Belion GK604ZB10 Handleiding
Bekijk gratis de handleiding van Belion GK604ZB10 (28 pagina’s), behorend tot de categorie Fornuis. Deze gids werd als nuttig beoordeeld door 16 mensen. Heb je een vraag over Belion GK604ZB10 of wil je andere gebruikers van dit product iets vragen? Stel een vraag

Product specificaties
| Merk: | Belion |
| Categorie: | Fornuis |
| Model: | GK604ZB10 |
Handleiding Belion GK604ZB10 – volledige tekst
14é InstallatievoorschriftVeiligheidsaanwijzingen. 14Vóór de installatie. 14Voorbereiden van het keukenmeubel. 15Installatie van het apparaat. 15Plaatsen van het apparaat. 15Uitbouwen van het apparaat. 16Opstelling, gas- en elektrische aansluiting. 16Gasaansluiting. 16Storingen in de gasinstallatie / gasgeur. 16Elektrische aansluiting. 16Aansluitsoorten. 17Aardgasaansluiting (NG). 17Aansluiting voor vloeibaar gas (LPG). 18Omzetting naar een andere gassoort. 18Te nemen maatregelen. 18Naar een andere gassoort omzetten. 18Functieonderdelen voor de gasomzetting. 19Omzetting van aardgas naar vloeibaar gas (LPG). 19Omzetting van vloeibaar gas naar aardgas. 20Brandersproeiers vervangen. 21Bypass-sproeiers instellen of vervangen. 21Kookplaat verwijderen. 22Bypass-sproeiers vervangen. 22Kookplaat plaatsen. 22Lektest en functiecontrole. 23Gasaansluiting controleren. 23Brandersproeiers controleren.
23Bypass-schroeven controleren. 23Correcte vlamvorming. 23Branders. 23Technische eigenschappen - gas. 24VeiligheidsaanwijzingenLees de instructies van het apparaat alvorens over te gaan tot de installatie en het gebruik ervan. De grafieken afgebeeld in dit Installatievoorschrift zijn ter oriëntatie. De fabrikant is vrij van elke verantwoordelijkheid indien niet voldaan wordt aan de beschikkingen van deze handleiding. Alle werkzaamheden betreffende installatie, afstelling en aanpassing aan een ander gastype moeten worden uitgevoerd door een bekwaam installateur, waarbij alle toepasbare normen en wetgeving en de voorschriften van de lokale gas- en elektriciteitsmaatschappijen moeten worden nageleefd. Het wordt aanbevolen onze Technische Dienst te telefoneren voor de aanpassing aan een ander gastype. Sluit vóór elke handeling de stroom- en gastoevoer van het apparaat af.
Het apparaat mag niet in jachten of caravans worden geïnstalleerd. De garantie geldt alleen wanneer het apparaat op de juiste wijze wordt gebruikt. Controleer na de aansluiting of de plaatselijke condities (gassoort en gasdruk) en de apparaatinstellingen met elkaar in overeenstemming zijn. De condities voor de apparaatinstelling vindt u op het etiket of typeplaatje. Dit voorschrift geldt alleen wanneer het symbool van het betreffende land op het apparaat staat aangegeven. Is dit niet het geval, raadpleeg dan de installatiehandleiding. Hierin staan de vereiste instructies om het apparaat zo om te bouwen dat het voldoet aan de annsluitingseisen van het betreffende land. Dit apparaat mag enkel worden geïnstalleerd in een goed geventileerde ruimte, waarbij de geldende reglementen en beschikkingen inzake ventilatie nageleefd worden.
Het apparaat mag niet worden aangesloten op een inrichting voor de afvoer van verbrandingsproducten. De voedingskabel moet worden vastgemaakt in het meubelstuk, om te voorkomen dat deze contact maakt met de gedeeltes van de oven of van de kookplaat die warm worden. Apparaten met stroomtoevoer moeten verplicht geaard worden. Manipuleer de binnenzijde van het apparaat niet. Telefoneer, indien nodig, onze Technische Dienst. Vóór de installatieDit apparaat behoort tot klasse 3, volgens de norm EN 30-1-1 voor gasapparaten: apparaat ingebouwd in een meubel. De meubels dichtbij het apparaat moeten uit niet ontvlambare materialen bestaan. De gelaagde bekledingen en de lijm die deze bevestigt, moeten hittebestendig zijn. Dit apparaat kan niet geïnstalleerd worden op koelkasten, wasmachines, vaatwassers of dergelijke.
