Citroën C-Zero (2017) Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Citroën C-Zero (2017) (136 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 25 mensen. Heb je een vraag over Citroën C-Zero (2017) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Citroën |
| Categorie: | Auto |
| Model: | C-Zero (2017) |
Handleiding Citroën C-Zero (2017) – volledige tekst
Toegang tot het instructieboekjeSelecteer vervolgens:- het model van uw auto,- de uitgifteperiode van het boekje die overeenkomt met de eerste registratiedatum van uw auto.Download de content voor het van uw auto.instructieboekjeSelecteer:- de taal,- het model van uw auto en de carrosserievariant,- de uitgifteperiode van het boekje die overeenkomt met de eerste registratiedatum van uw auto.Directe toegang tot het .instructieboekjeDownload vanaf de desbetreffende Store de smartphone-app .Scan MyCitroënHet instructieboekje is beschikbaar op de CITROËN-website, in de rubriek "MyCitroën" of op het volgende adres:http://service.citroen.com/ddb/Met dit symbool wordt de meest recente informatie aangeduid.
WelkomWij danken u voor uw keuze voor de Citroën C-Zéro.Dit boekje bevat alle informatie en adviezen die u nodig hebt om optimaal en in alle veiligheid gebruik te maken van de mogelijkheden van uw auto.Uw auto kan, afhankelijk van het uitrustingsniveau, het type, de uitvoering en de specifieke kenmerken voor het land waar uw auto verkocht is, slechts van een deel van de in dit boekje vermelde uitrustingselementen zijn voorzien.In dit boekje vindt u alle aanwijzingen en adviezen voor het gebruik van uw auto zodat u optimaal van uw auto kunt profiteren. Neem de tijd dit boekje aandachtig door te lezen zodat u vertrouwd raakt met uw nieuwe auto.
Lees ook het garantie- en onderhoudsboekje door waarin u informatie vindt over de garanties, het onderhoud en de pechhulpverlening.Aan de beschrijvingen en afbeeldingen kunnen geen rechten worden ontleend.Automobiles CITROËN behoudt zich het recht voor de technische kenmerken, uitrusting en accessoires te wijzigen zonder verplicht te zijn dit specifieke boekje aan te passen.Overhandig dit instructieboekje bij verkoop van de auto aan de nieuwe eigenaar.LegendaVeiligheidswaarschuwingAanvullende informatieAdviezen met betrekking tot de bescherming van het milieuAuto's met linkse besturingAuto's met rechtse besturing
6Eco-rijdengelijkmatig in en rijd waar mogelijk met een constante en gematigde snelheid.Voor zuiniger rijden en een grotere actieradiusPraktisch alledaags advies om de actieradius van uw auto te optimaliseren en het energieverbruik van de auto te beperken.Kies voor een soepele rijstijlHet elektrische verbruik van uw auto is sterk afhankelijk van de omstandigheden op de weg, uw rijstijl en de rijsnelheid.Probeer altijd een soepele rijstijl te hanteren.Probeer in de -zone van de "Eco"energieverbruiks-/energieopwekkingsindicator te blijven: trap het gaspedaal rustig en Win energie terugAnticipeer tijdens het rijden zodat u energie kunt terugwinnen en de actieradius van de auto kunt vergroten.Gebruik indien mogelijk de "Charge"-zone van de energieverbruiks-/energieopwekkingsindicator: anticipeer op situaties waarbij u snelheid moet minderen door tijdig het gaspedaal los te laten in plaats van te remmen.Matig het gebruik van de elektrische uitrustingAls deze voorzieningen intensief worden gebruikt, zal de actieradius van de auto aanzienlijk afnemen.
Schakel ze daarom uit zodra het gewenste comfortniveau is bereikt en controleer voordat u gaat rijden de instellingen om de actieradius van de auto zo groot mogelijk te houden.Probeer ook het gebruik van de voorruitontwaseming, de achterruitverwarming en de stoelverwarming zoveel mogelijk te beperken.De verwarming en airconditioning gebruiken energie van de tractiebatterij.Voorkom onnodig energieverbruikNeem, net als bij andere auto's, geen onnodige lading mee en voorkom dat de luchtweerstand wordt vergroot (rijden met open ruiten bij snelheden boven de 50 km/h, allesdragers, dakkoffer, enz.).Houd u aan de onderhoudsvoorschriftenControleer de bandenspanning regelmatig en houd u aan het door CITROËN voorgeschreven onderhoudsschema.
Actieradiusindicator.Waarschuwings- en verklikkerlampjesDeze lampjes geven de bestuurder informatie over de werking van een systeem (ingeschakeld of uitgeschakeld) of waarschuwen de bestuurder in het geval van een storing (waarschuwingslampje).Bij het aanzetten van het contactAls het contact wordt aangezet, gaan bepaalde lampjes enkele seconden branden.Bij het starten moeten deze lampjes weer uitgaan.Als ze blijven branden, controleer dan voordat u gaat rijden welke functie het betreft.Bijbehorende waarschuwingenSommige lampjes kunnen gaan branden in combinatie met een geluidssignaal.Lampjes kunnen permanent branden of knipperen.Een aantal lampjes heeft beide mogelijkheden. Of het permanent branden of knipperen van een lampje duidt op een storing, is afhankelijk van de werkingsfase van de auto.5.
8InstrumentenpaneelWaarschuwingslampjesAls bij draaiende motor of tijdens het rijden een van de volgende lampjes gaat branden, wijst dit op een storing in het desbetreffende systeem en moet de bestuurder actie ondernemen.Controleer altijd wat er aan de hand is als er een lampje gaat branden.Raadpleeg indien nodig het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.Verklikkerlampjes ingeschakelde functiesHet oplichten van een van de volgende verklikkerlampjes geeft aan dat de desbetreffende functie is ingeschakeld.Hierbij kan ook een geluidssignaal worden weergegeven.Verklikkerlampjes uitgeschakelde functiesDe volgende verklikkerlampjes geven aan dat de desbetreffende functie handmatig is uitgeschakeld.Hierbij kan ook een geluidssignaal worden weergegeven.
91InstrumentenpaneelWaarschuwings- resp. verklikkerlampjeStatus Oorzaak Acties/OpmerkingenLaden tractiebatterij (normaal of snel)Permanent. De tractiebatterij wordt geladen. Als het laden is voltooid, gaat het lampje uit.Knippert.
De laadkabel is aangesloten op de laadaansluiting van de auto, maar de tractiebatterij wordt niet geladen.Controleer of de laadkabel nog is aangesloten.Laden 12V-accu Permanent.Er is een storing in het laadstroomcircuit van de 12V-accu (vervuilde of losgeraakte accuklemmen, storing van de omvormer, enz.).Het lampje moet na het starten van de motor uitgaan.Laat uw auto controleren door een CITROËN-dealer of door een gekwalificeerde werkplaats als het lampje niet uitgaat.Niet vastgemaakte/losgemaakte veiligheidsgordel vóórPermanent, daarna knipperend, vergezeld van een geluidssignaal.De bestuurder of de voorpassagier heeft zijn gordel losgemaakt of niet vastgemaakt.Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting.Veiligheidsgordel rechts achter losgemaaktPermanent.
De passagier rechts achter heeft zijn veiligheidsgordel losgemaakt.Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting.Veiligheidsgordel links achter losgemaaktPermanent. De passagier links achter heeft zijn veiligheidsgordel losgemaakt.Trek aan de gordel en steek de gesp in de gordelsluiting.Airbags Brandt tijdelijk. Het lampje brandt gedurende enkele seconden en dooft als het contact wordt aangezet.Raadpleeg het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats als het lampje niet dooft.Permanent. Er is een storing in een van de airbags of de pyrotechnische gordelspanners.Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.Rode lampjes
10InstrumentenpaneelWaarschuwings- resp. verklikkerlampjeStatus Oorzaak Acties/OpmerkingenEen of meer portieren geopend/achterklep geopendPermanent in combinatie met een geluidssignaal.Een portier of de achterklep is niet goed gesloten.Sluit het portier of de achterklep.Parkeerrem Permanent. De parkeerrem is aangetrokken of niet goed vrijgezet.Zet de parkeerrem vrij zodat het lampje uitgaat; trap het rempedaal in.Houd u aan de veiligheidsvoorschriften.Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer informatie over de .parkeerremRemsysteem Permanent.
Het remvloeistofniveau is te laag.Er is een storing in het rembekrachtigingsysteem.Zet de auto zo snel mogelijk stil op een veilige plaats.Vul bij met een door CITROËN aanbevolen vloeistof.Als het probleem zich blijft voordoen, laat het systeem dan controleren door een CITROËN-dealer of door een gekwalificeerde werkplaats.+Permanent, in combinatie met het lampje ABS.Er is een storing in de elektronische remdrukregelaar (REF).Stop op een veilige plaats.Laat het systeem controleren door een CITROËN-dealer of een gekwalificeerde werkplaats.Antiblokkeersysteem (ABS)Permanent. Er is een storing in het antiblokkeersysteem.De normale remwerking van uw auto blijft behouden.Rijd voorzichtig met lage snelheid en raadpleeg zo snel mogelijk het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.Oranje lampjes
111InstrumentenpaneelWaarschuwings- resp. verklikkerlampjeStatus Oorzaak Acties/Opmerkingen+Permanent. Storing DSC/ASR. Laat uw auto controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.Elektrische stuurbekrachtigingPermanent. Storing elektrische stuurbekrachtigingRijd voorzichtig en met lage snelheid.Laat het systeem nakijken door het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.Dynamische stabiliteitscontrole en antispinregeling (DSC/ASR)Knippert. In werking treden van de DSC/ASR.Het systeem verbetert de tractie en zorgt ervoor dat de auto beter bestuurbaar blijft.Matig uw snelheid en pas uw rijstijl aan.Beveiliging tractiebatterijPermanent.
De laadtoestand van de tractiebatterij is onvoldoende of de temperatuur van de tractiebatterij is onvoldoende.Beperkt motorvermogen beschikbaar.Laad de tractiebatterij zo snel mogelijk op.Als het lampje niet uitgaat, raadpleeg dan het CITROËN-netwerk of een gekwalificeerde werkplaats.Permanent. De DSC/ASR-schakelaar is ingedrukt.De DSC/ASR is uitgeschakeld.DSC: dynamische stabiliteitscontrole.ASR: antispinregeling.Druk op de toets om de systemen DSC en ASR in te schakelen.De systemen DSC en ASR worden automatisch ingeschakeld als de motor wordt gestart.
12InstrumentenpaneelTe lage bandenspanningPermanent. De bandenspanning van een of meerdere wielen is te laag.Controleer zo snel mogelijk de bandenspanning.Deze controle dient bij voorkeur bij koude banden te worden uitgevoerd.Elke keer nadat u een of meer banden op spanning hebt gebracht en na het verwisselen van een of meer wielen, moet u het systeem resetten.Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer informatie over het bandenspanningscontrole-systeem.Knippert en brandt vervolgens permanent.Een storing in het systeem en/of de sensor van ten minste één wiel wordt niet gedetecteerd.De bandenspanning wordt niet meer gecontroleerd.Laat het systeem controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.Waarschuwings- resp. verklikkerlampjeStatus Oorzaak Acties/OpmerkingenZelfdiagnose elektrisch hoofdcircuitPermanent.
Storing in het elektrische hoofdcircuit.Stop zo snel mogelijk op een veilige plaats.Laat uw auto controleren door het CITROËN-netwerk of door een gekwalificeerde werkplaats.Airbag aan passagierszijdePermanent, op de middenconsole.De schakelaar in het dashboardkastje of op de middenconsole (afhankelijk van de uitvoering) staat in de stand "OFF".De airbag vóór aan passagierszijde is uitgeschakeld.Zet de schakelaar in de stand " " om de airbag vóór ONaan passagierszijde in te schakelen.Plaats in dit geval geen kinderzitje met de "rug in de rijrichting" op de voorpassagiersstoel.Controleer voordat u de auto start altijd de status van deze schakelaar.Mistachterlicht Permanent. Het mistachterlicht is ingeschakeld met de ring van de lichtschakelaar.Draai de ring van de lichtschakelaar naar achteren om het mistachterlicht uit te schakelen.
U hebt de lichtschakelaar naar u toe getrokken.Trek aan de lichtschakelaar om terug te schakelen naar dimlicht.Verminderde motorremwerkingKnippert. Omdat de tractiebatterij volledig is opgeladen, is de motorremwerking tijdelijk verminderd.Anticipeer zo goed mogelijk op het remmen: gebruik het rempedaal om de auto af te remmen of volledig tot stilstand te brengen.Ready(klaar om te rijden)Brandt permanent, in combinatie met een geluidssignaal als het gaat branden.De auto is klaar om weg te rijden, u kunt het gaspedaal intrappen.Het lampje brandt net zo lang als het systeem onder spanning staat.Groene lampjesZwarte lampjesBlauwe lampjes
14InstrumentenpaneelIndicator laadtoestand tractiebatterijWeergaveDe laadtoestand van de tractiebatterij wordt permanent weergegeven op het instrumentenpaneel.Waarschuwing lage energievoorraadDe bestuurder wordt door middel van vier opeenvolgende waarschuwingen geattendeerd op een lage energievoorraad van de tractiebatterij:- 2 brandende en knipperende streepjes op de indicator van de laadtoestand van de tractiebatterij in het instrumentenpaneel: de reservevoorraad wordt aangesproken.- Het laatste streepje van de indicator van de laadtoestand van de tractiebatterij knippert.- Het laatste streepje verdwijnt: de actieradius wordt niet meer weergegeven, verwarming en airconditioning worden uitgeschakeld.- Branden van dit lampje op het instrumentenpaneel: geleidelijk aan is steeds minder motorvermogen beschikbaar.Energieverbruiks-/energieopwekkingsindicatorSysteem dat de bestuurder informeert over de hoeveelheid energie van de tractiebatterij die wordt verbruikt of opgewekt tijdens het rijden.Neutrale standAls u het contact aanzet, verbruikt de auto geen energie en wordt er ook geen energie opgewekt door de elektrische aandrijflijn: de wijzer staat in de neutrale stand (mits de verwarming en de airconditioning zijn uitgeschakeld).EnergieverbruikDe wijzer slaat naar rechts uit.
Hoe meer de tractiebatterij tijdens het vaart minderen en remmen wordt opgeladen, hoe meer de wijzer naar links uitslaat.Display op het instrumentenpaneelAls het contact in de stand " " staat, kunt u, ONdoor een paar keer achter elkaar op de knop A te drukken, verschillende gegevens op het display weergeven.De kilometerteller geeft de totale kilometerstand van de auto aan.Druk op de toets .ADe totale kilometerstand wordt weergegeven op het display.Eenheid boordcomputer wijzigenHoud wanneer de kilometerteller wordt weergegeven toets A enkele seconden ingedrukt om de eenheid van de boordcomputer (km/h of mph) te wijzigen.De actieradiusindicator wordt weergegeven in de eenheid (km of mijl) die overeenkomt met die van de boordcomputer (km/h of mph).Dagteller (traject A of B)Deze twee waarden geven de afgelegde afstand aan voor de trajecten en sinds de A Blaatste nulstelling van de teller.Druk op de knop om het gewenste traject Aweer te geven.ResettenHoud wanneer bij aangezet contact een van de trajecten A B of wordt weergegeven de knop langer dan twee seconden ingedrukt.
AHoud de knop vervolgens ingedrukt om de lichtsterkte van de dashboardverlichting en de sfeerverlichting in te stellen op "dag" of "nacht".Elke keer dat u op de knop drukt, neemt de Alichtsterkte toe.Wanneer de maximale lichtsterkte is bereikt en u nogmaals op de knop drukt, gaat de dashboardverlichting over op de minimale lichtsterkte.Laat de knop los zodra de gewenste Alichtsterkte is bereikt.Zodra u de knop loslaat wordt de instelling Ageregistreerd en opgeslagen wanneer het contact wordt afgezet.OnderhoudsindicatorDe onderhoudsindicator geeft aan hoever u nog verwijderd bent van de eerstvolgende onderhoudsbeurt volgens het onderhoudsschema van de fabrikant.Dit wordt berekend vanaf de laatste nulstelling van de onderhoudsindicator.Deze informatie kan op twee manieren worden aangegeven:- de resterende afstand (in kilometers of mijlen),- de resterende tijd (in maanden) tot de volgende onderhoudsbeurt.Druk na het aanzetten van het contact een paar keer achter elkaar op de knop tot de Aonderhoudsindicator in de gewenste eenheden wordt aangegeven.Werking1.
Het display geeft de resterende afstand of tijd tot de volgende onderhoudsbeurt weer.2. Het display geeft aan dat de auto binnenkort toe is aan een onderhoudsbeurt.Elke keer dat het contact wordt aangezet, wordt gedurende enkele seconden de onderhoudssleutel weergegeven om u eraan te herinneren dat u op korte termijn een onderhoudsbeurt moet laten uitvoeren.3. Na het uitvoeren van de onderhoudsbeurt is de indicator gereset en wordt de resterende afstand/tijd tot de volgende onderhoudsbeurt weer aangegeven.
171InstrumentenpaneelOnderhoudsindicator op nul zettenNa elke onderhoudsbeurt moet de onderhoudsindicator weer op nul gezet worden.Doe dit als volgt:F Zet het contact af (contact in de stand LOCK of ACC).F Druk herhaaldelijk op de knop voor het resetten tot de onderhoudsindicator Averschijnt.F Houd de knop voor het resetten enkele seconden ingedrukt tot de sleutel knippert.F Druk terwijl de sleutel knippert op de knop voor het resetten waarna " " wordt CLEARweergegeven in plaats van " ---".De afstand (of tijd) tot de eerstvolgende onderhoudsbeurt wordt weergegeven.De weergave " " die aangeeft dat de ---auto toe is aan een onderhoudsbeurt wordt automatisch gereset nadat er een bepaalde tijd is verstreken of een bepaalde afstand is afgelegd.
Het display toont dan de resterende tijd tot de volgende onderhoudsbeurt.BandenspanningscontroleElke keer nadat u een of meer banden op spanning hebt gebracht en na het verwisselen van een of meer wielen, moet u het bandenspanningscontrolesysteem resetten.Voer dit als volgt uit:F druk op de knop om het systeem te Aselecteren.F houd de knop A gedurende ten minste 3 seconden ingedrukt.Er klinkt een geluidssignaal en het lampje van de bandenspanningscontrole knippert langzaam tot het systeem is gereset.
18InstrumentenpaneelSelecteren van de gemonteerde bandensetAls u een tweede bandenset met sensor hebt geregistreerd, selecteer dan elke keer dat de banden gewisseld worden de desbetreffende set op het display van het instrumentenpaneel.Voer dit als volgt uit:F druk op de knop om het systeem te Aselecteren.F houd knop A meer dan 10 secondeningedrukt om achtereenvolgens te wisselen van bandenset 1 naar bandenset 2 of vice versa.ActieradiusindicatorDeze functie geeft een schatting van het aantal kilometers dat u nog kunt rijden tot de tractiebatterij leeg is, daarbij rekening houdend met de omstandigheden (rijstijl, gebruik van verwarming, airconditioning…).Als de actieradius te klein is geworden, wordt er " " op het display aangegeven.---De actieradius kan in kilometers of mijlen worden weergegeven.Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer informatie over de kilometerteller en het wijzigen van de eenheden.
192Toegang tot de autoSleutel met afstandsbedieningVoor het centraal vergrendelen of ontgrendelen van de auto met de sleutel of de afstandsbediening. De sleutel met afstandsbediening dient tevens voor het starten van de auto en maakt deel uit van de diefstalbeveiliging. Uitklappen/inklappen van de sleutelF Druk op de knop om de sleutel uit of in te Aklappen. Ontgrendelen van de autoOntgrendelen met de afstandsbedieningF Druk op de knop met het geopende hangslot om de auto te ontgrendelen. Na het ontgrendelen van de auto knipperen de richtingaanwijzers tweemaal en gaat de interieurverlichting gedurende 15 seconden branden. Ontgrendelen met de sleutelF Draai de sleutel rechtsom in het slot van het om de auto te bestuurdersportierontgrendelen. Na het ontgrendelen van de auto knipperen de richtingaanwijzers tweemaal en gaat de interieurverlichting gedurende 15 seconden branden.
In dit geval worden de buitenspiegels niet uitgeklapt. Met het slot aan passagierszijde kunnen de overige portieren en/of de achterklep niet vergrendeld of ontgrendeld worden. Als de auto is vergrendeld en per ongeluk wordt ontgrendeld zonder dat binnen 30 seconden een portier of de achterklep wordt geopend, wordt de auto automatisch weer vergrendeld. Vergrendelen van de autoTegelijkertijd worden de buitenspiegels uitgeklapt (afhankelijk van de uitvoering). Normale vergrendeling met de afstandsbedieningF Druk op de knop met het gesloten hangslot om de auto te vergrendelen. Na het vergrendelen van de auto knipperen de richtingaanwijzers eenmaal. Tegelijkertijd worden de buitenspiegels ingeklapt (afhankelijk van de uitvoering). Normale vergrendeling met de sleutelF Draai de sleutel in het slot van het bestuurdersportier linksom om de auto te vergrendelen.
Na het vergrendelen van de auto knipperen de richtingaanwijzers eenmaal. In dit geval worden de buitenspiegels niet ingeklapt. DiefstalbeveiligingElektronische startblokkeringIn de sleutel is een chip aangebracht die over een geheime code beschikt.
Om te kunnen starten moet bij het aanzetten van het contact deze code worden herkend door de startblokkering. Deze elektronische startblokkering blokkeert het voertuigmanagementsysteem kort nadat het contact is afgezet en voorkomt zo dat de auto zonder sleutel kan worden gestart. Neem zo snel mogelijk contact op met het CITROËN-netwerk als uw auto niet start door een storing in dit systeem.
20Toegang tot de autoAls de afstandbediening niet werkt, kan de auto niet meer met de afstandsbediening ontgrendeld of vergrendeld worden.F Ontgrendel of vergrendel de auto eerst met de sleutel in het slot van het bestuurdersportier.F Raadpleeg vervolgens het CITROËN-netwerk om de werking van de afstandsbediening te laten controleren en de batterij te laten vervangen voor zover noodzakelijk.Sleutels verlorenGa met het kentekenbewijs van de auto en uw legitimatiebewijs naar het CITROËN-netwerk.Het CITROËN-netwerk kan de speciale code van de sleutel en de transponder opzoeken en voor nieuwe sleutels zorgen.Probleem met de afstandsbedieningDiefstalbeveiligingBreng geen wijzigingen aan in de elektronische startblokkering; dit kan tot storingen leiden.AfstandsbedieningDe radiografische afstandsbediening is een systeem met een groot bereik.
Het is raadzaam om niet met de knop van de afstandsbediening te spelen, om te voorkomen dat de portieren per ongeluk ontgrendeld worden.Druk nooit op de knoppen van uw afstandsbediening buiten het bereik en het zicht van uw auto.
De afstandsbediening kan dan onbruikbaar worden.De afstandsbediening werkt niet als de sleutel in het contactslot zit, zelfs als het contact uitstaat.Sluiten van de autoHet rijden met vergrendelde portieren kan bij een noodgeval de toegang tot de auto voor de hulpdiensten bemoeilijken.Neem uit veiligheidsoverwegingen (kinderen in de auto) de sleutel met afstandsbediening mee als u de auto verlaat, zelfs al is dit voor korte duur.Bij het aanschaffen van een gebruikte autoLaat uw sleutels door het CITROËN-netwerk in het elektronische geheugen van de auto opslaan, zodat u er zeker van kunt zijn dat de in uw bezit zijnde sleutels de enige zijn waarmee de auto kan worden gestart.
212Toegang tot de autoPortierenOpenenVan buitenafF Ontgrendel de auto met de afstandsbediening of de sleutel en trek aan de portiergreep.Van binnenuitF Trek aan de hendel van het voor- of achterportier om dit te openen.Als de portieren vergrendeld zijn:- bij het openen van het bestuurdersportier worden de andere portieren ontgrendeld,- het passagiersportier en de achterportieren moeten eerst handmatig ontgrendeld worden voordat ze geopend kunnen worden.SluitenAls een portier of de achterklep niet goed gesloten is, brandt het lampje op het instrumentenpaneel totdat het desbetreffende portier of de achterklep gesloten wordt.Vergrendelen/ontgrendelen van binnenuitF Druk de knop op het bestuurdersportier naar voren om de portieren en de achterklep te vergrendelen en naar achteren om ze te ontgrendelen.Met de vergrendelknopjes op het passagiersportier en de achterportieren kunnen alleen de desbetreffende portieren vergrendeld/ontgrendeld worden.AchterklepOpenenF Ontgrendel de auto met de afstandsbediening of de sleutel, druk op de handgreep A en beweeg de achterklep omhoog.
22Toegang tot de autoSluitenF Trek aan de handgreep B om de achterklep te sluiten.F Laat de handgreep los en druk licht op de achterklep om deze te sluiten.RuitbedieningSysteem ontworpen voor handmatig of automatisch openen en sluiten van een ruit. Uitgerust met een blokkeersysteem om misbruik van de bediening van de ruiten achter te voorkomen.1. Ruitbediening bestuurderszijde.2. Ruitbediening passagierszijde3. Ruitbediening rechts achter.4. Ruitbediening links achter.5. Blokkeerschakelaar ruitbediening passagierszijde en achter.WerkingContact AAN:F Duw of trek de schakelaar tot aan het zware punt om de ruit te openen of te sluiten. De ruit stopt zodra u de schakelaar loslaat.Na het afzetten van het contact kunnen de ruiten nog gedurende ongeveer 30 seconden worden bediend.
Zet het contact aan om de ruiten weer te kunnen bedienen.Nadat het bestuurdersportier is gesloten kunnen de ruiten niet meer worden geopend of gesloten.Blokkering van de ruitbediening aan passagierszijde en achterF Druk, voor de veiligheid van uw kinderen, op de schakelaar 5 om de ruitbediening aan passagierszijde en achter, ongeacht de stand van de ruiten, te blokkeren.Als de schakelaar omlaag staat, is de ruitbediening geblokkeerd.Als de schakelaar omhoog staat, is de ruitbediening niet geblokkeerd.Automatische bediening (bestuurderszijde)F Druk de schakelaar tot voorbij het zware punt in. Zodra u de schakelaar hebt losgelaten, gaat de ruit aan bestuurderszijde volledig open.F Bedien de schakelaar opnieuw om het openen of sluiten te stoppen.
232Toegang tot de autoVerwijder bij het verlaten van de auto altijd de contactsleutel, zelfs wanneer dit voor korte duur is.Wanneer tijdens het bedienen van de ruit iets tussen de ruit en de sponning bekneld raakt, moet de ruit weer worden geopend.
Druk daarvoor op de desbetreffende schakelaar.Wanneer de bestuurder de ruit aan passagierszijde of een ruit achter bedient, moet hij ervan verzekerd zijn dat niets het correcte sluiten van de ruit hindert.De bestuurder moet ervan verzekerd zijn dat de passagiers op de juiste manier gebruik maken van de elektrische ruitbediening.Let er goed op dat kinderen zich tijdens het bedienen van de ruiten niet kunnen bezeren.Klepjes laadsystemenNormaal ladenF Trek aan de hendel A aan de onderzijde van het dashboard aan bestuurderszijde om het klepje te ontgrendelen.F Open het klepje aan de rechterzijde van de auto.F Druk de borglip B opzij om de afdekkap van de aansluiting te openen.Snelladen(Afhankelijk van de uitvoering.)F Trek aan de hendel aan de linkerzijde Conder de bestuurdersstoel om het klepje te ontgrendelen.F Open het klepje aan de linkerzijde van de auto.F Druk de borglip D opzij om de afdekkap van de aansluiting te openen.Raadpleeg de desbetreffende rubriek voor meer informatie over het laden van de tractiebatterij.
De hoofdsteunen moeten altijd zijn geplaatst en correct zijn afgesteld.Controleer na het aanbrengen van de hoofdsteun of de verstelknop goed vergrendeld is.De stand van de hoofdsteun is juist als de bovenzijde van de hoofdsteun zich ter hoogte van de bovenzijde van het hoofd bevindt.StoelverwarmingDruk op de schakelaar op het dashboard om de verwarming van de bestuurdersstoel in te schakelen.Het lampje van de toets gaat branden.De temperatuur wordt automatisch geregeld.Druk nogmaals op de schakelaar om de verwarming uit te schakelen.F Trek de hoofdsteun omhoog om deze hoger te zetten.F Duw de hoofdsteun omlaag en druk tegelijkertijd de verstelknop in om de hoofdsteun lager te zetten.F Verwijder de hoofdsteun door deze in de hoogste stand te zetten en omhoog te trekken terwijl u de verstelknop indrukt.F Plaats de hoofdsteun terug door de pennen in de opening van de rugleuning te steken en de verstelknop in te drukken.
325Ergonomie en comfortU kunt de functie uitschakelen zodra de temperatuur van de stoelen en in het interieur op een aangenaam niveau is gekomen. Dit vermindert het stroomverbruik waardoor ook het brandstofverbruik lager wordt. Gebruik de functie niet als de stoel niet wordt gebruikt. Langdurig gebruik in de hoogste instelling wordt afgeraden voor personen met een gevoelige huid. Personen waarvan de warmtewaarneming beperkt is (ziekte, medicijnen enz. ) kunnen brandwonden krijgen. Het systeem kan oververhit raken als materiaal met isolerende eigenschappen zoals kussens of stoelhoezen wordt gebruikt. Gebruik het systeem niet:- als vochtige kleding wordt gedragen,- als kinderzitjes zijn aangebracht.
Om breken van het verwarmingselement in de stoel te voorkomen:- plaats geen zware voorwerpen op de stoel,- kniel of sta niet op de stoel,- plaats geen scherpe voorwerpen op de stoel,- mors geen vloeistoffen op de stoel. Voorkomen van de kans op kortsluiting:- gebruik geen vloeibare producten om de stoel te reinigen,- gebruik de verwarmingsfunctie nooit wanneer de stoel vochtig is. AchterbankDe achterbank bestaat uit twee verstelbare en neerklapbare rugleuningen en een vaste zitting. Hoofdsteunen achterGa nooit rijden met passagiers op de achterbank als de hoofdsteunen zijn verwijderd; de hoofdsteunen moeten zijn geplaatst en in de hoge stand staan. De hoek van de rugleuning verstellen. Controleer altijd of de rugleuning goed is vergrendeld. De hoofdsteunen hebben twee standen, een hoge stand (comfort en meer veiligheid) en een lage stand (beter zicht naar achteren voor de bestuurder).
De hoofdsteunen kunnen ook worden verwijderd. Verwijderen van een hoofdsteun:F trek de hoofdsteun omhoog tot aan de aanslag,F druk vervolgens de pal in. Verstellen van de rugleuning:F trek de hendel naar voren om de rugleuning te ontgrendelen. F verstel de rugleuning en laat de hendel los zodra de rugleuning in de gewenste stand staat.
26Ergonomie en comfortNeerklappen van de rugleuning van de achterbank1. Zet de hoofdsteunen in de laagste stand of verwijder ze indien nodig.2. Trek de hendel naar voren om de rugleuning te ontgrendelen.3. Kantel de rugleuning naar voren.Rechtop zetten van de rugleuningLet erop dat bij het terugplaatsen van de rugleuningen de veiligheidsgordels niet klem komen te zitten.SpiegelsBuitenspiegelsInstellenInstellen is mogelijk wanneer het contact in de stand "ON" of "ACC" staat.F Beweeg de schakelaar naar rechts of Alinks om de desbetreffende buitenspiegel te selecteren.F Beweeg de schakelaar in de vier Brichtingen om de spiegel goed af te stellen.Zet de schakelaar A weer in de middenstand na het instellen.F Zet de rugleuning rechtop en vergrendel hem.F Zet de hoofdsteunen weer in de hoogste stand of plaats ze terug.
12V-aansluiting (120 W)Houd u aan het maximaal toegestane vermogen om schade aan uw apparatuur te voorkomen.Verstellen van de binnenspiegel: zet de spiegel in de gewenste positie door deze omhoog, omlaag, naar links of naar rechts te draaien.De binnenspiegel kent 2 standen:- dagstand (normaal),- nachtstand (antiverblinding).De spiegel kan in de dag- en nachtstand gezet worden met behulp van het hendeltje aan de onderzijde.Elektrisch inklappen/uitklappen van de buitenspiegels(afhankelijk van de uitvoering).F Contact in de stand "ON" of "ACC": druk op de knop om de buitenspiegels uit te Cklappen.F Contact in de stand "LOCK": druk binnen 30 seconden op de knop om de Cbuitenspiegels in te klappen.De buitenspiegels kunnen ook handmatig worden ingeklapt.De buitenspiegels mogen echter nooit handmatig worden uitgeklapt, omdat ze anders tijdens het rijden weer kunnen inklappen.Gebruik altijd de knop C om de spiegels uit te klappen.
Controleer of de mat goed vastzit.Om te voorkomen dat de pedalen blijven hangen:- Gebruik uitsluitend matten die op de bevestigingen van de auto passen; het gebruik van deze bevestigingen is verplicht.- Leg nooit meerdere matten boven op elkaar.12V-accessoireaansluitingF Open, wanneer u een 12V-accessoire (maximaal vermogen: 120 W) wilt aansluiten, het kapje en sluit een geschikte adapter aan.Het aansluiten van elektrische apparatuur die niet door CITROËN is goedgekeurd, zoals een lader met USB-aansluitingen, kan leiden tot storingen in de werking van de elektrische componenten van de auto, zoals een slechte radio-ontvangst of storingen in de weergave van de displays.ZonneklepDashboardkastjeRijd nooit met een geopend dashboardkastje als er iemand op de voorpassagiersstoel zit – bij een noodstop of een aanrijding kan dit leiden tot ernstig letsel!De zonnekleppen kunnen worden gebruikt door ze naar voren te klappen of, nadat ze uit de haak zijn verwijderd, opzij te klappen.Ze zijn voorzien van een make-upspiegel en een houder voor pasjes.4.
329Ergonomie en comfortUSB-spelerOp deze USB-aansluiting kunt u draagbare apparatuur, zoals een digitale audiospeler (iPod®) of een USB-stick aansluiten.Via deze aansluiting kunt u de audiobestanden op uw draagbare apparatuur beluisteren via de luidsprekers van het audiosysteem.U kunt deze bestanden beheren met de toetsen van het audiosysteem.Het draagbare apparaat kan tijdens het gebruik via de USB-aansluiting automatisch worden opgeladen.Raadpleeg voor meer informatie over het gebruik van deze voorziening de rubriek Audio en telematica.VentilatieDe ventilatie zorgt voor een optimaal comfort en zicht in het interieur.LuchttoevoerDe lucht in het interieur wordt gefilterd en wordt van buitenaf toegevoerd via het luchtrooster onder de voorruit, of in het interieur gerecirculeerd.InstellingenDe lucht kan afhankelijk van de instellingen van de bestuurder via verschillende circuits worden toegevoerd:Met behulp van de temperatuurregeling kunt u de lucht van de verschillende circuits mengen om het gewenste comfortniveau te bereiken.Via de regeling van de luchtverdeling kunnen de uitstroomopeningen worden geselecteerd.Door de regeling van de luchtopbrengst kunt u de aanjagersnelheid verhogen of verlagen.Het systeem wordt bediend met het bedieningspaneel A van de middenconsole.Luchtverdeling1.
30Ergonomie en comfortGebruiksadviezen voor de verwarming, ventilatie en airconditioningNeem voor een optimale werking van de verwarming, ventilatie en airconditioning de volgende gebruiksadviezen in acht:F Als de auto lange tijd in de zon heeft gestaan en de temperatuur in het interieur hoog is opgelopen, laat dan voordat u instapt de ruiten even openstaan om het interieur te ventileren. Zorg ervoor dat de aanjagersnelheid voldoende hoog is ingesteld, zodat de lucht in het interieur goed ververst wordt. F Condensvorming door de airconditioning kan ertoe leiden dat zich een klein plasje water onder de auto vormt. Dit is een normaal verschijnsel.
F Let erop dat voor een gelijkmatige verdeling van de lucht naar het interieur de uitstroomopening onder de voorruit, de verschillende luchtkanalen, ventilatieroosters en overige uitstroomopeningen alsmede de ventilatieopening in de bagageruimte vrij blijven. F Kies onder normale omstandigheden altijd voor de toevoer van buitenlucht; bij langdurig gebruik van de luchtrecirculatie in het interieur kunnen de voorruit en de zijruiten beslaan. F Zet de airconditioning 1 tot 2 keer per maand 5 tot 10 minuten aan om het systeem in perfecte staat te houden. De verwarming en ventilatie worden gevoed door de tractiebatterij. Het gebruik ervan verhoogt het elektrische verbruik van de auto en vermindert de actieradius. Schakel de verwarming of de airconditioning uit als u dat noodzakelijk lijkt.
Tijdens het normaal laden van de auto kunnen de ventilatie, de verwarming en de airconditioning worden geactiveerd als het contact in de stand ACC staat. Tijdens het van de auto snelladenkunnen de ventilatie, de verwarming en de airconditioning niet worden geactiveerd. F Controleer regelmatig de staat van het interieurfilter en laat de filterelementen periodiek vervangen. F Laat de airconditioning regelmatig controleren om het systeem in perfecte staat te houden. F Gebruik de airconditioning niet als deze niet koelt.
Toets "Max"Regeling temperatuurF Draai de draaiknop rechtsom om de temperatuur te verhogen en linksom om de temperatuur te verlagen.Alsdedraaiknopindestand"●"staat,isdetemperatuur van de toegevoerde lucht gelijk aan die van de buitenlucht.Alsudedraaiknopindestand"●"zettijdens de werking van de verwarming of airconditioning, dan wordt de verwarming of airconditioning direct uitgeschakeld.Regeling luchtopbrengstF Draai de draaiknop rechtsom om de luchtopbrengst te verhogen en linksom om de luchtopbrengst te verlagen.Regeling luchtverdelingZet de draaiknop in de gewenste stand voor de verdeling van lucht naar:middelste ventilatieroosters en zijventilatieroosters,middelste ventilatieroosters, zijventilatieroosters en voetenruimte,voetenruimte,voorruit, zijruiten en voetenruimte,voorruit en zijruiten.De luchtstroom kan worden gevarieerd door de knop in een middenstand te zetten.Als de draaiknop in de stand " " AUTOstaat, wordt de luchtverdeling automatisch geregeld op basis van de geselecteerde temperatuur.Toevoer van buitenlucht/recirculatie van interieurluchtDe toevoer van buitenlucht voorkomt het beslaan van de voorruit en zijruiten.De recirculatiestand dient om de luchttoevoer af te sluiten bij stank en stofoverlast.Als de draaiknop in de stand " " AUTOstaat, wordt de luchtopbrengst automatisch geregeld op basis van de interieurtemperatuur.
32Ergonomie en comfortF Druk op deze toets om de lucht in het interieur te laten recirculeren. Het lampje brandt om aan te geven dat de luchtrecirculatie is ingeschakeld.F Druk nogmaals op de toets om de toevoer van buitenlucht weer in te schakelen. Het lampje gaat uit.Toets "Max"Met deze toets kan het interieur snel verwarmd of gekoeld worden. De toets werkt alleen wanneer de regeling van de luchtopbrengst niet in de stand "OFF" staat.Druk op deze toets. Het desbetreffende lampje gaat branden.Zet de knop van de temperatuurregeling in de gewenste stand:- op"●"voormaximaleventilatie,- tussen"●"en"H"voormaximaleverwarming,- tussen"C"en"●"voormaximaleairconditioning.AirconditioningDe instellingen kunnen handmatig of automatisch worden doorgevoerd.1. Regeling van de temperatuur2. Regeling van de luchtopbrengst3. Regeling van de luchtverdeling4.
Airconditioning aan/uitRegeling temperatuurF Draai de draaiknop rechtsom om de temperatuur te verhogen en linksom om de temperatuur te verlagen.Alsdedraaiknopindestand"●"staat,isde temperatuur van de toegevoerde lucht gelijk aan die van de buitenlucht.Alsudedraaiknopindestand"●"zettijdens de werking van de verwarming of airconditioning, dan wordt de verwarming of airconditioning direct uitgeschakeld.Regeling luchtopbrengstF Draai de draaiknop rechtsom om de luchtopbrengst te verhogen en linksom om de luchtopbrengst te verlagen.Regeling luchtverdelingZet de draaiknop in de gewenste stand voor de verdeling van lucht naar:Schakel zo snel mogelijk de toevoer van buitenlucht weer in om te voorkomen dat de luchtkwaliteit in het interieur achteruitgaat en de ruiten beslaan.Als de draaiknop in de stand " " AUTOstaat, wordt de luchtopbrengst automatisch geregeld op basis van de interieurtemperatuur.
333Ergonomie en comfortmiddelste ventilatieroosters en zijventilatieroosters,middelste ventilatieroosters, zijventilatieroosters en voetenruimte,voetenruimte,voorruit, zijruiten en voetenruimte,voorruit en zijruiten. De luchtstroom kan worden gevarieerd door de knop in een middenstand te zetten. Als de draaiknop in de stand " " AUTOstaat, wordt de luchtverdeling automatisch geregeld op basis van de geselecteerde temperatuur. Toevoer van buitenlucht/recirculatie interieurluchtDe toevoer van buitenlucht voorkomt het beslaan van de voorruit en zijruiten. De recirculatiestand dient om de luchttoevoer af te sluiten bij stank en stofoverlast. F Druk op deze toets om de lucht in het interieur te laten recirculeren. Het lampje brandt om aan te geven dat de luchtrecirculatie is ingeschakeld. F Druk nogmaals op de toets om de toevoer van buitenlucht weer in te schakelen. Het lampje gaat uit.
Toets "Max"Met deze toets kan het interieur snel verwarmd of gekoeld worden. De toets werkt alleen wanneer de regeling van de luchtopbrengst niet in de stand "OFF" staat. Druk op deze toets. Het desbetreffende lampje gaat branden. Zet de knop van de temperatuurregeling in de gewenste stand:- op"●"voormaximaleventilatie,- tussen"●"en"H"voormaximaleverwarming,- tussen"C"en"●"voormaximaleairconditioning. Airconditioning aan/uitDe airconditioning functioneert, als de ruiten gesloten zijn, optimaal in elk seizoen. Schakel zo snel mogelijk de toevoer van buitenlucht weer in om te voorkomen dat de luchtkwaliteit in het interieur achteruitgaat en de ruiten beslaan. Het systeem stelt u in staat:- de temperatuur in het interieur 's zomers te verlagen,- in de winter bij temperaturen boven 3 °C beslagen ruiten snel te ontwasemen. InschakelenF Druk op de toets A/C.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Citroën C-Zero (2017) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Auto Citroën
Alle Citroën Auto handleidingen