Einhell Freelexo 550 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Einhell Freelexo 550 (290 pagina’s), behorend tot de categorie Robotmaaier. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 25 mensen. Heb je een vraag over Einhell Freelexo 550 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Einhell |
| Categorie: | Robotmaaier |
| Model: | Freelexo 550 |
Handleiding Einhell Freelexo 550 – volledige tekst
NL- 139 - Inhoudsopgave1. Veiligheidsaanwijzingen2. Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering3. Reglementair gebruik4. Technische gegevens5. Inbedrijfstelling6. Bediening7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelen8. Opslag9. Transport10. Verwerking en recycling11. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten 12. Indicatie van de maairobot en verhelpen van fouten13. Indicatie laderGevaar! - Handleiding lezen om het letselrisico te verminderen.Dit apparaat mag niet door kinderen worden gebruikt. Dit apparaat kan door personen met verminderde fysieke, sensorische of mentale vaardigheden of een gebrek aan ervaring en kennis worden gebruikt, mits deze onder toezicht staan of met betrekking tot het veilige gebruik van het apparaat geïnstrueerd werden en begrijpen welke gevaren van het apparaat kunnen uitgaan.
NL- 140 -Gevaar. Bij het gebruik van toestellen dienen enkele veiligheidsmaatregelen te worden nageleefd om lichamelijk gevaar en schade te voorkomen. Lees daarom deze handleiding / veiligheidsinstructies zorgvuldig door. Bewaar deze goed zodat u de in-formatie op elk moment kunt terugvinden. Mocht u dit toestel aan andere personen doorgeven, gelieve dan deze handleiding / veiligheidsins-tructies mee te geven. Wij zijn niet aansprakelijk voor ongevallen of schade die te wijten zijn aan niet-naleving van deze handleiding en van de vei-ligheidsinstructies. 1. VeiligheidsaanwijzingenDe overeenkomstige veiligheidsinstructies vindt u in de bijgaande brochure. Waarschuwing. Lees alle veiligheidsinstructies, aanwijzin-gen, plaatjes en technische gegevens, waar-van dit elektrisch gereedschap is voorzien.
Nalatigheden bij de inachtneming van de vol-gende instructies kunnen een elektrische schok, brand en/of ernstige verwondingen veroorzaken. Bewaar alle veiligheidsinstructies en aanwij-zingen voor de toekomst. Verklaring van de gebruikte symbolen (zie afbeelding 14)A. WAARSCHUWING - Vóór inzet van de ma-chine de handleiding doorlezen. B. WAARSCHUWING - Tijdens de inzet van de machine voldoende veiligheidsafstand bewa-ren. C. WAARSCHUWING - Vóór de uitvoering van werkzaamheden aan de machine of alvorens deze op te tillen de blokkeerinrichting acti-veren. OPGELET - Roterende messen niet aanraken. D. WAARSCHUWING - Niet meerijden op de machine. OPGELET - Roterende messen niet aanraken. E. Beschermklasse II (dubbele isolatie)F. Opslag van de accu’s alleen in droge ruimtes met een omgevingstemperatuur van +10 °C tot +40 °C. De accu’s alleen in geladen toe-stand opbergen (min. 40% geladen). G.
Trek tijdens een onweer de netstekker uit het stopcontact en isoleer de begrenzingsdraad van het laadstation. 2. Beschrijving van het apparaat en omvang van de levering2. 1 Beschrijving van het apparaat (afbeelding 1/2)1. Maairobot2. Bedieningsveld3. STOP-toets / Ontgrendelingstoets van de af-dekking van het display4. Maaihoogteverstelling5. Regensensor6. Draaggreep7. Hoofdschakelaar8. Achterwiel9. Deksel accuvak10. Klingen11. Messenschijf12. Voorwiel13. Voedingseenheid(-kabel)14. Bevestigingshaak15. Bevestigingsschroef16. Kabelverbinder17. Reserve klingen18. Begrenzingsdraad19. Laadstation20. Laadpen21. LED-indicatie22. Zeskantsleutel23. Afdekking van het display24. USB-aansluiting25. Liniaal (om eruit te trekken)2. 2 Omvang van de levering en uitpakkenGelieve de volledigheid van het artikel te contro-leren aan de hand van de beschreven omvang van de levering.
Indien er onderdelen ontbreken, gelieve u dan binnen 5 werkdagen na aankoop van het artikel te wenden tot ons servicecenter of tot het verkooppunt waar u het apparaat heeft ge-kocht, en leg een geldig bewijs van aankoop voor. Gelieve daarvoor de garantietabel in de service-informatie aan het einde van de handleiding in acht te nemen. • Open de verpakking en neem het toestel voorzichtig uit de verpakking. • Verwijder het verpakkingsmateriaal alsmede Anl_FREELEXO_Basic_SPK13. indb 140Anl_FREELEXO_Basic_SPK13. indb 140 02. 10. 2023 10:05:2002. 10. 2023 10:05:20.
NL- 141 -verpakkings-/transportbeveiligingen (indien aanwezig). • Controleer of de leveringsomvang compleet is. • Controleer het toestel en de accessoires op transportschade. • Bewaar de verpakking indien mogelijk tot het verloop van de garantieperiode. Gevaar. Het toestel en het verpakkingsmateriaal zijn geen speelgoed voor kinderen. Kinderen mo-gen niet met plastic zakken, folies en kleine stukken spelen. Er bestaat inslik- en verstik-kingsgevaar. Omvang van de levering, montagemateriaal en toebehoren (deels niet meegeleverd)Gelieve de omvang van de levering af te leiden uit het bijgevoegde informatieblad.