Wanneer u de kookplaat boven een oven installeert, moet deze over een geforceerde ventilatie beschikken. Controleer de afmetingen van de oven in de montage-instructie.
15Voorbereiden van het keukenmeubelBreng in het werkblad een uitsparing met de opgegeven afmetingen aan.Als het bij de kookplaat om een elektrische of gemengde kookplaat gaat (gas en elektrisch) en zich daaronder geen oven bevindt, monteert u een tussenbodem uit niet-brandbaar materiaal (bijv. metaal of multiplex) 10 mm onder de bodem van de kookplaat. Zodoende wordt voorkomen dat de onderkant van de kookplaat toegankelijk is. Als het bij de kookplaat om een gaskookplaat gaat, wordt aanbevolen om de tussenbodem op dezelfde afstand tot de kookplaat aan te brengen.Bij werkbladen uit hout moet u de snijkanten met speciale lijm afdichten om deze tegen vochtigheid te beschermen.Installatie van het apparaatVerwijder de roosters, handgrepen, branderdeksels en branderkoppen.Draai het apparaat voorzichtig om en leg het op een zachte doek.
Let goed op dat de ontstekingsonderdelen niet beschadigd raken.Plak de met de toebehorenset meegeleverde dichting op de onderste rand van de kookplaat.Voor de bevestiging van het apparaat aan het inbouwmeubel:1. Schroef de met de toebehorenset meegeleverde montageschroeven op de kookplaat vast.Attentie!Zorg er bij de bevestiging van de montageschroeven voor dat de klemmen goed vast zitten.2. Breng de kookplaat midden in de uitsparing van het werkblad aan.Druk de randen zo lang naar beneden tot de gehele rand goed op zijn plaats ligt.Plaatsen van het apparaat■Het apparaat moet volgens de opgegeven maten worden geplaatst en direct op het vloeroppervlak van uw keuken.
Het apparaat mag niet boven op wat voor object dan ook worden geplaatst.■Voor de afstand tussen de bovenkant van het fornuis en de onderzijde van de afzuigkap moet u zich houden aan de instructies van de fabrikant van de afzuigkap.PLQPLQPLQ[PLQPD[
16■Let erop dat het apparaat na de plaatsing niet meer wordt verschoven. De afstand tussen de extra krachtige brander of wokbrander met aangrenzende keukenmeubels moet minstens 50 mm bedragen. ■De onderkant van het toestel wordt tijdens het gebruik warm. Daarom moet er een beschermplaat aan de onderkant van het toestel worden gemonteerd. Uitbouwen van het apparaatSluit de gastoevoer naar het apparaat haal de stekker van het apparaat uit het stopcontact. U kunt het apparaat uitbouwen door het van beneden naar boven te drukken. Opstelling, gas- en elektrische aansluitingGasaansluitingDe installatie mag alleen door een bevoegde vakman resp. servicetechnicus van de dealer worden uitgevoerd overeenkomstig de in de "Montagehandleiding" aangegeven aanwijzingen. Voor de door de importeur erkende installateur of servicedienstAttentie.
De instelwaarden voor dit apparaat staan op het typeplaatje op de achterzijde van het apparaat aangegeven. De door de fabriek ingestelde gassoort is met een ster (*) gemarkeerd. Wanneer het sterretje naast het opschrift NG staat, dan is het toestel ingesteld op aardgas, bij LPG op vloeibaar gas. Attentie. Controleer vóór de aansluiting van het apparaat of de plaatselijke aansluitvoorwaarden (gassoort en gasdruk) met de instellingen van het apparaat overeenstemmen. Indien veranderingen aan instellingen van het apparaat noodzakelijk zijn, dan moeten deze worden aangebracht met behulp van de aanwijzingen in de "Montagehandleiding". Attentie. Dit apparaat is niet op een verbrandingsgasafvoer aangesloten. Het apparaat moet in overeenstemming met de installatievoorschriften aangesloten en in gebruik genomen worden. Sluit het apparaat niet op een verbrandingsgasafvoer aan.
Alle ventilatievoorschriften moeten in acht genomen worden. Attentie. De gasaansluiting moet via een vaste, niet-flexibele aansluiting (gasleiding) of via een veiligheidsslang worden gerealiseerd. Attentie.
Indien een veiligheidsslang wordt gebruikt, moet er beslist op gelet worden dat de slang niet vastgeklemd of geknikt wordt. De slang mag niet met hete oppervlakken in aanraking komen. Attentie. De gasaansluiting moet over een gemakkelijk toegankelijke afsluitingsvoorziening beschikken. VeiligheidsinstructiesDe nominale bedrijfsdruk van het apparaat bedraagt;voor aardgas (G20) 20 mbar, voor aardgas (G25) 25 mbar, voor LPG (G30) 30 mbar, voor LPG (G31) 37 mbar. Het apparaat mag alleen bij deze drukwaarden gebruikt worden. Alle gegevens op het typeplaatje van uw apparaat hebben betrekking op deze drukwaarden. De fabrikant is niet verantwoordelijk voor resultaten, prestaties of enig risico dat uit het gebruik van dit apparaat met afwijkende waarden resulteert. : Indien de gasdruk in uw gasverzorgingsgebied.
voor aardgas G20 hoger is dan 25 mbar, voor aardgas (G25) hoger dan 30 mbar, voor LPG (G30) hoger dan 36 mbar, en voor LPG (G31) hoger dan 45 mbar, moet u uw apparaat absoluut in combinatie met een geschikte gasregelaar gebruiken. De aansluiting, het onderhoud en de afstelling van de gasregelaar moeten door een erkende installateur worden uitgevoerd. Indien u de gasdruk in uw gasverzorgingsgebied niet weet, kunt u dit bij uw plaatselijke gasleverancier navragen. Storingen in de gasinstallatie / gasgeurWanneer u gas ruikt of storingen in de gasinstallatie vaststelt, moet u:: WAT TE DOEN WANNEER HET NAAR GAS RUIKT. Als er gas vrijkomt, kan dit leiden tot een explosie. Worden er storingen aan de gasinstallatie/ gaslucht geconstateerd■Direct de gastoevoer of het ventiel van de gasfles sluiten. ■Direct open vuur en sigaretten doven.
■Laat het apparaat door een servicedienst plaatsen. Voor de aansluiting is een zekering van 16 A nodig. Het apparaat is geschikt voor een netspanning van 220-240 V. ■Wanneer de netspanning afneemt tot minder dan 180 V, functioneert het elektrische ontstekingssysteem niet meer. ■Wordt het apparaat verkeerd aangesloten, vervalt bij schade de garantieclaim. ■Als de aansluitkabel beschadigd raakt, moet deze door de fabrikant, door de servicedienst of door een erkende monteur worden vervangen. Voor de servicedienstAttentie. De elektrische aansluiting mag alleen door een erkende servicedienst worden uitgevoerd. Neem de voorschriften van de stroomleverancier in acht. Attentie. Het apparaat moet overeenkomstig de specificaties op het typeplaatje worden aangesloten.
17Attentie. De netspanning moet overeenkomen met de spanning op het etiket of typeplaatje. Attentie. Sluit het toestel alleen op een elektrische aansluiting aan die voldoet aan de geldende bepalingen. De contactdoos moet goed toegankelijk zijn om het apparaat indien nodig van het lichtnet te kunnen scheiden. Attentie. Er moet een meerpolige scheidingsinrichting aangebracht zijn. Attentie. Gebruik nooit een verlengkabel of meervoudige stekker. Attentie. Om veiligheidsredenen mag dit apparaat alleen op een geaarde aansluiting worden aangesloten, Wanneer de randaarde-aansluiting niet aan de voorwaarden voldoet, is de bescherming tegen elektrische gevaren niet gegarandeerd. Attentie. Voor de aansluiting van het apparaat moet een kabel van het type H 05 W-F of gelijkwaardig worden gebruikt. Aansluitingen voor modellen met netkabel zonder stekker (optie):Attentie.
Met driepolige kabels uitgeruste apparaten moeten geaard zijn. Verbind de draden volgens de volgende kleurcodering met de netkabel:In het geval dat de netkabel moet worden vervangen: Verbindt de kabel volgens het schema met het apparaat. AansluitsoortenDeze instructies gelden alleen voor de opstelling van het apparaat in landen die op het typeplaatje staan vermeld. Aanwijzing: Indien het apparaat in een land opgesteld, aangesloten en gebruikt moet worden dat niet op het typeplaatje vermeld staat, moet er een installatie- en montagehandleiding worden gebruikt die de gegevens en informatie over de geldige aansluitvoorwaarden van dat betreffende land bevat. Aardgasaansluiting (NG)Bij gebruik van aardgas (NG) vindt de gasaansluiting plaats via een gasleiding of via een veiligheidsslang met een aansluitstuk waarop aan elk einde een schroefdraad zit.
Aansluiting volgens EN ISO 228 G ^ ^ (TS EN ISO 228 G )Aanwijzing: *G ^: EN ISO 228 G^ ^ (TS EN ISO 228 G )Bevestig het van een schroefdraad voorziene aansluitstuk van de gasleiding of veiligheidsslang (met een steeksleutel SW 24) op het aansluitstuk met een nieuwe afdichting en draai deze stevig aan. Voer na de aansluiting een lektest uit. Zie het hoofdstuk “Lektest". Aanwijzing: Bij de aansluiting van het apparaat moet een torsiesleutel worden gebruikt. Aansluiting volgens EN ISO 228 G EN 10226 R^ (TS 61-210 EN 10226 R^ )Aanwijzing: *R ^: EN 10226 R^ (TS 61-210 EN 10226 R^)Bevestig het van een schroefdraad voorziene aansluitstuk van de gasleiding of veiligheidsslang (met een steeksleutel SW 24) op het aansluitstuk met een nieuwe afdichting en draai deze stevig aan. Voer na de aansluiting een lektest uit. Zie het hoofdstuk “Lektest".
18Naar land uitgesplitste aardgasaansluitingen: Aansluiting voor vloeibaar gas (LPG)Attentie. Neem de landspecifieke richtlijnen in acht. Bij gebruik van vloeibaar gas (LPG) vindt de gasaansluiting via een gasslang of via een vaste aansluiting plaats. Bij gebruik van een gasslang moeten volgende maatregelen in acht worden genomen:■Gebruik een veiligheidsslang of kunststofslang (diameter 8 of mm). ■Bevestig deze met een aansluitmechanisme (bijv. een slangenklem) op de gasaansluiting. ■De slang moet kort en volledig lekvrij zijn. De lengte van de slang mag maximaal 1,5 m bedragen. Volg de actuele richtlijnen op. ■De gasslang moet jaarlijks worden vervangen. Monteer de veiligheidsslang en draai deze met een schroefsluiting of slangenklem stevig vast. Voer na de aansluiting een lektest uit. Zie het hoofdstuk “Lektest".
Omzetting naar een andere gassoortTe nemen maatregelenDe omzetting van het apparaat naar een andere gassoort mag uitsluitend door een erkende installateur volgens de instructies in dit handboek worden uitgevoerd. Een verkeerde aansluiting en verkeerde instellingen kunnen ernstige schade aan het apparaat veroorzaken. De fabrikant van het apparaat aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade en storingen die als gevolg hiervan zijn ontstaan. Neem de symbolen op het typeplaatje nauwkeurig in acht. Indien voor uw land geen symbool aanwezig is, moet u zich bij de instellingen houden aan de technische richtlijnen van uw land. Voordat u het apparaat opstelt, moet u bij uw gasleverancier informatie inwinnen over de gassoort en gasdruk. Verzeker u vóór de inbedrijfstelling van het apparaat ervan dat alle instellingen correct zijn uitgevoerd.
), Fabrieksnummer (FD), Noteer in de volgende tabel de standaardinstellingen voor de gassoort/gasdruk alsook de instellingen die na de gasomzetting voor de gassoort/gasdruk gelden. De aan het apparaat uitgevoerde wijzigingen en de soort aansluiting spelen een belangrijke rol met betrekking tot het juiste en veilige gebruik ervan. Naar een andere gassoort omzetten■Het gasaansluitstuk moet vervangen worden. ■De sproeiers van de branders moeten worden vervangen. ■Afhankelijk van de standaardgasinstelling moeten de bypass-sproeiers van de branderkranen óf vervangen óf tot aan de aanslag ingedraaid worden. Op de sproeiers staan getallen die de diameter aangeven. Meer informatie over gassoorten die voor het apparaat geschikt zijn, vindt u in het hoofdstuk “Technische eigenschappen - gas".
19Na de omzetting■Na de omzetting naar een andere gassoort moet een lektest worden uitgevoerd. Zie het hoofdstuk. “Lektest"■Na de omzetting naar een andere gassoort moet het brandgedrag worden gecontroleerd. Zie daartoe het hoofdstuk. “Correct brandgedrag“■Noteer de nieuw ingestelde gassoort en de nieuwe gasdruk in de tabel. Zie het hoofdstuk. “Te nemen maatregelen"Attentie. Na de omzetting naar een andere gassoort moet op de daarvoor bedoelde plaats op het typeplaatje een sticker worden geplakt waarop de gegevens over de gassoort en een ster staan. ABSOLUUT NOODZAKELIJKFunctieonderdelen voor de gasomzettingDe functieonderdelen die volgens deze handleiding voor de gasomzetting nodig zijn, staan hieronder afgebeeld. De juiste sproeierdiameters vindt u in de tabel in het hoofdstuk “Technische eigenschappen - gas". Gebruik altijd nieuwe afdichtingen.
Het te gebruiken gasaansluitstuk kan afhankelijk van de gassoort en landspecifieke bepalingen afwijken. (*) Bij de uitvoering van de gasaansluiting moeten deze functieonderdelen worden gebruikt. Omzetting van aardgas naar vloeibaar gas (LPG)Bij de omzetting van het apparaat van aardgas (NG: 1G20, G25) naar vloeibaar gas (LPG: G30, G31):Bij gebruik van vloeibaar gas (LPG) vindt de gasaansluiting via een gasslang of via een vaste aansluiting plaats. 1. De aardgasadapter op het apparaat moet door een gasaansluitingsslang worden vervangen. Verwijder eerst de veiligheidsslang of de gasleiding, indien aanwezig, van het apparaat. Scheid hiertoe het aansluitstuk met schroefdraad van de gasleiding of van de veiligheidsslang (met een steeksleutel SW 24) van het aansluitstuk op het apparaat (met een steeksleutel SW 24). Afbeelding 1.
Scheid het aansluitstuk (met een steeksleutel SW 24) van het uiteinde van de gasaansluiting (met een steeksleutel SW 22). Afbeelding 2. 2. Plaats de nieuwe afdichting op het aansluitstuk. Let erop dat de afdichting goed op haar plaats zit. 3.
Bevestig het aansluitstuk (met een steeksleutel SW 24) op het uiteinde van de gasaansluiting (met een steeksleutel SW 22). 4. Monteer de veiligheidsslang en draai deze met een schroefsluiting of slangenklem stevig vast. 5. Lees voor de uitvoering van een lektest het hoofdstuk “Lektest" na. Open de gastoevoer. Aanwijzing: Bij de uitvoering van de gasomzetting moet een torsiesleutel worden gebruikt. Bypass-sproeierBrandersproeier(*) Afdichting(*) Aansluitstuk voor aardgas (NG: G20, G25)(TS 61-210 EN 10226 R^)EN 10226 R^(*) Aansluitstuk voor aardgas (NG: G20, G25)(TS EN ISO 228 G^)EN ISO 228 G^(*) Aansluitstuk voor vloeibaar gas (LPG: G30, G31)Gasaansluitstuk6:6:6:6:6:6:/3***1P.
20Omzetting van vloeibaar gas naar aardgasBij de omzetting van het apparaat van vloeibaar gas (LPG: G30, G31) naar aardgas (NG: G20, G25):Bij gebruik van aardgas (NG) vindt de gasaansluiting plaats via een gasleiding of via een veiligheidsslang met een aansluitstuk waarop aan elk einde een schroefdraad zit. Aansluiting volgens EN ISO 228 G^ ^ (TS EN ISO 228 G )1. De aansluitslang op het apparaat moet door een aardgasadapter worden vervangen. Verwijder eerst, indien aanwezig, de veiligheidsslang door de schroefverbinding of de bevestigingsklem los te draaien. Afbeelding 1. Bevestig het aansluitstuk (met een steeksleutel SW 24) op het uiteinde van de gasaansluiting (met een steeksleutel SW 22). Afbeelding 2. 2. Plaats de nieuwe afdichting op het aansluitstuk. Let erop dat de afdichting goed op haar plaats zit. 3.
Bevestig het aansluitstuk (met een steeksleutel SW 24) op het uiteinde van de gasaansluiting (met een steeksleutel SW 22). 4. Bevestig het van een schroefdraad voorziene aansluitstuk van de gasleiding of veiligheidsslang (met een steeksleutel SW 24) op het aansluitstuk met een nieuwe afdichting en draai deze stevig aan. 5. Lees voor de uitvoering van een lektest het hoofdstuk “Lektest" na. Open de gastoevoer. Aanwijzingen■*G : EN ISO 228 G (TS EN ISO 228 G )^ ^ ^■Bij de uitvoering van de gasomzetting moet een torsiesleutel worden gebruikt. Aansluiting volgens EN 10226 R^ ^ (TS 61-210 EN 10226 R )1. De aansluitslang op het apparaat moet door een aardgasadapter worden vervangen. Verwijder eerst, indien aanwezig, de veiligheidsslang door de schroefverbinding of de slangenklem los te draaien. Afbeelding 1.
Bevestig het aansluitstuk (met een steeksleutel SW 24) op het uiteinde van de gasaansluiting (met een steeksleutel SW 22). Afbeelding 2. 2. Plaats de nieuwe afdichting op het aansluitstuk. Let erop dat de afdichting goed op haar plaats zit. 3.
Bevestig het aansluitstuk (met een steeksleutel SW 24) op het uiteinde van de gasaansluiting (met een steeksleutel SW 22). 4. Bevestig het van een schroefdraad voorziene aansluitstuk van de gasleiding of veiligheidsslang (met een steeksleutel SW 24) op het aansluitstuk en draai het stevig aan. 5. Lees voor de uitvoering van een lektest het hoofdstuk “Lektest" na. Open de gastoevoer. Aanwijzingen■*R : EN 10226 R (TS 61-210 EN 10226 R )^ ^ ^■Bij de uitvoering van de gasomzetting moet een torsiesleutel worden gebruikt. 76(1,62*A(1,62*A6:6:6:6:6:*ê1***1P5A76(1(15A6:6:6:6:6:5ê1***1P.
21Brandersproeiers vervangenNadat het gasaansluitstuk van het naar een andere gassoort om te zetten apparaat is vervangen, moeten alle brandersproeiers worden vervangen. Ga als volgt te werk:1. Schakel alle schakelaars op het bedieningspaneel uit. 2. Sluit de gastoevoer. 3. Verwijder de pannendragers en de branderdelen. 4. Verwijder de brandersproeiers (inbussleutel 7). 5. Zie de tabel in het hoofdstuk “Technische eigenschappen - gas" voor de bepaling van de brandersproeiers. Plaats de nieuwe sproeiers in de corresponderende branders. Voer na de vervanging van de sproeiers een lektest uit. Zie het hoofdstuk ". “LektestBypass-sproeiers instellen of vervangenDe bypass-sproeiers regelen de minimale vlamhoogte van de branders. VoorbereidingSluit de gastoevoer. : Gevaar voor elektrische schok. Ontkoppel het apparaat van het lichtnet. 1. Schakel de schakelaars op het bedieningspaneel uit. 2.
Trek alle handgrepen voorzichtig naar boven los. Instellen of vervangen van de bypass-sproeiers bij omzetting van aardgas naar vloeibaar gas:Voor modellen met tweehandsvonkontsteking (met aansteker) (optie):Draai van de kraanopeningen van de kookplaat uit de bypass-sproeiers tot aan de aanslag dicht. De bypass-sproeiers van de branders kunnen ingesteld worden via de kraanopeningen die zichtbaar worden als de bedieningsknoppen van het bedieningspaneel worden losgetrokken. Draai hiertoe met een platte schroevendraaier (nr. 2) de bypass-sproeiers die zich in de kraanopeningen bevinden tot aan de aanslag erin (let erop dat de kabels hierbij niet beschadigd worden). Voor modellen met eenhandsvonkontsteking (met automatische aansteker) (optie):Om bij de bypass-sproeiers te komen, moet de kookplaat verwijderd worden. Lees hiervoor het hoofdstuk “Kookplaat verwijderen" na.
Vervolgens moet de ontstekingsgroep weer worden aangebracht en moet de kookplaat zoals beschreven in het hoofdstuk “ " worden geplaatst. Kookplaat plaatsenInstellen of vervangen van de bypass-sproeiers bij omzetting van aardgas naar vloeibaar gas:Voor modellen met tweehandsvonkontsteking (met aansteker) (optie):Alle bypass-sproeiers van het apparaat moeten worden vervangen. Lees hiervoor het hoofdstuk “Kookplaat verwijderen" na. Vervolgens moeten de instructies in het hoofdstuk “Bypass-sproeiers vervangen" worden uitgevoerd. Volg daarna de instructies op in het hoofdstuk “Kookplaat plaatsen". 6:.
22Voor modellen met eenhandsvonkontsteking (met automatische aansteker) (optie):Alle bypass-sproeiers van het apparaat moeten worden vervangen. Lees hiervoor het hoofdstuk “Kookplaat verwijderen" na. Nadat de kookplaat is verwijderd, moet de ontstekingsgroep op de gaskranen worden verwijderd. Vervolgens moeten de instructies in het hoofdstuk “ " Bypass-sproeiers vervangenworden uitgevoerd. Plaats vervolgens weer de ontstekingsgroep en volg de instructies op in het hoofdstuk “ ". Kookplaat plaatsenKookplaat verwijderen1. Verwijder de pannendragers, de handgrepen en de branderdelen. 2. Draai de branderaansluitingsschroeven op de kookplaat los. 3. Voor modellen met elektrische kookplaat (optie): Draai nadat de branderschroeven zijn losgedraaid de kookplaat om en verwijder de aansluitmoer van de elektrische kookplaat. 4. Houd de kookplaat met beide handen vast en licht deze voorzichtig op.
Bypass-sproeiers vervangen1. Draai de bypass-sproeiers met een platte schroevendraaier (nr. 2) los. Draai de bypass-sproeiers eruit. 2. De nieuwe bypass-sproeiers die u na de omzetting naar een andere gassoort nodig hebt, kunt u met behulp van de tabel bepalen. Zie het hoofdstuk “Technische eigenschappen - gas". 3. Controleer of de afdichtingen van de bypass-sproeiers goed zitten en foutloos functioneren. Gebruik alleen bypass-sproeiers met intacte afdichtingen. 4. Plaats de nieuwe bypass-sproeiers en draai deze stevig aan. Verzeker u ervan dat alle bypass-sproeiers op de juiste afsluitkranen zijn aangesloten. 5. Vervolgens moet nu beslist een lektest worden uitgevoerd. Zie het hoofdstuk. “Lektest"Kookplaat plaatsenVoer de montage in omgekeerde volgorde uit. 1. Let erop dat de kabels niet beschadigd worden en de aansluitingen niet worden gescheiden.
Let erop dat de aansluitingen van het thermo-element en de bougie niet worden beschadigd. 3. Voor modellen met elektrische kookplaat (optie): Draai na bevestiging van de branderschroeven de kookplaat om en monteer de aansluitmoer van de elektrische kookplaat. Na het instellen of vervangen van de bypass-sproeiers1. Plaats de branderkelken in overeenstemming met hun grootte weer terug. Let erop dat de bougie precies in de opening aan de rand van de branderkelk grijpt. Plaats de geëmailleerde branderdeksels (let op de grootte) nauwkeurig op de branderkelken. 2. Plaats de pannendragers weer terug. Let erop dat de pannendrager met een spanwijdte van 80 mm op de hulpbrander wordt geplaatst. 3. Steek de schakelknoppen er weer voorzichtig op. 4. Vervolgens moet nu beslist het brandgedrag van de branders worden gecontroleerd. Zie daartoe het hoofdstuk “Correct brandgedrag“. 5.
23Lektest en functiecontrole: Explosiegevaar. Vermijd vonkvorming. Een open vuur is niet toegestaan. Voer de lektest alleen met een geschikte lekspray uit. Wat te doen bij een gaslekSluit de gastoevoer. Lucht het vertrek goed door. Controleer nog eens de gas- en sproeieraansluitingen. Herhaal de lektest. De lektest moet door twee personen met inachtneming van de volgende instructies worden uitgevoerd. Gasaansluiting controleren1. Open de gastoevoer. 2. Bespuit de gasaansluiting met een lekspray. Indien zich kleine belletjes of schuim vormen, duidt dit op een gaslek. Volg de instructies op in het hoofdstuk “Wat te doen bij een gaslek ". Brandersproeiers controleren1. Open de gastoevoer. Voer de lektest voor elke sproeier afzonderlijk uit. 2. Sluit de opening van de te controleren brandersproeier voorzichtig met een vinger of een geschikt voorwerp. 3. Bespuit de sproeier met een lekspray.
4. Druk de functiekiezer in en draai deze linksom. Hierdoor stroomt er gas naar de sproeier. Indien zich kleine belletjes of schuim vormen duidt dit op een gaslek. Volg de instructies op in het hoofdstuk“Wat te doen bij een gaslek ". Bypass-schroeven controleren1. Open de gastoevoer. Voer de lektest voor elke bypass-schroef afzonderlijk uit. 2. Sluit de opening van de te controleren brandersproeier voorzichtig met een vinger of een geschikt voorwerp. 3. Bespuit de sproeier van de te controleren brander met een lekspray. 4. Druk de schakelknop in en draai deze linksom. Hierdoor stroomt er gas naar de sproeier. Indien zich kleine belletjes of schuim vormen, duidt dit op een gaslek. Volg de instructies op in het hoofdstuk “Wat te doen bij een gaslek ".
Correcte vlamvormingBrandersNa de omzetting naar een andere gassoort moet voor elke brander het brandgedrag en de temperatuurontwikkeling worden gecontroleerd. Vergelijk in geval van een probleem de sproeierwaarden met de waarden in de tabel. Alleen voor modellen zonder ontstekingsbeveiliging1.
Ontsteek de kookplaatbrander zoals beschreven in de handleiding. 2. Controleer het correcte brandgedrag bij de grote en kleine vlam. De vlam moet constant en gelijkmatig branden. 3. Schakel met de branderschakelaar snel heen en weer tussen de grote en kleine vlam. Herhaal deze procedure enkele malen. De gasvlam mag niet doven of flakkeren. Alleen voor modellen met ontstekingsbeveiliging1. Ontsteek de branderschakelaar zoals beschreven in de handleiding. 2. Draai de brander op de kleine vlam. Controleer of de ontstekingsbeveiliging is geactiveerd door de schakelaar ongeveer 1 minuut lang in de stand “kleine vlam" te houden. 3. Controleer het correcte brandgedrag bij de grote en kleine vlam. De vlam moet constant en gelijkmatig branden. 4. Schakel met de branderschakelaar snel heen en weer tussen de grote en kleine vlam. Herhaal deze procedure enkele malen.
Heb je hulp nodig?
Als je hulp nodig hebt met Belion GK604ZB10 stel dan hieronder een vraag en andere gebruikers zullen je antwoorden
Handleiding Fornuis Belion
Handleiding Fornuis
Nieuwste handleidingen voor Fornuis