Gossen Metrawatt METRATESTER 5+ Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Gossen Metrawatt METRATESTER 5+ (26 pagina’s), behorend tot de categorie Not categorized. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 19 mensen en kreeg gemiddeld 4.5 sterren uit 8 reviews. Heb je een vraag over Gossen Metrawatt METRATESTER 5+ of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Gossen Metrawatt |
| Categorie: | Not categorized |
| Model: | METRATESTER 5+ |
Handleiding Gossen Metrawatt METRATESTER 5+ – volledige tekst
Bestnr. 10 02 62 GOOSSEN METRAWATT METRATESTER 5+ Tester voor DIN VDE 0701-0702 Alle rechten, ook vertalingen, voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een automatische gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van CONRAD ELECTRONIC BENELUX B.V. Nadruk, ook als uittreksel is niet toegestaan. Druk- en vertaalfouten voorbehouden. Deze gebruiksaanwijzing voldoet aan de technische eisen bij het in druk gaan. Wijzigingen in de techniek en uitvoering voorbehouden. © Copyright 2010 by CONRAD ELECTRONIC BENELUX B.V. Internet: www.conrad.nl of www.conrad.be
2 (1) Netstekker (Oprolmogelijkheid voor netsnoer aan de achterzijde van de behuizing) (2) Signaallamp PE voor het meten van aarde (3) Krokodillenklem voor het opsteken op de meetpunt (3a) (3a) Meetpunt (4) Contactvlak voor vingercontact (5) Meetfunctieschakelaar RSL weerstand beschermingsleiding RISO isolatieweerstand IEA vervangende lekstroom IA aanraak- of lekstroom (voor het bewijs van spanningsloosheid) IDiff verschilstroom INet verbruikerstroom UNET netspanning (6) Aansluitbus/klem om geleidende delen van het te testen apparaat op aanraakstroom te testen (7) Stopcontact (net) (8) Teststopcontact (9) Aansluitbus/klem t.b.v. aansluiting fase/nul van het te testen apparaat (parallel aan het teststopcontact) (10) Aansluitbus /.klem voor de beschermingsleiding van het te testen apparaat (parallel aan het teststopcontact) (11) LCD-scherm (12) Draagbeugel (13) Foutindicatie LED
3 Toebehoren: kabelset KS 13 Betekenis van de symbolen op het apparaat Dubbele of versterkte isolatie Waarschuwing voor gevaar (Let op, documentatie in acht nemen!) EG- conformiteitsverklaring Het apparaat mag niet met het gewone huisvuil verwijdert worden. Meer informatie voor de WEEE- kenmerken vindt u op het internet onder www.goossenmetrawatt.com bij de zoekterm WEEE.
4 INHOUDSOPGAVE pagina 1 Veiligheidskenmerken en -maatregelen 5 2 Toepassing 6 3 Bediening- en displayelementen 6 3.1 Signalering fouten en grenswaarden 6 4 Netaansluiting 9 4.1 Aansluiten van het Proefapparaat 9 4.2 Testen van het aardleidingpotentiaal 10 4.3 Meten van de netspanning 10 4.4 Aansluiten van het te testen apparaat aan het meetapparaat 11 4.4.1 Testobject met beschermingsleiding (beschermklasse I) en netstekker 11 4.4.2 Testobject met beschermklasse II 11 4.4.3 Testobject zonder netstekker en apparaten SK III 11 4.4.4 Testobjecten voor draaistroomaansluiting 11 4.5 Meten algemeen 12 4.6 Verschilstroom- bewaking 12 5 Testen van apparaten volgens DIN VDE 0701-0702 13 5.1 Algemeen 13 5.2 Visuele controle 14 5.3 Meten van de weerstand van de beschermingsleiding 14 5.3.1 Uitzondering Apparaten met vaste aansluiting 15 5.4 Meten van de isolatieweerstand 16 5.5 Meten van de beschermingsleidingstroom 17 5.5.1 Meten van de vervangende lekstroom 18 5.5.2 Meten van de verschilstroom 18 5.6 Meten van e aanraakstroom 18 5.6.1 Meten van de vervangende lekstroom 19 5.6.2 Meten van de verschilstroom 20 5.6.3 Directe meetmethode 21 6 Meten van verbruikerstromen via het netstopcontact 22 7 Technische specificaties 23 8 Onderhoud – kalibrering 26
5 1 Veiligheidsbepalingen en –voorzorgsmaatregelen De METRATESTER 5+ is overeenkomstig de volgende normen vervaardigd en getest: IEC/EN 61010-1/ VDE 0411 deel 1 Veiligheidsbepalingen voor elektrische meet-, besturings-, regel- en laboratoriumapparatuur – algemene eisen. DIN VDE 0404-1:2002-5 Apparaten voor de veiligheidstechnische controle van elektrische bedrijfsmiddelen; deel 1: Algemene bepalingen en deel 2: Apparaten voor periodieke controle. Bij gebruik volgens de voorschrift wordt de veiligheid voor de gebruiker, het testapparaat en het te testen object gewaarborgd. Lees de gebruiksaanwijzing zorgvuldig en helemaal door, voordat u de tester gebruikt. Let op alle instructies en volg deze op. Zorg dat de gebruiksaanwijzing voor alle gebruikers toegankelijk is. Tests mogen alleen uitgevoerd worden onder leiding en toezicht van een elektro-technische deskundige.
