Chevrolet Aveo (2013) Handleiding

Chevrolet Auto Aveo (2013)

Bekijk gratis de handleiding van Chevrolet Aveo (2013) (285 pagina’s), behorend tot de categorie Auto. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 19 mensen. Heb je een vraag over Chevrolet Aveo (2013) of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Pagina 1/285
Aveo
Instructieboekje

Beoordeel deze handleiding


Product specificaties

Merk: Chevrolet
Categorie: Auto
Model: Aveo (2013)

Handleiding Chevrolet Aveo (2013) – volledige tekst

Als ge‐volg hiervan werden kinderzitjes vaakonjuist of niet stevig genoeg beves‐tigd om het kind een goede bescher‐ming te bieden.Wij hebben uw auto uitgerust metlage ISOFIX verankeringspunten bijde twee buitenste zitplaatsen op deachterbank en met Top-tether veran‐keringspunten in de achterbankru‐gleuning (notchback-achterkant vanhoofdsteunen / hatchback-achteropachterbankrugleuningpanelen) waar‐aan u kinderzitjes op de achterbankkunt vastmaken.Voor het installeren van een kinderzi‐tje dat uitgerust is met onderaanISOFIX en Top-tether-verankerings‐bevestigingen, volgt u de instructiesdie bij het kinderzitje worden gele‐verd.Lees en volg alle aanwijzingen op devolgende bladzijden en die van de fa‐brikant van het kinderzitje zorgvuldig.De veiligheid van uw kind is hiervanafhankelijk!Contacteer de fabrikant van het kin‐derzitje als u vragen hebt of twijfelt ofu het kinderveiligheidssysteem juisthebt geplaatst.

Als u nog steeds pro‐blemen hebt met het installeren vanhet kinderveiligheidssysteem in uwauto, raden we aan een erkendewerkplaats te raadplegen.Installatie van ISOFIX-kinderzitjes:1. Selecteer voor het bevestigen vanhet kinderzitje een van de buiten‐ste zitplaatsen van de achter‐bank.2. Zoek de twee onderste veranke‐ringspunten. De plaats van de on‐derste bevestigingspunten wordtaangegeven door een cirkelvor‐mige markering aan de onderkantvan de achterbankleuning.3. Zorg ervoor dat er zich geenvreemde voorwerpen in de buurtvan de lagere bevestigingspuntenbevinden, ook geen gespen van

5656565656 Stoelen, veiligheidssystemenStoelen, veiligheidssystemenStoelen, veiligheidssystemenStoelen, veiligheidssystemenStoelen, veiligheidssystemenveiligheidsgordels of veiligheids‐gordels. Vreemde voorwerpenkunnen de juiste bevestiging vanhet kinderzitje aan de veranke‐ringspunten in de weg staan. 4. Plaats het kinderzitje in de stoelboven de twee onderste veranke‐ringen en bevestig het aan de ver‐ankeringen volgens de instructiesdie bij het kinderzitje worden ge‐leverd. 5. Verstel het kinderzitje en zet hetvast volgens de aanwijzingen vande fabrikant van de kinderzitje. VoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigOngebruikte kinderzitjes kunnennaar voren bewegen. Verwijder ongebruikte kinderzitjesof zet deze vast met de veilig‐heidsgordel.

Let opLet opLet opLet opLet opOmdat een veiligheidsgordel of eenkinderzitje zeer heet kunnen wordenin een afgesloten auto, dient u be‐kleding en gespen te controlerenvoordat u een kind in het zitje plaatst. 99999 WaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingGebruik alle ISOFIX onderste enbovenste tuiverankeringen alleenvoor hun beoogde doel. ISOFIX onderste en bovenste tui‐verankeringen zijn alleen ontwor‐pen om kinderzitjes aan te beves‐tigen die voorzien zijn van boven‐ste en onderste tuiverankerings‐bevestigingen. Gebruik ISOFIX onderste en bo‐venste tuiverankeringen niet omveiligheidsgordels voor volwasse‐nen, zespuntsveiligheidsgordelsof andere voorwerpen in uw auto.

Het gebruik van ISOFIX ondersteen bovenste tuiverankeringenvoor het bevestigen van veilig‐heidsgordels voor volwassenen,zespuntveiligheidsgordels of an‐dere voorwerpen in uw auto zalgeen adequate bescherming bie‐den in het geval van een aanrijdingen kan resulteren in (fataal) letsel. 99999 WaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingEen kinderzitje dat op de voorstoelwordt geplaatst, kan ernstig of fa‐taal letsel veroorzaken.

Plaats een kinderzitje dat tegen derijrichting in moet worden ge‐plaatst, nooit op de voorstoel dievoorzien is van een frontairbag. Een kind in een kinderzitje dat te‐gen de rijrichting in geplaatst moetworden dat gemonteerd is op devoorstoel kan ernstig gewond ra‐ken wanneer de airbag voor devoorpassagier wordt geactiveerd. Plaats een kinderzitje dat tegen derijrichting in geplaatst moet wor‐den op de achterbank.

Stoelen, veiligheidssystemenStoelen, veiligheidssystemenStoelen, veiligheidssystemenStoelen, veiligheidssystemenStoelen, veiligheidssystemen 5757575757Een naar voren gericht kinderzitjemoet, waar mogelijk, altijd op deachterbank worden vastgemaakt.Indien het op de passagiersvoor‐stoel wordt bevestigd, zet u destoel zover mogelijk naar ach‐teren.VoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigGrote kinderzitjes met de kijkrich‐ting naar achteren kunnen moge‐lijk niet worden geplaatst. Neemcontact op met het verkooppuntvoor informatie over geschikte kin‐derzitjes.Montage van kinderzitjes metISOFIX-bevestigingen voor on‐derste en bovenste tuiverankerin‐gen.Top-Tether-Top-Tether-Top-Tether-Top-Tether-Top-Tether-bevestigingsogen bevestigingsogen bevestigingsogen bevestigingsogen bevestigingsogen Om de Top-tether-verankeringen tebereiken, doet u het volgende:1.

Verwijder rondom de top-tetherbevestigingsogen eventueel daarniet thuis horende voorwerpen.Notchback: Open het kapje entrek de verankering omhoog.Hatchback: Verwijder de bagage‐ruimte-afdekking.2. Bevestig de klem aan de band vanhet kinderzitje aan de Top-tether-verankering, en zorg er daarbijvoor dat de band niet gedraaid is.Wanneer de zitplaats die u ge‐bruikt, voorzien is van een instel‐bare hoofdsteun, en u maakt ge‐bruik van een dubbele tui, leidt detui dan rond de hoofdsteun.Wanneer de zitplaats die u ge‐bruikt, voorzien is van een instel‐bare hoofdsteun en u gebruikt eenenkelvoudige tui, brengt u dehoofdsteun omhoog en leidt u detui onder de hoofdsteun door tus‐sen de stangen van de hoofd‐steun.

5858585858 Stoelen, veiligheidssystemenStoelen, veiligheidssystemenStoelen, veiligheidssystemenStoelen, veiligheidssystemenStoelen, veiligheidssystemen3. Trek de tuiband van het kinderzi‐tje strak volgens de aanwijzingendie bij het kinderzitje worden ge‐leverd.4. Probeer het kinderzitje na hetplaatsen heen en weer te bewe‐gen om er zeker van zijn dat hetkinderzitje goed vastzit. 99999 WaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingControleer of de klem aan de tui‐band van het kinderzitje op dejuiste wijze is bevestigd aan de bo‐venste tuiverankering.Door een onjuiste bevestiging kande tuiband en de bovenste tuiver‐ankering ineffectief zijn.

6060606060 OpbergenOpbergenOpbergenOpbergenOpbergenDe bergvakken zijn ondergebracht inhet dashboard. Ze worden gebruiktvoor o.a. kleine voorwerpen.Het bergvak bovenaan het hand‐schoenenkastje is uitgerust met AUX-en USB-aansluitingen etc.Infotainmentsysteem 138.3HandschoenenkastjeHandschoenenkastjeHandschoenenkastjeHandschoenenkastjeHandschoenenkastjeOm te openen aan de handgreeptrekken. 99999 WaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingHoud de klep van het dashboard‐kastje onderweg altijd dicht om dekans op letsel bij een ongeval ofeen noodstop terug te brengen.BekerhoudersBekerhoudersBekerhoudersBekerhoudersBekerhouders

OpbergenOpbergenOpbergenOpbergenOpbergen 6161616161De bekerhouders bevinden zich in decentrale console en in het achterstegedeelte van de middenconsole. 99999 WaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingPlaats geen onbedekte bekersmet hete vloeistof in de bekerhou‐der terwijl het voertuig in bewegingis. Als de hete vloeistof wordt ge‐morst, kunt u brandwonden oplo‐pen. Mocht dit bij de bestuurdergebeuren, dan kan deze de con‐trole over het voertuig verliezen.Om het risico van persoonlijk letselin het geval van een noodstop ofeen botsing te verkleinen, dient ugeen open of onbeveiligde fles‐sen, glazen, blikjes enz.

6262626262 OpbergenOpbergenOpbergenOpbergenOpbergenBagageruimteBagageruimteBagageruimteBagageruimteBagageruimteAchterste rugleuningenAchterste rugleuningenAchterste rugleuningenAchterste rugleuningenAchterste rugleuningenneerklappenneerklappenneerklappenneerklappenneerklappen 99999 WaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingStapel bagage niet hoger op dantot de bovenzijde van de voorstoe‐len.Laat tijdens het rijden geen pas‐sagiers plaatsnemen op een neer‐geklapte rugleuning.Passagiers die geen gebruik ma‐ken van de veiligheidsgordels enlosliggende bagage kunnen bijeen plotselinge remactie of aanrij‐ding door het interieur of uit deauto worden geslingerd.

Als u de zitting van de achterbankweer terug wilt plaatsen, zet dan deachterzijde van de zitting in zijn oor‐spronkelijke stand en zorg ervoor datde lussen van de veiligheidsgordelniet gedraaid of onder de zitting ge‐klemd zijn; druk vervolgens de voor‐zijde van de zitting stevig naar bene‐den tot deze vergrendelt. VoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigZet de veiligheidsgordel en ges‐pen tussen de rugleuning en éénvan de kussens bij het terugklap‐pen van de rugleuning van de ach‐terbank. Let erop dat de gordelsen de gespen niet onder een ach‐terbankkussen klem komen te zit‐ten. Zorg ervoor dat de veiligheidsgor‐dels niet gedraaid of beklemd ra‐ken in de rugleuning en in hunjuiste positie geplaatst zijn.

99999 WaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingControleer of de rugleuningen ge‐heel teruggezet en vergrendeldzijn voordat u passagiers op deachterbank vervoert. Trek niet aan de ontgrendelhen‐dels bovenop de achterbankleu‐ning tijdens het rijden. Dit kan letsel of schade veroorza‐ken bij de passagiers achterin. VoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigHet omklappen van een achter‐bank terwijl de veiligheidsgordelsnog vergrendeld zijn, kan schadeaan de zitplaats of de veiligheids‐gordels veroorzaken.

Altijd de veiligheidsgordels los ma‐ken en deze laten terugkeren naarde normale opbergpositie voordatu de achterbank omklapt. 99999 WaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingLaat passagiers nooit bovenop deomgeklapte rugleuning van deachterbank zitten terwijl de autorijdt, omdat dit niet de juiste zitpo‐sitie is en er geen veiligheidsgor‐dels zijn die ze kunnen gebruiken. Dit kan resulteren in ernstig of fa‐taal letsel in het geval van een on‐geval of een noodstop. Voorwerpen die bovenop een om‐geklapte rugleuning worden ge‐plaatst, mogen niet hoger zijn dan.

6464646464 OpbergenOpbergenOpbergenOpbergenOpbergende bovenkant van de voorstoelen.De vracht kan tijdens plotselingeremacties naar voren schuiven enletsel of beschadigingen veroorza‐ken.Bagageruimte-afdekkingBagageruimte-afdekkingBagageruimte-afdekkingBagageruimte-afdekkingBagageruimte-afdekkingWanneer de bagageruimte-afdekkingzich in de bovenste positie bevindt,plaats deze dan op de juiste plek.Let opLet opLet opLet opLet opWanneer u de bagageruimte-afdek‐king op een verkeerde plek plaatst,kan deze een ratelend geluid ver‐oorzaken en ontstaat mogelijk slij‐tage door aanraking met de achter‐bank.GevarendriehoekGevarendriehoekGevarendriehoekGevarendriehoekGevarendriehoekDe gevarendriehoek kan met beiderubberen riemen worden weggebor‐gen in de bekleding in de bagage‐ruimte.Verwijder de gevarendriehoek wan‐neer u de vloermat in de bagage‐ruimte omhoog haalt om gereed‐schap te gebruiken.

Controleren of de rugleunin‐gen naar behoren zijn vergrendeld.Bij stapelbare voorwerpen dezwaarste voorwerpen onderop leg‐gen.■ Losse voorwerpen in de bagage‐ruimte vastzetten om verschuiventegen te gaan.■ Bij het vervoeren van voorwerpenin de bagageruimte mogen de rug‐leuningen van de achterbank nietschuin naar voren geklapt zijn.■ Bagage niet boven de rugleuningenlaten uitsteken.■ Niets op de hoedenplank of op hetinstrumentenpaneel leggen en desensor boven op het instrumenten‐paneel niet afdekken.■ De bagage mag de bediening vanpedalen, handrem, schakelhef‐boom en de bewegingsvrijheid vande bestuurder niet belemmeren.Geen losse voorwerpen in het inte‐rieur leggen.■ Rijd niet met een open achterklep(of kofferdeksel).■ Het nuttig draagvermogen is hetverschil tussen het maximaal toe‐laatbare totaalgewicht van de auto(zie typeplaatje 3 264) en het leeg‐gewicht van de auto.

Raadpleeghet hoofdstuk met de technischegegevens voor details over hetleeggewicht.Het leeggewicht omvat ook het ge‐wicht van de bestuurder (68 kg), debagage (7 kg) en alle vloeistoffen(tank voor 90 % gevuld).Extra uitrusting en accessoires ver‐hogen het leeggewicht.■ Rijden met daklading verhoogt dezijwindgevoeligheid van de auto enverslechtert het rijgedrag door hethogere zwaartepunt. Lading gelijk‐matig verdelen en goed met span‐banden vastzetten. Bandenspan‐ning en rijsnelheid aan de bela‐dingstoestand aanpassen. Span‐banden regelmatig controleren enbijspannen.

88Persoonlijke instellingen 90..............BedieningsorganenBedieningsorganenBedieningsorganenBedieningsorganenBedieningsorganenStuurwielverstellingStuurwielverstellingStuurwielverstellingStuurwielverstellingStuurwielverstellingHendel omlaagbewegen, stuurwielinstellen, hendel omhoogbewegen envergrendelen.Stuurwiel uitsluitend bij stilstaandeauto verstellen.VoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigWanneer een harde klap wordt ge‐geven op de axiale richting van destuurkolom terwijl het stuurwielversteld wordt, of wanneer de hen‐del geblokkeerd is, kan dit schadeveroorzaken aan onderdelen vanhet stuurwiel.StuurbedieningsknoppenStuurbedieningsknoppenStuurbedieningsknoppenStuurbedieningsknoppenStuurbedieningsknoppenU kunt het infotainment-systeem ende cruise control bedienen via deknoppen op het stuurwiel.Infotainmentsysteem 103, Cruise3control 186.3

6868686868 Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenomstandigheden kan schade aanhet wisserblad, het ruitenwisser‐mechanisme, de ruitenwissermo‐tor of de voorruit veroorzaken.Controleer of de wisserbladen nietaan de ruiten zijn vastgevroren, al‐vorens ze bij koud weer in te scha‐kelen. Als de wissers worden in‐geschakeld terwijl het wisserbladis vastgevroren, kan de wissermo‐tor beschadigd raken.Instelbaar wisintervalInstelbaar wisintervalInstelbaar wisintervalInstelbaar wisintervalInstelbaar wisintervalDraai aan het stelwiel om het gewen‐ste wisinterval in te stellen:Korte interval = draai het stelwielomhoogLange interval = draai het stelwielomlaagVoorruitsproeiersVoorruitsproeiersVoorruitsproeiersVoorruitsproeiersVoorruitsproeiersHendel naar u toe trekken.

Sproeier‐vloeistof wordt tegen de voorruit ge‐spoten en de wisser maakt enkeleslagen.VoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigBedien de ruitensproeier niet lan‐ger dan enkele seconden achterelkaar. Gebruik hem niet wanneerde sproeiertank leeg is. Op dezemanier kan de sproeiermotor over‐verhit raken, met dure reparatiestot gevolg. 99999 WaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingGebruik de ruitensproeier voor devoorruit niet bij temperaturen on‐der het vriespunt. Als sproeier‐vloeistof en wissers bij vriesweerworden gebruikt, kan dit tot eenongeval leiden. De sproeiervloei‐stof kan namelijk bevriezen op eenbevroren voorruit en uw zicht be‐lemmeren.

Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganen 6969696969Wis-/wasinstallatieWis-/wasinstallatieWis-/wasinstallatieWis-/wasinstallatieWis-/wasinstallatieachterruitachterruitachterruitachterruitachterruitWis-/wasinstallatie achterruitWis-/wasinstallatie achterruitWis-/wasinstallatie achterruitWis-/wasinstallatie achterruitWis-/wasinstallatie achterruit(uitsluitend hatchback)(uitsluitend hatchback)(uitsluitend hatchback)(uitsluitend hatchback)(uitsluitend hatchback)WisserWisserWisserWisserWisserOm de achterruitwisser te bedienen,drukt u op de knop op het uiteinde vande hendel.Druk aan de bovenzijde van de knopom de wisser continu te gebruiken.Druk aan de onderzijde van de knopom de wisser met intervallen te ge‐bruiken.U zet de wisser uit door de knop in deneutraalstand te drukken.SproeierSproeierSproeierSproeierSproeierDruk de hendel naar het dashboardtoe.Er wordt sproeiervloeistof op de ach‐terruit gespoten en de ruitenwissermaakt een paar slagen.VoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigEen verminderd zicht verhoogt dekans op ongevallen en kan zo‐doende persoonlijk letsel enschade aan de auto of anderegoederen tot gevolg hebben.Zet de ruitenwisser van de achter‐ruit niet aan als de ruit droog is ofals de ruitenwisser geblokkeerd isdoor sneeuw of ijs.Het gebruik van de ruitenwisseronder deze omstandigheden kanschade aan het wisserblad, hetruitenwissermechanisme, de rui‐tenwissermotor of de achterruitveroorzaken.Controleer bij koud weer of hetblad niet tegen de ruit zit vastge‐vroren, alvorens de wisser in teschakelen.

7070707070 Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenBij temperaturen onder het vries‐punt kan de ruitensproeiervloei‐stof op de ruit bevriezen, waardoorhet zicht ernstig belemmerd kanworden.VoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigBedien de ruitensproeier niet lan‐ger dan enkele seconden achterelkaar. Gebruik hem niet wanneerde sproeiertank leeg is.

Op dezemanier kan de sproeiermotor over‐verhit raken, met dure reparatiestot gevolg.KlokKlokKlokKlokKlokDe tijd en de datum worden getoondin het infotainmentdisplay.U kunt de tijd en datum zelf instellen.Infotainmentsysteem 113.3Als de auto niet is uitgerust met eeninfotainmentsysteem, wordt de tijdaangegeven in de instrumenten‐groep.Om de tijd weer te geven, drukt u inde instrumentengroep op de terug‐stelknop.Om de tijd in te stellen, houdt u de te‐rugstelknop wat langer ingedrukt ter‐wijl de tijd wordt weergegeven.De weergave voor uren/minuten ver‐hogen: druk de terugstelknop kort in.De uren/minuten instellen: druk de te‐rugstelknop wat langer in.

Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganen 7171717171(Lang indrukken: langer dan2 seconden, Kort indrukken: korterdan 2 seconden).Elektrische aansluitingenElektrische aansluitingenElektrische aansluitingenElektrische aansluitingenElektrische aansluitingenEr zit een 12 V aansluitcontact in demiddenconsole.Het maximaal opgenomen vermogenmag niet meer bedragen dan120 watt.Wanneer de ontsteking is uitgescha‐keld, zijn de stekkerdozen gedeacti‐veerd.De aansluiting wordt ook gedeacti‐veerd wanneer de accuspanning inde auto te laag is.VoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigSluit geen apparatuur aan diestroom levert, zoals elektrischelaadapparatuur of accu's.Beschadig de aansluitcontactenniet door het gebruik van onge‐schikte stekkers.AanstekerAanstekerAanstekerAanstekerAanstekerOm de aansteker te bedienen, draaitu het contactslot in de stand ACC ofON en drukt u de aansteker volledigin.De aansteker zal automatisch naarbuiten springen wanneer deze klaaris voor gebruik.VoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigOververhitting van de aanstekerkan de gloeispiraal en de aanste‐ker zelf beschadigen.Druk niet op de aansteker terwijldeze wordt opgewarmd.

Bij het inschakelen van het con‐tact lichten de meeste controlelam‐pen korte tijd op bij wijze van functie‐test.Betekenis kleuren controlelampen:rood = gevaar, belang‐rijke herinneringgeel = waarschuwing,aanwijzing, storinggroen, blauw,wit= inschakelbevesti‐gingDe designs van de instrumenten‐groep kunnen afhankelijk van het mo‐del variëren.

Wanneer het contact ingeschakeld is,gaat de controlelamp branden enklinkt het geluidssignaal enkele se‐conden als herinnering om de veilig‐heidsgordels vast te maken. De lamp knippert totdat de veilig‐heidsgordel is aangegespt. Wanneer de veiligheidsgordel ook tij‐dens het rijden niet is aangegespt,zullen de lampen en de zoemer hunwerking herhalen. Zodra de veiligheidsgordel is aange‐gespt, gaan de lampen en de zoemeruit. Driepuntsveiligheidsgordels 41. 3Airbag en gordelspannersAirbag en gordelspannersAirbag en gordelspannersAirbag en gordelspannersAirbag en gordelspannersv brandt rood. Bij het inschakelen van het contactbrandt de controlelamp enkele secon‐den. Brandt deze niet, dooft deze nietna enkele seconden of gaat deze tij‐dens het rijden branden, dan is er eenstoring in de gordelspanners of in deairbags. De systemen treden bij eenongeval mogelijk niet in werking.

Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganen 7979797979De controlelampen bevinden zich inhet instrumentenpaneel. d voor de passagiersairbag voorinbrandt. Wanneer de controlelamp brandt, isde passagiersairbag voorin geacti‐veerd en moet op de voorste passa‐giersstoel geen baby- of kinderzitjeworden geïnstalleerd. c voor de passagiersairbag voorinbrandt. Wanneer de controlelamp brandt, isde passagiersairbag voorin gedeacti‐veerd. Airbag deactiveren 49. 3LaadsysteemLaadsysteemLaadsysteemLaadsysteemLaadsysteemp brandt rood. Brandt na het inschakelen van hetcontact en dooft vlak na het aanslaanvan de motor.

Brandt bij een draaiende motorBrandt bij een draaiende motorBrandt bij een draaiende motorBrandt bij een draaiende motorBrandt bij een draaiende motorStoppen, motor afzetten. Accu van deauto wordt niet geladen. Motorkoelingwordt mogelijk onderbroken. De hulpvan een werkplaats inroepen. StoringsindicatielampStoringsindicatielampStoringsindicatielampStoringsindicatielampStoringsindicatielampZ brandt geel. Brandt na het inschakelen van hetcontact en dooft vlak na het aanslaanvan de motor. VoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigDe controlelamp geeft aan dat uwauto een probleem heeft dat moetworden verholpen. Rijden met een brandende of knip‐perende storingsindicatielampkan het emissieregelsysteem be‐schadigen en van invloed zijn ophet brandstofverbruik en de rijei‐genschappen van uw auto. Wij adviseren u contact op te ne‐men met een erkend reparatiebe‐drijf.

Brandt wanneer de handrem is gelosten het remvloeistofpeil te laag is of alser sprake is van een storing in hetremsysteem. Remvloeistof 212. 3 99999 WaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingWaarschuwingRijd niet verder als het waarschu‐wingslampje voor het remsysteembrandt. Als het waarschuwingslampjevoor het remsysteem brandt, duidtdat op een defect in het remsys‐teem van uw auto. Het rijden met een defect remsys‐teem verhoogt de kans op onge‐vallen en kan zodoende persoon‐lijk letsel en schade aan de auto enandere goederen tot gevolg heb‐ben.

8080808080 Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenBrandt nadat het contact is ingescha‐keld en de handbediende handrem isaangetrokken. Parkeerrem 183. 3Koppelingspedaal intrappenKoppelingspedaal intrappenKoppelingspedaal intrappenKoppelingspedaal intrappenKoppelingspedaal intrappen- brandt geel. Het brandt als het koppelingspedaalmoet worden ingetrapt om de motorte starten. Zie Functie Motor automatisch star‐ten/stoppen 172. 3AntiblokkeersysteemAntiblokkeersysteemAntiblokkeersysteemAntiblokkeersysteemAntiblokkeersysteem(ABS)(ABS)(ABS)(ABS)(ABS)u brandt geel. Brandt na het inschakelen van hetcontact enkele seconden. Het sys‐teem is na het doven van de contro‐lelamp klaar voor gebruik.

Als de controlelamp na enkele secon‐den niet dooft of als deze tijdens de ritgaat branden, dan zit er een storing inhet ABS-systeem. Het remsysteemblijft normaal werken, maar zonderABS-regeling. Antiblokkeersysteem 183. 3OpschakelenOpschakelenOpschakelenOpschakelenOpschakelen[ gaat branden wanneer voor zuinigrijden opschakelen wordt aanbevo‐len. Handgeschakelde versnellingsbak3 181. StuurbekrachtigingStuurbekrachtigingStuurbekrachtigingStuurbekrachtigingStuurbekrachtigingc brandt geel. Brandt na het inschakelen van hetcontact en dooft vlak na het aanslaanvan de motor. Als de controlelamp niet na een paarseconden uitgaat of gaat branden tij‐dens het rijden, is er een storing in hetstuurbekrachtigingssysteem. De hulp van een werkplaats inroepen. UltrasoonparkeerhulpUltrasoonparkeerhulpUltrasoonparkeerhulpUltrasoonparkeerhulpUltrasoonparkeerhulpr brandt geel.

Laat de storingsoorzaak in het sys‐teem onmiddellijk door een autowerk‐plaats verhelpen als de controlelampniet dooft. Ultrasoonparkeersensoren 189. 3ElektronischeElektronischeElektronischeElektronischeElektronischestabiliteitsregeling stabiliteitsregeling stabiliteitsregeling stabiliteitsregeling stabiliteitsregeling b brandt of knippert geel. BrandtBrandtBrandtBrandtBrandtEr zit een storing in het systeem. Ver‐der rijden is mogelijk. De rijstabiliteitkan echter afhankelijk van de staatvan het wegdek verslechteren. Oorzaak van de storing onmiddellijkdoor een werkplaats laten verhelpen.

KoelvloeistoftemperatuurKoelvloeistoftemperatuurKoelvloeistoftemperatuurKoelvloeistoftemperatuurKoelvloeistoftemperatuurW brandt rood. Dit controlelampje geeft aan wanneerde koelvloeistoftemperatuur te hoogis. Wanneer onder normale omstandig‐heden met de auto hebt gereden, ver‐laat u de weg, stopt u de auto en laatu de motor enkele minuten stationairdraaien. Als het lampje niet dooft, moet u demotor uitzetten en zo snel mogelijknaar een werkplaats gaan. Wij advi‐seren u contact op te nemen met eenerkende werkplaats. Voorgloeien en roetfilter Voorgloeien en roetfilter Voorgloeien en roetfilter Voorgloeien en roetfilter Voorgloeien en roetfilter Verklikkerlicht voorverwarmingVerklikkerlicht voorverwarmingVerklikkerlicht voorverwarmingVerklikkerlicht voorverwarmingVerklikkerlicht voorverwarming. brandt geel. Brandt wanneer de voorgloeifunctiegeactiveerd is.

Als de lamp uit gaat,kan de motor worden gestart. Verklikkerlicht roetfilterVerklikkerlicht roetfilterVerklikkerlicht roetfilterVerklikkerlicht roetfilterVerklikkerlicht roetfilter% knippert geel. Knippert wanneer het roetfilter gerei‐nigd moet worden en de eerdere rij‐omstandigheden geen automatischereiniging toelieten.

Verder rijden enhet motortoerental zo mogelijk nietonder 2000/min laten dalen. Het dooftzodra de zelfreiniging is afgerond. Zie Roetfilter 175. 3Bandenspanningscontro‐Bandenspanningscontro‐Bandenspanningscontro‐Bandenspanningscontro‐Bandenspanningscontro‐lesysteemlesysteemlesysteemlesysteemlesysteemA brandt geel. Brandt na het inschakelen van hetcontact en dooft vlak na het aanslaanvan de motor. Als onderweg oplicht, detecteertAhet bandenspanningscontrolesys‐teem dat de spanning in één of meervan uw banden aanzienlijk te laag is. Stop op een veilige plek, controleerde banden en breng de banden op despanningswaarden zoals aanbevolenop het bandenspanningswaardenla‐bel. Als het systeem een defect detec‐teert, knippert A gedurende ongeveeréén minuut en blijft het gedurende derest van de contactcyclus branden. A brandt totdat het probleem verhol‐pen is.

8484848484 Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenKlok → Buitentemperatuur → Kilome‐terteller → Dagteller → Klok → Instellenvan eenheden → Instellen van taal...Klok 70, Kilometerteller 73, Trip‐3 3computer 88.3Het Driver Information Centre (DIC) isondergebracht in de instrumenten‐groep.Om het instellingsmenu te selecteren,drukt u op in de richtingaan‐MENUMENUMENUMENUMENUwijzerhendel.U kunt het volgende selecteren:■ Motorolielevensduur■ Instellen van eenheid■ Instellen van taal■ Band inleren■ Band belastenU kunt elk menu selecteren door hetstelwiel in de richtingaanwijzerhendelte verdraaien.MotorolielevensduurMotorolielevensduurMotorolielevensduurMotorolielevensduurMotorolielevensduurDeze geeft een schatting weer van deresterende, bruikbare levensduur vande olie.Wanneer het nummer 98 wordt weer‐gegeven, betekent het dat 98% vande huidige olielevensduur resteert.

Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganen 8585858585Wanneer de resterende olielevens‐duur laag is, wordt de boordinformatieweergegeven in het Driver Informa‐tion Center (DIC). De motorolie moetdan zo spoedig mogelijk worden ver‐verst.Na een motorolieverversing moet hetcontrolesysteem oliekwaliteit wordengereset. Voor het resetten drukt u detoets enkele seconden in.SET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLRControlesysteem oliekwaliteit 206.3Instellen van eenheidInstellen van eenheidInstellen van eenheidInstellen van eenheidInstellen van eenheidHoud een paar secondenSET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLRingedrukt.Draai aan het stelwiel om één van deinstellingen te kiezen.1. Groot-Brittannië (MPH. °C)2. Verenigde Staten (MPH, °F)3.

Europa (km/h, °C)Bij het selecteren van een eenheid zaldeze gaan knipperen.Druk ter bevestiging op de toetsSET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLR.Instellen van taalInstellen van taalInstellen van taalInstellen van taalInstellen van taalHoud een paar secondenSET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLRingedrukt.Draai aan het stelwiel om één van deinstellingen te kiezen.1. Alfabet2. Arabische cijfersBij het selecteren van een eenheid zaldeze gaan knipperen.Druk ter bevestiging op de toetsSET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLR.

8686868686 Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenLet opLet opLet opLet opLet opAls de hendel van de richtingaanwij‐zer niet met toetsen uitgevoerd is,kunt u de menu's selecteren door deresetknop op het paneel kort in tedrukken en het menu instellen doorde resetknop op het paneel langer inte drukken.Band inlerenBand inlerenBand inlerenBand inlerenBand inlerenVia dit display kunt u de nieuwe banden het wiel door de TPMS-sensorencombineren.Voor het combineren drukt u de toetsSET/CLR SET/CLR SET/CLR SET/CLR SET/CLR enkele seconden in.Zie Bandenspanningscontrolesys‐teem 233.3Band belastenBand belastenBand belastenBand belastenBand belastenDruk enkele seconden op de toetsSET/CLR om het menu te selecteren.Draai aan het stelwiel om één van deinstellingen te kiezen.■ Belasting 1: laag■ Belasting 2: eco■ Belasting 3: hoogBoard-Info-DisplayBoard-Info-DisplayBoard-Info-DisplayBoard-Info-DisplayBoard-Info-DisplayWeergegeven worden de datum, tijd,buitentemperatuur en de informatievan het infotainmentsysteem.Wanneer het infotainmentsysteemaan is, worden de Persoonlijke voer‐tuiginstellingen weergegeven.Persoonlijke instellingen 90.3

Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganen 8787878787BoordinformatieBoordinformatieBoordinformatieBoordinformatieBoordinformatieDe meldingen worden weergegevenop het Driver Information Center(DIC) of in de vorm van geluidssigna‐len.Afhankelijk van het uitrustingsniveauen de persoonlijke voertuiginstellin‐gen, zijn sommige van de hieronderbeschreven functies eventueel nietaanwezig.VoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigVoorzichtigAls het voertuigbericht wordt ge‐toond, laat de auto dan onmiddel‐lijk in een werkplaats controleren.De boordinformatie verschijnt in devorm van cijfercodes. Nr.Nr.Nr.Nr.Nr.

BoordinformatieBoordinformatieBoordinformatieBoordinformatieBoordinformatie25 Richtingaanwijzer linksvoordefect26 Richtingaanwijzer linksachterdefect27 Richtingaanwijzer rechtsvoordefect28 Richtingaanwijzer rechtsachterdefect84 Motorvermogen verminderd89 Onderhoud spoedig128 Motorkap geopend (indienvoorzien van Stop/Start-systeem)GeluidssignalenGeluidssignalenGeluidssignalenGeluidssignalenGeluidssignalenBij het starten van de motor ofBij het starten van de motor ofBij het starten van de motor ofBij het starten van de motor ofBij het starten van de motor oftijdens het rijdentijdens het rijdentijdens het rijdentijdens het rijdentijdens het rijden■ Wanneer de veiligheidsgordel nietwordt gedragen.■ Wanneer u met aangetrokkenhandrem een bepaalde snelheidoverschrijdt.

8888888888 Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganen■ Wanneer er een waarschuwings‐code verschijnt op het Driver Infor‐mation Center.■ Wanneer de parkeerhulp een ob‐stakel herkent.Bij Bij Bij Bij Bij het het het het het parkeren parkeren parkeren parkeren parkeren van van van van van de de de de de auto auto auto auto auto en/en/en/en/en/of het openen van een portierof het openen van een portierof het openen van een portierof het openen van een portierof het openen van een portier■ Als de contactsleutel nog in hetcontactslot steekt.■ Bij ingeschakelde rijverlichting.TripcomputerTripcomputerTripcomputerTripcomputerTripcomputerDe boordcomputer is ondergebrachtin het Driver Information Center(DIC).Deze voorziet de bestuurder van al‐lerlei rij-informatie zoals gemiddeldesnelheid, rijafstand bij resterendebrandstofhoeveelheid, gemiddeldbrandstofverbruik en rijtijd.Voor het bedienen van de boordcom‐puter verdraait u het stelwiel in derichtingaanwijzerhendel.Selecteer het bovenste display.

Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganen 8989898989Gemiddelde snelheidGemiddelde snelheidGemiddelde snelheidGemiddelde snelheidGemiddelde snelheidDeze modus geeft de gemiddeldesnelheid aan.De gemiddelde snelheid wordt bere‐kend terwijl de motor draait, zelfs alsde auto niet rijdt.Om de gemiddelde rijsnelheid terugte stellen, drukt u op .SET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLRActieradius met resterendeActieradius met resterendeActieradius met resterendeActieradius met resterendeActieradius met resterendebrandstofbrandstofbrandstofbrandstofbrandstofDeze modus geeft de geschatte rijaf‐stand aan met het huidige brandstof‐peil in de brandstoftank.Als u bijtankt op een helling of meteen losgekoppelde accu, kan de trip‐computer de werkelijke waarde nietaflezen.Let opLet opLet opLet opLet opAls hulpapparaat kan de dagtellerafwijken van de werkelijke actiera‐dius voor de resterende brandstof,afhankelijk van de omstandigheden.De actieradius voor de resterendebrandstof kan verschillen per be‐stuurder, weg en de rijsnelheid, om‐dat het wordt berekend op basis vande wisselende brandstofzuinigheid.Gemiddeld verbruikGemiddeld verbruikGemiddeld verbruikGemiddeld verbruikGemiddeld verbruikDeze weergave geeft het gemiddeldbrandstofverbruik aan.Het gemiddelde brandstofverbruikwordt berekend zolang de motordraait, dus ook als de auto niet rijdt.Om het gemiddelde brandstofver‐bruik terug te stellen, drukt u opSET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLR.

9090909090 Instrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenInstrumenten en bedieningsorganenRijtijdRijtijdRijtijdRijtijdRijtijdDeze modus geeft de totale rijtijd aan.De rijtijd wordt vanaf de laatste rijtijd‐terugstelling steeds bijgewerkt, ookals niet met de auto werd gereden.Om de rijtijd terug te stellen, drukt uop .SET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLRSET/CLRLet opLet opLet opLet opLet opDe gemiddelde snelheid, de rijaf‐stand met de resterende brandstofen het gemiddeld brandstofverbruikkunnen afwijken van de werkelijkewaarden als gevolg van de rijom‐standigheden, het rijpatroon of devoertuigsnelheid.PersoonlijkePersoonlijkePersoonlijkePersoonlijkePersoonlijkeinstellingeninstellingeninstellingeninstellingeninstellingenAudiosysteemAudiosysteemAudiosysteemAudiosysteemAudiosysteemU kunt de auto aan uw persoonlijkewensen aanpassen door de instellin‐gen in het Dashboardinformatiedis‐play (BID) te wijzigen.Afhankelijk van het uitrustingsniveau,zijn sommige van de hieronder be‐schreven functies eventueel niet aan‐wezig.Druk op CONFIGCONFIGCONFIGCONFIGCONFIG terwijl het contact isaangezet en het Infotainmentsys‐teem is geactiveerd.De instelmenu's worden weergege‐ven.Om een ander instelmenu te kiezen,draait u aan .MENUMENUMENUMENUMENUOm een instelmenu te selecteren,drukt u op de knop .MENUMENUMENUMENUMENUOm af te sluiten of terug te gaan naarhet vorige menu, drukt u op de knopBACKBACKBACKBACKBACK

Automatisch uitzettenAutomatisch uitzettenAutomatisch uitzettenAutomatisch uitzettenAutomatisch uitzettenWanneer het contactslot (contact‐sleutel van auto) in de OFF-standstaat en het Infotainmentsysteemwordt met de knop AAN/UIT [ ] aan‐mgezet, wordt het Infotainmentsysteemtien minuten na de laatste bedieningdoor de gebruiker automatisch uitge‐schakeld. VolumeregelingVolumeregelingVolumeregelingVolumeregelingVolumeregelingDraai aan de volumedraaiknop [ VOLVOLVOLVOLVOL]om het volume in te stellen. ■ Gebruik de audioknop op het stuur‐wiel, druk op de volumeknoppen[ ] om het volume aan te pas‐+sen. ■ Het huidige geluidsniveau wordtaangegeven. ■ Bij aanzetten van het infotainment‐systeem wordt vanzelf het geluids‐niveau ingesteld dat eerder al wasgeselecteerd (als dit lager is danhet maximale beginvolume).

Automatische volumeregelingAutomatische volumeregelingAutomatische volumeregelingAutomatische volumeregelingAutomatische volumeregelingWanneer de instelling voor rijsnel‐heidsafhankelijk geluidsvolume actiefis, wordt het geluidsvolume automa‐tisch aangepast op basis van de rij‐snelheid van de auto ter compensatievoor het geluid van motor en banden.

InfotainmentsysteemInfotainmentsysteemInfotainmentsysteemInfotainmentsysteemInfotainmentsysteem 113113113113113Handenvrij Handenvrij Handenvrij Handenvrij Handenvrij telefoneren telefoneren telefoneren telefoneren telefoneren met met met met met BluetoothBluetoothBluetoothBluetoothBluetoothDruk op de knop AAN/UIT [ ] als u demBluetooth-functie voor handsfree te‐lefoneren wilt selecteren (alleen voormodellen type 1/2-A/B).Druk op de knop AAN/UIT [ ] ommBluetoothBluetoothBluetoothBluetoothBluetooth te openen met de optiesvoor de betreffende functie.PersonaliserenPersonaliserenPersonaliserenPersonaliserenPersonaliserenHoofdknoppen/draaiknopHoofdknoppen/draaiknopHoofdknoppen/draaiknopHoofdknoppen/draaiknopHoofdknoppen/draaiknopDe volgende toetsen en bedienings‐knop worden in de ge‐InstellingenInstellingenInstellingenInstellingenInstellingenbruikt.(12) Knop CONFIGCONFIGCONFIGCONFIGCONFIGDruk op deze toets om het menuInstellingenInstellingenInstellingenInstellingenInstellingen te openen.(14) Knop met draaiknopMENUMENUMENUMENUMENUTUNETUNETUNETUNETUNE■ Draai aan de draaiknop om naarhet menu of de instellingsitem tegaan.■ Druk de knop in om in het huidigemenu of in het te stellen item naarhet gedetailleerde instellingenven‐ster te gaan of dit te selecteren.(16) Knop P BACKBACKBACKBACKBACKHet ingevoerde item annuleren of te‐ruggaan naar het vorige scherm/menu.Het menu InstellingenHet menu InstellingenHet menu InstellingenHet menu InstellingenHet menu Instellingengebruiken voor persoonlijkegebruiken voor persoonlijkegebruiken voor persoonlijkegebruiken voor persoonlijkegebruiken voor persoonlijkeinstellingeninstellingeninstellingeninstellingeninstellingen■ Instelmenu en -functies kunnen af‐wijken, afhankelijk van het voertuig‐model.■ Naslaginformatie: Informatietabelvoor het menu hieron‐InstellingenInstellingenInstellingenInstellingenInstellingender.

RadioRadioRadioRadioRadioAM/FM-radioAM/FM-radioAM/FM-radioAM/FM-radioAM/FM-radioVoordat u Voordat u Voordat u Voordat u Voordat u AM, AM, AM, AM, AM, FM of FM of FM of FM of FM of DAB-radioDAB-radioDAB-radioDAB-radioDAB-radiogebruikt gebruikt gebruikt gebruikt gebruikt (alleen (alleen (alleen (alleen (alleen voor voor voor voor voor model model model model model typetypetypetypetype1/2-A)1/2-A)1/2-A)1/2-A)1/2-A)Hoofdknoppen/draaiknopHoofdknoppen/draaiknopHoofdknoppen/draaiknopHoofdknoppen/draaiknopHoofdknoppen/draaiknop(10) Knop RADIO BANDRADIO BANDRADIO BANDRADIO BANDRADIO BANDDruk op deze toets om AM, FM ofDAB-radio te selecteren (alleen voormodel type 1/2-A). (14) Knop met draaiknopMENUMENUMENUMENUMENUTUNETUNETUNETUNETUNE■ Draai aan deze knop om handmatigeen zendfrequentie te vinden. ■ Druk op deze knop om vanuit dehuidige modus naar het menu‐scherm te gaan.

(16) Knop P BACKBACKBACKBACKBACKHet ingevoerde item annuleren of te‐ruggaan naar het vorige scherm/menu. (8) Knoppen fSEEKSEEKSEEKSEEKSEEKe■ Druk op deze knop om automatischte zoeken naar beschikbare radio-of DAB-zenders (alleen voor modeltype 1/2-A). ■ Houd deze knop ingedrukt om deradio- of DAB-frequentie naar wenste wijzigen en laat de knop los omte stoppen bij de huidige frequentie.

De tekst gaat verder in het volledige PDF-bestand

Heb je hulp nodig?

Als je hulp nodig hebt met Chevrolet Aveo (2013) stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden