruik om cd's te laden.Mijn muziek/Laden Op de AUX-aansluiting van 3,5 mm kunt u aanvullende apparatuur (zoals een persoonlijk geluidsapparaat, MP3-speler of een draagbaar navigatieapparaat) op de geluidsinstallatie aansluiten. Op de AUX-poort aangesloten apparatuur kunt u alleen via het apparaat zelf bedienen.Gebruik de kabel die bij uw media-apparaat werd geleverd om deze aan te sluiten op de USB-poort.
iPods en USB-opslagapparaten kunnen via het touchscreen worden bediend. Het systeem is geschikt voor MP3-, WMA-, WAV- en AAC-bestanden via een geheugenstick of een via USB geregelde MP3-speler of mobiele telefoon.Sommige MP3-spelers gebruiken eigen bestandssystemen, die niet door het voertuigsysteem worden ondersteund. MP3-spelers moeten worden ingesteld op de stand Verwijderbaar apparaat of Apparaat voor massaopslag (raadpleeg de informatie van de fabrikant). Alleen muziekbestanden die in deze stand aan het apparaat zijn toegevoegd, kunnen via het voertuigsysteem worden afgespeeld.Het voertuigsysteem ondersteunt USB-apparaten met een opslagcapaciteit tot 256 GB.1324
NAVIGATIE14TouchscreennavigatieWanneer u de functie voor het eerst activeert, moet u het juiste land en het juiste zoekgebied selecteren. Meer informatie hierover vindt u in het hoofdstuk Navigatie van het instructieboekje. OPMERKING: Voor toegang tot de navigatie drukt u op de harde toets of raakt u het pictogram in het aan. NAV Nav Hoofdmenu 1. Hiermee kunt u een nieuwe bestemming invoeren. Biedt een aantal keuzemogelijkheden bij het invoeren van de bestemming. 2. Geeft eerder ingevoerde bestemmingen weer. Eerdere bestemming kunnen als nieuwe bestemming worden geselecteerd. 3. Hiermee schakelt u de pictogrammen op de kaart voor PVI's (punten van interesse) in en uit. 4. Nadat u een bestemming hebt ingesteld, wordt het Jaguar-logo vervangen door een schermtoets voor het herhalen van de laatste gesproken instructie. 5.
De schermtoets is gemarkeerd wanneer de spraakbegeleiding is ingeschakeld. Aanraken om de spraakbegeleiding uit te schakelen. 6. PVI-sneltoetsen: Raak dit pictogram aan om een lijst te maken van de beschikbare PVI's in de buurt van de voertuigpositie. 7. Berekent een omleiding vanaf de huidige route. 8. Hiermee gaat u naar het hoofdkaartscherm. 9. Er zijn 2 menuschermen voor navigatie. Met de schermtoets Meer. kunt u tussen deze menu’s schakelen. Op het tweede kaartscherm zijn de volgende schermtoetsen beschikbaar. Opgeslagen locaties. Hiermee kunt u de opgeslagen gegevens te beheren. TMC (Traffic Message Channel = Verkeersinformatiekanaal). Levert gegevens over wegomstandigheden en gebeurtenissen die de rit kunnen beïnvloeden. Routeopties. Hiermee kunt u verschillendeopties voor de route selecteren. Nav-instellingen.
Hiermee kunt u uw persoonlijke voorkeuren voor het navigatiesysteem instellen. 10. De huidige routebegeleiding annuleren. Navigatie selecterenAls de navigatie wordt geselecteerd nadat het contact is ingeschakeld, wordt er een waarschuwingsscherm weergegeven. Raak aan.
AkkoordOpmerking: De eerste keer dat het waarschuwingsscherm wordt weergegeven, kunt u de gewenste taal instellen. Een bestemming instellenSelecteer. Best. invSelecteer en voer de adresgegevens in via het toetsenbord. AdresBij elk onderdeel van het adres kunt u, nadat u de eerste letters hebt ingevoerd, of aanraken om alle straten of plaatsen OK Lijstweer te geven die u kunt selecteren. Als u het huisnummer niet weet, selecteert u. Het systeem gebruikt dan het midden van OKde straat als bestemming. Als u de adresvelden hebt ingevuld, drukt u op om naar het OKkaartscherm te gaan. De begeleiding startenOp het kaartscherm wordt de geselecteerde bestemming weergegeven. Raak aan om de route te berekenen. OKRaak aan als u een alternatieve route wilt plannen. Route herzienRaak aan om de begeleiding te starten. OKRoute herzienU kunt kiezen uit of.
TELEFOON15Echo in de telefoonAls u een echo hoort als u de telefoon gebruikt, verlaag dan tijdens het telefoongesprek het volume van de geluidsinstallatie. Gesprekken via het touchscreenZorg ervoor dat uw telefoon is aangesloten en gepaard, en druk op de knop onder het touchscreen. PHONE 1. DigiKies Telefoonboek Laatste 10Selecteer , of. Als u hebt geselecteerd, voert u het telefoonnummer in DigiKiesvia het toetsenbord. Als u hebt geselecteerd, kiest u een nummer uit het Telefoonboekgedownloade telefoonboek. Laatste 10 toont de 10 laatst gekozen nummers. Selecteer het nummer dat u wilt kiezen. 2. Raak het belpictogram aan om het nummer te kiezen. Het pictogram verandert in het pictogram voor een actief gesprek. 3. U kunt een gesprek beëindigen door aan te raken. Telefoon-boekLaatste 10Telefoon10:36DigiKies InstellingenVerwijd. Naam01234567890_Handset gebr. Telefoonwijz.
PQRS TUV WXYZ1ABC DEFJKL MNOGHI2 34 5 67 8 90 #+Bluetooth®-apparaten Zie pagina 2, items7 en 43De verbinding moet worden gemaakt wanneer het contact is ingeschakeld of de motor loopt. Gebruik de volgende procedure in combinatie met de instructies van de fabrikant van uw telefoon. Paren en verbinden via de telefoonN. B. : De procedure voor het paren en verbinden van uw telefoon met/aan het voertuig via de mobiele telefoon is afhankelijk van het gebruikte type mobiele telefoon. 1. Schakel het contact in en zorg dat het touchscreen is ingeschakeld. 2. Telefoon hoofdmenuSelecteer in het. 3. Nieuw zoekenAls er geen telefoon is verbonden, selecteert u. Selecteer anders en vervolgens. Telefoon wijz. Nieuw zoeken 4. App. naar voertuigSelecteer de optie. OPMERKING: Het -systeem van het voertuig kan Bluetoothslechts 3 minuten worden opgespoord. 5. BluetoothZoek met uw telefoon naar -apparaten.
Als het systeem van het voertuig is opgespoord, begint u het koppelproces en volgt u de instructies op het scherm. 7. Voer op verzoek zowel op uw telefoon als in het voertuigsysteem een pincode naar keuze in. Selecteer. OK 8. Zodra uw telefoon is gepaard en aangesloten, verschijnt er een bevestigingsmededeling. OPMERKING : Bij sommige mobiele telefoons moet u het paren als 'geautoriseerd’ of ‘vertrouwd’ instellen om automatisch te kunnen verbinden. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van uw telefoon voor meer informatie. Telefoonboekgegevens downloadenAls u een telefoon die gegevens kan downloaden hebt gepaard en aangesloten dan kan het telefoonboek automatisch naar het systeem van het voertuig worden gedownload. Zie in het instructieboekje voor meer informatie.
TELEFOONBOEKBluetooth-aansluitingCompatibele -apparaten kunnen communiceren Bluetoothmet het ingebouwde telefoonsysteem van het voertuig. Ga voor de nieuwste informatie over compatibiliteit naar www. jaguar. com/ Ownership support/ How to. Gesprekken via de bedieningselementen op het stuurwiel 1. Druk hier om een inkomend gesprek te beantwoorden. Druk kort hierop om te telefoneren. Houd ingedrukt om het telefoonboek weer te geven. 2. Druk hierop om omhoog te bladeren door een weergegeven lijst. Druk tijdens het gesprek hierop om het volume te verhogen. 3. Druk hierop om naar beneden te bladeren in een weergegeven. Druk tijdens een gesprek hierop om het volume te verlagen. 4. Druk hierop om de lijst met laatste gebelde Laatste 10-nummers en ontvangen en gemiste oproepen te bekijken. 5. Druk hierop om door de lijst te bladeren. Na het Laatste 10-laatste item wordt de lijst afgesloten.
INFORMATIE OVER TANKSTATIONS16De brandstofvulklep openenU moet de auto ontgrendelen voordat u de brandstofvulklep kunt openen. Duw stevig tegen de vulklep op ongeveer 35 mm (1,4 inch) vanaf de achterrand en laat los. De juiste brandstofspecificatie vindt u op de binnenkant van de brandstofvulklep.BrandstofdopDraai de brandstofdop linksom los. Er zit een haak aan het klepscharnier die de dop tijdens het tanken vasthoudt. Plaats de dop terug en draai hem rechtsom totdat hij drie keer klikt.Verkeerde brandstofGebruik geen E85-brandstoffen (ethanolgehalte 85 %). Het voertuig is niet uitgerust met de benodigde apparatuur voor het gebruik van benzine met meer dan 10% ethanol. Als u toch E85-brandstoffen gebruikt, zullen de motor en het brandstofsysteem ernstig beschadigd raken.Gebruik geen methanolhoudende brandstof.
Als het niet anders kan, gebruik dan een brandstof met een maximaal methanolgehalte van 10%. De brandstof moet hulpoplosmiddelen en anticorrosiemiddelen bevatten. Als u methanolhoudende brandstof gebruikt, kan het brandstofsysteem beschadigd raken en kunnen er problemen optreden ten aanzien van de motorprestaties.
U kunt brandstof met maximaal 15% MTBE gebruiken.Er wordt geen aansprakelijkheid aanvaard voor beschadigingen veroorzaakt door het gebruik van onjuiste brandstof.Als de brandstoftank is gevuld met het verkeerde type brandstof:Start de motor NIET!Roep vakbekwame assistentie in!Motorkapontgrendeling De motorkapontgrendeling bevindt zich in de linker beenruimte.Locaties van de bandeninformatiestickersDe bandenspanning staat vermeld op een sticker in de opening van het bestuurdersportier.Opmerking: de bandenspanning moet worden gecontroleerd en aangepast terwijl de banden koud zijn.Onderdeelnr. JJM 12 96 35 141 © Jaguar Land Rover Limited.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Jaguar F-Type (2014) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Jaguar
Handleiding Auto
Nieuwste handleidingen voor Auto