De gebruiker moet geïnstrueerd zijn door een gekwalificeerde elektrotechnicus voor de uitvoering en beoordeling van de tests. Let op de volgende veiligheidsvoorschriften: •••• Het apparaat mag alleen aangesloten worden op het 230V- lichtnet dat met een nominale stroom van 16 A beveiligd is. •••• Metingen in een elektrische installatie zijn verboden. •••• Houdt er rekening mee dat aan de te testen apparatuur onverwachte spanningen kunnen optreden. Condensatoren kunnen bijv. gevaarlijk geladen zijn. •••• Overtuig u ervan dat de aansluitleidingen niet beschadigd zijn. (defecte isolatie, onderbreking etc. ) Let op. Het te testen apparaat mag pas op de netcontactdoos worden aangesloten, als het de veiligheidstest overeenkomstig DIN VDE 0701-0702 met succes heeft doorlopen.
Reparatie, vervanging van onderdelen en kalibratie Bij het openen van het apparaat kunnen delen die onder spanning staan blootgelegd worden. Voordat een reparatie, vervanging van onderdelen of kalibratie plaatsvindt moet het apparaat van alle spanningsbronnen gescheiden worden.
Indien een reparatie of kalibratie aan een geopend apparaat onder spanning onvermijdelijk is, dan mag dit alleen door een daartoe bevoegd persoon uitgevoerd worden, die op de hoogte is van het daarmee gepaard gaande gevaar. Fouten en buitengewone omstandigheden Wanneer aan te nemen is dat een veilig gebruik niet meer mogelijk is, dient men het apparaat buiten werking te stellen en ervoor te zorgen dat het niet per ongeluk weer in gebruik genomen wordt. Het is aan te nemen dat een veilig gebruik niet meer mogelijk is: • als het apparaat zichtbaar beschadigd is, • als het apparaat niet meer functioneert, • na langere tijd opgeslagen te zijn onder ongunstige omstandigheden.
6 2 Toepassing Het testapparaat is bedoeld om gerepareerde of gewijzigde elektrische apparaten over-eenkomstig DIN VDE 0701-0702 te testen op hun veiligheid. Overeenkomstig de voor-schriften moeten na een reparatie of wijziging van elektrische apparaten naast de weerstand van de beschermingsleiding, de isolatieweerstand en de vervangende lekstroom, en bij dataverwerkende apparatuur en kantoormachines de spanningsloosheid van aanraakbare, geleidende delen gemeten worden. Bovendien kan gecontroleerd worden of de aardedraad van de wandcontactdoos geen spanning voert en kan de netspanning gemeten worden. Via het netstopcontact van het testapparaat kan het te testen apparaat op een goede werking gecontroleerd worden en het stroomverbruik worden gemeten. Opmerking. De grenswaardenweergave van de tester heeft betrekking op de herhaling- testvoorschrift VDE 0702: 1995.
3 Bedienings- en displayelementen (1) Netstekker Met de netstekker wordt het testapparaat op het 230 V-net aangesloten. Wanneer geen geaarde wandcontactdoos of alleen een draaistroomaansluiting beschikbaar is, kunt u een aansluiting maken met behulp van het koppelstopcontact van de kabelset KS13. De netaansluiting moet beveiligd zijn. Maximale nominale stroom 16 A. (2) Signaallamp PE voor het testen van de net- beschermingsleiding De signaallamp PE licht op, als tussen het aangeraakte contactvlak (4) en de beschermingsleiding van de netstekker (1) een potentiaalverschil van 100 V bestaat. (3) Krokodillenklem (klem voor het opsteken op de testpunt) Met de krokodillenklem wordt de behuizing van het te testen apparaat aangesloten om de weerstand van de beschermingsleiding te kunnen meten.
Let hierbij op een goed contact (4) Contactvlak voor vingercontact Bij het aanraken van het contactvlak licht de signaallamp (2) op als tussen de beschermings-leiding PE van de netstekker (1) en het aangeraakte contactvlak een potentiaalverschil van 100 V bestaat.