• Maairobot • Voedingseenheid(-kabel) • Laadstation • Bevestigingsschroeven (4 stuks) • Reserve klingen • Bevestigingshaak • Begrenzingsdraad • Kabelverbinder • Zeskantsleutel• Accu • Lader• Liniaal (om eruit te trekken)• Originele handleiding • VeiligheidsinstructiesBenodigde hulpmiddelen (niet meegeleverd) • Hamer • Tang • Isolatietang• Waterpas (optioneel)3. Reglementair gebruikDe maairobot is geschikt voor particulier gebruik in huis- en hobbytuin en uitsluitend voor het maai-en van gazons. De machine mag alleen doelmatig worden ingezet. Elk daarboven uitgaand gebruik is niet-doelmatig. Voor daaruit voortvloeiende schade of verwondingen van welke aard dan ook is de gebruiker/bediener aansprakelijk, en niet de fab-rikant. Wij wijzen erop dat onze apparaten overeen-komstig hun doelmatig gebruik niet zijn ontwor-pen voor commerciële, ambachtelijke of industrië-le inzet.
20-60 mm; traploosToegelaten lengte van de begrenzingsdraad. max. 250 mKabel antenne voor begrenzingsdraadOperationele frequentieband. 0-148,5 KHzMaximaal zendvermogen. 67,05 dBuA/mVoedingseenheidIngangsspanning:. 100-240 V ~ 50/60 HzUitgangsspanning:. 24 V DCUitgangsstroom:. 1,5 ABeschermklasse:. II / 쓑De geluidswaarden werden vastgesteld conform de normen EN ISO 3744:1995 en ISO 11094: 1991. Waarschuwing. Dit apparaat genereert tijdens het bedrijf een elektromagnetisch veld. Dit veld kan onder bepaalde omstandigheden een nadelige inv-loed hebben op actieve of passieve medische implantaten. Om het gevaar van ernstige of dodelijke verwondingen te verminderen ra-den wij personen met medische implantaten aan om hun arts en de fabrikant van het me-dische implantaat te raadplegen, voordat het apparaat wordt bediend. Anl_FREELEXO_Basic_SPK13. indb 141Anl_FREELEXO_Basic_SPK13. indb 141 02. 10.
NL- 142 -5. InbedrijfstellingLees de hele handleiding, voordat u begint met de installatie van de maairobot. Hoe goed de maairobot later werkt is afhankelijk van de kwaliteit van de installatie. 5. 1 WerkingsprincipeDe maairobot kiest zijn richting bij toeval. De tuin wordt daarbij volledig gemaaid, doordat de maairobot alle delen binnen het door de begren-zingsdraad (18) ingesloten vlak bewerkt. Zodra de maairobot een correct geïnstalleerde begren-zingsdraad (18) herkent, draait hij zich om en rijdt in een andere richting binnen het vlak. Alle delen die u binnen het vlak wilt beschermen – bijv. tuinvijvers, bomen, meubels of bloembedden – moeten eveneens met de begrenzingsdraad (18) worden afgeschermd. De begrenzingsdraad (18) moet een gesloten cirkel vormen.
Indien de maairobot binnen het maaigebied op een hinder-nis stuit, dan rijdt hij terug en maait verder in een andere richting (afbeelding 3). 5. 2 SensorenDe maairobot is uitgerust met meerdere veilig-heidssensoren. • Hefsensor:Indien de maairobot van achter meer dan 30° van de grond wordt opgetild of een voorwiel (12) het contact met de grond verliest, dan wordt de robot en de rotatie van de klingen (10) meteen gestopt. • Hellingsensor:Indien de maairobot sterk in één richting helt, dan wordt de robot en de rotatie van de klin-gen (10) meteen gestopt. • Hindernissensor:De maairobot herkent hindernissen op zijn pad. Wanneer de maairobot op een hindernis stuit, dan wordt de robot en de rotatie van de klingen meteen gestopt en rijdt hij terug weg van de hindernis. • Regensensor:De maairobot is uitgerust met een regensen-sor (5) om te verhinderen dat de robot in de regen werkt.
De maairobot keert terug naar het laadstation (19) wanneer er regen wordt herkend, en wordt daar compleet opgeladen. Nadat de regensensor (5) weer is gedroogd, blijft de robot nog twee uur in het laadstation (19). Pas daarna hervat hij het werk weer, mits hij zich nog in een actief tijdvenster bevindt.
Als de regensensor (5) heeft gerea-geerd, dan knippert de alarm-LED (55) geel. Sluit de beide metaalsensoren niet kort met metaal of een ander geleidend materiaal. Hierdoor wordt de correcte werking van de maairobot negatief beïnvloed. 5. 3 VoorbereidingMaak eerst een schets van uw gazon. Teken ook hindernissen mee in en werk een plan uit hoe u deze wilt beschermen. Daardoor wordt het eenvoudiger om een goede plaats voor het laad-station (19) te vinden en de begrenzingsdraad (18) rond struiken, bloembedden enz. te leggen (afbeelding 4). Als het gras hoger is dan 60 mm, dan moet het worden gekort om de maairobot niet overmatig te belasten en de effi ciëntie niet te verlagen. Gebruik daarvoor een conventionele grasmaaier of een trimmer. Haal alle losse voorwerpen die door de maairobot kunnen worden beschadigd of die de robot kun-nen beschadigen, weg van het gras.
Houd de volgende gereedschappen bij de hand: hamer, tang, isolatietang en waterpas (optioneel). Montage van de accuVoor de inzet van de maairobot is een accu (A) van de Power-X-Change serie nodig. Opgelet: de accu (A) kan al naargelang modelvariant niet zijn meegeleverd met uw maairobot. Open het deksel van het accuvak (9). Druk op de grendelknop van de accu (A) en schuif de accu (A) in de daartoe voorziene houder. Sluit het deksel van het accu-vak (9) en let erop dat dit correct vastklikt (afbeel-ding 10). Om de accu (A) te verwijderen opent u het deksel van het accuvak (9). Druk op de gren-delknop van de accu (A) en trek deze (A) eruit. 5. 4 Laadstation5. 4. 1 Standplaats van het laadstationZoek eerst de beste plaats voor het laadstation (19). Er is een contactdoos voor buiten nodig die permanent stroom levert, opdat de maairobot al-tijd functioneert.
Het laadstation (19) moet op een vlakke ondergrond op de hoogte van de grasnerf worden geplaatst. Zorg ervoor dat de omgeving vlak en droog is. Kies een plaats in de schaduw, aangezien de accu het best wordt geladen in een koele omgeving.
Zorg er bovendien voor dat de begrenzingsdraad minstens 2 m vóór het laad-station (19) recht wordt gelegd (afbeelding 5a). Bochten vlak voor het laadstation (19) kunnen tot moeilijkheden leiden bij het aandokken om te laden. Anl_FREELEXO_Basic_SPK13. indb 142Anl_FREELEXO_Basic_SPK13. indb 142 02. 10. 2023 10:05:2102. 10. 2023 10:05:21.
NL- 143 -5. 4. 2 Lokalisering van het laadstationWanneer de accu bijna leeg is, dan keert de maairobot terug naar het laadstation (19) door de begrenzingsdraad (18) tegen de klok in te volgen tot aan het station (19). Let er daarom op dat het laadstation (19) correct uitgericht wordt geplaatst (afbeelding 5b). 5. 4. 3 Aansluiting van het laadstation aan de voedingseenheid1. Voordat u het laadstation (19) verbindt met de stroomtoevoer moet u controleren of de net-spanning 100-240 V bij 50/60 Hz bedraagt. 2. Verbind de voedingseenheid (13) recht-streeks met een contactdoos. Gebruik de kabel voor geen enkele andere toepassing. 3. Gebruik geen beschadigde voedingseenheid (13). Wend u bij schade aan kabels of aan de voedingseenheid (13) voor vervanging me-teen tot een erkende vakman. 4. Laad de maairobot niet op in een vochtige omgeving.
Laad de maairobot niet op bij tem-peraturen hoger dan 40 °C of lager dan 5 °C. 5. Houd de maairobot en de voedingseenheid (13) uit de buurt van water, warmtebronnen en chemicaliën. Houd de kabel van de voe-dingseenheid (13) om schade te vermijden weg van scherpe randen. 6. Verbind de voedingseenheid (13) met het laadstation (19) (afbeelding 5c). Om de accu van de maairobot al tijdens de ins-tallatie te laden schakelt u de robot eerst via de hoofdschakelaar (7) in en plaatst u deze in het laadstation (19). 5. 4. 4 Informatie over het laadprocesDe maairobot keert in een van de volgende situa-ties terug naar het laadstation (19): • U stuurt de maairobot handmatig terug. • De laadtoestand van de accu daalt onder 30%. • De dagelijkse werktijd is verstreken. • De regensensor heeft gereageerd. • De maairobot is oververhit.
Tijdens het laden van de accu brandt de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) rood. Als de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt, dan geeft dit aan dat de accu volledig is geladen. Nadat de accu volledig is op-geladen hervat de maairobot het werk weer, of hij blijft tot aan het volgende werktijd venster in het laadstation (19). Als er zich bij het terugrijden naar het laadstation (19) een hindernis bevindt op de begrenzings-draad (18), dan blijft de maairobot na meerdere pogingen voor de hindernis staan en kan deze niet terugkeren naar het laadstation (19). Verwi-jder alle hindernissen op de begrenzingsdraad (18). Indien de temperatuur van de accu 45 °C over-schrijdt, dan wordt het laadproces afgebroken om schade aan de accu te vermijden. Nadat de tem-peratuur weer is gedaald, wordt het laadproces automatisch voortgezet.
Indien de temperatuur van de besturing van de maairobot 65 °C overschrijdt, keert de maairobot terug naar het laadstation (19). Nadat de tem-peratuur weer is gedaald, wordt het werk weer hervat overeenkomstig de instellingen. Indien de accu leeg raakt voordat de maairobot terugkeert naar het laadstation (19), dan kan de robot niet meer worden gestart. Breng de maai-robot terug naar het laadstation (19) en laat de hoofdschakelaar (7) ingeschakeld. De maairobot wordt automatisch opgeladen. 5. 5 BegrenzingsdraadOPGELET. Doorgesneden begrenzingsdra-den en gevolgschade vallen niet onder de garantie. 5. 5. 1 Leggen van de begrenzingsdraadDe begrenzingsdraad (18) kan zowel op de grond als in de grond worden gelegd. Bij harde of droge grond kunnen de bevestigingshaken (14) bij het inslaan breken. Bevochtig het gras vóór het aan-brengen van de begrenzingsdraad als de grond erg droog is.
De positie van de begrenzingsdraad kunt u in de eerste weken van de inzet van de maairobot nog aanpassen. Na enige tijd zal het gras echter over de begrenzingsdraad zijn gegroeid en deze niet meer te zien zijn. Installeer de begrenzingsdraad met een maximale afstand van 1 m tussen de beves-tigingshaken (14). Verkort de afstand tussen Anl_FREELEXO_Basic_SPK13. indb 143Anl_FREELEXO_Basic_SPK13. indb 143 02. 10. 2023 10:05:2102. 10. 2023 10:05:21.
NL- 144 -de bevestigingshaken op oneffen plekken van het gazon. Vermijd situaties waarbij de draad niet op de grond rust. Zorg ervoor dat de be-grenzingsdraad niet door de maairobot kan worden doorgesneden. • Installatie in de grondGraaf de begrenzingsdraad tot 5 cm diep in. Daardoor wordt het beschadigen van de draad (18) bijvoorbeeld bij het verticuteren of verluchten verhinderd. Aanwijzing. Laat 1 m draad aan het achterste uiteinde van het laadstation over om later correcties te kunnen uitvoeren. 5. 5. 2 Nauwe puntenIndien het gazon een nauw punt bezit, dan kan uw maairobot daarin werken, zolang de doorgang een breedte van minstens 1,4 m (80 cm tussen de begrenzingsdraden) en een lengte van max. 8 m heeft (afbeelding 3). 5. 5. 3 Afstand tot de grens van de tuinWanneer de maairobot een begrenzingsdraad (18) nadert, dan wordt dit herkend door de sen-soren voor in de robot.
