Bocal Diverse modellen Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Bocal Diverse modellen (32 pagina’s), behorend tot de categorie Haarden. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 53 mensen en kreeg gemiddeld 4.8 sterren uit 5 reviews. Heb je een vraag over Bocal Diverse modellen of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Bocal |
| Categorie: | Haarden |
| Model: | Diverse modellen |
Handleiding Bocal Diverse modellen – volledige tekst
Gebruiksaanwijzing41. Inleiding1. 1. VerwelkomingGefeliciteerd met de aankoop van uw Bocal gastoestel. Wij verheugen ons u als klant te hebben. Met dit kwaliteitsproduct zal u jarenlang stookplezier hebben en kunnengenieten van het unieke vlammenspel en de gezellige warmte. Lees eerst zorgvuldig deze gebruiksaanwijzing voordat u het toestel in gebruik neemt. Bewaar dit boekje goed. Het plaatsen en in werking stellen moet door vakmensen gebeuren volgens gangbare normen. Laat bij het inwerking stellen, uw installateur u inlichten over het gebruik, de bediening en het onderhoud van uw toestel. Elktoestel is getest, nauwkeurig afgeregeld en verzegeld in de fabriek gelijkvormig de categorie I2E+, respectievelijkI3P. Bij wijzigingen aan de regelorganen door onbevoegde personen vervalt de waarborg. Het toestel is voorzien van een hittebestendige laklaag.
Tijdens de eerste stookuren is het volkomen normaaldat er een geur ontstaat door het inbranden van de lak, dit is echter ongevaarlijk. Om dit zo snel mogelijk teverhelpen dient men het toestel enkele uren volop te laten branden en het vertrek goed te ventileren. 1. 2. WaarborgDe waarborg geldt uitsluitend voor elke constructiefout, en is enkel geldig voor toestellen geplaatst door eenerkende installateur. Hij loopt twee jaar vanaf de leveringsdatum. De waarborg beperkt zich tot het eenvoudiguitwisselen van de onderdelen die door onze technische dienst als defect erkend worden en dit met uitsluiting vanelke schadevergoeding of interest. De verplaatsingkosten en handenarbeid zijn ten laste van de verbruiker.
Dewaarborg vervalt indien het toestel hetzij slecht onderhouden of verkeerd gebruikt werd, hetzij bij ongeval oframp beschadigd, welke aan een oorzaak te wijten is vreemd aan het toestel zelf, ofwel door niet aangewezenpersonen hersteld werd. De waarborg dekt niet het vervangen van breekbare onderdelen of stukken in contactmet het vuur, glas e. a.
Eventuele klachten worden uitsluitend via de leverancier in behandeling genomen. 1. 3. OnderhoudHet onderhoud beperkt zich tot het rein houden van de mantel en de verbrandingskamer. De mantel ofsierkader/ruitkader afnemen en met een vochtig doek het stof van de verbrandingskamer en vloerplaatwegnemen. Dit gebeurt steeds bij een afgekoeld toestel. Bij toestellen met een schoorsteenaansluiting, jaarlijks deschoorsteen laten reinigen, vooral in gevallen waar voorheen kolen of oliekachels gebrand hebben. Om eventueleproblemen of defecten te voorkomen tijdens de stookperiode is het raadzaam in de zomer een jaarlijksonderhoud te laten uitvoeren door een vakman.
Een jaarlijks onderhoud omvat:Nakijken of de punt van het thermokoppel niet verbrand is;Nagaan of de hoofdinspuiter of waakvlaminspuiter niet verstopt is;Nakijken van de piëzo-ontsteker en ontstekingskaars;Brander reinigen en branderopeningen uitblazen;Toestel op gasdichtheid testen, in het bijzonder opnieuw gemonteerde onderdelen;Werking van het toestel controleren:-ontsteking waakvlam nakijken;-nakijken of de waakvlam goed geregeld is;-ontsteking van de hoofdbrander controleren, deze moet snel en geruisloos zijn;-werking van de thermostaat uittesten;Werking van de TTB uittesten (open verbranding);Ventilator (indien aanwezig) stofvrij maken;Waakvlam reinigen (uitblazen via luchtopeningen onderaan);Toevoer- en afvoerkanalen controleren.
Gebruiksaanwijzing51. 4. Veiligheid1. 4. 1. In acht te nemen veiligheidsvoorschriftenGebruik het toestel uitsluitend voor verwarming, niet voor andere doeleinden;Zorg ervoor dat gordijnen of andere brandbare materialen niet in contact kunnen komen met het gastoestel;Laat niet toe dat kleine kinderen of zwakkere personen direct voor het gastoestel slapen;Verboden op het gastoestel te gaan zitten;Niets tegen of op het gastoestel plaatsen;Kinderen of personen die niet op de hoogte zijn van de werking van het toestel mogen enkel onder toezicht inde nabijheid van het toestel komen;Spuit geen aerosol op het gastoestel als het in gebruik is;Verboden ontvlambare materialen, beplanting enz.
voor de rookafvoer te plaatsen;Verboden ontvlambare producten te bewaren in de buurt van het gastoestel;De onderdelen van de rookafvoer mogen niet in contact komen met brandbaar materiaal;Nooit de afsluitkraan open laten staan als het toestel gedoofd is;Nooit een lek opzoeken d. m. v. een vlam; dit geschiedt uitsluitend door de delen waar zich een gasontsnappingkan voordoen in te smeren met zeepwater;Een gebroken of gescheurd glas dient vervangen te worden alvorens het toestel opnieuw te gebruiken;Het is verboden brandbare stoffen op de keramische houtblokken-, kolen- of keienset te leggen;De voorzijde en bovenzijde zijn de actieve oppervlakken van het toestel.
Raak deze niet aan als het toestel inwerking is;Plaats een bijkomend scherm voor het toestel om rekening te houden met speciale risico’s die bestaan incrèches of andere plaatsen waar jonge kinderen, bejaarden of mindervaliden aanwezig zijn;Het toestel nooit in werking stellen zonder de ruit; let er bovendien op dat deze correct is gesloten. 1. 4. 2.
Thermische terugslagbeveiliging – TTBAlle toestellen met open verbranding zijn voorzien van een thermische terugslagbeveiliging (TTB) die het toestelvolledig, inclusief de waakvlam, uitschakelt van zodra er zich één van de volgende situaties voordoet:een te geringe schoorsteentrek;onderdruk in de woning door een mechanisch afzuigsysteem;onvoldoende luchttoevoer;windterugslag in de schouw;schouw verstopt. Van zodra de oorzaak van het in werking treden van de TTB is verholpen, kan het toestel opnieuw wordenontstoken en zal het verder normaal functioneren. Het is verboden de TTB buiten werking te stellen. Raadpleeg bijaanhoudende problemen uw installateur. De defecte onderdelen alleen vervangen door originele stukken,deinstallateur mag de positie van de TTB niet bijregelen. 1. 4. 3.
Toestellen met manuele bedieningOnze toestellen zijn uitgerust met een ingebouwde thermostaat en veiligheidsysteem. Een thermokoppel belet deverdere gastoevoer ingeval van toevallige uitdoving van de waakvlam. 1. 4. 4. Toestellen met afstandsbediening1. 4. 4. 1. VEILIGHEDEN INGEBOUWD IN HET BEDIENINGSSYSTEEMHet bedieningssysteem werkt op radio frequentie signalen die uitgezonden worden door de zender naar deontvanger in uw toestel. Voor een goede werking is het dus onontbeerlijk dat de zender altijd binnen hetwerkingsbereik van de ontvanger geplaatst wordt (± 6 m). Om ongewenste situaties te voorkomen werden verschillende veiligheidssystemen ingebouwd die u hiertegenbeschermen en verwittigen wanneer er moet ingegrepen worden.
Gebruiksaanwijzing61. 4. 4. 2. THERMOVEILIGHEID -ZENDERDe afstandsbediening beschikt over een thermo-veiligheid, ingebouwd in de software. Deze geeft het systeem eenbijkomende veiligheid wanneer het in THERMO of PROGRAM-mode staat. Deze thermo-veiligheid treedt in werking van zodra de zender buiten het bereik van de ontvanger wordt geplaatsten werkt als volgt (enkel bij THERMO en PROGRAM-mode):De zender meet elke 2 minuten de omgevingstemperatuur en controleert de gemeten omgevingstemperatuurmet de ingestelde SET-temperatuur. Samen met deze meting stuurt de zender ook een RF signaal naar deontvanger om weer te geven dat de zender zich in werkingsbereik bevindt. Wanneer de ontvanger dergelijksignaal niet ontvangt in een tijdsspanne van 2 minuten betekent dit dat de zender buiten bereik is en dus geenverdere opdrachten kan doorgeven.
Op dit moment treedt de THERMO-veiligheid in werking en begint een 2 uur-durende countdown in de ontvanger. Ontvangt de ontvanger gedurende deze 120 minutendurende countdown geen signaal meer van de zender, danzal het toestel automatisch uitgeschakeld worden. U hoort een serie korte biepjes gedurende 10 sec. gevolgd dooréén biep elke 4 sec. , en dit zolang de ontvanger niet wordt GERESET. Om de ontvanger te RESETTEN moet u de MODE-toets op de zender indrukken tot er ON verschijnt. Vervolgenskunt u het toestel opnieuw uitschakelen of in de gewenste werkingsMODE brengen. 1. 4. 4. 3.
COMMUNICATIEVEILIGHEID ZENDERIn tegenstelling tot de THERMO-veiligheid werkt de communicatie veiligheid in alle werkingsmodi (ON-THERMO-PROGRAM) en werkt als volgt:De zender stuurt altijd (in om het even welke mode) om de 15 minuten een RF-signaal naar de ontvanger om aante tonen dat deze zich in werkingsbereik bevindt. Wanneer de ontvanger dergelijk signaal niet ontvangt zal erautomatisch overgegaan worden naar een countdown van 45 minuten alvorens het toestel uit te schakelen.
Ontvangt de ontvanger gedurende deze 45 minutendurende countdown geen signaal meer van de zender dan zalhet toestel automatisch uitgeschakeld worden. U hoort een serie korte biepjes gedurende 10 seconden gevolgddoor één biep elke 4 seconden, zolang de ontvanger niet wordt GERESET. Om de ontvanger te RESETTEN moet u de MODE-toets op de zender indrukken tot er ON verschijnt. Vervolgenskunt u het toestel opnieuw uitschakelen of in de gewenste werkingsMODE brengen. 1. 4. 4. 4. THERMO VEILIGHEID ONTVANGERDe ontvanger beschikt eveneens over een thermo-veiligheid en treedt in werking wanneer bij niet-normaalfunctioneren van het toestel (bv. defecte ventilator) de omgevingstemperatuur van de ontvanger boven de 55°Czou stijgen. Op dit moment wordt uw toestel uitgeschakeld en biept de ontvanger 4 keer elke 2 seconden, zolangde omgevingstemperatuur niet zakt onder de 50°C.
OntstekingW721 kraanblok Mertik/Maxitrol met sfeerkraanW72 kraanblok Mertik/Maxitrol zonder sfeerkraanDe afsluitkraan op de gasleiding openen.Ontluchting van de leiding is meestal nodig bij de eerste ingebruikname of na langdurige buitendienststelling.Het ontluchten gebeurt door de ontstekingsknop (10) in te drukken.De ontstekingsknop (10) draaien tot het sterretje en indrukken – wacht 5 sec.Draai de ontstekingsknop ingedrukt (10) verder tot de waakvlamstand (rode bol) en wacht 10 sec.Wanneer de waakvlam brandt, ontstekingsknop (10) nog 10 sec. ingedrukt houden.Bij het loslaten van de ontstekingsknop (10) moet de waakvlam blijven branden (knop in waakvlamstand).Indien de ontsteking niet gebeurde, de volledige reeks handelingen herhalen.
Gebruiksaanwijzing82.1.3. Ontsteking hoofdbrander en instellen temperatuurOntstekingknop (10) doordraaien tot branderstand (blauwe bol) en de thermostaatknop (11) op de gewenstetemperatuur instellen. De thermostaatknop op stand 1 komt overeen met 13°C. Eén gradatie is telkens +3°C (bv.stand 4 = 22°C).Let er op dat de voeler geplaatst wordt daar waar een normale luchtcirculatie door convectie mogelijk is. Het isaan de installateur om zelf de meest geschikte plaats te kiezen.W721 kraanblok Mertik/Maxitrol met sfeerkraanW72 kraanblok Mertik/Maxitrol zonder sfeerkraan2.1.4. UitdovingOm het toestel volledig buiten dienst te stellen, ontstekingsknop (10) op waakvlamstand brengen, licht indrukkenen doordraaien naar stand 0.2.1.5. NachtstandOntstekingsknop (10) op waakvlamstand zetten (rode bol), enkel de waakvlam blijft nu branden.2.1.6.
Gashaarden uitgerust met sfeerkraan2.1.6.1.TOESTEL UITGERUST MET 2ONAFHANKELIJKE BRANDERSDe achterste brander ontsteekt door de thermostaatknop (11) in de gewenste stand te draaien. Bij het bereikenvan de ingestelde temperatuur zal de brander automatisch doven. De voorste brander wordt bediend door deknop van de sfeerkraan (12) in de gewenste stand te draaien. Deze brander zal continu blijven branden met lange,gele vlammen om zodoende de sfeer van een echt haardvuur weer te geven.2.1.6.2.TOESTEL UITGERUST MET SFEERBRANDERSYSTEEMDe bedieningskraan van het sfeerbrandersysteem (12) biedt de mogelijkheid de branders continu te latenbranden, ongeacht de stand van de thermostaatknop.Opgelet: Het inschakelen van de sfeerbrander kan aanleiding geven tot een overmatig gasverbruik.
Vergeet nietde neutraalstand in te stellen indien u kiest voor een economische verwarming.Belangrijk: De waakvlam is de veiligheid en zekering van het toestel. Indien deze wegens om het even welkereden gedoofd is, moet men minstens 5 min. wachten alvorens opnieuw te ontsteken.
vb: stand 4 = 22°C.Let er op dat de voeler geplaatst wordt daar waar een normale luchtcirculatie door convectie mogelijk is.Het is aan de installateur om zelf de meest geschikte plaats te kiezen.Belangrijk: Indien per vergissing de dovingsknop (2) gelijktijdig met de waakvlamknop (1) wordt ingedrukt, valthet toestel in veiligheid; slechts de waakvlam ontsteekt. Druk nogmaals op de dovingsknop (2) en wacht totbeide knoppen in hun oorspronkelijke stand komen vooraleer het toestel opnieuw te ontsteken.De afsluitkraan op de gasleiding openen.Ontluchting van de leiding is meestal nodig bijde eerste ingebruikname of na langdurigebuitendienststelling.
Het ontluchten gebeurtdoor de waakvlamtoets(1) in te drukken.Waakvlamtoets (1) indrukken en gelijktijdigherhaaldelijk de ontstekingsknop (4) indrukken.Eens de waakvlam ontstoken, waakvlamtoets(1) ingedrukt houden gedurende ±20 sec.Bij het loslaten van de waakvlamtoets (1) moetde waakvlam blijven branden.Indien de ontsteking niet gebeurde, de volledigereeks handelingen herhalen.
Gebruiksaanwijzing102. 2. 4. UitdovingOm het toestel volledig buiten dienst te stellen, de dovingsknop (2) indrukken. De twee drukknoppen (1 + 2)blijven beide gedurende ±40 seconden geblokkeerd. Tijdens deze periode is het onmogelijk het toestel teontsteken. Na max. 50 seconden springen beide automatisch in hun oorspronkelijke positie terug. 2. 2. 5. NachtstandDe thermostaatknop (3) op stand “ster” plaatsen. Enkel de waakvlam blijft branden (indien de omgevings-temperatuur niet lager is dan 5°C). 2. 2. 6. Gashaarden uitgerust met sfeerkraanDe sfeerkraan (5) heeft drie standen:0. neutraalstand 1. kleinstand 2. grootstandOpgelet: Het inschakelen van de sfeerbrander kan aanleiding geven tot een overmatig gasverbruik. Vergeet nietde neutraalstand in te stellen indien u kiest voor een economische verwarming. 2. 2. 6. 1.
TOESTEL UITGERUST MET 2ONAFHANKELIJKE BRANDERSDe achterste brander ontsteekt door de thermostaatknop (3) in de gewenste stand te draaien. Bij het bereikenvan de ingestelde temperatuur zal de brander automatisch doven. De voorste brander wordt bediend door deknop van de sfeerkraan (5) in de gewenste stand te draaien. Deze brander zal continu blijven branden met lange,gele vlammen om zodoende de sfeer van een echt haardvuur weer te geven. 2. 2. 6. 2. TOESTEL UITGERUST MET SFEERBRANDERSYSTEEMDe bedieningskraan van het sfeerbrandersysteem (5) biedt de mogelijkheid de branders continu te laten branden,ongeacht de stand van de thermostaatknop. Belangrijk: De waakvlam is de veiligheid en zekering van het toestel. Indien deze wegens om het even welkereden gedoofd is, moet men minstens 5 min. wachten alvorens opnieuw te ontsteken. 2. 3. Toestellen met Eurosit kraanblok2. 3. 1.
Gebruiksaanwijzing112.3.2. OntstekingDe afsluitkraan op de gasleiding openen;Ontluchting is meestal nodig bij de eerste ingebruikname of nalangdurige buitendienststelling. Het ontluchten gebeurt door dethermostaatknop (9) in te drukken;Thermostaatknop (9) op “ster” zetten (de knop blokkeert indeze stand);Thermostaatknop (9) indrukken en gelijktijdig herhaaldelijk deontstekingsknop (7) indrukken;Eens de waakvlam ontstoken, thermostaatknop (9) gedurende±20 sec. ingedrukt houden;Bij het loslaten van de thermostaatknop (9) moet de waakvlam blijven branden. Nu pas kan de thermostaat-knop verder gedraaid worden;Indien de ontsteking niet lukte, de volledige reeks handelingen herhalen;De thermostaatknop (9) op de gewenste temperatuur instellen. De thermostaatknop op stand 1 komt overeenmet 13°C. Eén gradatie is telkens +3°C (bv.
stand 4 = 22°C);Let er op dat de voeler geplaatst wordt daar waar een normale luchtcirculatie door convectie mogelijk is. Het isaan de installateur om zelf de meest geschikte plaats te kiezen.2.3.3. UitdovingOm het toestel volledig buiten dienst te stellen, de thermostaatknop (9) op stand ozetten.2.3.4. NachtstandDe thermostaatknop (9) op stand “ster” plaatsen, enkel de waakvlam blijft branden (indien deomgevingstemperatuur niet lager is dan 5°C).Belangrijk: De waakvlam is de veiligheid en zekering van het toestel. Indien deze wegens om het even welkereden gedoofd is, moet men minstens 5 min. wachten alvorens opnieuw te ontsteken.
Gebruiksaanwijzing123. Plaatsing van het toestelDe plaatsing dient te geschieden volgens deregels van de kunst en moet beantwoorden aande gangbare normen. De minste afwijkingontslaat ons van alle verantwoordelijkheid watbetreft de veiligheid en de goede werking van hettoestel. Bij wijzigingen aan de regelorganen dooronbevoegde personen vervalt de waarborg. Controleer voor de installatie of de plaatselijkeverdelingsvoorwaarden, de gassoort en de drukovereenstemt met de afstelling van het toestel. Voor een voldoende warmeluchtventilatie tebekomen moet men de minimumafstandenrespecteren, tevens moet de kachel geplaatstworden in een voldoende geventileerde ruimteindien het een toestel met open verbranding is. Belangrijk: Indien het toestel geplaatst wordttegen een niet-hittebestendige wand, of een niet-hittebestendige vloer, is een extra beschermplaatachter/onder het toestel vereist. 3. 1.
Leidingen en gas- netstroomaansluitingenSlechts metalen leidingen zijn toegelaten, hetzij in staal, hetzij in koper;Op het uiteinde van de leiding in de nabijheid van het toestel is een gekeurde afsluitkraan noodzakelijk om hetgas af te sluiten bij een eventuele ontkoppeling;Nagaan of er zich gaan stof of vuil in de leiding bevindt alvorens deze aan te sluiten op het toestel.
Dit is zeerbelangrijk voor de veiligheid van het toestel, aangezien stof of vuil de werking van de kraanblok kanverhinderen of zelfs het afsluiten van de gastoevoer kan blokkeren;De aansluitkraan is voorzien in 3/8” G binnendraad;Voor de schroefdraaddichtingen wordt uitsluitend gekeurd materiaal gebruikt;Gebruik voor koperleidingen hardsoldeer met een smeltingtemperatuur hoger dan 450°;Het drukverlies op de leidingen mag maximum 1 mbar bedragen;Gebruik uitsluitend bicone aansluitingen met dikwandige moeren, minstens 0,7 × Ø.
Gebruiksaanwijzing133. 2. Open verbrandingHet rookafvoerkanaal is voorzien voor buizen van Ø 90;De kachel dient aangesloten te worden op een goed werkendeschouw. De schoorsteen vegen en de roetput reinigen indiennodig;De hoogte van het schouwkanaal moet minstens 4 meterbedragen;Indien de afvoerbuis door een brandbare wand gaat, zal deopening in de wand minstens 2 cm groter zijn dan de afvoerbuisen mag deze nergens de wand raken. Beter is de afvoerbuis teisoleren met rotswol of glaswol;Indien er zich roet in de schouw bevindt moet er gewerktworden met een inox flexibel die tot bovenaan de schouw gaat. 3. 2. 1. Richtlijnen uitmonding van de rookgasafvoeren bij open verbrandingBij daken met een helling groter dan 23° is de uitmonding van het afvoerkanaal zo dicht mogelijk gelegen bij denok en minimum 1 meter erboven.
In alle andere gevallen en indien bovenstaande regel niet kan voldaan worden, moet men de volgende drie wind-invloedzones bepalen:ZONE 1: in deze zone heeft de wind geen nadelige invloed op de werking van het afvoerkanaal en kan dezeuitmonden zonder bijkomende voorziening;ZONE 2: in deze zone dient men rekening te houden met valwinden die het plaatsen van een valwindafleidernoodzakelijk maken (bv: statische afvoerkap);ZONE 3: in deze zone moet men rekening houden met de overdrukken ten opzichte van ruimten binnenin hetgebouw; als gevolg hiervan mag er geen afvoerkanaal in uitmonden. 3. 2. 1. 1.
DAK MET EEN HELLING VAN 23° OF MEERTeken 2 evenwijdigen aan de helling van het dak, respectievelijk op 0,5 m en 1 m, loodrecht gemeten op dehelling van het dak;Eindig deze evenwijdige bij de horizontalen op 0,5 m en 1 m boven de nok van het dak;Teken een evenwijdige op 0,5 m van de verticale gevels; hierdoor ontstaan twee snijpunten met de evenwijdigeaan de dakhelling;Vanuit het laagste snijpunt, een rechte tekenen onder een hoek van -45° t. o. v.
Gebruiksaanwijzing143. 2. 1. 2. DAK MET EEN HELLING KLEINER DAN 23° - PLAT DAKVanuit de hoogste punten van het plat dak de referentie- horizontale trekken;Vanuit het snijpunt van deze horizontale met de verticale van de gevel, een lijnstuk naar omhoog toe tekenenonder een hoek van +20° t. o. v. het plat dak; het oplopend lijnstuk beperken tot op 1,5 m boven de referentie-horizontale; dit vormt het fictief dak;Teken 2 evenwijdige, de ene op 0,5 m en de andere op 1 m, boven dit fictief dak;Teken een verticale op 0,5 m van de verticale gevel, dit geeft twee snijpunten met de evenwijdige aan dedakhelling van het fictief dak;Vanuit het laagste snijpunt, een rechte tekenen onder een hoek van -45° t. o. v. de horizontale;Vanuit het hoogste snijpunt, een rechte tekenen onder een hoek van -20° t. o. v. de horizontale. 3. 2. 1. 3.
HINDERNISSENDe naburige hindernissen worden als volgt bepaald:1. Onderzoek vanuit de plaats waar het afvoerkanaal voorlopig uitmondt waarbij alle zichtbare hindernissenvallen binnen een afstand van 15 m:Indien deze hindernissen gelegen zijn in een horizontaal vlak loodrecht op het afvoerkanaal binnen eenhoek die groter is dan of gelijk aan 30° en indien de bovenzijde van de hindernis zich bevindt onder eenelevatiehoek van meer dan 10° ten opzichte van het horizontale vlak, dan worden zij beschouwd alswerkelijke hindernissen. Is de elevatiehoek kleiner dan 10° dan worden zij beschouwd als verwaarloosbarehindernissen;Is de horizontale hoekbreedte kleiner dan 30°, dan worden zij beschouwd als verwaarloosbarehindernissen;2. Indien de afstand groter is dan 15 m dan worden zij beschouwd als verwaarloosbare hindernissen.
Gebruiksaanwijzing163.3. Gesloten verbranding3.3.1. Dakdoorvoer voor A8M, A19M en A19ME3.3.1.1. WANNEER GEBRUIKEN?Dit type wordt gebruikt wanneer de rookgasafvoer uitmondt op een hellend dak.Deze dakdoorvoeren zijn geschikt als gecombineerde doorvoeren voor de afvoer van verbrandingsgassen en detoevoer van verbrandingslucht voor gesloten gasgestookte toestellen, met of zonder ventilator. De aansluitinggebeurt met concentrische buizen Ø 100 – Ø 150.3.3.1.2.AFMETINGENAfmetingen loden indekstuk: 500 mm × 500 mm3.3.1.3.PLAATSING DAKDOORVOERDe dakdoorvoer, als onderdeel van de totale installatie, moet worden aan-gebracht volgens de nationale regelgeving.1. Controleer eerst de dakdoorvoer op beschadigingen;2. Bepaal de plaats van de dakdoorvoerconstructie. Bij een pannen-dak moet rekening gehouden worden met de pansoort;3. Maak van buitenaf een gat voor de dakdoorvoer.
Zorg ervoor dater geen zaagsel of stof in het toestel kan komen;4. Plaats het indekstuk;5. Plaats de dakdoorvoer voorzichtig van buitenaf door het dak;6. Zet de dakdoorvoer met behulp van een waterpas recht;7. Plaats de meegeleverde bevestigingsbeugel om de dakdoorvoer;8. Bevestig deze aan het dakbeschot. De beugel nog niet vastzetten;9. Bouw het concentrisch systeem op beginnende bij het gastoestel;10. Zet als laatste de dakbeschotbeugel vast en controleer alle werk-zaamheden op juiste uitvoering.dakdoorvoerindekstukKW172 dakdoorvoerkit
Gebruiksaanwijzing173.3.2. Schouwdoorvoerkit voor A8M, A19M en A19ME3.3.2.1. WANNEER GEBRUIKEN?Dit type wordt gebruikt wanneer de rookgasafvoer uitmondt op een plat dak of bij het gebruik van een schouw-kanaal.Deze schouwdoorvoeren zijn geschikt als gecombineerde doorvoeren voor de afvoer van verbrandingsgassen ende toevoer van verbrandingslucht voor gesloten gasgestookte toestellen, met of zonder ventilator. De aansluitinggebeurt met concentrische buizen Ø 100 – Ø 150.Geschikt voor alle inbouwhaarden met gesloten verbranding.3.3.2.2. AFMETINGEN(zie afbeelding)3.3.2.3. PLAATSING SCHOUWDOORVOERDe schouwdoorvoer, als onderdeel van de totale installatie,moet worden aangebracht volgens de nationale regelgeving.1. Controleer eerst de schouwdoorvoer op beschadigingen;2.
Bepaal de plaats van de dakdoorvoerconstructie;Maak van buitenaf een gat voor de schouwdoorvoer;Zorg ervoor dat er geen zaagsel of stof in het toestel kan komen;3. Plaats de aluminium dekplaat;4. Plaats de dakdoorvoer voorzichtig van buitenaf door het dak;5. Zet de dakdoorvoer met behulp van een waterpas recht;6. Plaats de meegeleverde bevestigingsbeugel om de dakdoorvoeren bevestig deze aan het dakbeschot. De beugel nog niet vastzetten;7. Bouw het concentrisch systeem op beginnende bij het gastoestel;8. Zet als laatste de dakbeschotbeugel vast en controleer alle werkzaamheden op juiste uitvoering.3.3.3. De muurdoorvoer voor A8M, A19M en A19ME3.3.3.1.
WANNEER GEBRUIKEN?Dit type wordt gebruikt wanneer de rookgasafvoer via een buitenmuur naar buiten wordt geleid.Deze muurdoorvoeren zijn geschikt als gecombineerde afvoer van verbrandingsgassen en toevoer vanverbrandingslucht voor gesloten gasgestookte toestellen, met of zonder ventilator. De aansluiting gebeurt metconcentrische buizen Ø 100 – Ø 150.3.3.3.2. AFMETINGENschouwdoorvoeralu dekplaatafwerkingsplaatvoor binnenconcentrische buisØ151 – Ø 101buitenroosterKW173 schouwkitKW171 muurdoorvoerkit
Gebruiksaanwijzing183.3.3.3. PLAATSING MUURDOORVOER1. Controleer eerst de muurdoorvoer op beschadigingen;Bepaal de plaats van de muurdoorvoerconstructie;2. Maak van buitenaf een gat voor de muurdoorvoer. Zorg ervoor dater geen vuil in het toestel kan komen;3. Plaats de buitenrooster voorzichtig van buitenaf door de muur. Pasde lengte aan, aan de muurdikte;4. Zet de muurdoorvoer horizontaal naar buiten. Zet hetbuitenrooster vast aan de buitenmuur;5. Plaats de meegeleverde afwerkingplaat om de muurdoorvoer enbevestig deze. Deze nog niet vastzetten;6. Bouw het concentrische systeem beginnende bij het gastoestel op;7. Zet als laatste de afwerkingplaat vast en controleer allewerkzaamheden op juiste uitvoering;8. De opening tussen muur en muurkoker afdichten met isolatie-materiaal of dicht cementeren om te voorkomen dat koudebuitenlucht in de kamer zou komen.3.3.4.
Muurdoorvoer voor A36M3.3.4.1. WANNEER GEBRUIKEN?Dit type rookgasafvoeren worden gebruikt als rookgasafvoer die via een buitenmuur naar buiten wordt geleid.Deze muurdoorvoer is geschikt voor het toestel A36M.3.3.4.2. AFMETINGEN3.3.4.3. PLAATSING MUURDOORVOER1. Controleer eerst de muurdoorvoer op beschadigingen;2. Bepaal de plaats van de muurdoorvoerconstructie;3. Maak van buitenaf een gat voor de muurdoorvoer;4. Plaats de buitenrooster + koker voorzichtig van buitenaf door de muur. Pas delengte áán aan de muurdikte;5. De muurkoker moet goed aansluiten aan de verbrandingskamer. Om aanzuigingvan valse lucht te voorkomen is het best de muurdoorvoerkit met schroevenverbinden (gat door aansluitmof en muurdoorvoerkit boren);6. Zet de muurdoorvoer horizontaal buiten. Zet het buitenrooster vast aan debuitenmuur;7.
Gebruiksaanwijzing19Opmerkingen:De muurkoker moet horizontaal geplaatst worden naar buiten toe. Nooit laten afhellen naar beneden ominsijpelen van regenwater te voorkomen, dit is nefast voor een goede werking van het toestel;Indien de muurkoker door een spouwmuur loopt is het van groot belang de openingen (overgangtelescopische buizen) die nog in de muurkoker zitten af te dichten om trekverliezen te voorkomen.3.3.5.
Gebruiksaanwijzing203.3.6. Voorwaarden voor opbouw concentrisch buizensysteem3.3.6.1. ALGEMENE VOORWAARDENAlgemene regel: Bij de opbouw van het concentrisch buizensysteem zal de hoeveelheid weerstand opgebouwddoor het buizensysteem bepalend zijn voor de goede werking. Daar horizontale stukken de meeste weerstandcreëren, zijn deze te vermijden. De totale horizontale lengte van het buizensysteem mag nooit de totaleverticale lengte overschrijden!De figuren zijn gerangschikt van minst tot meest geschikte aansluiting.Figuur A Figuur B Figuur CBij figuur A vertrekt men van aan het toestel verticaal tot aan de horizontale uitmondhoogte van derookgasafvoer, gevolgd door een bocht van 90° en vervolgens horizontaal naar buiten;Bij figuur B gaat men eerst een gedeelte verticaal om vervolgens de horizontale lengte met een helling van15° te overbruggen.
Met een bocht van 15° komt men weer horizontaal;Bij figuur C vertrekt men van aan het toestel direct met een bocht van 45°. Voor de buitenmuur plaatst meneen bocht van 45° om horizontaal naar buiten te komen. Deze manier geeft het minste weerstand en iszodoende het meest ideaal.
Gebruiksaanwijzing223.3.7. Richtlijnen uitmonding van de rookgasafvoerenIn het grijze gedeelte bevinden zich ramen, deuren noch ventilatieopeningen.1. De afstand L tussen een wandopening en een eindstuk dat lager gelegen is (met de uitmonding in het dak ofin een verticale wand) moet voldoen aan: L + ΔH > 4 m.2. De afstand L tussen een wandopening en een eindstuk dat hoger gelegen is, wordt als volgt bepaald:Indien ΔH < 0,5 m dan moet L ≥ 2 mIndien ΔH < 1 m of ΔH ≥ 0,5 m dan moet L ≥ 1 m.12
Gebruiksaanwijzing23Uitmonding van het eindstuk in een vlakke gevelIn het grijs getinte deel mogen geen ramen of deuren uitmonden. Is de verticale afstand tussen het eindstuk en de bovenkant van het raamgroter dan 0,25 m dan moet de horizontale afstand tussen het raam ende uitmonding groter dan of gelijk zijn aan 1 m. Is de verticale afstand tussen het eindstuk en de bovenkant van het raamkleiner of gelijk aan 0,25 m, dan moet de horizontale afstand tussen hetraam en de uitmonding groter dan of gelijk zijn aan 0,75 m. Uitmonding van het eindstuk in een gevel met uitsprong ofuitmonding van het eindstuk onder een dakrandIn het grijs getinte deel mogen geen ramen of deurenuitmonden. Is z > 0,5 m of y < 0,4 m dan mag het eindstuk niet uit-monden op deze plaats.
Is z ≤ 0,1 m of y > 5 m dan gelden dezelfde richtlijnen alsvoor een uitmonding in een vlakke gevel:Voor alle andere waarden van z en y gelden de richtlijnenop de figuur:Is de verticale afstand tussen het eindstuk en de bovenkantvan het raam groter dan 0,25 m dan moet de horizontaleafstand tussen het raam en de uitmonding groter dan ofgelijk zijn dan 1 m. Is de verticale afstand tussen het eindstuk en debovenkant van het raam kleiner of gelijk aan 0,25 m,dan moet de horizontale afstand tussen het raam en deuitmonding groter dan of gelijk zijn aan 0,75 m. Uitmonding van het eindstuk in een gevel nabij eenhoek- aangrenzend gevelvlak zonder wandopeningenIn het grijs getinte deel mogen geen ramen of deuren uitmonden.
De afstanden tussen een eindstuk in een gevel nabij een hoek met eenaan-grenzend gevelvlak waarin zich geen wandopeningen bevinden envensters of deuren die kunnen geopend worden, worden als volgtbepaald:Als het aangrenzend gevelvlak kleiner is dan 0,5 m (waarde w) of dehorizontale lengte tussen de uitmonding en het gevelvlak is groterdan 5 m (waarde e) dan gelden de richtlijnen van een uitmonding ineen vlakke gevel.
Is de lengte van het aangrenzend gevelvlak groter of gelijk aan 0,5 men tevens kleiner of gelijk aan 1m (waarde w) dan moet dehorizontale lengte tussen de uitmonding en een raam (ventilatie-openingen) groter of gelijk aan 0,5 m (waarde a) en tevens moet dehorizontale lengte tussen de uitmonding en het aangrenzendgevelvlak groter of gelijk zijn dan 0,5 m (waarde e). Is de lengte van het aangrenzend gevelvlak groter dan 1 m (waarde w), dan is de horizontale lengte tussen deuitmonding en een raam (ventilatie-openingen) groter of gelijk aan 0,75 m (waarde a) en tevens moet dehorizontale lengte tussen de uitmonding en het aangrenzend gevelvlak groter of gelijk aan 1 m (waarde e).
Gebruiksaanwijzing24Uitmonding van het eindstuk in een gevel nabij een hoek- aangrenzend gevelvlak met wandopeningenIn het grijs getinte deel mogen geen ramen of deurenuitmonden. De afstanden tussen een eindstuk in een gevel nabij eenhoek met een aangrenzend gevelvlak waarin zichwandopeningen bevinden en vensters of deuren diekunnen geopend worden, worden als volgt bepaaldIs de lengte van het aangrenzend gevelvlak (waardew) kleiner dan 0,5 m of de horizontale lengte tussende uitmondingen en het aangrenzend gevelvlakgroter dan 5 m dan gelden de richtlijnen voor eenuitmonding in een vlakke gevel.
Is de lengte van het aangrenzend vlak groter dan ofgelijk aan 5 m en tevens kleiner dan of gelijk aan 1 m(waarde w), dan is de horizontale lengte tussen deuitmonding en een raam (ventilatieopeningen)groter dan of gelijk aan 0,5 m (waarde a) en tevensmoet de horizontale lengte tussen de uitmonding en het aangrenzend gevelvlak groter of gelijk zijn dan 2,5 m(waarde f). Is de lengte van het aangrenzend vlak groter dan 1 m (waarde w), dan moet de horizontale lengte tussen deuitmonding en een raam (ventilatieopeningen) groter dan of gelijk aan 0,75 m zijn (waarde a) en tevens moetde horizontale lengte tussen de uitmonding en het aangrenzend gevelvlak (waarde f) groter dan of gelijk zijnaan 2,5 m.
Uitmonding van het eindstuk op de muur, onder een balkonof galerijDe afstanden van een eindstuk uitmondend op een verticalewand onder een balkon of een galerij, al dan nietopengewerkt zijn aangegeven op de figuur. Deze afstandengelden niet wanneer het afvoersysteem verlengd wordt totvoorbij de voorzijde van het balkon of galerij. Er moet danworden nagegaan in hoeverre er eventuele hinder is voorwandopeningen in de verticale wand boven het terras of degalerij. Deze figuren geven grafisch de richtlijnen die moetengevolgd worden bij het plaatsen van de uitmonding van hetgastoestel.
Plaats vervolgens de hout-, kolen-, keien-, of wijnrankenset volgens de figuren.W133 vermiculiet 1000 ml W134 gloeivlokkenEerst het vermiculiet op de brander, bovenop de vermiculiet komen mooi verdeeld de gloeivlokken.Opmerking: De korrels dienen met de hand op de brander gelegd te worden en daarbij moet gelet worden dat ergeen fijn stof op de brander komt.Het is verboden het toestel te laten branden zonder vermiculietkorrels op de brander!Toestellen die werken op PROPAAN kunnen enkel worden uitgerust met een keien- of kolenset, NIET met eenhout- of wijnrankenset (om roetvorming te voorkomen).Niets mag gewijzigd worden aan het aangebrachte brandermedium, noch mag de hoeveelheid gewijzigd worden.4.1. De wijnrankensetVoorzie bij de plaatsing van de wijnranken voor voldoende open ruimtes waardoor het vlammenspel kan ontstaan.
Dezeopeningen zijn nodig om een goede en mooie verbranding te verkrijgen. Tevens mag de waakvlam niet gehinderdworden! Let bij de plaatsing dat de waakvlam vrij is en er geen wijnranken op rusten,om de goede werking van hettoestel te waarborgen!Correcte plaatsing van de wijnranken4.2. De kolensetOm een mooi vlammenspel te bekomen worden de grote en kleine kolen mooi verdeeld over de brander.Correcte plaatsing van de kolenOpmerking: gecombineerd met een vermiculietbrander moet er op gelet worden dat eerst de korrels en dan degloeivlokken op de brander gelegd worden. Tevens moet de waakvlam vrij blijven, om de goede werking van hettoestel te waarborgen!W288 ranken A19M/MEW284 kolen A9E A19M/ME / W281 kolen A8/M A19M/ME / W214 kolen A19 / W277 imitatiekeien A8/M A19M/ME / W278 imitatiekeien A9E / A19/E
Gebruiksaanwijzing264.3. Houtset voor de toestellen: A99E-A9E-A19-A19E-A116Inhoud van de houtset Correcte plaatsing van de houtsetOpmerking: Een correcte plaatsing van de houtset is nodig om een goede en mooie verbranding te hebben.Gelieve bij het plaatsen van de houtset gebruik te maken van de positioneringstaafjes op de brander en deuitsparingen in de brandplaat. Let bij de plaatsing dat de waakvlam vrij is en er geen houtblokken op rusten, omde goede werking van het toestel te waarborgen!4.4. Houtset voor de toestellen: A6-A7Inhoud van de houtset Correcte plaatsing van de houtsetOpmerking: Een correcte plaatsing van de houtset is nodig om een goede en mooie verbranding te hebben.Gelieve bij het plaatsen van de houtset gebruik te maken van de positioneringstaafjes op de brander en deuitsparingen in de brandplaat.
Let bij de plaatsing dat de waakvlam vrij is en er geen houtblokken op rusten, omde goede werking van het toestel te waarborgen!4.5. Houtset voor toestel A98Inhoud van de houtset Correcte plaatsing van de houtsetOpmerking: Een correcte plaatsing van de houtset is nodig om een goede en mooie verbranding te hebben.Gelieve bij het plaatsen van de houtset gebruik te maken van de positioneringstaafjes op de brander en deuitsparingen in de brandplaat. Let bij de plaatsing dat de waakvlam vrij is en er geen houtblokken op rusten, omde goede werking van het toestel te waarborgen.W46 houtblokken A9E/…W120 houtblokken A6 / A7W50 houtblokken A98
Gebruiksaanwijzing274.6. Houtset voor toestel A108 – A108RInhoud van de houtset Correcte plaatsing van de houtsetOpmerking: Een correcte plaatsing van de houtset is nodig om een goede en mooie verbranding te hebben.Gelieve bij het plaatsen van de houtset gebruik te maken van de positioneringstaafjes op de brander en deuitsparingen in de brandplaat. Let bij de plaatsing dat de waakvlam vrij is en er geen houtblokken op rusten, omde goede werking van het toestel te waarborgen!5.
Monteren / demonteren van de ruit(voor A8 en A8M)Verwijder eerst de buitenkader die op de vier hoeken bevestigd is met een kliksysteem.De vensterkader hangt bovenaan in een gleuf en de hoeken onderaan zijn voorzien van een kliksysteem.Voorzichtig beide hoeken onderaan gelijktijdig lostrekken en bovenaan uit de gleuf heffen.Voor het plaatsen in omgekeerde volgorde te werk gaan:Hang de vensterkader in de gleuf, en klik vervolgens met de handpalm de hoeken vast.NV MOVAHertstraat 101B-9473 Welle6. Technische informatieCategorie I2LMethaan 25 mbar Butaan 29 mbar Propaan 30 mbarGasaansluiting 3/8" 3/8" 3/8"Rookgasafvoer 100/150 100/150 100/150Nominaal vermogen in kW 8 6 6Capaciteit in m³ 72-130 56-99 56-99Belasting in kW O.W. 9,3 7 7Gasconsumptie(15°C - 1013 mbar) in m³/h1,145 0,217 0,286Voordruk in mbar 25 29 30Branderdruk in mbar 22,4 22,5 29Insp.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Bocal Diverse modellen stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Haarden Bocal
Handleiding Haarden
Nieuwste handleidingen voor Haarden