Het contactvlak is van alle aansluitingen en van de meetschakeling galvanisch gescheiden en voldoet hiermee aan beschermingsklasse II. (5) Meetfunctieschakelaar Met de meetfunctieschakelaar kiest u de gewenste meetfunctie. Weergegeven waarden bij tussenposities van de schakelaar hebben geen betekenis. (6) Aansluitbus/-klem voor geleidende delen van het te testen apparaat voor de aanraakstroommeting Deze aansluiting is bedoeld voor de aanraakstroommeting van aanraakbare geleidende delen die niet met de beschermingsleiding verbonden zijn. (7) Netstopcontact Het te testen apparaat kan via deze netcontactdoos op het net worden aangesloten. Zo kan een juiste werking en het stroomverbruik gecontroleerd worden. Hier wordt ook de verschilstroommeting uitgevoerd. De overstroombeveiliging gebeurd via het voedingsnet, zie (1).
7 (8) Testcontactdoos Om de weerstand van de beschermingsleiding, de isolatieweerstand en de vervangende lekstroom overeenkomstig DIN VDE 0701-0702 te kunnen vaststellen, moet het te testen apparaat op de testcontactdoos worden aangesloten als het een netstekker heeft. (9) Aansluitbus/-klem t.b.v. aansluiting fase/nulleiding van het te testen apparaat Deze aansluiting ligt parallel aan de twee kortgesloten fase-/nulaansluitingen van het teststopcontact (8). Op deze bus/klem kunt u de fase-/nulleiding van het te controleren apparaat aansluiten indien deze niet over een netstekker beschikt. (10) Aansluitbus/-klem voor de beschermingsleiding van het te testen apparaat Deze aansluiting ligt parallel aan de randaarde van het teststopcontact (8). Aan deze bus/klem kunt u de beschermingsleiding van het te testen apparaat aansluiten indien deze niet over een geaard stopcontact beschikt.
Bovendien moeten voor de isolatie- en vervangende lekstroommeting de aanraakbare geleidende onderdelen van het te testen apparaat met deze bus verbonden worden. (11) LCD-weergave Op het LC-display worden de meetwaarden digitaal weergegeven. (12) Draagbeugel De draagbeugel kan ingeklapt worden. (13) Foutindicatie LED De rode foutindicatie LED wijst op een grenswaarde- overschrijding bij het meten van de beschermingsleiding- en de isolatieweerstand, de vervangende lekstroom, de aanraak- of de lekstroom en eveneens de verschilstroom. Toebehoren kabelset KS 13 De kabelset KS13 bestaat uit een koppelstekkerdoos met 3 vast aangesloten snoeren, 3 meetsnoeren, 3 opsteekbare krokodillenklemmen en 2 opsteekbare testpunten. Hiermee is het mogelijk om de meter en het te testen apparaat ook aan te sluiten als er geen geaarde stopcontact voor de netaansluiting resp.
8 3.1 Melding van fouten en grenswaarden Foutmelding Voorwaarde Signaallamp PE Aardleidingpotentiaal/net UB 25 V bij aanraking v.d.vingercontact Volgende grenswaarden worden gesignaleerd 1) Weerstand tussen behuizing en netstekker bij aansluitleidingen tot 5m lengte 2) Bij verlengkabels alle verdere 7,5 m extra 0,1 , maximaal 1 . 3) voor apparaten van de beschermingsklasse I met ingeschakelde verwarmingselementen (bij verwarmingsvermogen > 3 kW en RISO < 0,3 M: lekstroommeting noodzakelijk!) 4) Grenswaarde volgens DIN VDE 0702-1995 5) deze grenswaarde zijn voor alpolige schakelaars (dit komt overeen van de dubbele grenswaarde of de helft van de daadwerkelijke meetstroom) Grenswaarde- overschrijding bij verschilstroom De METRATESTER®5 is met een schakelaar- onafhankelijke verschilstroombewaking uitgerust.
Als in een schakelpositie de rode foutindicatie oplicht en geen aanwijzing op het display verschijnt voor een grenswaardenfout, dan betekent dit een gevaarlijk hoge verschilstroom in het netstopcontact. In dit geval moet u de precieze waarde van de verschilstroom door draaien van de schakelaar in de positie "IDIFF" meten. Voor de beoordeling van de verschilstroom in de schakelaarpositie "IDIFF" neemt u alleen de numerieke weergave. De foutindicatie kan, door de verschilstroombewaking, reeds bij ongeveer 3,2 mA oplichten, vanaf 3,5 mA zal deze zeker branden.