Voordat de maairobot om-draait, rijdt hij echter tot wel 30 cm over de draad (18). Houd hier rekening mee bij de planning van het maaigebied (afbeelding 6a). 5. 5. 4 Leggen van de draad in hoekenLeg de begrenzingsdraad (18) in de hoeken niet in een rechte hoek (90°). Om te garanderen dat de maairobot niet te ver over de begrenzings-draad (18) heen rijdt, moet u de draad (18) leg-gen zoals voorgesteld in afbeelding 6b. 5. 5. 5 Berekening van de helling van het gazonDe maairobot kan hellingen tot maximaal 35% aan. Vermijd daarom steilere hellingen. De helling kan met de overwonnen hoogte aan de hand van de afstand worden vastgesteld (afbeelding 6c). Voorbeeld: a/b = 35 cm/100 cm = 35%5. 5. 6 Installatie van de begrenzingsdraad op hellingenOp hellingen kan de maairobot, vooral door nat gras, gaan glijden en daardoor over de be-grenzingsdraad (18) heen rijden.
Daarom wordt aanbevolen om op de volgende punten te letten (afbeelding 6d): • Aan het bovenste deel van een glooiing mag de begrenzingsdraad (18) niet worden geïn-stalleerd op hellingen steiler dan 35%.
Houd hier de afstand van 30 cm tot hindernissen en randen van het gazon aan. • Aan het onderste deel van een glooiing mag de begrenzingsdraad (18) niet worden geïn-stalleerd op hellingen steiler dan 17%. Houd hier de afstand van 40 cm tot hindernissen en randen van het gazon aan. 5. 5. 7 Rijwegen en bestrate paden • Scheid verhoogde paden, vlakken met grind of schorsmulch, lager gelegen bloembedden en dergelijke vlakken af. Leg de begrenzings-draad (18) op een afstand van minstens 30 cm (afbeelding 6e en 6g). • Met de grasnerf vlak lopende paden hoeven niet te worden afgescheiden, aangezien de maairobot hier gewoon overheen kan rijden. De begrenzingsdraad (18) mag ook over pa-den worden gelegd (afbeelding 6f en 6g). 5. 5. 8 BegrenzingseilandenBescherm hindernissen in het maaigebied door begrenzingseilanden aan te leggen.
Daardoor kan een botsing met gevoelige objecten, tuinvij-vers, bomen, meubels, bloembedden enz. , wor-den verhinderd (afbeelding 6h en 6i). • Rol de begrenzingsdraad (18) uit van de ran-den tot aan de te beschermen objecten. • Fixeer de begrenzingsdraad (18) met bevesti-gingshaken (14) met de klok mee rond het te beschermen object. • Omhein de begrenzingseilanden compleet en leid de begrenzingsdraad (18) terug naar het punt waar u de rand van het gazon heeft verlaten. • De afstand tussen begrenzingseilanden moet minstens 0,8 m bedragen. Verbind de objecten anders tot één gemeenschappelijk begrenzingseiland (afbeelding 6h). • De begrenzingsdraden (18) naar het begren-zingseiland toe en daarvan weg moeten pa-rallel en erg dicht bij elkaar worden gelegd. - Opgelet. Begrenzingsdraden (18) mogen elkaar niet kruisen.
NL- 145 -5. 5. 9 Hindernissen • Hindernissen met een hoogte van meer dan 10 cm (afbeelding 6j)Vaste hindernissen hoger dan 10 cm, bijv. bomen, muren, hekken, tuinmeubels enz. , worden herkend door de collisiesensoren. Als de maairobot op een hindernis stuit, dan stopt hij, schakelt het maaiwerk uit, rijdt terug en draait, om het maaien in een andere richting voort te zetten. Zachte, instabiele en waardevolle hindernissen moeten worden beschermd door een eiland van begrenzings-draad. • Stenen en lage hindernissenStenen, rotsen en hindernissen lager dan 10 cm in het maaigebied moeten worden be-schermd, aangezien de maairobot er anders overheen kan rijden. Daardoor kan de maai-robot beschadigd raken en blokkeren. • Bomen (afbeelding 6k)Bomen worden door de maairobot bes-chouwd als hindernissen.
Als er echter boom-wortels met een hoogte van minder dan 10 cm uit de grond steken, dan moet deze zone worden beschermd. Dit voorkomt schade aan de wortels en aan de maairobot. Houd tussen de begrenzingsdraad (18) en de hindernis een afstand van minstens 30 cm aan. 5. 5. 10 Hoofd- en nevenvlak (afbeelding 6l)Met nevenvlak (B) wordt een werkterrein aange-duid, dat niet rechtstreeks met het hoofdvlak (A), bijv. via een gazon of een weg, is verbonden. Om een apart nevenvlak (B) aan te leggen legt u de begrenzingsdraad (18) van het hoofdvlak (A) naar het nevenvlak (B) en weer terug. De begrenzings-draad (18) naar het nevenvlak (B) toe en daarvan weg moet parallel en erg dicht bij elkaar worden gelegd. - Opgelet. Begrenzingsdraden (18) mogen elkaar niet kruisen. - Fixeer daarvoor de parallelle begrenzingsdraden (18) samen met dezelfde bevestigingshaken (14) op de grond.
Om het nevenvlak (B) te kunnen maaien moet u de maairobot met de hand daarnaartoe (B) dragen. Start daar het gewenste maaiprogramma en selecteer in het submenu ‘Nevenvlak’ (zie ‘Instellingen van de maairobot’).
De maairobot zal in het nevenvlak (B) niet proberen om de begren-zingsdraad (18) te volgen in de richting van het laadstation (19), wanneer de laadtoestand van de accu laag is. 5. 6 Verbinden van het laadstationSluit het leggen van de complete begrenzings-draad (18) af, voordat u deze verbindt met het laadstation. Laat aan beide uiteinden 1 m extra begrenzingsdraad (18) over om latere aanpassin-gen te kunnen uitvoeren. Isoleer de begrenzingsdraad (18) aan de uitein-den voor de aansluiting aan het laadstation (19) met een isolatietang op een lengte van 10 tot 15 mm. Trek de netstekker uit, voordat u de begrenzings-draad (18) aansluit aan het laadstation (19). De aan de voorkant van het laadstation (19) gelegde begrenzingsdraad (18) moet via de kabelhouders aan de onderkant van het station (19) naar achter worden gelegd. Verbind deze begrenzingsdraad (18) met de linker, zwarte aansluiting.
Vervolgens leidt u de achterste begrenzingsdraad (18) door het gat (trekontlasting) in de buurt van de aans-luiting en verbindt u deze met de rechter, rode aansluiting (afbeelding 7a). Opgelet. Begrenzingsdraden (18) mogen el-kaar niet kruisen. Maak vervolgens de verbinding met de stroom-toevoer. De LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) moet na correcte installatie constant groen branden. Wanneer de LED niet brandt, controleer dan eerst de aansluitingen. Indien de LED welis-waar brandt, maar niet constant groen, lees dan de tabel ‘Indicatie laadstation en verhelpen van fouten’ aan het einde van deze handleiding. 5. 7 Inschakelen en controleren van de instal-latieZodra de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) groen brandt, is het maaigebied voorbereid voor de maairobot. Controleer eerst of de beves-tigingshaken (14) aan de begrenzingsdraad (18) goed in de grond zijn geslagen.
Zet de maairobot ca. 3 m achter het laadstation (19) vóór de be-grenzingsdraad (18). Daarbij moet de maairobot in een hoek van 90° naar de begrenzingsdraad (18) toegewend staan (afbeelding 7b).
NL- 146 -zingsdraad (18), tot deze weer in het laadstation (19) staat. Als de maairobot op sommige punten op problemen stuit, corrigeer dan eventueel de begrenzingsdraad (18) en herhaal de procedu-re. De accu van de maairobot wordt nu volledig geladen. Indien er problemen optreden bij het aandokken, dan kan het zijn dat u het laadstation (19) zijdelings opnieuw moet positioneren, tot het aandokken zonder problemen functioneert. Met de rode STOP-toets (3) kunt u de maairobot op elk moment stoppen. Na het activeren van de STOP-toets (3) wordt de maairobot gestopt en wacht hij op verdere commando’s. 5. 8 Bevestiging van het laadstationNadat de werking zoals voorgeschreven van de maairobot is verzekerd en er een geschikte plek voor het laadstation (19) werd gevonden, moet het station (19) met de bevestigingsschroeven (15) worden gefi xeerd.
Draai de bevestigings-schroeven (15) met de zeskantsleutel (22) hele-maal in de grond (afbeelding 7c). 5. 9 Accu-capaciteitsindicatieDruk op de schakelaar voor accu-capaciteitsin-dicatie. De accu-capaciteitsindicatie signaleert u de laadtoestand van de accu aan de hand van 3 LEDs (afbeelding 13b). Alle 3 LEDs branden:De accu is vol geladen. 2 of 1 LED(s) branden:De accu beschikt over voldoende restlading. 1 LED knippert:De accu is leeg, laad de accu op. Alle LEDs knipperen:De temperatuur van de accu is te laag. Verwijder de accu van het apparaat en laat de accu één dag liggen bij ruimtetemperatuur. Als de fout opnieuw optreedt, dan werd hij diep ontladen en is hij defect. Neem de accu van het apparaat. Een defecte accu mag niet meer gebruikt resp. gela-den worden. Opgelet. Wanneer u een multi-Ah pack (bijv. 4-6Ah) inzet, stel deze dan altijd in op de hogere capaciteit.
10 Laden van de accu met de laderTijdens het normale bedrijf wordt de accu (A) van de maairobot geladen via het laadstation (19). Voor de onafhankelijke inzet van de accu (A) van de Power-X-Change serie kan deze ook in de externe lader Power-X-Charger worden geladen. Opgelet. – De lader (afbeelding 13a, pos. B) kan al naargelang modelvariant niet zijn meegeleverd met uw maairobot. 1. Vergelijk of de netspanning vermeld op het typeplaatje overeenstemt met de beschikbare netspanning. Steek de netstekker van de lader (B) in het stopcontact. De groene LED begint te knipperen. 2. Steek de accu (A) op de lader (B) (afbeelding 13a). 3. Onder punt ‘Indicatie lader’ vindt u een tabel met de betekenissen van de LED-indicatie aan de lader. Tijdens het laden kan de accu iets warm worden. Dit is echter normaal.
Mocht het laden van de accupack niet mogelijk zijn, controleer dan • of aan het stopcontact de netspanning voor-handen is, • of een foutloos contact aan de laadcontacten voorhanden is. Indien het laden van de accupack nog altijd niet mogelijk is, dan verzoeken wij u • de lader • en de accupackop te sturen aan onze klantendienst. Voor een deskundige verzending verzoeken wij u contact op te nemen met onze klan-tendienst of het verkooppunt waar u het ap-paraat heeft aangekocht. Zorg er bij de verzending of verwerking van accu’s resp. het accu apparaat voor dat deze afzonderlijk worden verpakt in plastic zakken, om kortsluitingen en brand te vermijden. In het belang van een lange levensduur van de accupack is het raadzaam om op tijd voor het herladen van de accupack te zorgen. Dit is in elk geval noodzakelijk, wanneer u vaststelt dat het vermogen van het apparaat afneemt.
NL- 147 -6. Bediening6. 1 HoofdschakelaarDe maairobot is uitgerust met een hoofdscha-kelaar (7). Schakel de maairobot met de hoof-dschakelaar (7) in (ON) en uit (OFF) (afbeelding 8). Na het inschakelen van de maairobot wordt deze met de PIN vergrendeld. 6. 2 BedieningsveldDe maairobot werd reeds in de fabriek gepro-grammeerd en standaard instellingen daaraan zijn uitgevoerd. Deze kunnen indien nodig echter worden veranderd. Ook al zijn de fabrieksinstellin-gen geschikt voor de meeste tuinen, u moet zich toch vertrouwd maken met de beschikbare opties. Verklaring van de LEDs van het bedienings-veld (afbeelding 9a)50. Tijd-LEDs: indicatie van de dagelijkse maaiti-jd51. Vergrendelings-LED: indicatie van de toetsb-lokkering52. Status-LED: indicatie van de status van de maairobot en van het maaivlak53. Begrenzingsdraad-LED: indicatie of er sprake is van een fout van de begrenzingsdraad54.
Accu-LED: indicatie van de toestand van de accu55. Alarm-LED: indicatie van fouten resp. geacti-veerde regensensorVerklaring van de toetsopties van het bedie-ningsveld (afbeelding 9b)60. Toetsen voor de instelling van de maaitijd en PIN-invoer61. Toets ‘HOME’62. Vergrendelingstoets63. Toets ‘OK’64. Toets ‘START’6. 3 MaaihoogteverstellingOpgelet. Het verstellen van de maaihoogte mag alleen worden uitgevoerd bij uitgeschakelde maairobot. Druk daarvoor op de STOP-toets (3). De maairobot maakt via de maaihoogteverstelling (4) een traploze aanpassing van de maaihoogte tussen 20 en 60 mm mogelijk, die op de schaal kan worden afgelezen. Als het gras hoger is dan 60 mm, dan moet het tot minstens 60 mm worden gekort om de maairobot niet overmatig te belasten en de effi ciëntie niet te verlagen. Gebruik daarvoor een conventionele grasmaaier of een trimmer.
Na afsluiting van de installatie kan de maaihoogte via de verstelling (4) worden aangepast. Begin al-tijd met een hogere maaihoogte en verlaag deze in kleine stappen tot aan de gewenste hoogte. 6.
4 Blokkeerinrichting / PINDe blokkeerinrichting verhindert een niet toeges-tane inzet van de maairobot zonder een geldige code. Daarvoor moet u een persoonlijke veilig-heidscode invoeren die bestaat uit vier tekens. Ontgrendeling- Voordat u de maairobot in bedrijf neemt moet u de correcte PIN invoeren (standaard PIN: ‘1-2-3-4’). Open hiervoor de afdekking van het display (23) en druk op de vergrende-lingstoets (62). Voer vervolgens de PIN lang-zaam in en bevestig de invoer met de toets ‘OK’ (63). De bedieningsfuncties worden ontgrendeld en de vergrendelings-LED (51) brandt groen. - Wanneer u een verkeerde PIN invoert, dan licht de vergrendelings-LED (51) rood op. Druk op de vergrendelingstoets (62) en voer de PIN opnieuw in. VergrendelingWanneer u het bedieningsveld (2) wilt vergrende-len, druk dan op de vergrendelingstoets (62). De vergrendelings-LED (51) licht nu rood op.
Standaard PIN: Nieuwe PIN:1 2 3 4 _ _ _ _PIN wijzigenOm de PIN te wijzigen gaat u als volgt te werk:1. Ontgrendel het bedieningsveld. 2. Druk gedurende 3 seconden gelijktijdig op de toets ‘OK’ (63) en de toets ‘4H’ (60). De tijd-LEDs (50) lichten gelijktijdig op. 3. Voer een nieuwe PIN (vier tekens) in. Druk op de toets ‘OK’ (63). 4. Herhaal stap 3 om de nieuwe PIN te bevesti-gen. 5. Opgelet. Noteer de nieuwe PIN. PIN aanvragen bij verliesHoud de kwitantie en het serienummer van de maairobot bij de hand. Deze heeft u nodig om uw PIN te ontvangen. 1. Sluit aan de USB-aansluiting (24) zoals af-gebeeld een lege USB-stick aan (afbeelding 11). 2. Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON). 3. De maairobot slaat de PUK automatisch op op uw USB-stick en beëindigt het proces met Anl_FREELEXO_Basic_SPK13. indb 147Anl_FREELEXO_Basic_SPK13. indb 147 02. 10. 2023 10:05:2202. 10. 2023 10:05:22.
NL- 148 -een pieptoon. 4. Trek de USB-stick eruit. Lees de gegevens op de USB-stick uit op een computer. Door de maairobot werd een tekstbestand (*. txt) aangemaakt. Dit bestand bevat een PUK, een persoonlijke code. Wend u tot de klanten-dienst om uw PIN te ontvangen. 6. 5 Instellingen van de maairobotInstelling van de maaitijd1. Ontgrendel het bedieningsveld (2). 2. Kies door de toets voor de instelling van de maaitijd in te drukken de gewenste maaitijd:2. 1 Door de toets kort in te drukken maait de robot dagelijks. De bijhorende melding volgt door constant branden van de tijd-LEDs. 2. 2 Door de toets lang in te drukken maait de ro-bot elke tweede dag. De bijhorende melding volgt door knipperen van de tijd-LEDs. 3. Deze wordt weergegeven door de tijd-LEDs (50). 4. Bevestig de instelling door te drukken op de toets ‘OK’ (63).
De tijd waarvoor de wijzigingen werden uitgevo-erd, is nu de dagelijkse starttijd. Het weergegeven aantal uren is de dagelijkse werktijd. Voor de instelling van de maaitijd wordt als richt-waarde 8 uur per dag bij 500 m² aanbevolen. Al naargelang de grootte en complexiteit van de tuin moet de gekozen werktijd worden aangepast. Dagelijkse starttijd terugzettenOm de dagelijkse starttijd terug te zetten drukt u de toets ‘OK’ (63) en de toets ‘6H’ (60) gelijktijdig gedurende 3 seconden in. De tijd waarvoor de wijzigingen werden uitgevoerd, is nu de dageli-jkse starttijd. Het weergegeven aantal uren is de dagelijkse werktijd. Starten1. Ontgrendel het bedieningsveld (2). 2. Via de toets ‘START’ (64) kunt u het vlak se-lecteren waarbinnen de maaier moet werken. Meer informatie over de beide vlakken vindt u in het hoofdstuk ‘Inbedrijfstelling’ onder het punt ‘Begrenzingsdraad’. 2.
Daarbij knippert de status-LED (52) groen. 3. Sluit de afdekking van het display (23). De maairobot werkt nu overeenkomstig de instel-ling van de maaitijd. Tijdens de werktijd wordt de laadtoestand van de accu bewaakt en weergege-ven via de accu-LED (54). Zodra de laadtoestand daalt tot 30%, keert de maairobot automatisch terug naar het laadstation. Afbreken van het maaien1. Druk op de STOP-toets (3) om de maairobot meteen te stoppen. 2. Open de afdekking van het display (23) volle-dig. 3. Ontgrendel het bedieningsveld (2). 4. Druk op de toets ‘HOME’ (61) om de maairo-bot langs de begrenzingsdraad (18) terug te sturen naar het laadstation (19). 5. Sluit de afdekking van het display (23). STOP-status:Door op de STOP-toets (3) te drukken schakelt de maairobot in een STOP-status, die wordt weergegeven door de in volgorde knipperende tijd-LEDs (50).
De maairobot stopt met maaien, tot deze status weer wordt opgeheven. De STOP-status kan als volgt worden opgeheven:• Deblokkering van de maairobot en drukken op de toets ‘START’ (64) om de maairobot weer te laten maaien. Sluit de afdekking van het display (23). • Deblokkering van de maairobot en drukken op de toets ‘HOME’ (61) om de maairobot terug te sturen naar het station. Sluit de af-dekking van het display (23). • Deblokkering van de maairobot en sluiten van de afdekking van het display (23). • Deblokkering van de maairobot en drukken op de vergrendelingstoets (62). 7. Reiniging, onderhoud en bestelling van onderdelenGevaar. Vóór alle reinigings- en onderhoudswerkzaam-heden moet het apparaat spanningsvrij worden geschakeld, waarvoor u de netstekker uit de contactdoos moet trekken en het apparaat via de hoofdschakelaar (7) uitschakelt (OFF) (afbeelding 8).
NL- 149 -7. 1 Reiniging • Houd de veiligheidsinrichtingen, de ventila-tiespleten en het motorhuis zo veel mogelijk vrij van stof en vuil. Wrijf het apparaat met een schone doek af of blaas het met perslucht bij lage druk schoon. • De maairobot mag niet met stromend water, vooral niet onder hoge druk, worden gerei-nigd. • Reinig het apparaat regelmatig met een voch-tige doek en wat smeerzeep. Gebruik geen reinigings- of oplosmiddelen, omdat deze de kunststof delen van het apparaat zouden kun-nen aantasten. Zorg ervoor dat geen water binnenin het apparaat terecht kan komen. • Maak de maairobot indien mogelijk schoon met een borstel of doek. • Controleer de beweeglijkheid van de klingen (10) en van de messenschijf (11) • Gebruik voor de reiniging van de laadcontac-ten aan de maairobot (1) en het laadstation (19) reinigingsmiddel voor metaal of zeer fijn schuurpapier.
Maak deze schoon om een efficiënt laadproces te garanderen. 7. 2 Onderhoud • Versleten of beschadigde klingen (10) en bevestigingsschroeven moeten altijd per set worden vervangen. • Vervang versleten of beschadigde delen. • Voor een lange levensduur moeten alle schroefdelen en de wielen en assen schoon-gemaakt en vervolgens met olie gesmeerd worden. • De regelmatige verzorging van de maairobot verzekert niet alleen een lange levensduur en goede prestaties, maar draagt er ook toe bij dat uw gazon zorgvuldig en eenvoudig wordt gemaaid. • De het sterkst aan slijtage onderhevige com-ponenten zijn de klingen (10). Controleer regelmatig de toestand van de klingen (10) en de bevestiging daarvan. Als er overma-tige trillingen optreden aan de maairobot, dan kan dit erop duiden dat de klingen (10) beschadigd zijn resp. door stoten werden vervormd.
Als de klingen (10) zijn versleten of beschadigd, dan moeten deze meteen wor-den vervangen. • Controleer regelmatig het maaipatroon van het gazon. Door onscherpe klingen worden de grashalmen niet zuiver afgesneden.
Daar-door kan het gras aan het oppervlak licht uitdrogen en verdort het. Vervang daarom de klingen regelmatig, opdat u een zuiver en recht maairesultaat verkrijgt. • Controleer de onderkant van de maairobot re-gelmatig op vervuilingen. Reinig de maairobot regelmatig. Verwijder sterkere verontreinigin-gen onmiddellijk. • In de eerste weken na de inbedrijfstelling en als daarvoor met een conventionele gras-maaier werd gemaaid, kan uw maairobot sterk verontreinigd raken. Controleer daarom de onderkant van uw maairobot gedurende deze periode vaker. • Verkort het gras om een sterke verontreini-ging te vermijden slechts in kleine stappen. • Binnenin het apparaat zijn er geen andere te onderhouden onderdelen. 7. 2. 1 Vervangen van de klingenGebruik alleen originele klingen, aangezien an-ders functies en veiligheid niet zijn gegarandeerd.
