Dimplex LA 8AS Warmtepomp Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Dimplex LA 8AS Warmtepomp (28 pagina’s), behorend tot de categorie Warmtepomp. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 41 mensen. Heb je een vraag over Dimplex LA 8AS Warmtepomp of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Dimplex |
| Categorie: | Warmtepomp |
| Model: | LA 8AS Warmtepomp |
Handleiding Dimplex LA 8AS Warmtepomp – volledige tekst
NL-2Nederlands11 Direct lezen a. u. b. 1. 1 Belangrijke aanwijzingenOPGELET. Het apparaat is niet voor frequentie-omzetting geschikt. OPGELET. De warmtepomp mag bij het transport max. 45° worden gekanteld (iniedere richting). OPGELET. Warmtepomp en transportpallet zijn alleen door de verpakkingsfolie metelkaar verbonden. OPGELET. Het aanzuig- en uitblaasbereik mag niet beperkt of geblokkeerd worden. OPGELET. Let op het rechtsdraaiende veld: Als de compressor in de verkeerderichting draait, kan deze beschadigd worden. OPGELET. Gebruik geen zand-, soda-, zuur- of chloorhoudendeschoonmaakmiddelen, omdat deze het oppervlak aantasten. OPGELET. Om afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (b. v. roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebeschermingte gebruiken. OPGELET. Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij vanspanning te zijn. OPGELET.
Werkzaamheden aan de warmtepomp dienen uitsluitend door eenbevoegde en vakkundige serviceafdeling uitgevoerd te worden. 1. 2 Wettelijke voorschriften en regelsDe constructie en uitvoering van de warmtepomp voldoen aanalle overeenkomstige EG-richtlijnen (zie CE-conformiteitsverklaring). Bij de elektrische aansluiting van de warmtepomp dienen deovereenkomstige EN- en IEC-normen evenals de nationalerichtlijnen te worden nageleefd. Bovendien moeten deaansluitvoorwaarden van de energievoorzieningsbedrijven inacht genomen worden. Bij het aansluiten van het verwarmingssysteem dienen debetreffende voorschriften opgevolgd te worden. 1. 3 Energiebesparend gebruik van de warmtepompDoor het aanschaffen van deze warmtepomp draagt u bij tot deontlasting van ons milieu. De voorwaarde voor eenenergiebesparende werking is de juiste dimensionering van dewarmtebron- en warmtegebruiksinstallatie.
Het is van groot belang voor de effectiviteit van een warmtepompdat het temperatuurverschil tussen verwarmingswater enwarmtebron zo gering mogelijk gehouden wordt.
Daarom is eenzorgvuldige dimensionering van de warmtebron en deverwarmingsinstallatie dringend aan te bevelen. Eentemperatuurverschil van meer dan één Kelvin (één °C) leidttot een stijging van het stroomverbruik van ca. 2,5%. Leterop dat bij het dimensioneren van de verwarmingsinstallatie ookrekening gehouden moet worden met speciale lasten, zoals dewarmwaterbereiding, en dat deze ook voor lagere temperaturengedimensioneerd worden. Een vloerverwarming (verwarmingvan oppervlakken) is door lagere vertrektemperaturen van(30 °C tot 40 °C) optimaal geschikt voor het gebruik van eenwarmtepomp. Tijdens het gebruik dient een verontreiniging van dewarmtewisselaars te worden voorkomen, omdat hierdoor hettemperatuurverschil verhoogd wordt, met een lagerevermogencoëfficiënt (COP) als gevolg.
Een aanzienlijke bijdrage tot energiebesparend gebruik wordtook geleverd door de warmtepompregelaar indien deze op dejuiste manier is ingesteld. Meer aanwijzingen hieromtrent vindt uin de gebruiksaanwijzing van de warmtepompregelaar.
www. dimplex. de NL-3Nederlands3. 22 Gebruiksdoeleinde van de warmtepomp2. 1 ToepassingsgebiedDe lucht-water-warmtepomp kan in aanwezige of nieuw teplaatsen verwarmingsinstallaties gebruikt worden. De warmtepomp is uitsluitend ontworpen voor het verwarmenvan verwarmingswater en sanitair water. De warmtepomp is geschikt voor de mono-energetische enbivalente werking tot een buitenlucht temperatuur van -20 °C. Bij continu werking moet een teruglooptemperatuur van hetwarme water van meer dan 18 °C aangehouden worden omprobleemloos ontdooien van de verdamper te waarborgen. De warmtepomp is niet ontworpen voor de verhoogdewarmtebehoefte tijdens het drogen na de bouw. Daarom moet inde extra warmtebehoefte met speciale apparaten ter plaatseworden voorzien.
Voor het drogen na de bouw in de herfst of inde winter is het raadzaam een extra verwarmingselement (alsaccessoire verkrijgbaar) te installeren. OPGELET. Het apparaat is niet voor frequentie-omzetting geschikt. 2. 2 WerkwijzeOmgevingslucht wordt door de ventilator aangezogen en daarbijdoor de verdamper (warmtewisselaar) geleid. De verdamperkoelt de lucht af, d. w. z. hij onttrekt er de warmte aan. Degewonnen warmte wordt in de verdamper op de werkvloeistof(koelmiddel) getransfereerd. Met behulp van een elektrisch aangedreven compressor wordtde opgenomen warmte door drukverhoging op een hogertemperatuurniveau „gepompt” en via de condensor(warmtewisselaar) aan het verwarmingswater afgegeven. Daarbij wordt de elektrische energie gebruikt om de warmte vande omgeving op een hoger temperatuurniveau te brengen.
Omdat de aan de lucht onttrokken energie naar het watergetransfereerd wordt om het te verwarmen, wordt dit apparaatook lucht-water-warmtepomp genoemd. De lucht-water-warmtepomp bestaat uit de hoofdcomponentenverdamper, ventilator en expansieventiel evenals degeluidsarme compressor, de condensor en de elektrischebesturing.
Bij lage omgevingstemperaturen verbindt zich luchtvochtigheidals rijp met de verdamper en belemmert de warmteoverdracht. Indien nodig, wordt de verdamper automatisch door dewarmtepomp ontdooid. Afhankelijk van het weer kunnen daarbijstoomwolken bij de luchtuitlaat ontstaan. 3 Leveringsomvang3. 1 BasisapparaatHet basisapparaat is een compacte warmtepomp dieonderstaande componenten bevat. Als koelmiddel wordt R404a gebruikt. 1) Verdamper2) Ventilator3) Compressor4) Pressostaten5) Schakelkastje6) Filterdroger7) Condensor8) Expansieventiel3. 2 SchakelkastjeHet schakelkastje bevindt zich in de warmtepomp. Nadat defrontplaat er is afgenomen en de zich linksboven bevindendebevestigingsschroef is losgedraaid, kan het schakelkastjeuitgeklapt worden. Het schakelkastje bevat de aansluitklemmen voor het stroomnet,de vermogencontactoren en de softstart-eenheid.
NL-4Nederlands3. 33. 3 WarmtepompregelaarVoor de werking van de lucht-water-warmtepomp moet de bij delevering inbegrepen warmtepompregelaar worden gebruikt. De warmtepompregelaar is een comfortabel elektronisch regel-en besturingsapparaat. Hij stuurt en bewaakt afhankelijk van debuitentemperatuur de hele verwarmingsinstallatie, dewarmwaterbereiding en de veiligheidstechnische voorzieningen. Ter plaatse aan te brengen voelers voor terugloop- enbuitentemperatuur incl. bevestigingsmateriaal worden met deregelaar resp. deze handleiding bijgeleverd. Het functioneren en het gebruik van de warmtepompregelaarwordt in de daartoe bijgeleverde gebruiksaanwijzing beschreven. 4 TransportOPGELET. De warmtepomp mag bij het transport max. 45° worden gekanteld (iniedere richting). De pomp dient op een transportpallet naar de plaats vanopstelling te worden getransporteerd.
Het basistoestel biedtenerzijds de transportmogelijkheid met een handpalletwagen,steekwagen o. i. d. of door middel van 3/4" buizen, die dooropeningen in de grondplaat geleid worden. OPGELET. Warmtepomp en transportpallet zijn alleen door de verpakkingsfolie metelkaar verbonden. 5 Plaatsing5. 1 AlgemeenHet apparaat dient op een permanent effen, glad en horizontaaloppervlak te worden geplaatst. Daarbij moet het frame rondomdicht bij de grond liggen om een passende geluidsisolatie tegaranderen en volledig afkoelen van de watervoerende delen tevoorkomen. Is dat niet het geval, kunnen extra geluiddempendemaatregelen noodzakelijk zijn. Onderhoudswerkzaamhedenmoeten zonder problemen kunnen worden uitgevoerd. Dit isgewaarborgd, indien de hieronder vermelde afstand wordtaangehouden. OPGELET. Het aanzuig- en uitblaasbereik mag niet beperkt of geblokkeerd worden. 5.
2 CondensaatleidingHet bij het gebruik ontstane condenswater dient vorstvrij teworden afgevoerd. De warmtepomp dient horizontaal te wordengeplaatst, zodat het water goed kan afvloeien.
www. dimplex. de NL-5Nederlands6. 36 Montage6. 1 AlgemeenDe warmtepomp is voorzien van de volgende aansluitingen:Vertrek/terugloop van de verwarmingsinstallatie CondenswaterafvoerStuurleiding naar de warmtepompregelaarStroomvoorzieningOm het apparaat te openen, moeten de zijdelen met 4 schroevenworden losgedraaid en vervolgens door terugtrekken aan deonderkant uitgehangen worden. Sluiten verloopt in omgekeerdevolgorde. 6. 2 Aansluiting aan verwarmingDe aansluitingen op de warmtepomp aan verwarmingszijde zijnvoorzien van een 1 1/4" buitendraad. De aan te sluiten slangenworden naar beneden toe uit het apparaat geleid. Bij hetaansluiten aan de warmtepomp dienen de overgangen met eensleutel te worden vastgehouden. Voor het warmwaterzijdige aansluiten van de warmtepomp dientde verwarmingsinstallatie doorgespoeld te worden, om mogelijkvuil, resten van isolatiemateriaal etc. te verwijderen.
Wanneer decondensor door resten en vervuiling verstopt raakt, kan dit totuitval van de warmtepomp leiden. Voor installaties met eenafsluitbaar verwarmingswaterdebiet, afhankelijk van radiator-resp. thermostaatventielen, moet ter plaatse eenoverstroomventiel achter de verwarmingspomp in eenverwarmingsbypass worden ingebouwd. Dit waarborgt eenminimale doorstroming van warm water door de warmtepomp envoorkomt storingen. Na installatie van de verwarming dient het verwarmingssysteemte worden gevuld, ontlucht en onder druk te worden gezet. Minimum waterdebietHet minimum waterdebiet van de warmtepomp dient in elkebedrijfsmodus van de verwarmingsinstallatie gegarandeerd tezijn. Deze kan b. v. door installatie van een differentiedruklozeverdeler of van een overstroomventiel worden bereikt. Deinstelling van een overstroomventiel wordt in het hoofdstukInbedrijfstelling verklaard.
Bij buitenbedrijfstelling van de warmtepomp of bijstroomuitval moet de installatie worden geleegd. Bijwarmtepompsystemen waarbij stroomuitval niet herkend kanworden (vakantiehuis), moet de verwarmingskring met eengeschikte vorstbeveiliging worden gebruikt. 6. 3 Elektrische aansluitingDe warmtepomp wordt via een conventionele 4-aderige kabelaangesloten. Voor de kabel moet ter plaatse worden gezorgd en dedraaddoorsnede moet conform de vermogensopname van dewarmtepomp (zie bijvoegsel Informatie over het toestel) wordengekozen en de betreffende EN-voorschriften en voorschriftenvan de betreffende energieverzorgingsbedrijven moeten in achtgenomen worden. De spanningsvoorziening voor de warmtepomp dient van eenalpolige afschakeling met tenminste 3 mmcontactopeningsafstand (b. v.
een hoofdschakelaar van deelektriciteitsmaatschappij), evenals een 3-poligevermogensschakelaar, met één uitschakeling voor allebuitenkabels te worden voorzien (uitschakelstroom volgenstoestelinformatie). Bij het aansluiten moet het rechtsdraaiende veld van delastvoeding gegarandeerd worden. Fasenvolgorde: L1, L2, L3. OPGELET. Let op het rechtsdraaiende veld: Als de compressor in de verkeerderichting draait, kan deze beschadigd worden. De stuurspanning wordt via de warmtepompregelaar gevoed. De stroomvoorziening van de warmtepompregelaar met 230 VAC-50 Hz, vindt plaats volgens zijn eigen gebruiksaanwijzing(zekering 16 A). Openen van het deksel Sluiten van het deksel.
NL-6Nederlands7De stuurleiding (niet bij de levering inbegrepen) wordt met detwee rechthoekige connectoren met de warmtepompregelaarverbonden. In de warmtepomp moet het steekcontact op debodem van het apparaat, in directe nabijheid van dekabeldoorvoer door de bodem worden gebruikt. Nadereaanwijzingen vindt u in de gebruiksaanwijzing van dewarmtepompregelaar. Voor detailinformatie zie bijvoegsel Elektrische schema's. 7 Inbedrijfstelling7. 1 AlgemeenVoor een inbedrijfstelling volgens de voorschriften dient dezedoor een door de fabriek bevoegde serviceafdeling uitgevoerd teworden. Onder bepaalde voorwaarden is daarmee eenverlenging van de garantie verbonden (verg. garantievergoeding). 7. 2 VoorbereidingVóór de inbedrijfstelling dienen de volgende puntengecontroleerd te worden:Alle aansluitingen van de warmtepomp dienen gemonteerdte zijn (zie hoofdstuk 6).
In de verwarmingskring moeten alle kranen, die de correctestroming van het verwarmingswater zouden kunnenbelemmeren, geopend zijn. De luchtinlaat en luchtuitlaat moeten vrij worden gehouden. De draairichting van de ventilator moet overeenstemmenmet de pijlrichting. De instellingen van de warmtepompregelaar moetenovereenkomstig de gebruiksaanwijzing ervan aan deverwarmingsinstallatie zijn aangepast. Het condenswater moet ongehinderd kunnen aflopen. 7. 3 WerkwijzeDe inbedrijfstelling van de warmtepomp verloopt via dewarmtepompregelaar. De instellingen moeten overeenkomstigde handleiding ervan worden uitgevoerd. Indien het minimum waterdebiet door middel van eenoverstroomventiel beveiligd wordt, moet deze aan hetverwarmingssysteem worden afgestemd. Een verkeerdeinstelling kan tot foutieve werking en een verhoogdeenergiebehoefte leiden.
Om het overstroomventiel goed in testellen, adviseren wij als volgt te handelen:Sluit alle verwarmingskringen, die ook bij een werkendeinstallatie afhankelijk van het gebruik gesloten kunnen zijn, zodathet waterdebiet in deze bedrijfsstand zo ongunstig mogelijk is.
Dit zijn doorgaans de verwarmingskringen in de ruimten aan dezuid- en westkant. Er moet minimaal één verwarmingskringgeopend blijven (b. v. bad). Het overstroomventiel moet zo ver worden geopend, dat bij deactuele warmtebrontemperatuur het in de onderstaande tabelaangegeven maximale temperatuurverschil tussenverwarmingsvertrek en -terugloop ontstaat. Hettemperatuurverschil moet zo dicht mogelijk bij de warmtepompworden gemeten. Bij mono-energetische installaties moet hetverwarmingselement gedeactiveerd worden. Storingen bij een werkende installatie worden ook op dewarmtepompregelaar weergegeven en kunnen, zoals in degebruiksaanwijzing van de warmtepompregelaar beschreven is,worden verholpen. Bij buitentemperaturen lager dan 10 °C enverwarmingswatertemperaturen lager dan 16 °C moet hetbufferopslagvat met de tweede warmtebron tot minimaal 25 °Cworden verwarmd.
Het volgende verloop moet worden gerespecteerd om deinbedrijfstelling storingsvrij te realiseren:1) Sluit alle verwarmingskringen. 2) Zet het overstroomventiel helemaal open. 3) Kies de auto-modus op de regelaar. 4) Wacht tot het bufferopslagvat een temperatuur vanminimaal 25 °C heeft bereikt. 5) Vervolgens worden de afsluitventielen van deverwarmingskringen achtereenvolgens weer langzaamgeopend en wel dusdanig dat het waterdebiet doorlangzaam openen van de betreffende verwarmingskringconstant verhoogd wordt. De temperatuur van hetverwarmingswater in het bufferopslagvat mag daarbij nietonder de 20 °C zakken, om ontdooien van de warmtepompte allen tijde mogelijk te maken. 6) Wanneer alle verwarmingskringen volledig zijn geopend eneen verwarmingswatertemperatuur in het bufferopslagvatvan ca.
20 °C aangehouden wordt, moet de minimalevolumestroom op het overstroomventiel en deverwarmingscirculatiepomp worden ingesteld. 7) Nieuwbouw heeft wegens de benodigde energie voor hetdrogen na de bouw een verhoogde warmtebehoefte.
Dezeverhoogde warmtebehoefte kan ertoe leiden dat een krapgedimensioneerde verwarmingsinstallatie de gewenstekamertemperatuur niet altijd bereikt. Daarom wordtaanbevolen, in dat geval de tweede warmtebron in de eersteverwarmingsperiode bedrijfsklaar te houden. Daartoe moetde grenstemperatuur op de warmtepompregelaaromhooggezet worden naar 15 °C. Warmtebron-temperatuurMax. temperatuurverschil tussen verwarmingsvertrek en -terugloopvan tot-20 °C -15 °C 4 K-14 °C -10 °C 5 K-9 °C -5 °C 6 K-4 °C 0 °C 7 K1 °C 5 °C 8 K6 °C 10 °C 9 K11 °C 15 °C 10 K16 °C 20 °C 11 K21 °C 25 °C 12 K26 °C 30 °C 13 K31 °C 35 °C 14 K.
www. dimplex. de NL-7Nederlands8. 38 Reiniging / onderhoud8. 1 OnderhoudLet erop dat geen voorwerpen aan het toestel geleund of eropgelegd worden, om de lak niet te beschadigen. De buitendelenvan de warmtepomp kunnen met een vochtige doek en metgewone schoonmaakmiddelen behandeld worden. OPGELET. Gebruik geen zand-, soda-, zuur- of chloorhoudendeschoonmaakmiddelen, omdat deze het oppervlak aantasten. Om storingen door vuil in de warmtewisselaar van dewarmtepomp te voorkomen, moet ervoor worden gezorgd dat ergeen vuil in de warmtewisselaar van het verwarmingssysteemkan komen. Indien zich nochtans bedrijfsstoringen doorvervuiling voordoen, moet de installatie schoongemaakt wordenzoals hieronder beschreven. 8. 2 Reiniging verwarmingsgedeelteVooral bij het gebruik van stalen componenten kunnen eroxidatieproducten (roest) door zuurstof in dewarmwaterkringloop ontstaan.
De roest komt via ventielen,circulatiepompen of kunststof buizen in het verwarmingssysteemterecht. Daarom dient er - vooral bij de buizen van devloerverwarming - op een diffusiedichte installatie gelet teworden. OPGELET. Om afzettingen in de condensor van de warmtepomp te voorkomen (b. v. roest) wordt aanbevolen, een geschikt systeem als corrosiebeschermingte gebruiken. Ook resten van smeer- en afdichtingsmiddelen kunnen hetwarme water vervuilen. Indien de vervuiling zo groot is, dat het vermogen van decondensor in de warmtepomp vermindert, moet een installateurde installatie reinigen. Volgens de huidige stand van kennis adviseren wij om tereinigen met een fosforzuur van 5% of, indien er vaker moetworden gereinigd, met een mierenzuur van 5%. In beide gevallen moet de reinigingsvloeistof opkamertemperatuur zijn.
Om te voorkomen, dat zuurhoudend reinigingsmiddel in dekringloop van de verwarmingsinstallatie terechtkomt, raden wijaan het spoelapparaat direct op het vertrek en de terugloop vande condensor van de warmtepomp aan te sluiten. Daarna moet er met geschikte, neutraliserende middelennogmaals grondig gespoeld worden, zodat beschadigingen dooreventueel in het systeem achtergebleven resten van eenreinigingsmiddel worden voorkomen. De zuren moeten voorzichtig worden gebruikt en dedesbetreffende voorschriften moeten in acht genomen worden. In geval van twijfel moet met de fabrikant van hetreinigingsmiddel worden overlegd. 8. 3 Reiniging luchtzijdeDe verdamper, ventilator en condenswaterafvoer moeten voorhet begin van het stookseizoen worden gereinigd (bladeren,twijgen etc. ). Daartoe moet de warmtepomp, als in hoofdstuk 6beschreven, worden geopend. OPGELET.
Alvorens het toestel te openen, dienen alle stroomkringen vrij vanspanning te zijn. Gebruik voor het schoonmaken geen scherpe of hardevoorwerpen, om de verdamper en de condenswaterbak niet tebeschadigen. Bij extreme weersomstandigheden (b. v. sneeuwverstuivingen)kan sporadisch ijsvorming aan de aanzuig- en uitblaasroostersvoorkomen. Verwijder in dergelijke gevallen ijs en sneeuw in deaanzuig- en uitblaaszones, om het minimum luchtdebiet tewaarborgen.
NL-8Nederlands99 Storingen / storingsdiagnoseDeze warmtepomp is een kwaliteitsproduct, dat onder normaleomstandigheden storings- en onderhoudsvrij werkt. Als er tocheen keer een storing optreedt, wordt dit op het display van dewarmtepompmanager weergegeven. Zie hiertoe de paginaStoringen en Storingsdiagnose in de gebruiksaanwijzing van dewarmtepompmanager. Wanneer u de storing niet zelf kuntverhelpen, waarschuw dan de bevoegde serviceafdeling.OPGELET!Werkzaamheden aan de warmtepomp dienen uitsluitend door eenbevoegde en vakkundige serviceafdeling uitgevoerd te worden. 10 Buitenbedrijfstelling / verwijderingAlvorens de warmtepomp te demonteren, dient de machinespanningsvrij en alle kleppen afgesloten te zijn. Milieurelevanteeisen m.b.t. terugwinning, recyclage en afvoer van afvalstoffenen componenten volgens gebruikelijke normen dienen te wordennageleefd.
www. dimplex. de NL-9Nederlands1111 Toestelinformatie1 Technische en commerciële benaming LA 8AS2 Bouwvorm2. 1 Beschermingsgraad volgens EN 60 529 voor compact toestel resp. verwarmingsdeel IP 242. 2 Plaats van opstelling Buiten3 Vermogengegevens3. 1 Temperatuur-gebruiksgrenzen:3. 2 Verwarmingswater-vertrek/ -terugloop1°C / °C1. Zie diagram gebruiksgrenzentot 55 / vanaf 183. 3 Lucht °C -20 tot +353. 4 Temperatuurverschil verwarmingswater bij A2 / W35 7,13. 5 Verwarmingsvermogen/ vermogencoëfficiënt (COP) bij A-7 / W35 2kW / ---2. Deze gegevens staan voor de afmeting en het rendement van de installatie. Voor economische en energetische berekeningen moet met verdere invloedfactoren rekeninggehouden worden, vooral met ontdooigedrag, bivalentiepunt en regeling. Hierbij betekent b. v. A2 / W55: Buitenluchttemperatuur 2 °C en verwarmingswater-vertrektemperatuur55 °C.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Dimplex LA 8AS Warmtepomp stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Warmtepomp Dimplex
Handleiding Warmtepomp
Nieuwste handleidingen voor Warmtepomp