9 4. Netaansluiting 4.1 Aansluiten van de metratester Sluit de tester met de netstekker (1) op het 230 V- lichtnet aan. Als er geen geaard wandstopcontact of alleen een draaistroomaansluiting aanwezig is, kan de aansluiting van fase, nul en aarde met behulp van het koppelstopcontact gemaakt worden. Deze heeft 3 vast aangesloten leidingen en is onderdeel van de als toebehoren leverbare kabelset KS13. Let op! De netaansluiting moet beveiligd zijn. De nominale stroom van het beveiligings-element mag hoogstens 16 A bedragen! De krokodillenklemmen aan de leidingen van het koppelstopcontact mogen alleen in spanningsloze toestand worden aangesloten! Als er netspanning aanwezig is, zijn op het display in alle posities van de meetbereik-schakelaar cijfers zichtbaar. Dit gebeurt ook als er geen te testen apparaat is aangesloten.
10 4. 2 Testen van het beschermingleidingpotentiaal Raak met een vinger het contactvlak (4) en tegelijkertijd een geaard deel aan (bijv. een waterleiding). De signaallamp PE (2) mag hierbij niet oplichten. Het potentiaal tussen de beschermingsleiding van de netstekker (1) en het contactvlak (4) is dan 100 V. Let op. De signaallamp PE (2) licht ook niet op als er tussen L en N van de netstekker (1) geen spanning aanwezig is, of wanneer in de netinstallatie L en PE verwisseld zijn. Als er na het aansluiten van de tester overeenkomstig paragraaf 4. 1 op pag. 9 geconstateerd wordt, dat er op het display geen cijfers weergegeven worden, moet men eerst de installatie - met bijv. de tester PROFITEST MASTER – controleren.
Licht de signaallamp PE (2) op bij het aanraken van het contactvlak (4), dan is het potentiaal tussen de beschermingsleiding van de netsteker (1) en het contactvlak (4) 25 V, d. w. z. dat de beschermingsleiding onder spanning staat of niet aangesloten is. Let op. Het kan gebeuren dat door de wijze van hanteren een potentiaalverschuiving ontstaat, die het oplichten van de signaallamp PE (2) veroorzaakt. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer u een aan het teststopcontact (8) aangesloten apparaat in de hand houdt en er op deze wijze een potentiële spanningsdeler gevormd wordt. Raak dan zoals hierboven beschreven een geaard deel aan. Let op. Wanneer bij het testen van het aardpotentiaal vastgesteld wordt, dat de net-beschermingsleiding spanningsvoerend is, dan mogen er met de tester verder geen metingen verricht worden.
De spanning ligt dan namelijk ook aan de aanraakbare randaarde van het netstopcontact (7) en aan de bus (6) en kan gevaarlijk zijn. Koppel de tester onmiddellijk los van het net en zorg ervoor dat de fout aan de netaansluiting verholpen wordt. Een spanning op de beschermingsleiding veroorzaakt bovendien verkeerde meetresultaten bij de volgende tests: - aanraakstroommeting overeenkomstig DIN VDE 0701-0702 - verschilstroommeting. 4.
11 4.4 Aansluiten van het te testen apparaat aan het testinstrument Voor het meten van de beschermingsleidingweerstand, isolatieweerstand en vervangende lekstroom moet het te testen apparaat aan de testcontactdoos (8) of aan de testcontactdoos parallel geschakelde meetbussen resp. klemmen (9) en (10) aangesloten worden. De aansluiting (9) is met de kortgesloten fase- en nulaansluiting en de aansluiting (10) met het aardingscontact van de testcontactdoos (8) verbonden. Gebruik, afhankelijk van de uitvoering van het te testen apparaat, de volgende aansluitmethoden:
12 4. 5 Meten algemeen Voor alle volgende metingen moet de netspanning binnen het toegelaten gebied van 207 V …. 253 V liggen. De nauwkeurigheid van de meetwaarden komt dan overeen met die onder “technische specificaties” (zie hoofdstuk 7 pag. 23) genoemde waarden. U kunt de netspanning controleren in de positie "UNET 250 V" van de meetfunctieschakelaar (zie paragraaf 4. 3 op pag. 10). Het testinstrument is in de meetbereiken voor metingen van de weerstand van de beschermingsleiding, isolatieweerstand, vervangende lekstroom en aanraakstroom bij het per ongeluk aansluiten van vreemde spanningen tot 250 V beveiligd tegen overbelasting. Begin bij klasse I testobjecten steeds met het meten van de beschermingsleidingweerstand. Zonder een goed functionerende beschermingsleiding kunnen de isolatieweerstand en de vervangende lekstroom niet gemeten worden.
Voor klasse II apparaten moet deze verbinding extern gemaakt worden, zie paragraaf 4. 4. 2 Let op. Let op dat er bij het meten van de weerstand van de beschermingsleiding en de isolatieweerstand de displayweergave op overloop gaat als de klemmen open zijn of als de eindwaarde van het meetbereik overschreden wordt. Op het display verschijnt dan slechts het cijfer "1" links. Attentie. Bij langdurige kortsluiting tijdens de isolatiemeting wordt na ca. 10 minuten de meetstroom gereduceerd. Bij oververhitting wordt dit op het display desbetreffend gesignaleerd, zie hoofdstuk 7 “Weergave - oververhitting”. In dit geval is de overeenkomstig DIN VDE 0413 vereiste nominale stroom van 1 mA niet meer gegarandeerd. Na het opheffen van de kortsluiting en een korte afkoeltijd verdwijnt het signaal en voldoen de metingen weer aan de VDE- bepalingen.
Aan de hand van de nevenstaande tabel kan de vereiste minimale weergavenwaarde voor de isolatieweerstand bepaald worden, welke de tester met inachtneming van de maximale afwijking voor de meting (bij nominale omgevingsomstandigheden) mag aangeven om niet onder de norm van de vereiste grenswaarden (DIN VDE 0413 deel 1) te komen. Tussenwaarden dienen geïnterpoleerd te worden. 4. 6 Bewaking verschilstroom Voor uw veiligheid wordt bij de toestellen METRATESTER®5 het testobject dat aan het netstopcontact aangesloten is, permanent bewaakt op zijn actueel vloeiende verschilstroom. Indien de waarde boven 3,5 mA stijgt wordt deze gevaarlijke toestand met een continue zoemer gesignaleerd. Een uitschakeling gebeurt niet, zie paragraaf 3. 1 op pagina 8.
13 5 Controleren van apparaten volgens DIN VDE 0701-0702 De in de navolgende hoofdstukken aangegeven grenswaarden zijn overeenkomstig de actuele normen bij het in druk gaan. Let er op, dat deze normen permanent aan de veiligheidsbehoeften van de markt aangepast worden waardoor zich ook de grenswaarden kunnen wijzigen. Voor het aanpassen van testtoestellen op de nieuwe normen neemt u contact op met onze update- service. 5.1 Algemeen Volgens de voorschriften DIN VDE 0701-0702 moeten gerepareerde of gewijzigde elektrische apparaten voor de gebruiker dezelfde veiligheid tegen de gevaren van elektriciteit bieden dan nieuwe apparaten. Hiertoe moeten de volgende controles in de aangegeven volgorde uitgevoerd worden: 1 Visuele controle 2 Weerstand beschermingsleiding 3 Isolatievermogen: indien technisch gezien nuttig, d.w.z.
het te testen apparaat heeft geen elektrisch bediende, alpolige schakelaar: - Isolatieweerstand en aansluitend beschermingsleidingstroom of vervangende lekstroom - anders: lekstromen in bedrijf (beschermingsleidingstroom en aanraakstroom) veiligheids- kleinspanning (alleen aan aansluitplaatsen van de in het testobject geproduceerde veiligheids- kleinspanning) 4 Functiecontrole 5 Controle van de opschriften 6 Documentatie Let op! Indien er bezwaren zijn tegen het meten van de isolatieweerstand kan er een plaats-vervangende verschilstroommeting uitgevoerd worden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij elektronische apparaten of bij dataverwerkende apparatuur, of indien bij apparaten met beschermingsklasse I niet is gegarandeerd dat alle door de netspan-ning belaste delen door deze meting worden omvat.
Deze meting mag alleen worden uitgevoerd indien eerst de beschermingsleiding van het testobject getest is. Voor verschilstroommetingen moet het te testen apparaat in het netstopcontact van het testinstrument METRATESTER®5 geplaatst worden. Let op! Door het meten aan een defect apparaat kan een FI- schakelaar geactiveerd worden!
koeling; •••• Toestand van luchtfilters; •••• Dichtheid van reservoirs voor water, lucht of andere substanties, toestand van overdrukventielen; •••• Bedienbaarheid van schakelaars, stuurinrichtingen, instelmechanisme enz.; •••• Leesbaarheid van alle veiligheidsopschriften of symbolen, ontwerpgegevens en positieaanduidingen. 5.3 Meten van de weerstand beschermingsleiding Bij apparaten met beschermleiding sluit u het te testen apparaat aan zoals in de onderstaande afbeelding beschreven wordt (hier: testobject klasse I met netstekker, zie ook paragraaf 4.4) Zet de meetfunctieschakelaar op "RSL 20 " Lees de meetwaarde in "" af op het display. Beweeg stapsgewijs over de gehele lengte van de leiding van het testobject om onderbrekingen op te sporen De weerstand van de beschermingsleiding mag niet boven de volgende weerstandswaarden komen
15 Maximaal toelaatbare waarden voor weerstand beschermingsleiding, afhankelijk van de lengte van de leiding De tabel geldt eveneens voor kabelhaspels en verlengsnoeren. Bij langere leidingen geldt: voor elke 7,50 m lengte bijkomend 0,1 maximaal 1 onafhankelijk van de doorsnede van de ader. Attentie! De krokodillenklem (3) moet goed contact maken met de behuizing van het testobject. Tijdens de meting moet de aansluitleiding in stappen over de gehele lengte – indien de apparatuur is ingebouwd alleen daar waar deze tijdens reparatie, wijziging of test toegankelijk is – bewogen worden. Treedt er bij deze handmatige test op onder-brekingen tijdens de meting een weerstandsverandering op, dan moet worden aangenomen dat de beschermingsleiding is beschadigd of dat een aansluitpunt niet meer betrouwbaar is. Voor verdere tests moet de fout herstelt zijn.
