Hager TG511A Handleiding


Bekijk gratis de handleiding van Hager TG511A (60 pagina’s), behorend tot de categorie Rookmelder. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 136 mensen en kreeg gemiddeld 4.2 sterren uit 3 reviews. Heb je een vraag over Hager TG511A of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/60
Montageanleitung
Funk-Rauchwarmmelder inkl. KNX, 230 V, weiß
DE
S. 2
Guide d’installation
Détecteur de fumée radio KNX, blanc
FR
p. 16
Manuale di installazione
Rivelatore di fumo RF KNX 230 V - bianco
IT
p. 30
Installatiehandleiding
Rookmelder melder RF KNX 230 V, wit
NL
p. 44
5085112001
TG511A
V2.6.0
RFTP 230V~ Bus
30 V

Beoordeel deze handleiding

4.2/5 (3 Beoordelingen)

Product specificaties

Merk: Hager
Categorie: Rookmelder
Model: TG511A
Kleur van het product: Wit
Stroombron: AC
Internationale veiligheidscode (IP): IP42
Connectiviteitstechnologie: Draadloos
Levensduur batterij/accu: 10 jaar
Ingangsspanning: 230 V
Aantal: 1

Handleiding Hager TG511A – volledige tekst

47NL3. VoedingSluit de melder conform aansluitdiagram aan op de 230 V netvoeding (AC). De rode LEDknippert gedurende 35 seconden.Bij correcte netvoeding brandt de groene LED.4. Montage4.1 Montage op inbouwdoosVoor inbouwdozen met een diameter van 60 mm gebruikt u de bevestigingsgaten 60.Voor inbouwdozen met een diameter van 85 mm gebruikt u de bevestigingsgaten 85.Bevestig de sokkel met behulp vangeschikte schroeven.4.2 Opbouwmontage (afbeelding A)• Plaats de sokkel op de voorziene plaatsen markeer met een potlood de stand vande 2 bevestigingsgaten (60 of 85). Zie afbeelding.• Boor een gat met een boor van 5 mmdiameter.• Bevestig de sokkel met behulp vangeschikte pluggen en schroeven.Voor de kabeldoorvoer aan de oppervlaktemoet u de 2 verbindingsstukken verwijderenen ze op de montagesokkel aanbrengen (zie afbeelding A).

Plaats de sokkel over de 2 gekozen bevestigingsgaten.LET OP: De inbouw en montage van elektrische apparaten mag uitsluitend door een bevoegdeelektricien in overeenstemming met de nationale voorschriften worden uitgevoerd.OPMERKING: de melder wordt in gedeactiveerde toestand geleverd om de batterij te sparen. De melder wordt automatisch geactiveerd door aansluiting op de verzorgingsspanning van 230 V AC.LET OP: Als de batterij op het moment van activering niet voldoende is opgeladen om de juistewerking bij stroomstoringen te waarborgen, wordt dit elke 5 seconden aangegeven door middelvan het knipperen van de rode LED. Het oplaadproces (tot 1 uur) mag niet worden onderbroken.Tijdens het opladen is de melder niet bedrijfsklaar.Voor Nederland: Gebruik voor het aansluiten de bijgeleverde soepele bedradingsset. Gebruikvoor het lassen uitsluitend een lasklem met veerklemsysteem.

484.3 Optie: verwijderbeveiliging voorvergrendeling van de melder op demontagesokkel (afbeelding B)De verwijderbeveiliging is bedoeld om hetongewenst verwijderen van de melder dooronbevoegden te verhinderen. Activering:Knip met behulp van een kniptang deborgpen af.De melder kan nu alleen nog wordengeopend met behulp van een platteschroevendraaier.Plaats de 2 pijlen op de montagesokkel enop de melder recht tegenover elkaar. Draaivervolgens de melder met de wijzers van deklok mee totdat het einde van de aanslagbereikt is.De melder kan niet op de montagesokkelworden gemonteerd als de batterij niet inhet batterijvak zit. Let er op dat deblokkering niet geforceerd wordt bij demontage.5.

Montage van de melder5.1 Selectie van inbouwlocatieDe melder moet als volgt wordengepositioneerd:• in ruimten met brandgevaar (woonkamersmet open haard, kinderkamers,uitgebouwde zolders of kelders, enz.)• bij voorkeur in het midden aan het plafond• uit de buurt van ventilatieopeningen diede rook mogelijk zouden kunnen afvoeren• op meer dan 50 cm afstand van obstakelsvan welke aard dan ook (muur, scheidingswand, balken, enz.)• aan elk uiteinde van een gang die langeris dan 10 m.Als een horizontale montage aan hetplafond niet mogelijk is, moet de melder alsvolgt worden gemonteerd:• op een afstand van meer dan 50 cm vanplafonds en hoeken in de kamer• uit de buurt van eventuele elektrischestorsignalen (stroommeter, metalen kast,voorschakelapparaat, enz.)• bij montage aan een metalen muur of opholle ruimten, zoals Leidingbuizen: breng de melder aan op een niet-metalenplaat (hout of kunststof).De volgende inbouwlocaties moetenworden vermeden: • direct op een metalen oppervlak• dichtbij (minimale afstand 50 cm) eenelektronisch voorschakelapparaat,laagspanningstransformator,spaarlampen, enz.• op zeer stofge plaatsen• in ruimten waar de temperatuur kanuitkomen boven de +50 °C of onder de -10 °C, waardoor de werking van de melder negatief kan worden beïnvloed

49NL• op een afstand van minder dan1 m van verwarmings-, koel- enventilatieopeningen, aangeziende rook zou kunnen wordenafgevoerd• op een afstand van minder dan6 m van een schoorsteen ofeen houtkachel, aangezien deverbrandingsrook eenongewenst alarm kan doenafgaan• in ruimten waar rook enwaterdamp een ongewenstalarm kunnen doen afgaan• in ruimten waar er kans is opcondensatie of vocht(badkamers, bijkeukens, enz.)• boven in de nok van het dak(A-vormig plafond), aangezienzich hier een luchtbel zoukunnen vormen die voorkomtdat de rook de melder bereikt• als twee draadloze melderszowel draadloos als via eendraad zijn gekoppeld. Indiennodig kan dit wordenvoorkomen door hetsamenstellen vanverschillende, onafhankelijkvan elkaar werkenderadiogroepen.Bij gebruik van een draad met een doorsnede van max. 1,5 mm 2mag de totale leidinglengte niet meer dan 400 m bedragen!3.

Bevestig de klemmenstrook weer aan de houder.4. Steek de melder in de sokkel (zie “Montage”).5. Voer een test uit (zie “Testen van de melder”).VOORZICHTIG: De inbouw en montage mag uitsluitenddoor een bevoegde elektricien in overeenstemming metde nationale voorschriften worden uitgevoerd.LET OP: Bij foutief aansluiten van de bedrading kan demelder onherstelbaar worden beschadigd.5.2 Montage van meerdere doorgekoppeldemeldersBij een draadgekoppelde installatie kunnen tot 40 melders aan elkaar worden gekoppeld. Hierdoorworden bij een alarm alle melders in het woonobjecttegelijkertijd geactiveerd.1. Verwijder de klemmenstrook na de montage van desokkel.2. Voor Nederland: Gebruik voor het aansluiten debijgeleverde soepele bedradingsset. Gebruik voorhet lassen uitsluitend een lasklem metveerklemsysteem. Vervolgens sluit u de bedrading als volgt aan:

50))))))))))))))))TG511TG511TG501x/TG531ATG511TG501x/TG531AOPMERKING:Koppel alleen melders ofhittemelders met hetzelfde typevoeding aan elkaar!Bijvoorbeeld: TG510-serie metTG500x/TG530A = Batterijres. TG511-serie met TG501x/TG531A = 230 V5.3 Montagevoorbeeld voor Interlink-toepassing6. ConguratieDe programmering kan op drie manierenplaatsvinden:1. Conguratie via de programmeertoets 0 maakt het onderling koppelen vandraadloze melders mogelijk (afbeelding D).2. Conguratie via het KNX-programmeerapparaat TX100B (versie i 2.6.0) maakt het mogelijk om demelder op te nemen in het KNX-systeem. Een uitgebreide beschrijving is te vinden inde bedieningshandleiding die ismeegeleverd met het conguratieapparaat. Een toepassingsbeschrijving voor deTX100 is verkrijgbaar bij de fabrikant.3.

51NLdoor kort op toets 0 te drukken: De programmeer-LED en de rodeinformatie-LED aan de voorkantknipperen. • Plaats de melders weer op hun sokkels. • Selecteer een “repeater”-melder diecentraal in het object is gemonteerd endie zich binnen radioafstand van alleandere melders bevindt (afbeelding E). • Druk kort op de gebruikerstoets aan devoorkant van deze melder. De LED’s aande voorkant van de “afhankelijke” meldersgaat uit. • Markeer deze melder aan de zijkant metbehulp van het scheuretiket van hetproductlabel aan de achterkant als“repeater”. • Als 60 minuten lang niet op een toetswordt gedrukt of als kort op de toets 0 wordt gedrukt, schakelt de melder weerover naar de bedrijfsmodus. Het inleren is nu voltooid. 2. Als melders zich in de programmeermodusbevinden (de LED aan de voorkantknippert) of als u een of meer extra melderswilt opnemen in een bestaande radiogroep.

• Controleer de positie van de “repeater” en verander deze eventueel zodanig datdeze direct radiocontact heeft met alleoverige melders. • Zet de nieuwe melders in deprogrammeermodus door kort op toets 0 te drukken: De programmeer-LED en derode informatie-LED aan de voorkantknipperen. • Plaats de nieuwe melders weer op hunsokkels. • Zet de “repeater” in deprogrammeermodus door kort op toets 0 te drukken: De programmeer-LED en de rode informatie-LED aan de voorkantknipperen. • Plaats de “repeater” weer op zijn sokkel. • Druk kort op de gebruikerstoets aan devoorkant van de “repeater”. De LED’s aande voorkant van de nieuwe melders gaat uit. Alle melders worden aan slechts één groeptoegewezen en meldingen van een melderworden doorgestuurd naar alle melders indeze groep. Als u een tweede, onafhankelijke radiogroepwilt instellen, kiest u een niet-toegewezenmelder en begint u weer met stap 1.

52OPMERKING: de KNX-configuratie wordt niet aangetast. Deze kan alleen met de TX100 of deETS worden teruggezet.6.2 Herstellen van fabrieksinstellingDruk kort op programmeertoets “0” (afbeelding D). De programmeer-LED en de rode informatie-LED aan de voorkant knipperen. Druk nu opprogrammeertoets “0” en houd deze ongeveer 10 seconden lang ingedrukt. Gedurendedeze tijd beginnen de LED’s na ongeveer 5 seconden snel te knipperen.

Als de LED’s nanog eens 5 seconden uitgaan, is de fabrieksinstelling van de melder hersteld.De conguratie- en verbindingsinstellingen zijn nu gewist!Gebruik nooit een naakte vlam om een melder te testen.6.3 Testen van de melderBij het uitvoeren van een handmatige test van de melder klinkt een gedempt geluidssignaal.Toch is het verstandig om voor het testen van de melder de mensen de omgeving tewaarschuwen en gepaste maatregelen tegen beschadiging van het gehoor te nemen.Rode LEDRepeaterRode LEDProgrammeertoetsen (0 – links, 1 rechts)Configuratie-LEDD E

NL536.4 Handmatige testHoud de gebruikerstoets op de “repeater” (ca. 10 seconden lang) ingedrukt, totdat hetgeïntegreerde geluidssignaal klinkt. Als u de gebruikerstoets loslaat, gebeurt het volgende:Voer deze test minstens één keer per jaar door nawerkzaamheden aan de melders en in het bijzonder naeen lange afwezigheid.OPMERKING: Dankzij eengeïntegreerde dempingsmoduleworden de meldingen vanbatterijstoringen onderdruktgedurende de nacht. Dezeworden, als het weer licht wordt,na meer dan 10minuten resp.

Als bij een gekoppelde montagerook van een brand wordt gedetecteerd,moeten alle melders die de rook detecteren(rode controle-LED knippert) wordenuitgeschakeld om het alarm te deactiveren.LET OP: Als een melder volledig isgedeactiveerd, vindt geen signalering plaatsen worden geen alarmen doorgegeven doordeze melder.6.6 Tijdelijke deactivering van de melderDe melder kan 15 minuten lang wordengedeactiveerd:• preventief bij activiteiten waarbij rook of stofontstaat (aanvegen van een stofge ruimte,schoorsteenvegen, enz.), om te voorkomendat per ongeluk het alarm wordt geactiveerd • voor het uitschakelen van het alarm bij eendetectie. Het geluidssignaal gaat uit (als niet door andere melders rook wordtgedetecteerd), maar de rode LED blijftknipperen zolang rook wordt gedetecteerd.In dit geval houdt u de gebruikerstoetsingedrukt tot het eerste geluidssignaal klinktresp.

tot het geïntegreerde geluidssignaal uitgaat. De controle-LED van de melder knippertnu elke 2 seconden.Door activering van een testalarm kan detijdelijke deactivering van de melder wordenbeëindigd (zie “Testen van de melder”).6.7 Deactivering van de melderDe melder kan volledig wordengedeactiveerd om de batterij te sparen bijlangere stroomonderbrekingen ten gevolgevan renovatiewerkzaamheden of opslaanvan de melder. Door aansluiting op deverzorgingsspanning wordt het apparaatautomatisch opnieuw geactiveerd.U kunt de melder deactiveren door de programmeertoets 1 gedurende ca. 20 seconden ingedrukt te houden.

55NL7.1 Signalering van een voedingsstoring7. StoringsmeldingenKnippert 2 x om de 5 sec.2 signalen kort na elkaarmet tussenpozen van 60 sec.Overige draadloos gekoppelde melders (alleen bij direct radiocontact)Knippert 1 x om de 5 sec.1 signaal met tussenpozen van 60 sec.Melder die de batterij-resp. netvoedingstoringheeft gedetecteerdAls de verzorgingsspanning uitvalt, wordt de melder gedurende minimaal 72 uur van stroomvoorzien door de ingebouwde batterij. Als de onderbreking van de spanningsverzorging langerdan 1 uur duurt, wordt een batterij- resp.

netvoedingsstoring aangegeven.Als het geluidssignaal voor het melden van een storing in de verzorgingsspanning zich opeen ongelegen moment voordoet, kunt u het 8 uur onderdrukken door op degebruikerstoets van de melder met de storing te drukken totdat u de eerste pieptoon hoort.Als het niet om een algemene netvoedingsstoring gaat, moet u direct uw installateur op dehoogte brengen.7.2 Vuile detectiekopKnippert 8 x om de 8 sec.8 signalen kort na elkaar met tussenpozen van 60 sec.Melder waarvan de detectiekop vuil isAls het geluidssignaal voor de foutmelding “Detectiekop vuil” zich op een ongelegen momentvoordoet, kunt u het 8 uur uitstellen voor een maximale duur van 7 dagen door op degebruikerstoets van de melder met de storing te drukken totdat u de eerste pieptoon hoort. Stel direct uw installateur op de hoogte.

568. 1 Reiniging van de detectiekopHet rooster van de detectiekop moetminstens één keer per jaar of bij elkefoutmelding op vervuiling (stof) wordengecontroleerd. Wij adviseren de meldersschoon te maken met een zachte, pluisvrijedoek. Gebruik geen alcohol of aceton voorde reiniging. Als de foutmelding “Detectiekop vuil” blijftaanhouden, ondanks de reiniging, moet ude melder vervangen. 8. OnderhoudDe melders hebben een beperkte levensduur. Zij mogen daarom nooit langer dan 10 jaarworden gebruikt. De melder bevat geen enkelradioactief materiaal; lever afgedanktemelders bij de daartoe voorzieneinzamelpunten in. Vervanging van de ingebouwde NiMH-batterij is niet mogelijk. Bij een defect moet de melder worden vervangen. Voer de melder volgens de voorschriften af. 8. 2 Vervangen van batterijen8. 3 Bij renovatiewerkzaamhedenDe melder mag nooit worden gelakt ofoverschilderd.

Bij eventuele werkzaamheden na de inbouwvan de melder moet u deze volledigafdekken met behulp van de meegeleverdegeplasticeerde bescherming ofdemonteren en eventueel te deactiveren,zoals eerder beschreven. BELANGRIJK: Na uitvoering van dewerkzaamheden moet u de melderterugplaatsen en de geplastificeerdebescherming verwijderen resp. de melderactiveren. 24 maanden tegen elke materiaal- of fabricagefoutvanaf de productiedatum. In geval van defect moethet product worden teruggestuurd naar de gebruikelijke verdeler. De garantie is slechts geldigals de procedure voor het terugsturen van deproducten via de installateur werd nageleefd en alsna deskundig onderzoek onzekwaliteitscontroledienst geen fout vaststelt, die eropwijst dat het product geïnstalleerd en/of gebruiktwerd op een manier die niet beantwoordt aan devoorschriften.

GarantieDe verwijdering van elektrische en elektronischeapparaten (toe te passen in landen binnen deEuropese Unie en andere landen van Europa die zijnaangesloten aan een inzamelsysteem). Dit symbool ophet product resp. de verpakking geeft aan dat dit apparaat niet mag worden meegegeven met het normalehuisvuil. Het moet worden ingeleverd bij een speciaalinzamelpunt voor elektrisch afval. Als u ervoor zorgt dat ditapparaat wordt ingeleverd bij het juisteafvalverwerkingssysteem, levert u een belangrijke bijdrage aanhet vermijden van negatieve gevolgen voor het milieu en degezondheid van uw medeburgers. Verdere informatie over derecycling van het apparaat kunt u opvragen bij uw gemeente,vuilophaaldienst of de winkel waar u het hebt gekocht.

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Hager TG511A stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden