Dimplex LI 9TE Warmtepomp Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Dimplex LI 9TE Warmtepomp (28 pagina’s), behorend tot de categorie Warmtepomp. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 42 mensen en kreeg gemiddeld 5.0 sterren uit 6 reviews. Heb je een vraag over Dimplex LI 9TE Warmtepomp of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Dimplex |
| Categorie: | Warmtepomp |
| Model: | LI 9TE Warmtepomp |
Handleiding Dimplex LI 9TE Warmtepomp – volledige tekst
NL-4Nederlands11 Direct lezen a. u. b. 1. 1 Belangrijke aanwijzingenOPGELET. Het apparaat is niet voor frequentie-omzetting geschikt. OPGELET. Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij vanspanning te zijn. OPGELET. De warmtepomp mag bij het transport max. 45° worden gekanteld (iniedere richting). OPGELET. Warmtepomp en transportpallet zijn alleen door de verpakkingsfolie metelkaar verbonden. OPGELET. Het aanzuig- en uitblaasbereik mag niet beperkt of geblokkeerd worden. OPGELET. Let op het rechtsdraaiende veld: Als de compressor in de verkeerderichting draait, kan deze beschadigd worden. OPGELET. Gebruik geen zand-, soda-, zuur- of chloorhoudendeschoonmaakmiddelen, omdat deze het oppervlak aantasten. OPGELET. Om afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (b. v. roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebeschermingte gebruiken. OPGELET.
Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij vanspanning te zijn. OPGELET. Werkzaamheden aan de warmtepomp dienen uitsluitend door eenbevoegde en vakkundige serviceafdeling uitgevoerd te worden. 1. 2 Wettelijke voorschriften en regelsDe constructie en uitvoering van de warmtepomp voldoen aanalle overeenkomstige EG-richtlijnen (zie CE-conformiteitsverklaring). Bij de elektrische aansluiting van de warmtepomp dienen deovereenkomstige EN- en IEC-normen evenals de nationalerichtlijnen te worden nageleefd. Bovendien moeten deaansluitvoorwaarden van de energievoorzieningsbedrijven inacht genomen wordeBij het aansluiten van het verwarmingssysteem dienen debetreffende voorschriften opgevolgd te worden.
Personen, meer bepaald kinderen, die wegens hun fysieke,zintuiglijke of mentale vaardigheden of wegens hun gebrek aankennis of ervaring niet in staat zijn, het toestel op een veiligemanier te gebruiken, mogen dit toestel niet zonder toezicht ofinstructies vanwege een verantwoordelijke persoon gebruiken.
Kinderen niet zonder toezicht laten om zeker te zijn dat ze nietmet het toestel spelen. 1. 3 Energiebesparend gebruik van de warmtepompDoor het aanschaffen van deze warmtepomp draagt u bij tot deontlasting van ons milieu. De voorwaarde voor eenenergiebesparende werking is de juiste dimensionering van dewarmtebron- en warmtegebruiksinstallatie. Het is van groot belang voor de effectiviteit van een warmtepompdat het temperatuurverschil tussen verwarmingswater enwarmtebron zo gering mogelijk gehouden wordt. Daarom is eenzorgvuldige dimensionering van de warmtebron en deverwarmingsinstallatie dringend aan te bevelen. Eentemperatuurverschil van meer dan één Kelvin (één °C) leidttot een stijging van het stroomverbruik van ca. 2,5%.
Leterop dat bij het dimensioneren van de verwarmingsinstallatie ookrekening gehouden moet worden met speciale lasten, zoals dewarmwaterbereiding, en dat deze ook voor lagere temperaturengedimensioneerd worden. Een vloerverwarming (verwarmingvan oppervlakken) is door lagere vertrektemperaturen van(30 °C tot 40 °C) optimaal geschikt voor het gebruik van eenwarmtepomp. Tijdens het gebruik dient een verontreiniging van dewarmtewisselaars te worden voorkomen, omdat hierdoor hettemperatuurverschil verhoogd wordt, met een lagerevermogencoëfficiënt (COP) als gevolg. Een aanzienlijke bijdrage tot energiebesparend gebruik wordtook geleverd door de warmtepompregelaar indien deze op dejuiste manier is ingesteld. Meer aanwijzingen hieromtrent vindt uin de gebruiksaanwijzing van de warmtepompregelaar.
www. dimplex. de NL-5Nederlands3. 22 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp2. 1 ToepassingsgebiedDe lucht-water-warmtepomp kan in aanwezige of nieuw teplaatsen verwarmingsinstallaties gebruikt worden. De warmtepomp is uitsluitend ontworpen voor het verwarmenvan verwarmingswater en sanitair water. De warmtepomp is geschikt voor de mono-energetische enbivalente werking tot een buitenlucht temperatuur van -20°C. Bij continu werking moet een teruglooptemperatuur van hetwarme water van meer dan 18 °C aangehouden worden omprobleemloosontdooien van de verdamper te waarborgen. De warmtepomp is niet ontworpen voor de verhoogdewarmtebehoefte tijdens het drogen na de bouw. Daarom moet inde extra warmtebehoefte met speciale apparaten ter plaatseworden voorzien. Voor het drogen na de bouw in de herfst of inde winter is het raadzaam een extra verwarmingselement (alsaccessoire verkrijgbaar) te installeren.
OPGELET. Het apparaat is niet voor frequentie-omzetting geschikt. 2. 2 WerkwijzeBuitenlucht wordt door de ventilator aangezogen en daarbij doorde verdamper (warmtewisselaar) geleid. De verdamper koelt delucht af, d. w. z. hij onttrekt er de warmte aan. De gewonnenwarmte wordt in de verdamper op de werkvloeistof (koelmiddel)getransfereerd. Met behulp van een elektrisch aangedreven compressor wordtde opgenomen warmte door drukverhoging op een hogertemperatuurniveau "gepompt" en via de condensor(warmtewisselaar) aan het verwarmingswater afgegeven. Daarbij wordt de elektrische energie gebruikt om de warmte vande omgeving op een hoger temperatuurniveau te brengen. Omdat de aan de lucht onttrokken energie naar het watergetransfereerd wordt om het te verwarmen, wordt dit apparaatook lucht-water-warmtepomp genoemd.
Bij lage omgevingstemperaturen verbindt zich luchtvochtigheidals rijp met de verdamper en belemmert de warmteoverdracht. Indien nodig, wordt de verdamper automatisch door dewarmtepomp ontdooid. Afhankelijk van het weer kunnen daarbijstoomwolken bij de luchtuitlaat ontstaan. 3 Leveringsomvang3. 1 BasisapparaatHet basisapparaat is een compacte warmtepomp dieonderstaande componenten bevat. Als koelmiddel wordt R404A gebruikt. 1) Verdamper2) Ventilator3) compressor4) Schakelkastje5) Expansieventiel6) Filterdroger7) Condensor3. 2 SchakelkastjeOPGELET. Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij vanspanning te zijn. Het schakelkastje bevindt zich in de warmtepomp. Nadat defrontplaat er is afgenomen en de zich rechtsboven bevindendebevestigingsschroef is losgedraaid, kan het schakelkastjeuitgeklapt worden.
NL-6Nederlands3. 33. 3 WarmtepompregelaarDe warmtepompmanager is een comfortabel elektronisch regel-en besturingsapparaat. Hij stuurt en bewaakt afhankelijk van debuitentemperatuur de hele verwarmingsinstallatie, dewarmwaterbereiding en de veiligheidstechnische voorzieningen. De ter plaatse aan te brengen buitentemperatuurvoeler incl. bevestigingsmateriaal wordt met de regelaar meegeleverd. De werkwijze en het gebruik van de warmtepompmanager wordtin de bijgeleverde gebruiksaanwijzing beschreven. 3. 4 BijartikelenInhoud:2 x afdichtingsring voor kanaalaansluiting2 x bevestigingshoekstuk2 x plug 10 mm2 x SHR 8x804 x SHR M4x84 TransportOPGELET. De warmtepomp mag bij het transport max. 45° worden gekanteld (iniedere richting). De pomp dient op een transportpallet naar de plaats vanopstelling te worden getransporteerd.
Het basistoestel biedtenerzijds de transportmogelijkheid met een handpalletwagen,steekwagen o. i. d. of door middel van 3/4" buizen, die dooropeningen in de grondplaat of in het frame geleid worden. OPGELET. Warmtepomp en transportpallet zijn alleen door de verpakkingsfolie metelkaar verbonden. Voor het gebruik van de transportgaten in het frame is hetnoodzakelijk de onderste delen aan de voorkant eraf te nemen. Daartoe worden telkens twee schroeven op de sokkellosgedraaid en de platen worden er door terugtrekken aan debovenkant uitgenomen. Bij het aanbrengen van de platenmoeten deze met lichte druk naar boven toe geschoven worden. Bij het doorsteken van de draagbuizen in het frame moet eropworden gelet dat er geen constructiedelen worden beschadigd. 5 Plaatsing5. 1 AlgemeenDe warmtepomp is voor de installatie in een hoek ontworpen.
Inverbinding met een luchtkanaal (als accessoire verkrijgbaar) aande uitblaaszijde zijn ook andere opstellingen mogelijk. Het apparaat dient in binnenruimtes op een effen, glad enhorizontaal oppervlak te worden geplaatst. Daarbij moet hetframe rondom dicht bij de grond liggen om een passendegeluidsisolatie te garanderen.
Is dat niet het geval, kunnen extrageluiddempende maatregelen noodzakelijk zijn. Plaatsing opeen onderbouwbuffer vereist beslist een volledig omlopendeondersteuning. De warmtepomp moet zo zijn opgesteld, datservice aan het apparaat probleemloos kan worden uitgevoerd. Dit is gewaarborgd, indien er een afstand van ca. 1 m voor enlinks van de warmtepomp gerespecteerd wordt. De zijdelenmogen niet door aansluitleidingen zijn bedekt. Het apparaat dient nooit in ruimtes met een hogeluchtvochtigheid te worden geplaatst. Bij een luchtvochtigheidvan meer dan 50% en buitentemperaturen onder 0 °C kan op dewarmtepomp en de luchtgeleiding condensaat ontstaan. Bij installatie van de warmtepomp op een bovenverdieping moethet draagvermogen van de zoldering gecontroleerd worden enom akoestische redenen de trillingsontkoppeling zeer zorgvuldigworden gepland. Plaatsing op een houten zoldering isonacceptabel.
www. dimplex. de NL-7Nederlands6. 25. 2 CondensaatleidingHet bij het gebruik ontstane condenswater dient vorstvrij teworden afgevoerd. De warmtepomp dient horizontaal te wordengeplaatst, zodat het water goed kan afvloeien. Decondenswaterbuis moet minstens een diameter van 50 mmhebben en moet vorstvrij in de afvoerleiding worden geleid. Condenswater niet direct in bezinkvijvers en putten leiden,omdat opstijgende agressieve dampen de verdamper kunnenvernielen. 5. 3 GeluidOm geluidsoverdracht in het verwarmingssysteem tevoorkomen, is het raadzaam de warmtepomp met een flexibeleslang aan het verwarmingssysteem te koppelen. Eventueel gebruikte luchtkanalen moeten geluidstechnisch vande warmtepomp worden losgekoppeld om geluidsoverdracht opde kanalen te voorkomen.
Bij directe aansluiting van beide luchtopeningen in eenwanddoorvoer kan de aansluiting van de ventilator van driehoek-op sterschakeling worden omgelegd (zie daartoe deaanwijzingen in de klemkast van de ventilator). 6 Montage6. 1 AlgemeenDe warmtepomp is voorzien van de volgende aansluitingen:Toevoer-/afvoerluchtVertrek/terugloop van de verwarmingsinstallatie CondenswaterafvoerStroomvoorziening6. 2 LuchtaansluitingOPGELET. Het aanzuig- en uitblaasbereik mag niet beperkt of geblokkeerd worden. De aanzuigopening van het apparaat is uitsluitend voor dedirecte aansluiting op een gat in de muur ontworpen. Het gat inde muur kan daartoe als in het bijvoegsel onder inbouwmatenafgebeeld, met luchtkanaal en afdichtingsmanchet wordenvoorbereid. De als accessoires aangeboden luchtkanalen vanglasvezelbeton zijn bestand tegen vocht en staan open voordiffusie.
De afdichtingsmanchet wordt voor de afdichting van deluchtkanalen op de warmtepomp gebruikt. De luchtkanalen zelfworden niet direct aan de warmtepomp vastgeschroefd. Ingebruiksklare staat maakt uitsluitend het afdichtingsrubbercontact met de warmtepomp.
Daardoor wordt enerzijds eengemakkelijke montage en demontage van de warmtepompgewaarborgd en anderzijds een goede loskoppeling van hetconstructiegeluid bereikt. Verder dient erop gelet te worden dat het gat in de muur aanbinnenzijde beslist met een thermische isolatie bekleed wordt,om volledige afkoeling resp. doorslaand vocht in het muurwerk tevoorkomen. Het bijgevoegde bevestigingsmateriaal kan voor hetbevestigen aan de wand worden gebruikt. De uitblaasopening kan naar keuze direct bij het gat in de muurof op een langer kanaal (accessoire) gemonteerd worden. Daarbij moet te werk gegaan worden als voor de aanzuigzijde isbeschreven. Bij het gebruik van een opgeflensd luchtkanaal aan deuitblaaszijde wordt dit met 4 zeskantbouten M8x16 op devoorziene schroefgaten bevestigd.
NL-8Nederlands6. 3De in het schema vermelde buiten- en binnenafmetingen moetengerespecteerd worden. Bovendien moet op een passendetrillingsontkoppeling en kanaalisolatie gelet worden. 6. 3 Aansluiting aan de verwarmingDe aansluitingen op de warmtepomp aan verwarmingszijde zijnvoorzien van een 1 1/4" buitendraad. Bij het aansluiten aan dewarmtepomp dienen de overgangen met een sleutel te wordenvastgehouden. Voor het warmwaterzijdige aansluiten van de warmtepomp dientde verwarmingsinstallatie doorgespoeld te worden, om mogelijkvuil, resten van isolatiemateriaal etc. te verwijderen. Wanneer decondensor door resten en vervuiling verstopt raakt, kan dit totuitval van de warmtepomp leiden. Voor installaties met eenafsluitbaar verwarmingswaterdebiet, afhankelijk van radiator-resp.
thermostaatventielen, moet ter plaatse eenoverstroomventiel achter de verwarmingspomp in eenverwarmingsbypass worden ingebouwd. Dit waarborgt eenminimale doorstroming van warm water door de warmtepomp envoorkomt storingen. Na installatie van de verwarming dient het verwarmingssysteemte worden gevuld, ontlucht en onder druk te worden gezet. Minimum waterdebietHet minimum waterdebiet van de warmtepomp dient in elkebedrijfsmodus van de verwarmingsinstallatie gegarandeerd tezijn. Deze kan b. v. door installatie van een differentiedruklozeverdeler of van een overstroomventiel worden bereikt. Deinstelling van een overstroomventiel wordt in het hoofdstukInbedrijfstelling verklaard. VorstbeveiligingWarmtepompen, die aan vorst blootstaan, dienen met de hand teworden geleegd (zie afbeelding).
Indien de regelaars en deverwarmings-circulatiepomp bedrijfsklaar zijn, werkt devorstbeveiliging van de regelaar. Bij buitenbedrijfstelling van dewarmtepomp of bij stroomuitval moet de installatie wordengeleegd. Bij warmtepompsystemen waarbij stroomuitval nietherkend kan worden (vakantiehuis), moet de verwarmingskringmet een geschikte vorstbeveiliging worden gebruikt. 6.
4 Elektrische aansluitingDe spanningsvoorziening en stuurspanning verlopen viaconventionele leidingen (last: 5-aderig, sturing 3-aderig). Exacte aanwijzingen over de aansluiting van externecomponenten en het functioneren van de warmtepompregelaarvindt u bij het aansluitschema van het apparaat en debijgevoegde gebruiksaanwijzing van de regelaar. De spanningsvoorziening voor de warmtepomp dient van eenalpolige afschakeling met tenminste 3 mmcontactopeningsafstand (b. v. een hoofdschakelaar van deelektriciteitsmaatschappij), evenals een 3-poligevermogensschakelaar, met één uitschakeling voor allebuitenkabels te worden voorzien (uitschakelstroom volgenstoestelinformatie). Bij het aansluiten moet het rechtsdraaiende veld van delastvoeding gegarandeerd worden L1; L2; L3. OPGELET. Let op het rechtsdraaiende veld: Als de compressor in de verkeerderichting draait, kan deze beschadigd worden.
De stuurspanning moet met 10 A worden beveiligd. De 2de warmtebron is bij levering op het 2 kWverwarmingsvermogen vastgeklemd. Om het vermogen naar4 kW resp. 6 kW te verhogen, moeten de meegeleverde koperenbruggen volgens het aansluitschema worden aangesloten. Voor detailinformatie zie bijvoegsel Elektrische schema's. PLQ0[PD[.
www. dimplex. de NL-9Nederlands7. 37 Inbedrijfstelling7. 1 AlgemeenVoor een inbedrijfstelling volgens de voorschriften dient dezedoor een door de fabriek bevoegde serviceafdeling uitgevoerd teworden. Onder bepaalde voorwaarden is daarmee eenverlenging van de garantie verbonden (verg. garantievergoeding). 7. 2 VoorbereidingVóór de inbedrijfstelling dienen de volgende puntengecontroleerd te worden:Alle aansluitingen van de warmtepomp dienen gemonteerdte zijn (zie hoofdstuk 6). In de verwarmingskring moeten alle kranen, die de correctestroming van het verwarmingswater zouden kunnenbelemmeren, geopend zijn. De luchtinlaat en luchtuitlaat moeten vrij worden gehouden. De draairichting van de ventilator moet overeenstemmenmet de pijlrichting. De instellingen van de warmtepompregelaar moetenovereenkomstig de gebruiksaanwijzing ervan aan deverwarmingsinstallatie zijn aangepast.
Het condenswater moet ongehinderd kunnen aflopen. 7. 3 WerkwijzeDe inbedrijfstelling van de warmtepomp verloopt via dewarmtepompregelaar. De instellingen moeten overeenkomstigde handleiding ervan worden uitgevoerd. Indien het minimum waterdebiet door middel van eenoverstroomventiel beveiligd wordt, moet deze aan hetverwarmingssysteem worden afgestemd. Een verkeerdeinstelling kan tot foutieve werking en een verhoogdeenergiebehoefte leiden. Om het overstroomventiel goed in testellen, adviseren wij als volgt te handelen:Sluit alle verwarmingskringen, die ook bij een werkendeinstallatie afhankelijk van het gebruik gesloten kunnen zijn, zodathet waterdebiet in deze bedrijfsstand zo ongunstig mogelijk is. Dit zijn doorgaans de verwarmingskringen in de ruimten aan dezuid- en westkant. Er moet minimaal één verwarmingskringgeopend blijven (b. v. bad).
Het overstroomventiel moet zo ver worden geopend, dat bij deactuele warmtebrontemperatuur het in de onderstaande tabelaangegeven maximale temperatuurverschil tussenverwarmingsvertrek en -terugloop ontstaat.
Hettemperatuurverschil moet zo dicht mogelijk bij de warmtepompworden gemeten. Bij mono-energetische installaties moet hetverwarmingselement gedeactiveerd worden. Storingen bij een werkende installatie worden ook op dewarmtepompregelaar weergegeven en kunnen, zoals in degebruiksaanwijzing van de warmtepompregelaar beschreven is,worden verholpen. Bij buitentemperaturen lager dan 10 °C enverwarmingswatertemperaturen lager dan 16 °C moet hetbufferopslagvat met de tweede warmtebron tot minimaal 25 °Cworden verwarmd. Het volgende verloop moet worden gerespecteerd om deinbedrijfstelling storingsvrij te realiseren:1) Sluit alle verwarmingskringen. 2) Zet het overstroomventiel helemaal open. 3) Kies de auto-modus op de regelaar. 4) Wacht tot het bufferopslagvat een temperatuur vanminimaal 25 °C heeft bereikt.
5) Vervolgens worden de afsluitventielen van deverwarmingskringen achtereenvolgens weer langzaamgeopend en wel dusdanig dat het waterdebiet doorlangzaam openen van de betreffende verwarmingskringconstant verhoogd wordt. De temperatuur van hetverwarmingswater in het bufferopslagvat mag daarbij nietonder de 20 °C zakken, om ontdooien van de warmtepompte allen tijde mogelijk te maken. 6) Wanneer alle verwarmingskringen volledig zijn geopend eneen verwarmingswatertemperatuur in het bufferopslagvatvan ca. 20 °C aangehouden wordt, moet de minimalevolumestroom op het overstroomventiel en deverwarmingscirculatiepomp worden ingesteld. 7) Nieuwbouw heeft wegens de benodigde energie voor hetdrogen na de bouw een verhoogde warmtebehoefte. Dezeverhoogde warmtebehoefte kan ertoe leiden dat een krapgedimensioneerde verwarmingsinstallatie de gewenstekamertemperatuur niet altijd bereikt.
NL-10Nederlands88 Reiniging / onderhoud8. 1 OnderhoudLet erop dat geen voorwerpen aan het toestel geleund of eropgelegd worden, om de lak niet te beschadigen. De buitendelenvan de warmtepomp kunnen met een vochtige doek en metgewone schoonmaakmiddelen behandeld worden. OPGELET. Gebruik geen zand-, soda-, zuur- of chloorhoudendeschoonmaakmiddelen, omdat deze het oppervlak aantasten. Om storingen door vuil in de warmtewisselaar van dewarmtepomp te voorkomen, moet ervoor worden gezorgd dat ergeen vuil in de warmtewisselaar van het verwarmingssysteemkan komen. Om de verdamper te beschermen is eenvogelrooster met minimaal 80% vrije doorsnede in hetaanzuigkanaal raadzaam. Indien zich nochtans bedrijfsstoringendoor vervuiling voordoen, moet de installatie schoongemaaktworden zoals hieronder beschreven. 8.
2 Reiniging verwarmingsgedeelteVooral bij het gebruik van stalen componenten kunnen eroxidatieproducten (roest) door zuurstof in dewarmwaterkringloop ontstaan. De roest komt via ventielen,circulatiepompen of kunststof buizen in het verwarmingssysteemterecht. Daarom dient er - vooral bij de buizen van devloerverwarming - op een diffusiedichte installatie gelet teworden. OPGELET. Om afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (b. v. roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebeschermingte gebruiken. Ook resten van smeer- en afdichtingsmiddelen kunnen hetwarme water vervuilen. Indien de vervuiling zo groot is, dat het vermogen van decondensor in de warmtepomp vermindert, moet een installateurde installatie reinigen.
Volgens de huidige stand van kennis adviseren wij om tereinigen met een fosforzuur van 5% of, indien er vaker moetworden gereinigd, met een mierenzuur van 5%. In beide gevallen moet de reinigingsvloeistof opkamertemperatuur zijn. Het is raadzaam, de warmtewisselaartegen de normale doorstroomrichting in uit te spoelen.
Om te voorkomen, dat zuurhoudend reinigingsmiddel in dekringloop van de verwarmingsinstallatie terechtkomt, raden wijaan het spoelapparaat direct op het vertrek en de terugloop vande condensor van de warmtepomp aan te sluiten. Daarna moet er met geschikte, neutraliserende middelennogmaals grondig gespoeld worden, zodat beschadigingen dooreventueel in het systeem achtergebleven resten van eenreinigingsmiddel worden voorkomen. De zuren moeten voorzichtig worden gebruikt en dedesbetreffende voorschriften moeten in acht genomen worden. In geval van twijfel moet met de fabrikant van hetreinigingsmiddel worden overlegd. 8. 3 Reiniging luchtzijdeDe luchtkanalen, verdamper, ventilator en condenswaterafvoermoeten voor het begin van het stookseizoen worden gereinigd(bladeren, twijgen etc. ). Daartoe moet de warmtepomp aan devoorzijde eerst aan de onderkant en dan aan de bovenkantworden geopend.
OPGELET. Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij vanspanning te zijn. Het wegnemen en plaatsen van de delen aan de voorkant wordtuitgevoerd als beschreven in hoofdstuk 4. Gebruik voor het schoonmaken geen scherpe of hardevoorwerpen, om de verdamper en de condenswaterbak niet tebeschadigen. 9 Storingen / storingsdiagnoseDeze warmtepomp is een kwaliteitsproduct, dat onder normaleomstandigheden storings- en onderhoudsvrij werkt. Als er tocheen keer een storing optreedt, wordt dit op het display van dewarmtepompmanager weergegeven. Zie hiertoe de paginaStoringen en Storingsdiagnose in de gebruiksaanwijzing van dewarmtepompmanager. Wanneer u de storing niet zelf kuntverhelpen, waarschuw dan de bevoegde serviceafdeling. OPGELET. Werkzaamheden aan de warmtepomp dienen uitsluitend door eenbevoegde en vakkundige serviceafdeling uitgevoerd te worden.
www. dimplex. de NL-11Nederlands1111 Toestelinformatie1 Technische en commerciële benaming LI 9TE2 Bouwvorm2. 1 Beschermingsgraad volgens EN 60 529 voor compacttoestel resp. verwarmingsdeel IP 212. 2 Plaats van opstelling Binnen3 Vermogengegevens3. 1 Temperatuur-gebruiksgrenzen:Verwarmingswater-vertrek/ -terugloop °C / °C tot 58 / vanaf 18Lucht °C -20 tot +353. 2 Temperatuurverschil warm water bij A7 / W35 K 10,0 5,03. 3 Verwarmingsvermogen/ vermogencoëfficiënt(COP) bij A-7 / W35 1kW / ---1. Deze gegevens staan voor de afmeting en het rendement van de installatie. Voor economische en energetische berekeningen moet met verdere invloedfactoren rekeninggehouden worden, vooral met ontdooigedrag, bivalentiepunt en regeling. Hierbij betekent b. v. A2 / W55: Buitenluchttemperatuur 2 °C en verwarmingswater-vertrektemperatuur55 °C.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Dimplex LI 9TE Warmtepomp stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Warmtepomp Dimplex
Handleiding Warmtepomp
Nieuwste handleidingen voor Warmtepomp