5.3.1 Uitzondering bij apparaten met vaste aansluiting Bij apparaten met vaste aansluiting is er tussen een geschikte aardingspunt en aanraakbare geleidende onderdelen die in het geval van een fout onder spanning kunnen staan, een weerstand van 1 toegestaan. Bij dataverwerkingsystemen of combinaties met vast aangesloten afzonderlijke apparaten moet de verbinding losgekoppeld en aparte metingen uitgevoerd worden. Indien deze loskoppeling niet doelmatig zal zijn, mogen de aparte metingen ook aan de met elkaar verbonden apparaten doorgevoerd worden.
16 5.4 Meten van de isolatieweerstand Deze meting mag alleen doorgevoerd worden, als de test voor de weerstand van de beschermingsleiding met succes is uitgevoerd. Bevinden zich in het testobject alpolige elektrische schakelaars, bijv. onderspanningbeveiliging of relais, dan wordt bij deze test uitsluitend de toevoerleiding getest. Het apparaat kan zonder netspanning niet inschakelen en zodoende kan de isolatietest het apparaat niet bereiken. Voor een VDE conforme test is een lekstroommeting onder netspanning noodzakelijk. Attentie! Raak de aansluitcontacten van het apparaat niet aan indien een isolatieweerstand- meting uitgevoerd wordt! Als de aansluitcontacten vrij of voor het meten op een ohmse verbruiker aangesloten zijn, dan zou bij een spanning van 500 V een stroom van ca. 1 mA over uw lichaam vloeien.
Deze elektrische schok is weliswaar niet levensgevaarlijk, echter kan deze voelbare elektrische schok letsel veroorzaken (bijv. door het schrikken enz.). Attentie! Bij het meten aan een capacitieve object, bijv. een lange kabel, kan deze tot ongeveer 500 V opgeladen worden! Het aanraken is dan levensgevaarlijk! Sluit het testobject aan zoals beschreven in de onderstaande afbeelding: voor beschermingsklasse I Stel de meetfunctieschakelaar op het bereik "RISO 20 M" Schakel van het testobject alle functies in en zorg er voor dat bijv. ook de contacten van temperatuurafhankelijke schakelaars of derg. gesloten zijn. Lees de meetwaarde in "M" af op het display (11). De isolatieweerstand mag niet onder de volgende weerstandswaarden liggen:
17 Type apparaat Grenswaarden Minimaal aangegeven waarde Apparaten met beschermingsklasse I 1 M 1,15 M Apparaten met beschermingsklasse I met verwarmingselementen 0,3 M 1) 0,38 M Apparaten met beschermingsklasse II 2,0 M 2,25 M Apparaten met beschermingsklasse III bijv. apparaten met batterijvoeding 1000 / resp. 250 k 1) Bij lagere grenswaarden moet een vervangende lekstroommeting met succes uitgevoerd worden. Opmerking: de aanduiding "OL" betekent meetwaarde >20 M. Let op! Wordt bij apparaten met beschermingsklasse I, die verwarmingselementen bevatten, een waarde van minder dan 0,3 M gemeten, dan moet er een vervangende lekstroommeting uitgevoerd worden volgens paragraaf 5.6.1 op pag. 19, die dan succesvol moet zijn.
Bij apparaten met beschermingsklasse II en III en bij batterijgevoede apparaten moet men met een op de bus (10) aangesloten meetpunt alle aanraakbare geleidende delen aanraken en de isolatieweerstand meten. Het meten van de isolatieweerstand komt bij apparaten met beschermingsklasse III te vervallen, evenals bij batterijgevoede apparaten die aan de beide volgende voorwaarden voldoen: – nominaal vermogen 20 VA – nominale spanning 42 V Bij batterijgevoede apparaten moet de batterij tijdens de meting worden losgekoppeld. 5.5 Meten van de beschermingleidingsstroom Bij apparaten met aardleider / geaarde stekker moet de beschermingleidingsstroom gemeten worden. Voor de meting mogen volgende meetmethoden gebruikt worden: •••• Vervangende lekstroom •••• Verschilstroom Bij de lekstroommetingen wordt rekening gehouden met de frequentieloop overeenkomstig de nevenstaande afbeelding Opmerking!
18 5.5.1 Meten met vervangende lekstroom- meetmethode Let op! Raak de aansluitcontacten van het apparaat niet aan tijdens een vervangende lekstroommeting! Sluit het testobject aan volgens onderstaande afbeelding. Zet de meetfunctieschakelaar op het bereik “IEA 20 mA”. Schakel alle functies van het te testen apparaat in en zorg ervoor dat bijv. ook alle contacten van temperatuurafhankelijke schakelaars en derg. gesloten zijn. Lees de meetwaarde in “mA” af op het LCD-scherm. Overeenkomstig DIN VDE 0701-0702 mag de weergegeven stroom tussen bedrijfsmatig spanningvoerende delen en aanraakbare metalen delen 3,5 mA en bij apparaten met een verwarmingsvermogen > 3,5 kW 1 mA/kW niet overschrijden. 5.5.2 Meten met verschilstroom- meetmethode Hier wordt de verschilstroom (foutstroom) tussen fase L en nul N- leider van het testobject gemeten.
Deze meting mag pas na het doorstaan van de beschermingsleidingstest uitgevoerd worden, zie paragraaf 5.3, pagina 14. Sluit het testobject aan zoals getoond in de onderstaande afbeelding. Schakel op schakelaarpositie "IDIFF 20 mA. Neem het testobject in bedrijf. Lees de meetwaarde in “mA” af op het LCD-scherm. Overeenkomstig DIN VDE 0701-0702 mag de weergegeven stroom tussen bedrijfsmatig spanningvoerende delen en aanraakbare metalen delen 3,5 mA, bij apparaten met een verwarmingsvermogen > 3,5 kW 1 mA/kW niet overschrijden. De metingen moeten in beide posities van de netstekker uitgevoerd worden. Als meetwaarde geldt de hoogste van de twee gemeten waarden. Opmerking! Zonder aangesloten testobject worden cijfers op het display getoond, dit zijn echter geen meetwaarden. Opmerking!
19 5.6 Meten van de aanraakstroom Bij apparaten met beschermingsklasse II of bij apparaten met klasse I met aanraakbare geleidende delen, die niet met de beschermingsleiding verbonden zijn, kan in plaats van een isolatieweerstandsmeting een meting van de aanraakstroom uitgevoerd worden. Er mogen de volgende meetmethoden toegepast worden: •••• Vervangende lekstroom- meetmethode •••• Verschilstroom- meetmethode •••• Directe meting Bij de lekstroommetingen wordt rekening gehouden met de frequentieloop overeenkomstig de nevenstaande afbeelding. Opmerking! Let er op dat bij de vervangende lekstroommeting alsook bei de verschilstroom- meting ook de stroom in de beschermingsleiding gemeten wordt. Opmerking De volgende schema's hebben betrekking op testobjecten met netstekker. Zie hiertoe ook paragraaf 4.4. 5.6.1 Meten met de vervangende lekstroom- meetmethode Let op!
Raak de aansluitcontacten van het apparaat niet aan tijdens een vervangende lekstroommeting! Sluit het testobject aan volgens onderstaande afbeelding Sluit de leiding van de meetpunt aan op de bus (10) "SL". Zet de meetfunctieschakelaar op "IEA 20 mA". Schakel alle functies van het te testen apparaat in en zorg ervoor dat bijv. ook alle contacten van temperatuurafhankelijke schakelaars en derg. gesloten zijn. Tast met de meetpunt alle aanraakbare delen van het testobject af. Lees de meetwaarde in “mA” af op het LCD-scherm. De weergegeven stroom mag 0,5 mA overschrijden.
20 5.6.2 Meten met de verschilstroom- meetmethode Let op! De beschermingsleidingtest moet eerst met succes uitgevoerd worden. Sluit het testobject aan zoals in de onderstaande afbeelding getoond. Sluit de leiding van het testpunt aan op de bus "2 mA". Zet de schakelaar op "IDiff 20 mA". Neem het testobject in bedrijf. Tast met het testpunt alle aanraakbare delen van het testobject af. Lees de waarde van de verschilstroom af in “mA”. Deze waarde mag niet hoger zijn dan 0,5 mA. De metingen moeten in beide posities van de netstekker uitgevoerd worden. Als meetwaarde geldt de hoogste van de twee gemeten waarden. Opmerking! Zonder aangesloten testobject worden cijfers op het display getoond, dit zijn echter geen meetwaarden.