De maairobot is uitgerust met drie aan een mes-senschijf (11) gemonteerde klingen (10). Deze klingen (10) hebben een levensduur van maxi-maal 3 maanden (wanneer er geen hindernissen worden getroff en). Vervang alle drie klingen (10) gelijktijdig om uit te sluiten dat de effi ciëntie en balans van uw apparaat negatief wordt beïnvloed. Om de klingen (10) te vervangen gaat u als volgt te werk (afbeelding 12) - Opgelet. - Handschoe-nen dragen:1. Blokkeer met een schroevendraaier de rota-tie van de messchijf (11). Steek hiervoor de schroevendraaier door de voorziene gaten in de messchijf (11) en de beschermkam. 2. Draai de bevestigingsschroeven los. 3. Neem de klingen (10) eraf en vervang deze door nieuwe. Vervang alle drie klingen (10) altijd per set. 4. Daarna draait u de bevestigingsschroeven weer vast. Let erop dat de nieuwe klingen (10) vrij kunnen worden gedraaid.
Voer regelmatig een algemene controle van de maairobot uit en verzamel alle opgezamelde res-ten. Vóór elk begin van een seizoen de toestand de klingen (10) absoluut controleren. Wend u bij reparaties tot onze klantendienst. Gebruik alleen originele onderdelen.
NL- 150 -7. 2. 2 Software updateWanneer u de software wilt updaten, kopieer dan de nieuwe software op een lege USB-stick (eventueel de USB-stick eerst formatteren). Zorg ervoor dat de accu volledig is geladen, voordat u de volgende stappen uitvoert. 1. Zet de maairobot op het te maaien terrein. De maairobot mag zich bij de software update niet in het laadstation bevinden. 2. Sluit aan de USB-aansluiting zoals afgebeeld een USB-stick aan (afbeelding 11). 3. Schakel de hoofdschakelaar (7) in (ON). 4. Het update proces start automatisch en de tijd-LEDs (50) knipperen. 5. Na afsluiting van het proces geeft de maai-robot ononderbroken een pieptoon weer. Als het proces succesvol was, dan branden alle 4 tijd-LEDs (50) continu. Als het proces niet kon worden afgesloten, dan knipperen alle 4 tijd-LEDs (50) permanent en moet u de software update herhalen. 6.
Trek de USB-stick eruit en start de maairobot via de hoofdschakelaar (7) opnieuw. 7. 2. 3 Reparatie van de begrenzingsdraadAls de begrenzingsdraad (18) op een bepaald punt wordt doorgesneden, gebruik dan voor de reparatie de meegeleverde kabelverbinder (16). Daarvoor steekt u beide uiteinden van de doorge-sneden begrenzingsdraad (18) in de kabelverbin-der (16) en drukt u deze met behulp van een tang samen. Steek de netstekker in de contactdoos. Controleer vervolgens aan de hand van de LED-indicatie (21) aan het laadstation (19) de werking. 7. 3 Bestelling van onderdelen:Bij de bestelling van onderdelen moeten de vol-gende gegevens worden vermeld: • Type van het apparaat • Artikelnummer van het apparaat • Ident. -nummer van het apparaat • Onderdeelnummer van het benodigde onder-deelActuele prijzen en info vindt u terug onder www. Einhell-Service. comReserve klingen art. -nr. : 34. 140.
Isoleer de voedingseenheid (13) van de stroomtoevoer en het laadstation (19). De begrenzingsdraad (18) kan in de winter buiten worden gelaten. Zorg er echter wel voor dat de aansluitingen zijn beschermd tegen corrosie. Isoleer daartoe de aansluitingen van de begren-zingsdraad (18) van het laadstation (19). Berg het apparaat en het toebehoren op op een donkere, droge, vorstvrije en voor kinderen ontoegankelijke plaats. De optimale opslagtem-peratuur ligt tussen 5 °C en 30 °C. Bewaar het apparaat in de originele verpakking. 9. Transport• Schakel het apparaat uit via de hoofdscha-kelaar (7) (OFF) (afbeelding 8). • Breng, indien voorhanden, transportbeveili-gingen aan. • Bescherm het apparaat tegen schade en sterke trillingen, die met name optreden bij het transport in voertuigen. • Beveilig het apparaat tegen wegglijden en kantelen.
• Draag de maairobot aan de draaggreep (6) met de messenschijf (11) weg van het lichaam gericht. 10. Verwerking en recyclingHet apparaat zit in een verpakking om transport-schade te verhinderen. Deze verpakking is een grondstof en dus herbruikbaar of kan worden teruggevoerd in de grondstofkringloop. Het ap-paraat en zijn toebehoren bestaan uit diverse materialen, zoals bijv. metaal en kunststof. De-fecte apparaten horen niet bij het huisvuil. Voor deskundige verwerking moet het apparaat bij een daarvoor bestemde inzamelplaats worden afge-geven. Indien u geen inzamelpunt kent, gelieve dan bij de gemeente te informeren. Anl_FREELEXO_Basic_SPK13. indb 150Anl_FREELEXO_Basic_SPK13. indb 150 02. 10. 2023 10:05:2202. 10. 2023 10:05:22.
NL- 151 -11. Indicatie van het laadstation en verhelpen van fouten LED-indicatie (21) Beschrijving OplossingUit - Geen stroomtoevoer - Controleer de stroomtoevoerBrandt groen - Klaar om te maaien- Accu volledig geladen- Begrenzingsdraad (18) aan-geslotenKnippert groen - Begrenzingsdraad (18) door-gesneden- Onderzoek de begrenzingsdraad (18) op een breukBrandt rood - Accu wordt geladen - Wacht tot de accu volledig is geladen12.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Einhell Freelexo 550 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Robotmaaier Einhell
Handleiding Robotmaaier
Nieuwste handleidingen voor Robotmaaier