21 5.6.3 Directe meetmethode Het testobject kan voor deze meting aangesloten blijven op het net of verbonden worden met het netstopcontact. Bij een test volgens DIN VDE 0701-0702 kunnen testobjecten met externe verbindingen, zoals datakabels enz. binnen hun totale configuratie op de opstellingsplek getest worden. Opmerking! Een fout in het testobject kan bij deze test de RCD (FI- veiligheidsschakelaar) uitschakelen en daarmee een spanningsonderbreking veroorzaken.. Sluit het testobject aan zoals in de onderstaande afbeelding getoond. Sluit de leiding van het testpunt aan op de bus "2 mA". Zet de meetfunctieschakelaar (6) op "IA 2 mA". Schakel alle functies van het te testen apparaat in en zorg ervoor dat bijv. ook alle contacten van temperatuurafhankelijke schakelaars en derg. gesloten zijn. Tast met het testpunt alle aanraakbare delen van het testobject af.
22 6 Meten van de verbruikerstroom via de netcontactdoos Let op! Een te testen apparaat mag alleen op de netcontactdoos (7) worden aangesloten nadat het op veiligheid is getest (tests overeenkomstig DIN VDE 0701-0702)! Sluit het testobject met zijn geaarde stekker aan op de netcontactdoos (7). Zet de meetfunctieschakelaar op het bereik “INet 16 A” Schakel het te testen apparaat in. Lees de meetwaarde af in “A” op het LCD-scherm (11). Let op! De maximaal toelaatbare belasting bedraagt 16 A continu en 20 A gedurende maximaal 10 minuten. Als beveiliging bij overbelasting moet het net, waarop het testinstrument wordt aangesloten, afgezekerd zijn. De nominale stroom van de gebruikte zekering mag maximaal 16 A zijn!
curve van de gemeten stroom 49 … 51 Hz 45 … 100 Hz E8 2 bij capacitieve last (bij verv.lekstroom) 1 (bij aanraakstroom) 2,5 alle andere meetbereiken Weergaven en signalering LCD Weergave 0...1999 digits, 3 ½ posities Cijfergrootte 17 mm en speciale tekens Overload indicatie weergave van “OL” Overtemperatuur RISO bij langdurige kortsluiting: aanduiding "RISO" en "M" knipperen Signaallamp PE Deze signaleert of er spanning op de beschermingsleiding staat Foutindicatie LED De rode foutindicatie LED signaleert grenswaarde-overschrijdingen bij het meten van de weerstand van de beschermingsleiding, de isolatieweerstand, de vervangende lekstroom, de aanraak- resp. de lekstroom, evenals de verschilstroom. Piëzo zoemer In het geval dat de foutindicatie LED oplicht en de desbetreffende kritische grenswaarde overschreden wordt, gaat bovendien de zoemer af.
26 8 Onderhoud – kalibrering Onderhoud behuizing Een speciaal onderhoud is niet noodzakelijk. Let op een schoon en droog oppervlak. Gebruik voor het reinigen een licht vochtige doek. Vermijdt het gebruik van oplos-, poets- en schuurmiddelen. Kalibrering Volgens de nieuwe norm DIN VDE 0701-0702 geldt vanaf 1-1-2008: "De voor de herhalingscontrole toegepaste meetinstrumenten moeten regelmatig getest en gekalibreerd worden". U kunt uw testinstrument laten testen en kalibreren bij: GMC-I Service GmbH-Kalibrierzentrum Telefoon 0049-911-8602-0 Dit adres geldt uitsluitend voor Duitsland. In het buitenland staan diversen vertegenwoordigers of filialen ter beschikking.
DKD- Kalibreerlaboratorium voor elektrische meetgrootheden DKD - K – 19701:2005 Geaccrediteerde meetgrootheden: gelijkspanning, gelijkstroomsterkte, gelijkstroom-weerstand, wisselspanning, wisselstroomsterkte, wisselstroom-actief-vermogen, wisselstroom-blindvermogen, gelijkstroomvermogen, capaciteit, frequentie en temperatuur Terugname en milieuvriendelijke verwijdering Elektrische en elektronische apparaten mogen niet als huishoudafval worden behandeld. Als het apparaat aan het eind van zijn levensduur is, dient u het te verwijderen volgens de geldende wettelijke voorschriften. Breng het naar een plaats waar elektrische en elektronische apparatuur worden gerecycled. Verwijdering via het huishoudafval is verboden!
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Gossen Metrawatt METRATESTER 5+ stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Not categorized Gossen Metrawatt
Handleiding Not categorized
Nieuwste handleidingen voor Not categorized